|
BESLUIT van 6 oktober 1994, houdende herziening van
het Besluit woninggebonden subsidies
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 31 maart 1994, nr. MJZ31394008, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 67, 70, 78, 81, 82, 84 en
88 van de Woningwet en artikel 18 van de Financiële-Verhoudingswet
1984;
Gezien het advies van de Raad voor de
Volkshuisvesting van 20 december 1993, nr. 216;
De Raad van State gehoord (advies van 18 juli
1994, nr. W08.94.0206;
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 29 september 1994, nr. MJZ 29994011, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. rechtstreekse regio: regio genoemd in bijlage 2, tabel A,
kolom 1;
b. niet-rechtstreekse regio: regio genoemd in bijlage 2, tabel
B, kolom 2;
c. tijdvak: periode die begint op 1 januari 2005 en eindigt op
31 december 2009;
d. convenant woningbouwafspraken: convenant waarin afspraken
zijn opgenomen tussen Onze Minister, een rechtstreekse regio en de
provincie waarin het grondgebied van die rechtstreekse regio is
gelegen, respectievelijk tussen Onze Minister en een provincie,
omtrent de realisatie en subsidiëring van de bouw van woningen op
het gebied van die rechtstreekse regio, respectievelijk op het
gebied van de in die provincie gelegen niet-rechtstreekse regio’s;
e. toevoeging aan de woningvoorraad: elke door nieuwbouw en
door toevoeging anderszins gerealiseerde en gereedgemelde woning;
f. eigenbouw: hetgeen het Centraal bureau voor de statistiek in
de door dat bureau opgestelde woningstatistieken verstaat onder:
andere particuliere opdrachtgevers;
g. drempelpercentage: percentage van de toevoegingen aan de
woningvoorraad in enig kalenderjaar, dat wordt gebruikt voor de
berekening van het drempelaantal;
h. drempelaantal: gedeelte van het aantal door eigenbouw nieuw
gebouwde woningen, berekend met behulp van een van de in kolom 4
van bijlage 2 bij dit besluit opgenomen drempelpercentages;
i. subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaalde
periode ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van
subsidies krachtens dit besluit;
j. centrumgemeente: als zodanig in bijlage 1 bij dit besluit
aangemerkte gemeente;
k. ontvanger: rechtstreekse regio of provincie waaraan subsidie
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verleend;
l. woningtekort: het in procenten uitgedrukte tekort aan
woningen;
m. PRIMOS 2003: Prognose-, Informatie- en Monitoringsysteem
2003, ABF Research, Delft, november 2003.
2.De gegevens omtrent de gerealiseerde aantallen eigenbouw en de
gerealiseerde toevoegingen aan de woningvoorraad worden ontleend aan
de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde
woningstatistieken.
Artikel 2
1.Onze Minister kan een rechtstreekse regio of een provincie
waarmee hij een convenant woningbouwafspraken heeft gesloten subsidie
verlenen ten behoeve van:
a. toevoegingen aan de woningvoorraad, en
b. het realiseren van eigenbouw.
2.Een provincie besteedt de haar ingevolge het eerste lid verleende
subsidie uitsluitend aan het verlenen van subsidie aan de in die
provincie gelegen niet-rechtstreekse regio’s, of aan de in bijlage 1
bij dit besluit onder die regio’s genoemde gemeenten, en verleent
die subsidie slechts ten behoeve van de doeleinden, genoemd in het
eerste lid, onder a en b.
3.Een regio besteedt de haar ingevolge het eerste of tweede lid
verleende subsidie uitsluitend aan het verlenen van subsidie aan de in
bijlage 1 bij dit besluit onder die regio genoemde gemeenten, en
verleent die subsidie slechts ten behoeve van de doeleinden, genoemd
in het eerste lid, onder a en b.
4.De bijlagen 1 en 2 bij dit besluit kunnen bij ministeriële
regeling worden gewijzigd.
5.Onze Minister berekent, uitgaande van de bestuurlijke indeling
per 1 januari 2004, op basis van PRIMOS 2003, per rechtstreekse regio
en provincie, alsmede voor de rechtstreekse regio’s en provincies
gezamenlijk, het aantal in het tijdvak aan de woningvoorraad toe te
voegen woningen dat nodig is om het op voet van PRIMOS 2003 berekende
woningtekort per 1 januari 2010 te verminderen tot een woningtekort
dat ligt op een door Onze Minister per rechtstreekse regio en
provincie, alsmede voor de rechtstreekse regio’s en provincies
gezamenlijk, te bepalen niveau.
