|
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 8, tweede lid, eerste
zin, 11, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 19, 20, tweede lid, 46,
derde lid, 48, tweede lid, onderdeel i, 54, eerste lid, onderdeel
b, c en e, 57, tweede en zesde lid, 66, tweede lid,
juncto 57, tweede lid, 70, eerste lid, juncto 57, tweede lid, 73, derde
lid, juncto 57, tweede lid, 75, eerste lid, 75, tweede lid, juncto 57,
tweede lid, 81, eerste lid, eerste zin, 85, tweede lid, onderdeel l,
87, eerste lid, onderdeel b en c, 92, tweede lid, onder 1º,
94, eerste lid, onderdeel b en c, en 111, eerste lid, van
de Kadasterwet, de artikelen XI, XVI en XVIII van hoofdstuk II van de
Invoeringswet Kadasterwet, alsmede op de artikelen 2, derde lid, en 38a
van het Kadasterbesluit, de artikelen 11, 36 en 37, vierde lid, van de
Maatregel te boek gestelde schepen 1992 en artikel 13b van de
Maatregel te boek gestelde luchtvaartuigen 1996;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Kadasterwet;
b. de Dienst: de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster;
c. de bewaarder, bedoeld in artikel 6 van de Kadasterwet;
d. het certificaat: het certificaat, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel rr, van de Telecommunicatiewet;
e. het gekwalificeerde certificaat: het gekwalificeerde
certificaat, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ss, van de
Telecommunicatiewet;
f. de certificatiedienstverlener: de certificatiedienstverlener,
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel tt, van de Telecommunicatiewet;
g. de identiteitscode: de identiteitscode, bedoeld in artikel 3,
onder g, van het Besluit elektronische handtekeningen;
h. het netwerk: net, bestaande uit een of meer kabels of
leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige
stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond
is of wordt aangelegd.
Artikel 2
1. De elektronische handtekening, bedoeld in artikel 7e, eerste
lid, van de wet, wordt aangemaakt met de techniek van de digitale
handtekening.
2. Het bestuur van de Dienst stelt bij regeling technische
standaarden, normen en specificaties vast voor het aanmaken van de
elektronische handtekening.
Hoofdstuk 2. Vereisten met betrekking tot de
aanbieding van stukken ter inschrijving in de openbare registers
Artikel 3
1. De verklaring van eensluidendheid,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, wordt gesteld aan de voet
van het afschrift van het in papieren vorm ter inschrijving aangeboden
stuk en bevat de verklaring dat het afschrift eensluidend is met het ter
inschrijving aangeboden stuk. De verklaring bevat voorts de vermelding
van de naam, de voornamen en de woonplaats met het adres van degene die
de verklaring ondertekent.
2. Indien de verklaring van eensluidendheid ondertekend wordt
door een notaris, gerechtsdeurwaarder, griffier dan wel een advocaat of
procureur, kan in plaats van de woonplaats met het adres worden vermeld:
a. de benaming van het ambt en de plaats van vestiging van de
notaris dan wel de gerechtsdeurwaarder;
b. de benaming van het ambt en de standplaats van de griffier, of
c. de benaming van de hoedanigheid van de advocaat of de procureur
en de plaats van vestiging van de advocaat of procureur.
3. De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt ondertekend:
a. indien het notariële akten en notariële verklaringen betreft:
door een notaris;
b. indien het rechterlijke uitspraken betreft: door de betrokken
griffier of door een notaris;
c. indien het een proces-verbaal van inbeslagneming betreft: door
de betrokken deurwaarder of procureur, of door een notaris;
d. indien het een instelling van een rechtsvordering, of een
indiening van een verzoekschrift ter verkrijging van een rechterlijke
uitspraak betreft: door degene die het ter inschrijving aangeboden
stuk voor afschrift heeft getekend, of door een notaris;
e. indien het andere dan de onder a tot en met d bedoelde stukken
betreft: door de ondertekenaars van die stukken, dan wel door één of
meer van hen die daartoe uitdrukkelijk in het stuk zijn gemachtigd, of
door een notaris.
