| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kadasterwet
KADASTERBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 6 november 1991, houdende vaststelling van
het Kadasterbesluit
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 24 januari 1991, nr. MJZ24191041, Centrale
Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze
Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 2, 45, 56, 57, derde lid,
59, tweede lid, 64, eerste lid, 65, eerste lid, 67, eerste lid, 70,
eerste lid, 73, eerste, tweede en vierde lid, 74, eerste lid, 75, eerste
lid, 87, vierde lid, 89, tweede lid, 91, 94, vierde lid, 96, tweede lid,
98, 102, derde lid, en 105, eerste en tweede lid, van de Kadasterwet (Stb.
1991, 570);
De Raad van State gehoord, advies van 13
augustus 1991, nr. W08.91.0049;
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 29 oktober 1991, nr. MJZ 29o91014, Centrale Directie
Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze
Minister van Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. de wet: de Kadasterwet;
b. stukidentificatienummer: stukidentificatienummer als bedoeld
in artikel 11c, eerste lid, van de wet;
c. netwerk: net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen,
bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen,
van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond is of
wordt aangelegd.
Artikel 2
1. Onroerende zaken worden kadastraal aangeduid door vermelding
van achtereenvolgens de kadastrale gemeente en sectie, waarin de
percelen en gedeelten van percelen zijn gelegen waarvan het
grondgebied tot die zaak behoort, alsmede de nummers van die percelen.
Voor een onroerende zaak die zich krachtens een opstalrecht op, in of
boven de grond van een ander bevindt, geldt dezelfde kadastrale
aanduiding als van de onroerende zaak die met dat opstalrecht is
bezwaard. De tweede zin is van overeenkomstige toepassing op een
onroerende zaak die zich op, in of boven de grond van een ander
bevindt krachtens een recht als bedoeld in het vóór 1 januari 1992
geldende artikel 5, derde lid, onder b , laatste zinsnede, van
de Belemmeringenwet Privaatrecht en daar aangeduid als een recht niet
met name in het Burgerlijk Wetboek genoemd.
2. Appartementsrechten worden kadastraal aangeduid door de
vermelding van achtereenvolgens de kadastrale gemeente en sectie, waarin
de in de splitsing betrokken percelen zijn gelegen, de complexaanduiding
en de appartementsindex.
3. De in het tweede lid bedoelde complexaanduiding bestaat uit
het voor de in de splitsing betrokken percelen vastgestelde
complexnummer, gevolgd door de hoofdletter A. De in het tweede lid
bedoelde appartementsindex is het nummer dat op de in artikel 109,
tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde tekening is
aangebracht als kenmerk van de gedeelten die voor gebruik als
afzonderlijk geheel bestemd zijn of worden en waarvan het uitsluitend
gebruik in het appartementsrecht is begrepen. Onze Minister stelt
regelen vast omtrent de vaststelling van het complexnummer.
4. Ingeval de in de splitsing in appartementsrechten betrokken
percelen in verschillende burgerlijke gemeenten zijn gelegen is het
tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat in dat
geval de bewaarder bepaalt van welke van de betrokken kadastrale
gemeenten de naam wordt vermeld in de vast te stellen kadastrale
aanduiding van de appartementsrechten waarin die percelen worden
gesplitst.
5. In afwijking van het eerste lid worden netwerken aangeduid
door vermelding van achtereenvolgens de naam van de gemeente waarin het
kantoor van de Dienst, binnen welks kring het netwerk is gelegen, is
gevestigd, alsmede een hoofdletter en het nummer van het betreffende
netwerk. Onze Minister stelt regelen vast omtrent de vaststelling van
het nummer van het betreffende netwerk.
6. Indien een netwerk is gelegen binnen de kring van meer dan
één kantoor van de Dienst, wordt het netwerk ten aanzien van elk van
die kantoren kadastraal aangeduid.
Hoofdstuk 2. Openbare registers voor registergoederen
Artikel 2a
Stukken ter verkrijging van inschrijving van feiten die betrekking
hebben op onroerende zaken of op rechten waaraan die zaken zijn
onderworpen, worden, voor zover in papieren vorm, aangeboden op een
plaats als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de wet en, voor zover
in elektronische vorm, aan een elektronisch postadres als bedoeld in
artikel 10 van de wet.