Hoofdstuk 2. Het convenant woningbouwafspraken
Artikel 3
Een convenant woningbouwafspraken vermeldt in elk geval:
a. het tijdvak;
b. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het
tijdvak;
c. het drempelpercentage;
d. de planning van het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad
in ieder afzonderlijk kalenderjaar van het tijdvak;
e. het aantal woningen dat aan de woningvoorraad toegevoegd had
moeten zijn op voet van een uitvoeringscontract of
ontwikkelingscontract als bedoeld in artikel 5, respectievelijk
artikel 6a, van het Besluit locatiegebonden subsidies, maar niet is
toegevoegd en alsnog in het tijdvak dient te worden toegevoegd;
f. de wijze waarop het convenant kan worden gewijzigd indien
omstandigheden een dergelijke wijziging noodzakelijk maken;
g. het subsidiebedrag dat het Rijk beschikbaar heeft voor de
afgesproken toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het
tijdvak, en
h. het per 1 januari 2010 na te streven woningtekort, bedoeld in
artikel 2, vijfde lid.
Artikel 4
1.Een convenant woningbouwafspraken met een rechtstreekse regio
wordt in elk geval ondertekend door of namens:
a. het dagelijks bestuur van die regio;
b. gedeputeerde staten van de provincie waarin die regio is
gelegen;
c. burgemeester en wethouders van de in die regio gelegen
centrumgemeenten, en
d. Onze Minister.
2.Een convenant woningbouwafspraken met een provincie wordt in elk
geval ondertekend door of namens:
a. gedeputeerde staten van die provincie;
b. burgemeester en wethouders van de in de betrokken regio’s
gelegen centrumgemeenten, en
c. Onze Minister.
Hoofdstuk 3. Subsidieplafonds
Artikel 5
1.Het plafond voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad gedurende de jaren 2005 tot en met 2010 bedraagt €
607 miljoen.
2.Het plafond voor de subsidies ten behoeve van het realiseren van
eigenbouw gedurende de jaren 2005 tot en met 2010 bedraagt € 34,5
miljoen.
3.Het plafond voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad per rechtstreekse regio gedurende het tijdvak, is het
bedrag, genoemd in bijlage 2, tabel A, kolom 2, bij dit besluit.
4.Het plafond voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad per provincie gedurende het tijdvak, is het bedrag,
genoemd in bijlage 2, tabel B, kolom 3, bij dit besluit.
Hoofdstuk 4. De subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw
Artikel 6
1.Na afloop van elk kalenderjaar van het tijdvak waarin het aantal
door eigenbouw nieuw gebouwde woningen dat op het grondgebied van een
ontvanger is toegevoegd aan de woningvoorraad hoger is dan het op het
grondgebied van die ontvanger betrekking hebbende drempelaantal,
verleent Onze Minister een subsidie van € 1.600,– vermenigvuldigd
met het aantal door eigenbouw aan de woningvoorraad toegevoegde nieuw
gebouwde woningen dat uitstijgt boven dat drempelaantal, zolang en
voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid,
dat toelaten.
2.Na afloop van elk kalenderjaar van het tijdvak, voor het eerst na
afloop van het jaar 2007, waarin het aantal door eigenbouw nieuw
gebouwde woningen dat op het grondgebied van een in bijlage 1 bij dit
besluit genoemde gemeente is toegevoegd aan de woningvoorraad hoger is
dan het voor die gemeente met behulp van het betreffende regionale
drempelpercentage berekende gemeentelijke drempelaantal, verleent Onze
Minister een subsidie van € 1.600,– vermenigvuldigd met het aantal
door eigenbouw aan de woningvoorraad toegevoegde nieuw gebouwde
woningen dat uitstijgt boven dat drempelaantal, alsmede een subsidie
van € 800,– vermenigvuldigd met dat drempelaantal, zolang en
voorzover na toepassing van het eerste lid de beschikbare middelen,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, dat toelaten.
3.De subsidies, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
verleend in volgorde van de datum van gereedmelding in het betreffende
kalenderjaar, welke datum wordt ontleend aan de door het Centraal
bureau voor de statistiek terzake opgestelde woningstatistieken.