4. De verklaring, bedoeld in artikel 11b, eerste lid, van de wet,
wordt op zodanige wijze in het afschrift of het uittreksel van het in
elektronische vorm ter inschrijving aangeboden stuk opgenomen, dat na
omzetting van het desbetreffende elektronische bestand naar een leesbare
tekst de verklaring aan de voet van het afschrift verschijnt. De
verklaring bevat de vermelding van de naam, de voornamen en de
woonplaats met het adres van degene die de verklaring voorziet van een
elektronische handtekening. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de verklaring van eensluidendheid, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van de wet, of de verklaring, bedoeld in artikel 11b, eerste
lid, van de wet, die wordt opgenomen in het afschrift van een stuk dat
deel uitmaakt of deel uit zal gaan maken van een stuk dat ter
inschrijving wordt aangeboden, voorzover hiervan niet wordt afgeweken in
de artikelen 5 en 7 tot en met 9.
Artikel 4
Bij de aanbieding ter inschrijving van de volgende stukken in
papieren vorm behoeft geen afschrift als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, van de wet te worden aangeboden:
a. verzoek tot teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip
in aanbouw;
b. verzoek tot teboekstelling van een binnenschip in aanbouw;
c. verzoek tot teboekstelling als afgebouwd schip van een
zeeschip of zeevissersschip dat reeds als schip in aanbouw te boek
staat;
d. verzoek tot teboekstelling als afgebouwd schip van een
binnenschip dat reeds als schip in aanbouw te boek staat;
e. verzoek tot teboekstelling van een zeeschip of
zeevissersschip;
f. verzoek tot teboekstelling van een binnenschip;
g. aangifte tot wijziging van de beschrijving van een te boek
staand schip, mededeling omtrent de gekozen woonplaats en afwijkend
beding inzake scheepstoebehoren;
h. aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een zeeschip
of zeevissersschip;
i. aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een
binnenschip;
j. verzoek tot doorhaling van de teboekstelling van een zeeschip
of zeevissersschip;
k. verzoek tot doorhaling van de teboekstelling van een
binnenschip;
l. verzoek tot teboekstelling van een luchtvaartuig;
m. verzoek tot doorhaling van de teboekstelling van een
luchtvaartuig;
n. aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een
luchtvaartuig.
Artikel 5
1. Indien een stuk in papieren vorm ter inschrijving wordt
aangeboden en een tekening van A4-formaat in papieren vorm deel
uitmaakt van dit stuk, wordt aan de voet van het afschrift van het
stuk, boven de verklaring van eensluidendheid, tevens een afschrift
van de tekening opgenomen. Indien de tekening een groter formaat dan
A4-formaat heeft, wordt naast het afschrift van het stuk een
afzonderlijk afschrift van de tekening aangeboden, dat eveneens
voorzien is van een verklaring van eensluidendheid.
2. Indien in de tekening, naast zwart en wit, kleuren zijn
gebruikt, wordt dit op het afschrift van de tekening vermeld op een in
het oog vallende plaats.
3. Het afschrift van de tekening is behoorlijk raadpleegbaar.
4. Indien de tekening is vervaardigd op een groter formaat dan
A0-formaat, wordt het afschrift van de tekening verdeeld over een aantal
doorlopend genummerde bladen op A0-formaat en wordt bij het afschrift
een overzichtstekening gevoegd. Op de overzichtstekening wordt de
ligging van de bladen ten opzichte van elkaar vermeld onder toevoeging
van de bladnummers.
5. In gevallen als bedoeld in het vierde lid wordt de verklaring
van eensluidendheid gesteld aan de voet van het afschrift van het blad
met het hoogste nummer.