Artikel 3
1. Ter inschrijving van een overgang van een registergoed die
bij of krachtens een wet geschiedt, wordt in afwijking van het
bepaalde in artikel 45, tweede lid, van de wet, en voor zover bij of
krachtens de desbetreffende wet niet anders is bepaald, aangeboden een
opgaaf die onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2, titel 2, van de
wet, tevens inhoudt:
a. de aanduiding van de wettelijke bepaling waarop de overgang van
het registergoed berust;
b. het tijdstip waarop het registergoed overgaat;
c. de vermelding van de rechthebbenden zowel vóór als na het
tijdstip waarop het registergoed overgaat.
2. De in het eerste lid bedoelde opgaaf wordt gedaan door de
meest gerede rechthebbende, tenzij bij of krachtens wet anders is
bepaald.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de inschrijving van een overgang van een registergoed, die het gevolg
is van een internationaal verdrag dat, of een internationale
overeenkomst die, in verband met wijziging van de landsgrenzen,
verandering in eigendomssituaties brengt.
Hoofdstuk 3. Bijwerking van de basisregistratie kadaster
Titel 1. Algemene bepalingen omtrent bijwerking
Artikel 4
1. Terstond nadat een inschrijving in de openbare registers
heeft plaatsgevonden, wordt bij de in de basisregistratie kadaster
vermeld staande gegevens waarop de inschrijving betrekking heeft,
overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen
regelen een aantekening geplaatst dat er een stuk is ingeschreven.
2. De in het eerste lid bedoelde aantekening wordt achterwege
gelaten indien de bijwerking van de basisregistratie kadaster terstond
plaatsvindt, of indien terstond in de basisregistratie kadaster een
aantekening wordt geplaatst overeenkomstig het bepaalde in artikel 6,
tweede lid, 12, eerste lid, tweede zin, of 13, eerste lid, tweede zin.
3. Nadat de bijwerking is voltooid, of een aantekening is
geplaatst als bedoeld in het tweede lid, wordt de in het eerste lid
bedoelde aantekening verwijderd.
Artikel 5
1. Indien een bijwerking leidt tot het wijzigen of aanvullen
van de in de basisregistratie kadaster vermeld staande gegevens
betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden, de kadastrale
aanduiding, de grootte, dan wel enig in artikel 48, tweede lid, onder
c, van de wet bedoeld gegeven, wordt bij het gewijzigde of aangevulde
gegeven overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te
stellen regelen verwezen naar het stuk op grond waarvan de bijwerking
heeft plaatsgevonden.
2. Bij regeling van het bestuur van de Dienst kan worden bepaald
dat een verwijzing als bedoeld in het eerste lid, ook gesteld wordt bij
het wijzigen of aanvullen van andere dan de in het eerste lid bedoelde
gegevens.
Artikel 6
1. Indien een inschrijving in de openbare registers betrekking
heeft op een geheel perceel of een appartementsrecht dan wel op een
gedeelte van een perceel, anders dan in het tweede lid is bedoeld,
worden de in artikel 48, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens met
inachtneming van artikel 4 terstond bijgewerkt door wijziging of
aanvulling van die gegevens, overeenkomstig door het bestuur van de
Dienst daartoe te stellen regelen.
2. Indien een inschrijving in de openbare registers de overgang
betreft van een gedeelte van een perceel of betrekking heeft op een
zodanige vestiging, overgang, wijziging of afstand van een beperkt
recht, dat dit recht op een gedeelte van een perceel komt te rusten,
wordt het feit waarop de inschrijving betrekking heeft, in de
basisregistratie kadaster met inachtneming van artikel 4 terstond
aangetekend overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast
te stellen regelen, tenzij sprake is van één der in het derde lid
bedoelde gevallen waarin de bijwerking plaatsvindt als bijhouding zonder
dat een meting plaatsvindt.
3. De gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarin de bijhouding
geschiedt zonder dat een meting plaatsvindt, zijn:
a. de gevallen waarin de inschrijving betreft
1°. een recht van hypotheek,
2°. een erfdienstbaarheid,
3°. een vruchtgebruik dat betrekking heeft op een gedeelte van
een gebouw,
4°. een recht van opstal dat uitsluitend betreft het leggen en
houden van leidingen in, op of boven de onroerende zaak van een
ander, of
5°. een recht als bedoeld in het vóór 1 januari 1992 geldende
artikel 5, derde lid, onder b, laatste zinsnede, van de
Belemmeringenwet Privaatrecht en daar aangeduid als een recht niet
met name in het Burgerlijk Wetboek genoemd, alsmede
b. bijzondere gevallen waarin het desbetreffende perceelsgedeelte
naar het oordeel van de bewaarder niet voor meting vatbaar is.