4.De subsidies, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
verleend en als voorschot verleend binnen twee maanden na de datum
waarop de woningstatistieken, bedoeld in het tweede lid, zijn
bekendgemaakt. Het voorschot wordt betaald binnen de termijn, genoemd
in de eerste volzin.
5.De ingevolge het tweede lid verleende subsidie wordt door de
ontvanger binnen vier weken na ontvangst daarvan doorbetaald aan de
betreffende gemeente.
6.Van de termijn, genoemd in het vierde lid, kan worden afgeweken
indien rijksbudgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 7
1. De subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw over
het tijdvak wordt vastgesteld binnen zes maanden na ontvangst van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16.
2. Het bedrag van de subsidie over het tijdvak wordt vastgesteld op
het bedrag van de som van de per kalenderjaar verleende subsidies met
betrekking tot het tijdvak.
3. In afwijking van het tweede lid kan de subsidie lager worden
vastgesteld indien:
a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel
waarvoor zij is verleend;
b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
geheel hebben plaatsgevonden;
c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
verbonden verplichtingen;
d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger
dit wist of behoorde te weten.
Hoofdstuk 5. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad
Artikel 8
1. Onze Minister verleent bij wijze van voorschot in elk
kalenderjaar van het tijdvak binnen twee maanden na de bekendmaking
van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde
woningstatistieken over het voorgaande kalenderjaar, aan de
rechtstreekse regio’s en de provincies subsidie ten behoeve van
toevoegingen aan de woningvoorraad. Het voorschot wordt betaald binnen
de termijn, genoemd in de eerste volzin.
2. De subsidie en het voorschot, bedoeld in het eerste lid,
bedraagt het bedrag per woning, vermenigvuldigd met 65% van het aantal
voor dat kalenderjaar in het betreffende convenant woningbouwafspraken
genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief
de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.
3. Het bedrag per woning, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend
door het in bijlage 2, tabel A, kolom 2, en tabel B, kolom 3, bij die
rechtstreekse regio of provincie genoemde subsidieplafond te delen
door het in die bijlage, tabel A, kolom 3 en tabel B, kolom 4, bij die
rechtstreekse regio of provincie genoemde aantal toevoegingen aan de
woningvoorraad.
4. De subsidies, bedoeld in dit artikel, worden slechts verleend
voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, derde en
vierde lid, dat toelaten.
Artikel 9
1.Indien door een ontvanger in enig kalenderjaar van het tijdvak
minder woningen aan de woningvoorraad zijn toegevoegd dan 65% van het
voor dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde
aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de
woningen, bedoeld in artikel 3, onder e, bericht die ontvanger zo
spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister het aantal in dat
kalenderjaar aan de woningvoorraad toegevoegde woningen, vergezeld van
de redenen die hebben geleid tot de opgetreden achterstand.
2.Onze Minister kan, indien blijkens de woningstatistieken, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, in enig kalenderjaar van het tijdvak minder
woningen zijn toegevoegd dan de in het eerste lid bedoelde 65%, in
afwijking van artikel 8, eerste en tweede lid, voor het daarop
volgende kalenderjaar de verlening van de subsidie geheel of
gedeeltelijk weigeren.
Artikel 10
1. Onze Minister verleent bij wijze van voorschot na afloop van elk
kalenderjaar van het tijdvak binnen twee maanden na de bekendmaking
van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde
woningstatistieken over dat kalenderjaar, subsidie ten behoeve van
toevoegingen aan de woningvoorraad, indien blijkens die
woningstatistieken door een ontvanger in dat kalenderjaar meer
woningen aan de woningvoorraad zijn toegevoegd dan 65% van het voor
dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal
aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen,
bedoeld in artikel 3, onder e. Het voorschot wordt betaald binnen de
termijn, genoemd in de eerste volzin.
2. De subsidie en het voorschot, bedoeld in het eerste lid,
bedraagt het bedrag per woning, berekend overeenkomstig artikel 8,
derde lid, vermenigvuldigd met het aantal woningen boven het aantal
van 65% van het voor dat voorafgaande kalenderjaar in het convenant
woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te
voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.
3. Indien het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad, bedoeld in
het eerste lid, meer bedraagt dan 100% van het voor dat kalenderjaar
in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de
woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld
in artikel 3, onder e, wordt voor dat meerdere boven 100% slechts een
voorschot uitbetaald voorzover de rijksbegroting dat toelaat na
betaling van de voorschotten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en
artikel 10, eerste lid, voorzover de voorschotten, bedoeld in
laatstgenoemd artikellid het meerdere betreffen tussen de 65% en 100%
van het voor dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken
genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief
de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.