Artikel 6
1. Onverminderd artikel 5, voldoet de tekening, bedoeld in
artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, aan de
volgende vereisten:
a. elk blad waaruit de tekening bestaat, vermeldt de kadastrale
aanduiding van het in de splitsing in appartementsrechten betrokken
perceel en elk blad wordt door de betrokken notaris gewaarmerkt;
b. de tekening bevat plattegronden van de begane grond en van de
ver diepingen en zonodig ook doorsnede en aanzichten van het gebouw,
alsmede van de bij het gebouw behorende grond;
c. de tekening geeft de begrenzing aan van de onderscheidene
gedeelten van de gebouwen en de grond, die bestemd zijn als
afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan het uitsluitend
gebruik in een appartementsrecht zal zijn begrepen, alsmede de ligging
van die gedeelten ten opzichte van de overige gedeelten van de
gebouwen of van de grond;
d. op de tekening is binnen de begrenzing van elk zodanig gedeelte
een nummer in arabische cijfers als kenmerk van dat gedeelte
aangebracht;
e. voor het geval dat een zodanig gedeelte bestaat uit niet
belendende onderdelen of uit onderdelen welker grondvlakken niet in
hetzelfde horizontale vlak zijn gelegen, bevat de tekening binnen de
begrenzing van elk dier onderdelen hetzelfde nummer als kenmerk van
dat gedeelte;
f. de nummers, bedoeld onder d en e, vormen een met het cijfer
één aanvangende, zonder onderbreking opklimmende reeks der
natuurlijke getallen;
g. de onder c bedoelde begrenzingen zijn zoveel mogelijk door een
onuitwisbare lijn van in het oog vallende dikte aangegeven, welke
dikte gelijk is in alle op de tekening voorkomende afbeeldingen,
uitgezonderd de in het derde lid bedoelde situatieschets. Daarnevens
zijn ter verduidelijking arceringen toegelaten, afzonderlijk gekozen
voor verschillende gedeelten die voor gebruik als afzonderlijk geheel
zijn bestemd;
h. de appartementsindex is aangebracht zoveel mogelijk in het
midden binnen de begrenzing van elk voor gebruik als afzonderlijk
geheel bestemd gedeelte, en in het onder e bedoelde geval, zoveel
mogelijk in het midden binnen de begrenzing van elk der aldaar
bedoelde onderdelen;
i. de schaal van de op de tekening voorkomende afbeeldingen is niet
groter dan 1 : 100 en niet kleiner dan 1 : 200;
j. elk blad waaruit de tekening bestaat, vermeldt de voor de
desbetreffende afbeelding gebruikte schaal;
k. de richting van het noorden is op elk blad van de tekening door
een pijl aangegeven.
2. Het is toegestaan dat de in het eerste lid bedoelde tekening
van elk gedeelte van de gebouwen, dat voor gebruik als afzonderlijk
geheel is bestemd, de onderlinge ligging van alle tot dat gedeelte
behorende vertrekken en andere ruimten aangeeft.
3. In afwijking van het eerste lid, onder i, kan een kleinere
schaal worden gebruikt voor een situatieschets, welke met het oog op het
aan het slot van het eerste lid, onder c, omschreven vereiste, op de
tekening wordt aangebracht, als overzicht van de overige afbeeldingen.
4. In geval van ondersplitsing in appartementsrechten worden de
omkringde nummers, bedoeld in artikel 28, derde lid, op de tekening
gesteld in de linkerbovenhoek van elk van de desbetreffende gedeelten.
Artikel 7
1. Indien een stuk in elektronische vorm ter inschrijving wordt
aangeboden en een tekening in elektronische vorm deel uitmaakt van dat
stuk, dan wordt naast het afschrift of het uittreksel van het stuk
tevens een afschrift van de tekening aangeboden.
2. Het afschrift van de tekening kan tezamen met het afschrift of
het uittreksel van het stuk waar de tekening deel van uitmaakt, in een
elektronisch bestand worden aangeboden. Het elektronische bestand wordt
voorzien van een verklaring als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en van
een elektronische handtekening. De verklaring en de elektronische
handtekening worden op zodanige wijze in het elektronische bestand
opgenomen, dat deze na de omzetting van het elektronische bestand naar
een leesbare tekst aan de voet van het afschrift of het uittreksel
verschijnen.