Artikel 7
De in artikel 6, tweede lid, bedoelde aantekening in de
basisregistratie kadaster wordt vervangen door de tevens door de meting
verkregen gegevens, zodra het relaas van bevindingen als bedoeld in
artikel 57, vierde lid, van de wet gereed is, overeenkomstig door het
bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen.
Artikel 8
Het van de basisregistratie kadaster deel uitmakende namenbestand,
dat de in artikel 48, tweede lid, onderdelen a, g en k, van de wet
bedoelde gegevens en verwijzingen bevat, wordt gewijzigd en aangevuld
overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel 6 is bepaald.
Artikel 9
Het van de basisregistratie kadaster deel uitmakende percelenbestand,
waarin alle percelen en appartementsrechten met hun kadastrale
aanduiding zijn opgenomen en dat de verwijzingen bevat als bedoeld in
artikel 48, tweede lid, onderdeel h, van de wet, wordt gewijzigd en
aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de artikelen 4 tot en
met 7 is bepaald.
Titel 2. Bijzondere bepalingen betreffende bijhouding
Artikel 10
1. Indien een inschrijving in de openbare registers betrekking
heeft op een perceel of een gedeelte van een perceel, dan wel op een
appartementsrecht, waarop blijkens de basisregistratie kadaster een
publiekrechtelijke eigendoms- of gebruiksbeperking, dan wel een
schuldplichtigheid met zakelijke werking rust, wordt de vermelding van
die beperking of schuldplichtigheid in de basisregistratie kadaster
gehandhaafd overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast
te stellen regelen.
2. Ingeval een onderzoek ter plaatse noodzakelijk is om te kunnen
vaststellen op welk nieuw gevormd perceel de beperking of
schuldplichtigheid rust, wordt het resultaat van het onderzoek vermeld
op het relaas van bevindingen, bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de
wet.
3. Zolang de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het tweede
lid, niet in de basisregistratie kadaster zijn verwerkt, wordt bij het
overgegane perceelsgedeelte melding gemaakt van de beperking of
schuldplichtigheid.
4. Ter gelegenheid van de voltooiing van de bijhouding wordt de
in het derde lid bedoelde vermelding in overeenstemming gebracht met de
in dat lid bedoelde resultaten.
Artikel 11
1. Indien een inschrijving in de openbare registers betrekking
heeft op de overgang van een gedeelte van een perceel of op een
zodanige vestiging, overgang, wijziging of afstand van een beperkt
recht, dat dit op een gedeelte van een perceel komt te rusten, worden
dat gedeelte en het overblijvende gedeelte elk tot een geheel perceel
gevormd, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 6, derde lid.
2. Geen samenvoeging vindt plaats van percelen of gedeelten van
percelen waarvan de rechtstoestand naar burgerlijk recht blijkens de in
de basisregistratie kadaster opgenomen gegevens verschillend is, met
dien verstande dat verschillen die betrekking hebben op omstandigheden
als bedoeld in artikel 6, derde lid, niet aan samenvoeging in de weg
staan.
3. Het bestuur van de Dienst kan nadere regelen stellen omtrent
de wijze waarop percelen worden gevormd en waarop de grootte daarvan
wordt berekend.
Artikel 12
1. Indien bij de Dienst het vermoeden bestaat dat de kadastrale
aanduiding van een onroerende zaak in een in de openbare registers
ingeschreven stuk niet overeenstemt met de feitelijke omschrijving
daarvan, wordt de voltooiing van de bijhouding met betrekking tot die
onroerende zaak opgeschort en wordt, zonodig ter plaatse, een
onderzoek ingesteld. In dit geval wordt de inschrijving van het stuk
aangetekend overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast
te stellen regelen.
2. Artikel 57, eerste tot en met derde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing op een onderzoek als bedoeld in het eerste
lid. De ambtenaar maakt een relaas van zijn bevindingen.
3. Indien niet van onjuistheid of onvolledigheid blijkt, wordt de
bijhouding met bekwame spoed voltooid.
Artikel 13
1. Ingeval in de openbare registers een akte van levering is
ingeschreven ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst die
betrekking heeft op een rechtsgrens, wordt de voltooiing van de
bijhouding van de basisregistratie kadaster opgeschort en wordt ter
plaatse een onderzoek ingesteld. In dit geval wordt de inschrijving
van het stuk aangetekend overeenkomstig door het bestuur van de Dienst
daartoe vast te stellen regelen.