4. De subsidies, bedoeld in dit artikel, worden slechts verleend
voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, derde en
vierde lid, dat toelaten.
Artikel 11
Onze Minister kan afwijken van de termijnen met betrekking tot de
betaling van de voorschotten, bedoeld in de artikelen 8 en 10, indien
rijksbudgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 12
1.Indien een regio in enig jaar van het tijdvak niet het in het
convenant woningbouwafspraken overeengekomen aantal woningen aan de
voorraad toevoegt, blijft de als gevolg daarvan niet verleende
subsidie tot en met 2011 beschikbaar voor de subsidiëring van die
toevoegingen op een later tijdstip, mits dat tijdstip is gelegen
vóór 1 januari 2011.
2.In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister, na overleg met
de betrokken regio, besluiten de subsidiegelden, bedoeld in dat lid,
ten behoeve van toevoegingen aan de voorraad in een andere regio in te
zetten.
Artikel 13
1. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad
over het tijdvak wordt vastgesteld binnen zes maanden na ontvangst van
de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16.
2. Het bedrag van de subsidie over het tijdvak wordt vastgesteld op
het bedrag per woning berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid,
vermenigvuldigd met het blijkens het eindrapport in het tijdvak
gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad.
3. In afwijking van het tweede lid kan de subsidie lager worden
vastgesteld indien:
a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel
waarvoor zij is verleend;
b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
geheel hebben plaatsgevonden;
c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
verbonden verplichtingen;
d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger
dit wist of behoorde te weten.
Hoofdstuk 6. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010 en de subsidie ten behoeve van het realiseren van
eigenbouw in 2010
Artikel 14
1. Na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 16 van een rechtstreekse regio of provincie, stelt Onze
Minister met betrekking tot die regio of provincie vast in hoeverre
het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak is
achtergebleven bij de aantallen die voor die regio of provincie zijn
opgenomen in bijlage 2, tabel A, kolom 3, respectievelijk tabel B,
kolom 4 van die bijlage.
2. Indien in de rechtstreekse en niet-rechtstreekse regio’s
gezamenlijk sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de
woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die
regio’s gezamenlijk berekende woningtekort per 1 januari 2010,
gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio’s, ten
hoogste 2% bedraagt, en indien in een zodanige regio op 1 januari 2010
sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in
het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende
woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in
het tijdvak in die regio, minder dan een half procentpunt hoger is dan
het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, kan Onze Minister die
regio of de provincie waarin die regio is gelegen, subsidie verlenen
voor toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 voor ten hoogste het
aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het
woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3,
onder h, en uitsluitend voorzover:
a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010, en
b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
dat toelaten.
3. Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake
is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het
tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende
woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in
het tijdvak in die regio, een half procentpunt of meer, maar minder
dan een heel procentpunt, hoger is dan het woningtekort, bedoeld in
artikel 3, onder h, gaat Onze Minister in overleg met de bij het
betreffende convenant woningbouwafspraken betrokken partijen na wat de
oorzaken zijn die tot een zodanig lage woningproductie in het tijdvak
hebben geleid dat een dergelijk woningtekort heeft kunnen ontstaan, en
wat de vooruitzichten zijn voor de woningproductie in het jaar 2010 in
die regio. Afhankelijk van in ieder geval de aard van die oorzaken en
van die vooruitzichten, neemt Onze Minister een beslissing over het al
dan niet verlenen van subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010. Indien een subsidie als bedoeld in de tweede
volzin wordt verleend, wordt die subsidie verleend voor ten hoogste
het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het
woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3,
onder h, en uitsluitend voorzover:
a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010, en
b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
dat toelaten.
4. Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake
is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het
tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende
woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in
het tijdvak in die regio, een heel procentpunt of meer hoger is dan
het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, wordt geen subsidie
ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 verleend.
5. Op verleende subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010 worden geen voorschotten verleend, anders dan
reeds verleende voorschotten op subsidies voor toevoegingen aan de
woningvoorraad gedurende het tijdvak die niet zijn gerealiseerd en die
op basis van artikel 18 voor terugvordering in aanmerking komen.
6. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad
in 2010 wordt vastgesteld binnen zes maanden na het verstrekken van de
verantwoordingsinformatie bedoeld in artikel 16.
7. Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag per
woning, berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, vermenigvuldigd
met het blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16,
in 2010 gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad,tot
ten hoogste het bedrag van de verleende subsidie.
8. In afwijking van het zevende lid kan de subsidie lager worden
vastgesteld indien:
a. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
b. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger
dit wist of behoorde te weten.
Artikel 15
1.Indien op voet van artikel 14, tweede of derde lid, door Onze
Minister ruimte is gegeven voor toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010, verleent Onze Minister voor die toevoegingen subsidie voor het
realiseren van eigenbouw in 2010, voorzover de beschikbare middelen,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, dat toelaten.
2.Artikel 6, eerste, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3.De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in
volgorde van de datum van gereedmelding in 2010. Die datum wordt
ontleend aan de door het Centraal bureau voor de statistiek terzake
opgestelde woningstatistieken.
4.De subsidie wordt verleend en vastgesteld binnen zes maanden na
ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16.
5.In afwijking van artikel 6, eerste en tweede lid, kan de subsidie
lager worden vastgesteld indien:
a. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
b. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger
dit wist of behoorde te weten.
Hoofdstuk 7. De verantwoordingsinformatie
Artikel 16
Een ontvanger verstrekt jaarlijks voor 15 juli
verantwoordingsinformatie aan Onze Minister op de wijze, bedoeld in
artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.
Artikel 17
1.Indien de in artikel 16 bedoelde termijn voor indiening van de
verantwoordingsinformatie is verstreken zonder dat de
verantwoordingsinformatie door de ontvanger is verstrekt, kan Onze
Minister, in afwijking van artikel 7, tweede lid, de verlening van de
subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw intrekken of die
subsidie lager vaststellen dan het bedrag bedoeld in dat artikellid.
2.Indien de in artikel 16 bedoelde termijn voor indiening van de
verantwoordingsinformatie is verstreken zonder dat de
verantwoordingsinformatie door de ontvanger is verstrekt, kan Onze
Minister, in afwijking van artikel 13, tweede lid, en artikel 14,
zevende lid, de verlening van de subsidie ten behoeve van de
toevoegingen aan de woningvoorraad intrekken of die subsidie
ambtshalve vaststellen.
3.Onze Minister gaat niet over tot intrekking, lagere vaststelling
of ambtshalve vaststelling van een subsidie op voet van dit besluit,
dan nadat de ontvanger in de gelegenheid is gesteld de
verantwoordingsinformatie te verstrekken binnen een door Onze Minister
te bepalen termijn.
Artikel 18
Ten onrechte betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden
teruggevorderd, voorzover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld
nog geen vijf jaren zijn verstreken. Bij de terugvordering kan worden
bepaald dat over de ten onrechte betaalde bedragen een rentevergoeding
verschuldigd is.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
Een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit tussen Onze
Minister en een rechtstreekse regio of een provincie gesloten
overeenkomst met betrekking tot de bouw van woningen in het tijdvak,
staat gelijk aan een convenant woningbouwafspraken als bedoeld in
artikel 2, indien die overeenkomst in elk geval datgene omvat wat een
convenant woningbouwafspraken ingevolge artikel 3 omvat.
Artikel 20
1.Het Besluit locatiegebonden subsidies wordt ingetrokken.
2.Het Besluit locatiegebonden subsidies zoals dat luidde op de
datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op de
gevallen waarin de VINEX-eindverantwoording op die datum nog niet is
uitgebracht, alsmede op de gevallen waarin die eindverantwoording
aanleiding geeft tot het intrekken of ten nadele van de ontvanger
wijzigen van de op basis van dat besluit verleende subsidie.
3.Artikel 34 van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 vervalt.
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag die twee maanden
ligt na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt, met uitzondering van artikel 20, derde lid, terug
tot en met 1 januari 2005.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit locatiegebonden subsidies
2005.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad wordt geplaatst.
's-Gravenhage, 6 oktober 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
D.K.J. Tommel
Uitgegeven de achttiende
oktober 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage 1 bij het besluit locatiegebonden
subsidies 2005
Lijst van regio’s en gemeenten in die
regio’s
De onderstreepte gemeenten zijn de
centrumgemeenten in de regio.
