| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Invorderingswet 1990
(Iw 1990)
UITVOERINGSBESLUIT
INVORDERINGSWET 1990
Tekst zoals deze geldt op
29 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 30 mei 1990, houdende het
uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 maart 1989, nr.
WDB89/106, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving
Directe Belastingen;
Gelet op de artikelen 25, derde lid, 28, tweede
lid, en 36, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (Stb. 1990,
221);
De Raad van State gehoord (advies van 19 juli
1989, nr. W06.89 0153);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 18 mei 1990, nr. WDB 90/273,
Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe
Belastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Algemeen
Artikel 1
1.Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 15, 28, 36 en 36b
van de Invorderingswet 1990.
2.Dit besluit verstaat hierna onder wet: de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk I. Versnelde tenuitvoerlegging dwangbevel
Artikel 2
Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet vindt
toepassing:
a. met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in
artikel 9, achtste lid, van de wet, ingeval een dwangbevel terstond
na het opleggen van die aanslag wordt uitgevaardigd;
b. in situaties als bedoeld in artikel 10 van de wet indien in
het kader van een actie gericht op de toepassing en handhaving van
de wet of de belastingwet, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op de uren
en dagen, bedoeld in artikel 64, eerste en tweede lid, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
1°. bekend wordt dat een belastingaanslag aan de
belastingschuldige wordt opgelegd ter zake waarvan terstond een
dwangbevel wordt uitgevaardigd, of
2°. een vermogensbestanddeel van de belastingschuldige aan
wie reeds een dwangbevel is betekend, wordt aangetroffen.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk II. Renteberekening
Artikel 6
1. Indien het krachtens artikel 25, vijfde, zesde of achtste lid,
van de wet verleende uitstel wordt beëindigd, wordt invorderingsrente
berekend met ingang van de dag waarop zes weken zijn verstreken na de
eerste dag van het jaar volgend op het jaar waarin zich de handeling
of gebeurtenis voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd.
2. Indien het krachtens artikel 25, negende, elfde of zeventiende
tot en met negentiende lid, van de wet verleende uitstel wordt
beëindigd, wordt invorderingsrente berekend met ingang van de dag
volgende op de dag waarop zich de omstandigheid voordoet op grond
waarvan het uitstel wordt beëindigd.
Hoofdstuk III. Meldingsregeling bestuurdersaansprakelijkheid
Artikel 7
1.De mededeling, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet,
wordt gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde
belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge artikel 19
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 89, tweede, derde
of vierde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag of artikel 21
van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
enkele andere produkten.
2.In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag
die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde
belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan
wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die
omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het
lichaam, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan
uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag.
3.Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die
ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is
afgedragen of voldaan of niet is betaald.
Artikel 7a
1.De mededeling bedoeld in artikel 36b, tweede lid, in verbinding
met artikel 36, tweede lid, van de wet wordt gedaan uiterlijk twee
weken na de dag waarop ingevolge de in artikel 49, eerste lid, tweede
volzin, bedoelde beschikking de aansprakelijkheidsschuld had moeten
zijn voldaan.
2.Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die
ertoe hebben geleid dat de aansprakelijkheidsschuld niet is voldaan.
Artikel 8
Het lichaam dat de mededeling, bedoeld in artikel 7 of artikel 7a,
doet, is gehouden aan de ontvanger:
a. de door deze gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken
die voor de vaststelling van de oorzaak van de betalingsonmacht, of
voor de bepaling van de financiële positie van het lichaam van
belang kunnen zijn;
b. boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan - zulks ter keuze van de ontvanger - waarvan de raadpleging
van belang kan zijn voor de vaststelling van de oorzaak van de
betalingsonmacht, of voor de bepaling van de financiële positie van
het lichaam, desgevraagd voor dit doel beschikbaar te stellen.
Artikel 9
1. Aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8, dient binnen een
door de ontvanger te stellen redelijke termijn te worden voldaan.
2. De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere
wijze, zulks ter keuze van de ontvanger.
3. Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar
gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
Hoofdstuk IV. Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 10
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 1990.
2. Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
Invorderingswet 1990.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 30 mei 1990
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de eenendertigste mei 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|