2. Artikel 57, eerste tot en met derde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing op een onderzoek als bedoeld in het eerste
lid. De ambtenaar maakt een relaas van zijn bevindingen.
3. Na het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt de
bijhouding met bekwame spoed vervolgd.
Artikel 14
1. Indien één of meer belanghebbenden niet de voor de
bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige
inlichtingen verschaffen als bedoeld in artikel 57, derde lid, van de
wet, wordt de bijhouding niet vervolgd, behoudens het bepaalde in het
derde lid.
2. Artikel 58, eerste en tweede lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing, voor zover bijhouding mogelijk is.
3. De bijhouding wordt niettemin vervolgd indien de omschrijving
van de ligging van de nieuwe grenzen in het ingeschreven stuk naar het
oordeel van de met de meting belaste ambtenaar geen twijfel overlaat en
tevens niet in tegenspraak is met de door hem waargenomen afpaling.
4. In het relaas van bevindingen wordt melding gemaakt van de in
het eerste en derde lid bedoelde omstandigheden.
Artikel 15
1. Indien terstond blijkt dat de in een ingeschreven stuk
vermelde kadastrale aanduiding van de onroerende zaak onjuist of
onvolledig is, is het bepaalde bij of krachtens artikel 4 van
toepassing ten aanzien van de in het stuk genoemde percelen, zo deze
bestaan, alsmede ten aanzien van de percelen die naar het vermoeden
van de bewaarder in het stuk vermeld zouden moeten zijn, zo dit
althans bij de bewaarder bekend is.
2. Indien de kadastrale aanduiding in het stuk onvolledig is
vermeld of slechts gedeeltelijk onjuist is, vindt bijhouding volledig
plaats ten aanzien van de percelen die in het stuk juist zijn vermeld.
3. Voor zover de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak in
het stuk niet of niet juist is vermeld, wordt in de basisregistratie
kadaster bij de desbetreffende rechthebbenden en de in het eerste lid
bedoelde percelen melding gemaakt van het stukidentificatienummer.
Tevens wordt verwezen naar het afschrift van de in artikel 59, derde
lid, van de wet bedoelde bekendmaking van de beslissing.
4. De in het derde lid bedoelde bijhouding wordt eerst voltooid
nadat is ingeschreven:
a. een stuk tot verbetering als bedoeld in artikel 42, eerste lid,
van de wet;
b. een proces-verbaal als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de
wet, of
c. een bijhoudingsverklaring als bedoeld in artikel 46a van de wet.
5. Na een inschrijving als bedoeld in het vierde lid wordt de
melding, bedoeld in het derde lid, vervangen door het resultaat van de
bijhouding.
6. Het eerste tot en met vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing ingeval de kadastrale aanduiding van een appartementsrecht in
een ingeschreven stuk onjuist of onvolledig blijkt te zijn.
Artikel 16
1. Indien eerst bij een onderzoek als bedoeld in artikel 12,
eerste lid, of bij de aanwijzing ter plaatse, bedoeld in artikel 57,
derde lid, van de wet, blijkt dat de in het ingeschreven stuk vermelde
kadastrale aanduiding van de onroerende zaak onjuist of onvolledig is,
is artikel 15, eerste tot en met derde lid en vierde lid, onder a en b,
van overeenkomstige toepassing.
2. Indien bij de aanwijzing ter plaatse blijkt dat de feitelijke
omschrijving van de onroerende zaak onverenigbaar is met hetgeen de met
de meting belaste ambtenaar door de belanghebbenden is aangewezen, is
artikel 15, tweede lid en vierde lid, onder a en b, van overeenkomstige
toepassing.
3. Na een inschrijving van een stuk tot verbetering of een
proces-verbaal wordt de melding, bedoeld in artikel 15, derde lid,
vervangen door het resultaat van de bijhouding. Tevens wordt in de
basisregistratie kadaster bij de gegevens van de desbetreffende
rechthebbenden en bij de percelen verwezen naar het afschrift van de
bekendmaking van de beslissing, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de
wet.
4. Indien het eerste tot en met derde lid van toepassing is,
vindt bijhouding van de kadastrale kaart plaats overeenkomstig door het
bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen.
5. In het relaas van bevindingen wordt melding gemaakt van de in
het eerste tot en met derde lid bedoelde omstandigheden.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 19
1. Indien één of meer belanghebbenden
niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling
tegenstrijdige inlichtingen verschaffen ten behoeve van het in de
artikelen 67, eerste lid, en 70, eerste lid, van de wet bedoelde
onderzoek ter zake van een feit als bedoeld in artikel 29 of in artikel
35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, vindt geen bijhouding plaats,
behoudens het bepaalde in het tweede lid.