Provincie Groningen
Niet-rechtstreekse regio
Samenwerkingsverband regiovisie Groningen-Assen:
Bedum, Ten Boer, Groningen, Haren,
Hoogezand-Sappemeer, Leek, Slochteren, Winsum, Zuidhorn (Dr), Assen (Dr),
Noordenveld (Dr), Tynaarlo (Dr)
Provincie Friesland (Fryslân)
Niet-rechtstreekse regio Leeuwarden:
Boarnsterhim, Leeuwarden, Leeuwarderadeel,
Menaldumadeel, Littenseradiel, Tytsjerksteradiel.
Provincie Drenthe
Niet-rechtstreekse regio Emmen:
Emmen.
Provincie Overijssel
Rechtstreekse regio Twente:
Almelo, Borne, Enschede, Hengelo (Ov.),
Wierden, Dinkelland, Hof van Twente, Haaksbergen, Hellendoorn, Losser,
Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Neede (Gld).
Niet-rechtstreekse regio Zwolle-Kampen:
Zwolle, Kampen
Provincie Gelderland
Niet-rechtstreekse regio Stedendriehoek:
Deventer (Ov.), Apeldoorn, Voorst,
Zutphen, Gorssel, Brummen
Rechtstreekse regio Knooppunt
Arnhem-Nijmegen:
Arnhem, Beuningen, Duiven, Heumen,
Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Westervoort, Wijchen, Angerlo, Didam,
Doesburg, Groesbeek, Millingen aan de Rijn, Renkum, Rijnwaarden, Rheden,
Rozendaal, Ubbergen, Zevenaar, Mook en Middelaar (Lim).
Provincie Utrecht
Rechtstreekse regio Bestuur Regio Utrecht
(BRU):
De Bilt, Bunnik, Houten, Maarssen,
Driebergen-Rijsenburg, Utrecht, IJsselstein, Nieuwegein, Vianen, Zeist.
Niet-rechtstreekse regio Amersfoort:
Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes,
Leusden, Soest, Woudenberg.
Provincie Noord-Holland
Rechtstreekse regio Regionaal Orgaan
Amsterdam (ROA):
Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster,
Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel,
Purmerend, Uithoorn, Zeevang, Zaanstad, Waterland, Wormerland.
Niet-rechtstreekse regio Haarlem:
Bennebroek, Bloemendaal, Haarlem,
Haarlemmerliede c.a., Heemstede, Zandvoort, Velsen, Beverwijk,
Heemskerk, Uitgeest, Castricum.
Niet-rechtstreekse regio Alkmaar:
Alkmaar, Graft-De Rijp, Bergen,
Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk, Schermer.
Niet-rechtstreekse regio Hilversum:
Blaricum, Bussum, Wijdemeren, Hilversum,
Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp.
Provincie Zuid-Holland
Rechtstreekse regio Haaglanden:
Delft, ’s-Gravenhage,
Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar,
Zoetermeer, Westland, Midden-Delftland.
Rechtstreekse regio Stadregio Rotterdam (SRR):
Barendrecht, Bergschenhoek, Berkel en
Rodenrijs, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis,
Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Bernisse, Ridderkerk, Rotterdam,
Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Albrandswaard, Westvoorne, Vlaardingen.
Niet-rechtstreekse regio Stedelijk gebied
Drechtsteden:
Hendrik-Ido-Ambacht, Zwijndrecht,
Sliedrecht, Alblasserdam, Papendrecht, Dordrecht.
Niet-rechtstreekse regio Stedelijk gebied
Holland Rijnland:
Alkemade, Hillegom, Katwijk, Leiden,
Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnsburg,
Sassenheim, Valkenburg, Voorhout, Voorschoten, Warmond, Zoeterwoude.
Provincie Zeeland
Niet-rechtstreekse regio Middelburg
Vlissingen:
Middelburg, Vlissingen.
Provincie Noord-Brabant
Rechtstreekse regio Samenwerkingsverband
regio Eindhoven (SRE):
Eindhoven, Helmond, Veldhoven, Best,
Geldrop-Mierlo, Nuenen c.a., Son en Breugel, Valkenswaard, Waalre,
Laarbeek, Asten, Deurne, Eersel, Oirschot, Someren, Gemert-Bakel,
Heeze-Leende, Reusel De Mierden, Bergeijk, Bladel, Cranendonck.