3. Indien het afschrift van de tekening wordt aangeboden in een
apart bestand, wordt dit bestand afzonderlijk voorzien van een
verklaring als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en van een
elektronische handtekening. De verklaring en de elektronische
handtekening worden op zodanige wijze in het elektronische bestand
opgenomen dat deze na de omzetting van het elektronische bestand naar
een leesbare tekst aan de voet van het afschrift verschijnt.
4. De artikelen 5, tweede en derde lid, en 6 zijn van
overeenkomstige toepassing, voorzover daarvan in het vijfde en zesde lid
niet wordt afgeweken.
5. Het afschrift van de tekening wordt, indien dit noodzakelijk
is om voldoende raadpleegbaar te zijn, verdeeld over een aantal
doorlopend genummerde deeltekeningen. Bij het afschrift wordt een
overzichtstekening gevoegd, waarop de ligging van de deeltekeningen ten
opzichte van elkaar wordt vermeld onder toevoeging van de nummers van de
deeltekeningen.
6. In gevallen als bedoeld in het vijfde lid wordt de verklaring,
bedoeld in artikel 3, vierde lid, opgenomen in het afschrift van de
overzichtstekening. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
7. Indien het afschrift van de tekening overeenkomstig artikel 11
in bewaring is genomen, wordt dit afschrift niet voorzien van een
verklaring als bedoeld in artikel 3, vierde lid. In plaats daarvan wordt
de verklaring, bedoeld in artikel 3, vierde lid, aan de voet van het
afschrift of het uittreksel van het stuk waar de tekening deel van
uitmaakt, uitgebreid met een verklaring, inhoudende dat het in bewaring
genomen afschrift van de tekening inhoudelijk een volledige en juiste
weergave is van de originele tekening. In de verklaring wordt eveneens
het betrokken depotnummer vermeld.
Artikel 8
1. Indien een stuk in elektronische vorm ter inschrijving wordt
aangeboden en een ander stuk, niet zijnde een tekening, deel uitmaakt
van dat stuk, dan wordt naast het afschrift of het uittreksel van dat
stuk tevens een afschrift aangeboden van het stuk dat daarvan deel
uitmaakt.
2. Het afschrift of het uittreksel van het in elektronische vorm
ter inschrijving aangeboden stuk kan tezamen met het afschrift van het
stuk dat daarvan deel uitmaakt in een elektronisch bestand worden
aangeboden. Het elektronische bestand wordt voorzien van een verklaring
als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en van een elektronische
handtekening. De verklaring en de elektronische handtekening worden op
zodanige wijze in het elektronische bestand opgenomen, dat deze na de
omzetting van het elektronische bestand naar een leesbare tekst aan de
voet van het afschrift of het uittreksel verschijnen.
3. Indien het afschrift van het stuk dat deel uitmaakt van het
stuk dat in elektronische vorm ter inschrijving wordt aangeboden, in een
afzonderlijk bestand wordt aangeboden, wordt dit bestand afzonderlijk
voorzien van een verklaring als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en van
een elektronische handtekening. De verklaring wordt op zodanige wijze in
het elektronische bestand opgenomen dat deze na de omzetting van het
elektronische bestand naar een leesbare tekst aan de voet van het
afschrift verschijnt.
4. Indien het origineel van het stuk dat deel uitmaakt van het in
elektronische vorm ter inschrijving aangeboden stuk, is voorzien van een
elektronische handtekening, wordt in de verklaring, bedoeld in artikel
3, vierde lid, vermeld:
a. de naam van degene die het originele stuk heeft voorzien van een
elektronische handtekening, zoals blijkt uit het bij de elektronische
handtekening behorende certificaat;
b. de identiteitscode van voornoemd certificaat, en
c. de naam van de certificatiedienstverlener die voornoemd
certificaat heeft afgegeven.