2. De bijhouding vindt niettemin plaats indien de ligging van de
nieuwe grenzen en de rechtstoestand naar burgerlijk recht naar het
oordeel van de met de meting belaste ambtenaar geen twijfel overlaten.
3. In het relaas van bevindingen wordt melding gemaakt van de in
het eerste en tweede lid bedoelde omstandigheden.
Titel 3. Splitsing en samenvoeging van percelen
Artikel 20
In de volgende gevallen kan de Dienst besluiten tot splitsing van
percelen als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet:
a. indien met het oog op een doelmatige perceelsindeling de vorm
of de omvang van een perceel daartoe aanleiding geeft;
b. indien gedeelten van een perceel een verschillende bestemming
hebben, indien de gebruikstoestand van gedeelten van het perceel
verschillend is, of, zo het een perceel betreft met een openbare
bestemming, indien gedeelten daarvan een verschillende plaatselijke
benaming hebben;
c. indien een gedeelte van een perceel is belast met een
publiekrechtelijke eigendoms- of gebruiksbeperking, dan wel
gedeelten van een perceel zijn belast met verschillende
publiekrechtelijke eigendoms- of gebruiksbeperkingen;
d. indien ten aanzien van een gedeelte van een perceel sprake is
van een ontbindende of opschortende voorwaarde, dan wel een bedongen
wederinkooprecht;
e. indien ten aanzien van een gedeelte van een perceel sprake is
van een voorgenomen onteigeningsprocedure.
Artikel 21
1. De Dienst kan besluiten tot samenvoeging van percelen als
bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet indien deze percelen
blijkens de in de basisregistratie kadaster opgenomen gegevens een
zelfde rechtstoestand naar burgerlijk recht hebben.
2. Bij de toepassing van het eerste lid behoeft geen acht te
worden geslagen op erfdienstbaarheden.
3. Samenvoeging van percelen mag niet leiden tot ongedaanmaking
van een op verzoek uitgevoerde splitsing van percelen, tenzij de
beweegredenen tot die splitsing niet meer gelden.
Artikel 22
1. Degene die als eigenaar of beperkt gerechtigde met
betrekking tot een onroerende zaak in de basisregistratie kadaster
staat vermeld, kan in de volgende gevallen een verzoek tot splitsing
van percelen doen als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de wet:
a. indien door de vorming van afzonderlijke percelen in een ter
inschrijving aan te bieden stuk de desbetreffende onroerende zaak als
een geheel perceel zal kunnen worden aangeduid, mits dit stuk betreft
de overgang van een onroerende zaak of de overgang, vestiging,
wijziging of afstand van een beperkt recht betreffende een onroerende
zaak;
b. indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 20,
onderdeel b of e.
2. De in het eerste lid bedoelde rechthebbende kan een verzoek
tot samenvoeging van percelen doen, indien deze percelen binnen één
kadastrale sectie zijn gelegen, en zij een zelfde rechtstoestand naar
burgerlijk recht hebben en tevens als één geheel worden beheerd en
gebruikt. Bij de beoordeling of sprake is van een zelfde rechtstoestand
behoeft geen acht te worden geslagen op erfdienstbaarheden.
3. De verzochte splitsing of samenvoeging mag niet in strijd zijn
met de bij of krachtens de artikelen 11 tot en met 13 gestelde regels
omtrent de perceelsvorming en mag niet leiden tot ongedaanmaking van een
krachtens artikel 20 of een op verzoek uitgevoerde splitsing, tenzij de
beweegredenen daartoe niet meer gelden.
4. Artikel 14, eerste, derde en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel 4. Vernieuwing
Artikel 23
1. De Dienst is bevoegd een onderzoek van vernieuwing als
bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet, in te stellen:
a. indien met betrekking tot onroerende zaken, gelegen in een
bepaald gebied, de in de basisregistratie kadaster, op de kadastrale
kaart en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorkomende
gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en feitelijke
gesteldheid naar het oordeel van de Dienst niet voldoende juist en
volledig zijn;
b. indien met betrekking tot één of meer onroerende zaken sprake
is van de onder a bedoelde omstandigheid;
c. indien zulks aan de Dienst wordt verzocht op de door de
verzoeker aannemelijk te maken grond dat met betrekking tot één of
meer onroerende zaken de in de basisregistratie kadaster, op de
kadastrale kaart en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden
voorkomende gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en
feitelijke gesteldheid niet voldoende juist en volledig zijn.