Niet-rechtstreekse regio Breda-Tilburg:
Breda, Etten-Leur, Oosterhout, Goirle,
Tilburg, Dongen, Gilze en Rijen.
Niet-rechtstreekse regio Waalboss:
Waalwijk, ’s-Hertogenbosch, Heusden,
Vught, Oss, Maasdonk, Bernheze, Loon op Zand.
Provincie Limburg
Niet-rechtstreekse regio Heerlen:
Landgraaf, Brunsum, Heerlen, Kerkrade.
Niet-rechtstreekse regio Geleen-Sittard:
Sittard-Geleen.
Niet-rechtstreekse regio Venlo:
Venlo.
Niet-rechtstreekse regio Maastricht:
Maastricht, Eijsden.
Provincie Flevoland
Niet-rechtstreekse regio Almere-Lelystad
Almere, Lelystad.
Bijlage 2 bij het besluit locatiegebonden
subsidies 2005
Tabel A. Rechtstreekse regio’s
| Kolom
1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
Kolom 4 |
|
Regio |
Subsidieplafonds in
€ |
Aantal toevoegingen
aan de woningvoorraad waarvoor subsidie beschikbaar is |
Drempelpercentage |
|
Twente1 |
17.935.775 |
9.515 |
25,9 |
|
Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) |
52.729.135 |
24.591 |
15,3 |
|
Bestuur Regio Utrecht (BRU) |
63.263.557 |
23.695 |
2,6 |
|
Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) |
116.210.667 |
43.000 |
4,2 |
|
Haaglanden2 |
54.638.392 |
34.000 |
2,6 |
|
Stadsregio Rotterdam3 (SRR) |
73.342.097 |
36.450 |
5,3 |
|
Samenwerkingsverband Regio
Eindhoven (SRE) |
18.820.312 |
15.735 |
22,9 |
Tabel B. Niet-rechtstreekse regio’s
| Kolom
1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
Kolom 4 |
Kolom 5 |
|
Provincie |
Regio |
Subsidieplafonds in
€ |
Aantal toevoegingen
aan de woningvoorraad waarvoor subsidie beschikbaar is |
Drempelpercentage |
|
Groningen |
Samenwerkingsverband Regiovisie
Groningen-Assen |
33.107.572 |
22.113 |
16,3 |
|
Friesland |
Leeuwarden |
3.180.000 |
5.300 |
21,8 |
|
Drenthe |
Emmen |
1.265.306 |
1.721 |
31,1 |
|
Overijssel |
Stedelijke Regio Zwolle-Kampen |
4.337.777 |
4.690 |
4,0 |
|
Gelderland |
Stedelijke Regio Stedendriehoek |
11.177.642 |
7.107 |
12,3 |
|
Utrecht |
Stedelijke Regio Amersfoort |
8.551.043 |
5.858 |
6,9 |
|
Noord-Holland1[4] |
Stedelijke Regio Haarlem
Stedelijke Regio Alkmaar
Stedelijke Regio Hilversum |
36.388.195 |
26.000 |
8,8
10,2
8,3 |
|
Zuid-Holland2[5] |
Stedelijke Gebied Holland Rijnland
Stedelijke Gebied Drechtsteden |
24.081.186
9.019.738 |
14.620
5.476 |
7,5
3,2 |
|
Zeeland3[6] |
Stedelijke Regio
Middelburg-Vlissingen |
5.839.983 |
3.000 |
14,0 |
|
Noord-Brabant |
Stedelijke Regio Breda-Tilburg
Stedelijke Regio Waalboss |
27.597.657 |
23.230 |
12,0 |
|
Limburg |
Stedelijke Regio Venlo
Stedelijke Regio Geleen-Sittard
Stedelijke Regio Heerlen
Stedelijke Regio Maastricht |
9.356.496 |
5.910 |
12,0 |
|
Flevoland |
Almere–Lelystad4[7] |
|
|
5,4 |
Tabel C. Totaal Tabel A + Tabel B
| Kolom
1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
Kolom 4 |
Kolom 5 |
| |
|
Subsidieplafonds in
€ |
Aantal toevoegingen
aan de woningvoorraad waarvoor subsidie beschikbaar is |
Drempel percentage |
|
Totaal |
|
570.842.528 |
312.011 |
|
Bijlage 3 [Vervallen per 12-09-2007]
Bijlage 4 [Vervallen per 12-09-2007]
Bijlage 5 [Vervallen per 12-09-2007]
|