Artikel 9
Indien het afschrift van een tekening of een ander stuk dat deel
uitmaakt dan wel deel uit zal gaan maken van een in elektronische vorm
ter inschrijving aan te bieden stuk als bedoeld in de artikelen 7 en 8
overeenkomstig artikel 10 in papieren vorm in bewaring is genomen, wordt
dit afschrift niet voorzien van een verklaring van eensluidendheid. In
plaats daarvan wordt de verklaring, bedoeld in artikel 3, vierde lid,
aan de voet van het afschrift van het stuk waar de tekening of het
andere stuk deel van uitmaakt uitgebreid met een verklaring, inhoudende
dat het in bewaring genomen afschrift van de tekening of het stuk
inhoudelijk een volledige en juiste weergave is van de originele
tekening of het originele stuk. In de verklaring wordt tevens het
betrokken depotnummer vermeld.
Artikel 10
1. Van een tekening in papieren vorm die deel uitmaakt dan wel
deel uit zal gaan maken van een stuk dat in elektronische vorm ter
inschrijving zal worden aangeboden, kan voorafgaand aan de
inschrijving een afschrift in papieren vorm in bewaring worden
genomen, indien de aanbieder dit verzoekt en dit bijdraagt aan de
raadpleegbaarheid van het afschrift van de tekening in de openbare
registers.
2. Het verzoek tot inbewaringneming wordt ingediend ten minste
twee weken voordat het stuk waarvan de tekening deel uitmaakt, ter
inschrijving wordt aangeboden, door middel van een formulier dat de vorm
heeft van het model dat als bijlage 17 bij deze regeling is gevoegd.
3. Indien de tekening deel uitmaakt van een stuk dat betrekking
heeft op een appartementsrecht of een netwerk, wordt het verzoek tot
inbewaringneming, in afwijking van het tweede lid, gedaan gelijktijdig
met een verzoek tot vaststelling van het complexnummer of een verzoek
tot vaststelling van het nummer van een netwerk als bedoeld in artikel
26 door middel van een formulier dat de vorm heeft van het model dat als
bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.
4. Het verzoek wordt in tweevoud ingediend en bevat een afschrift
van de tekening, alsmede een door de aanbieder aan de tekening toegekend
uniek kenmerk.
5. Indien het afschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen,
neemt de bewaarder dit afschrift in bewaring onder vermelding van een
uniek depotnummer. Indien de tekening deel uit zal gaan maken van een
stuk dat betrekking heeft op een appartementsrecht of een netwerk, neemt
de bewaarder, in afwijking van de eerste zin, het afschrift slechts in
bewaring, indien het verzoek tot vaststelling van het complexnummer of
het verzoek tot vaststelling van het nummer van een netwerk als bedoeld
in artikel 26 wordt ingewilligd.
6. Na de inbewaringneming voorziet de bewaarder beide exemplaren
van het verzoek tot inbewaringneming van een depotverklaring, waarin het
toegekende depotnummer wordt vermeld, en zendt hij een exemplaar van het
verzoek aan de aanbieder terug. Indien de tekening deel uit zal gaan
maken van een stuk dat betrekking heeft op een appartementsrecht of een
netwerk, zendt de bewaarder, in afwijking van de eerste zin, de
depotverklaring gelijktijdig terug met de verklaring inzake de
vaststelling van het complexnummer of het nummer van een netwerk als
bedoeld in artikel 27a.
7. Indien het stuk waarvan de tekening deel uitmaakt niet binnen
een jaar na de inbewaringneming wordt ingeschreven, eindigt de
inbewaringneming en zendt de bewaarder het afschrift aan de aanbieder
terug door middel van een bericht dat de vorm heeft van het model dat
als bijlage 18 bij deze regeling is gevoegd.
8. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige
toepassing op andere stukken dan tekeningen in papieren vorm, die deel
uitmaken dan wel deel uit zullen gaan maken van een stuk dat in
elektronische vorm ter inschrijving zal worden aangeboden.