2. Indien het onderzoek van vernieuwing de in het eerste lid,
onder b of c, bedoelde gevallen betreft, blijft de in artikel 75, eerste
lid, van de wet bedoelde openbaarmaking van het voornemen daartoe
achterwege.
Artikel 24
1. Indien tijdens de vernieuwingsprocedure, bedoeld in
hoofdstuk 4, titel 1, afdeling 3, van de wet, bijhoudingen als bedoeld
in artikel 77, derde lid, van de wet hebben plaatsgevonden met
betrekking tot onroerende zaken die aan die vernieuwing zijn
onderworpen, vindt de vernieuwing plaats met inachtneming van hetgeen
hieromtrent in het tweede en derde lid is bepaald.
2. Bij het vernieuwde perceel wordt melding gemaakt van het
stukidentificatienummer van de ingeschreven akte van vernieuwing.
3. De in artikel 48, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens
worden met inachtneming van artikel 4 gewijzigd of aangevuld, tenzij de
in het eerste lid bedoelde bijhoudingen dit niet meer noodzakelijk
maken.
Hoofdstuk 4. Wijze van bijhouding van de registratie voor schepen
Artikel 25
1. Terstond nadat een inschrijving in de openbare registers
heeft plaatsgevonden, wordt bij de in de registratie voor schepen
vermeld staande gegevens waarop de inschrijving betrekking heeft,
overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen
regelen een aantekening geplaatst dat er een stuk is ingeschreven.
Deze aantekening wordt achterwege gelaten indien de bijhouding
terstond plaatsvindt.
2. Nadat de bijhouding is voltooid, wordt de in het eerste lid
bedoelde aantekening verwijderd.
3. De in artikel 85, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens
worden met inachtneming van het eerste en tweede lid terstond bijgewerkt
door wijziging of aanvulling van die gegevens, overeenkomstig door het
bestuur van de Dienst daartoe te stellen regelen. Bij het gewijzigde of
aangevulde gegeven wordt overeenkomstig door het bestuur van de Dienst
daartoe vast te stellen regelen verwezen naar het stuk op grond waarvan
de bijhouding heeft plaatsgevonden.
Artikel 26
Het van de registratie voor schepen deel uitmakende namenbestand, dat
de in artikel 85, tweede lid, onderdelen a, b en l, van de wet bedoelde
gegevens en verwijzingen bevat, wordt gewijzigd en aangevuld
overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel 25 is bepaald.
Artikel 27
Het van de registratie voor schepen deel uitmakende bestand, waarin
alle te boek gestelde schepen met hun brandmerk, bedoeld in artikel 21,
eerste lid, onder c, van de wet, zijn opgenomen en dat de verwijzingen
bevat, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder h, van de wet, wordt
gewijzigd en aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel
25 is bepaald.
Artikel 28
1. Indien na inschrijving van een stuk blijkt dat één of meer
der in dat stuk vermelde gegevens als bedoeld in artikel 21, eerste
lid, van de wet, onverenigbaar zijn met de in de registratie voor
schepen vermeld staande gegevens ten aanzien van het schip waarop het
ingeschreven stuk betrekking heeft, is het bepaalde bij of krachtens
artikel 25, eerste lid, van toepassing ten aanzien van de in het stuk
genoemde schepen, zo deze te boek staan of te boek gesteld zijn
geweest, alsmede ten aanzien van de schepen die naar het vermoeden van
de bewaarder in het stuk vermeld zouden moeten zijn, zo dit althans
bij de bewaarder bekend is.
2. Indien de in artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet
bedoelde gegevens in het stuk niet juist zijn vermeld, wordt in de
registratie voor schepen bij de desbetreffende rechthebbenden en de in
het eerste lid bedoelde schepen melding gemaakt van het
stukidentificatienummer van het desbetreffende ingeschreven stuk. Tevens
wordt verwezen naar het afschrift van de in artikel 89, derde lid,
juncto artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde bekendmaking van de
beslissing.
3. De bijhouding, bedoeld in het tweede lid, wordt eerst voltooid
nadat is ingeschreven:
a. een stuk tot verbetering als bedoeld in artikel 42, eerste lid,
van de wet;
b. een proces-verbaal als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de
wet, of
c. een bijhoudingsverklaring als bedoeld in artikel 46a van de wet.
4. Na een inschrijving als bedoeld in het derde lid wordt de
melding, bedoeld in het tweede lid, vervangen door het resultaat van de
bijhouding.
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 5. Wijze van bijhouding van de registratie voor
luchtvaartuigen
Artikel 30
1. Terstond nadat een inschrijving in de
openbare registers heeft plaatsgevonden, wordt bij de in de registratie
voor luchtvaartuigen vermeld staande gegevens waarop de inschrijving
betrekking heeft, overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe
vast te stellen regelen een aantekening geplaatst dat er een stuk is
ingeschreven. Deze aantekening wordt achterwege gelaten indien de
bijhouding terstond plaatsvindt.
2. Nadat de bijhouding is voltooid, wordt de in het eerste lid
bedoelde aantekening verwijderd.
3. De in artikel 92, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens
worden met inachtneming van het eerste en tweede lid terstond bijgewerkt
door wijziging of aanvulling van die gegevens, overeenkomstig door het
bestuur van de Dienst daartoe te stellen regelen. Bij het gewijzigde of
aangevulde gegeven wordt overeenkomstig door het bestuur van de Dienst
daartoe vast te stellen regelen verwezen naar het stuk op grond waarvan
de bijhouding heeft plaatsgevonden.
Artikel 31
Het van de registratie voor luchtvaartuigen deel uitmakende
namenbestand, dat de in artikel 92, tweede lid, onderdelen a, b en l,
van de wet bedoelde gegevens en verwijzingen bevat, wordt gewijzigd en
aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel 30 is bepaald.
Artikel 32
Het van de registratie voor luchtvaartuigen deel uitmakende bestand,
waarin alle te boek gestelde luchtvaartuigen met hun boekingsnummer,
bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder d, van de wet, zijn opgenomen
en dat de verwijzingen bevat, bedoeld in artikel 92, tweede lid, onder h,
van de wet, wordt gewijzigd en aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of
krachtens artikel 30 is bepaald.
Artikel 33
1. Indien na inschrijving van een stuk blijkt dat één of meer
der in dat stuk vermelde gegevens als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, van de wet, onverenigbaar zijn met de in de registratie voor
luchtvaartuigen vermeld staande gegevens ten aanzien van het
luchtvaartuig waarop het ingeschreven stuk betrekking heeft, is het
bepaalde bij of krachtens artikel 30, eerste lid, van toepassing ten
aanzien van de in het stuk genoemde luchtvaartuigen, zo deze te boek
staan of te boek gesteld zijn geweest, alsmede ten aanzien van de
luchtvaartuigen die naar het vermoeden van de bewaarder in het stuk
vermeld zouden moeten zijn, zo dit althans bij de bewaarder bekend is.
2. Indien het in artikel 22, eerste lid, onder d, van de wet
bedoelde nummer in het stuk niet juist is vermeld, wordt in de
registratie voor luchtvaartuigen bij de desbetreffende rechthebbenden en
de in het eerste lid bedoelde luchtvaartuigen melding gemaakt van het
stukidentificatienummer van het desbetreffende ingeschreven stuk. Tevens
wordt verwezen naar het afschrift van de in artikel 96, derde lid,
juncto artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde bekendmaking van de
beslissing.
3. De bijhouding, bedoeld in het tweede lid, wordt eerst voltooid
nadat is ingeschreven:
a. een stuk tot verbetering als bedoeld in artikel 42, eerste lid,
van de wet;
b. een proces-verbaal als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de
wet, of
c. een bijhoudingsverklaring als bedoeld in artikel 46a van de wet.
4. Na een inschrijving als bedoeld in het derde lid wordt de
melding, bedoeld in het tweede lid, vervangen door het resultaat van de
bijhouding.
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 6. Verstrekken van inlichtingen
Artikel 35
1. Het na een verzoek daartoe in papieren
vorm verstrekken van inlichtingen te velde uit de kadastrale kaart en de
daaraan ten grondslag liggende bescheiden, bedoeld in artikel 100,
tweede lid, van de wet, vindt plaats, indien de verzoeker daarbij een
redelijk belang heeft.
2. De verzoeker geeft in zijn verzoek een omschrijving van het
belang dat hij bij de verzochte inlichtingen heeft.
Artikel 36
1. Een permanente aansluiting op de basisregistratie kadaster,
als bedoeld in artikel 105, eerste lid, van de wet, kan worden
verkregen onder de volgende voorwaarden:
a. door de aansluiting worden uitsluitend de actuele gegevens uit
de basisregistratie kadaster beschikbaar gesteld;
b. de aansluiting heeft betrekking op de gehele kring van één of
meer kantoren van de Dienst;
c. desverlangd kan de aansluiting worden beperkt tot bij regeling
van het bestuur van de Dienst te bepalen soorten van gegevens uit de
basisregistratie kadaster;
d. de raadpleging kan slechts geschieden gedurende bij regeling van
het bestuur van de Dienst te bepalen tijden en de apparatuur waardoor
de aansluiting wordt tot stand gebracht, dient te voldoen aan bij
regeling van het bestuur van de Dienst te bepalen vereisten;
e. de gegevens uit de basisregistratie kadaster worden uitsluitend
beschikbaar gesteld voor raadpleging door middel van het
desbetreffende beeldscherm, waarvan desverlangd een afschrift kan
worden vervaardigd in een bij regeling van het bestuur van de Dienst
te bepalen vorm;
f. de beschikbaar gestelde gegevens uit de basisregistratie
kadaster, mogen niet aan derden worden verstrekt, behoudens het
bepaalde in artikel 37.
2. Indien een houder van een aansluiting als bedoeld in het
eerste lid, handelt in strijd met de in het eerste lid, onder f,
genoemde voorwaarde dan wel de in het eerste lid, onder d,
bedoelde regels niet in acht neemt, kan het bestuur van de Dienst de
aansluiting beëindigen.
3. Omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde
permanente aansluiting kan worden verkregen, worden door het bestuur van
de Dienst regels gesteld.
Artikel 37
1. De verlening aan een gemeente die beschikt over een
permanente aansluiting op de basisregistratie kadaster, als bedoeld in
artikel 105, eerste lid, van de wet, van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 105, tweede lid, van de wet, vindt plaats onder de volgende
voorwaarden:
a. aan de aan derden te verschaffen gegevens uit de
basisregistratie kadaster mogen geen andere gegevens worden
toegevoegd;
b. de door derden te raadplegen gegevens uit de basisregistratie
kadaster moeten overeenkomen met de door de Dienst beschikbaar
gestelde gegevens;
c. de gegevens uit de basisregistratie kadaster worden uitsluitend
aan derden verschaft voor raadpleging door middel van het
desbetreffende beeldscherm, waarvan desverlangd een afschrift kan
worden verstrekt;
d. de gemeente maakt bij het verschaffen van informatie aan derden,
aan deze derden kenbaar op welke kringen van het kantoor van de Dienst
de aansluiting betrekking heeft, alsmede welke soorten gegevens
geraadpleegd kunnen worden indien niet alle soorten gegevens kunnen
worden geraadpleegd.
2. Het bestuur van de Dienst kan de verlening van de in het
eerste lid bedoelde bevoegdheid intrekken ingeval de gemeente in strijd
handelt met een van de voorwaarden, genoemd in het eerste lid. De
verlening van de bevoegdheid wordt ingetrokken, indien de permanente
aansluiting ingevolge artikel 36, tweede lid, wordt beëindigd.
3. Intrekking van de in het eerste lid bedoelde verlening van de
bevoegdheid kan ook plaatsvinden op verzoek van de gemeente.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 38
Het bestuur van de Dienst stelt nadere regelen vast omtrent de wijze
van bijwerking van de basisregistratie kadaster, alsmede omtrent de
wijze van bijhouding van de registratie voor schepen en de registratie
voor luchtvaartuigen.
Artikel 38a
In verband met de nakoming van voor Nederland verbindende
internationale verplichtingen kunnen bij regeling van Onze Minister
nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de wijze van
bijwerking van de basisregistratie kadaster, alsmede de wijze van
bijhouding van de registratie voor schepen en van de registratie voor
luchtvaartuigen. Zo nodig wijzigt het bestuur van de Dienst, met
inachtneming van die voorschriften, de krachtens de hoofdstukken 3, 4 en
5 en artikel 38 vastgestelde regelen ter zake van de wijze van
bijwerking en bijhouding, bedoeld in de eerste zin.
Artikel 39
De artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, 8, 25, 26, 30 en 31 vinden
eerst toepassing ten aanzien van hypotheekhouders, voor zover door Onze
Minister een besluit is genomen als bedoeld in de artikelen XIX, eerste
lid, XXI, eerste lid, en XXII, eerste lid, van de Herzieningswet
Kadasterwet I.
Artikel 40 [Vervallen per 24-11-2006]
Artikel 41
1. Dit besluit treedt in werking met
ingang van 1 januari 1992.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Kadasterbesluit.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 6 november 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de zesentwintigste november 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|