Artikel 11
1. Van een tekening in elektronische vorm die deel uitmaakt dan
wel deel zal gaan uitmaken van een stuk dat in elektronische vorm ter
inschrijving zal worden aangeboden, kan op verzoek van de aanbieder
voorafgaande aan de inschrijving een afschrift in elektronische vorm
in bewaring worden genomen, indien de aanbieder dit verzoekt en dit
bijdraagt aan een doelmatige inschrijving in de openbare registers of
bijwerking van de kadastrale registratie.
2. Artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het verzoek in
enkelvoud wordt ingediend.
3. Na de inbewaringneming voorziet de bewaarder het verzoek tot
inbewaringneming van een depotverklaring, waarin het toegekende
depotnummer wordt vermeld, en zendt deze aan de aanbieder terug. Indien
de tekening deel uit zal gaan maken van een stuk dat betrekking heeft op
een appartementsrecht of een netwerk, zendt de bewaarder, in afwijking
van de eerste zin, de depotverklaring gelijktijdig terug met de
verklaring inzake de vaststelling van het complexnummer of het nummer
van een netwerk als bedoeld in artikel 27b.
4. Artikel 10, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de bewaarder na de beëindiging van de
inbewaringneming een bericht zendt aan de aanbieder dat de vorm heeft
van het model dat als bijlage 19 bij deze regeling is gevoegd.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op andere stukken dan tekeningen in elektronische vorm, die
deel uitmaken dan wel deel uit zullen gaan maken van een stuk dat in
elektronische vorm ter inschrijving zal worden aangeboden.
Artikel 11a
1. Indien in een ter inschrijving aangeboden stuk in
elektronische vorm verklaringen zijn opgenomen van een persoon die
verklaart notaris of waarnemend notaris te zijn, wordt in het verzoek
tot inschrijving een bewijsstuk opgenomen, waaruit blijkt dat die
persoon bevoegd is om als notaris, dan wel waarnemend notaris op te
treden.
2. Het bewijsstuk is niet ouder dan twee jaar.
3. Indien het bewijsstuk wordt geleverd door middel van een
specifiek attribuut in het gekwalificeerde certificaat waarop de
elektronische handtekening van de notaris of de waarnemend notaris
gebaseerd is, dient de certificatiedienstverlener dit attribuut te
baseren op inlichtingen van de Koninklijke Notariële
Beroepsorganisatie.
Artikel 11b
1. Indien ter verkrijging van de inschrijving van een stuk in
elektronische vorm door de aanbieder bewijsstukken als bedoeld in
artikel 11b, vijfde lid, derde zin, van de wet worden overgelegd, kan
die overlegging zowel in papieren als in elektronische vorm
plaatsvinden, met dien verstande dat de overlegging van bewijsstukken
in elektronische vorm slechts plaats kan vinden met inachtneming van
het tweede en derde lid.
2. Indien het origineel van het bewijsstuk is voorzien van een
elektronische handtekening, wordt bij het afschrift een verklaring van
een certificatiedienstverlener gevoegd, inhoudende dat de elektronische
handtekening op het originele stuk is gebaseerd op een gekwalificeerd
certificaat, onder toevoeging van de volgende gegevens:
a. de naam van degene die het originele stuk heeft voorzien van een
elektronische handtekening, zoals blijkend uit het bij de
elektronische handtekening behorende certificaat;
b. de identiteitscode van voornoemd certificaat, en
c. de naam van de certificatiedienstverlener die voornoemd
certificaat heeft afgegeven.
3. Indien het origineel van het bewijsstuk is opgemaakt in
papieren vorm, kan een door een notaris voor eensluidendheid gewaarmerkt
elektronisch afschrift worden overgelegd. Artikel 11a is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11c
1. Een hernieuwd verzoek tot inschrijving van een stuk dat
oorspronkelijk in elektronische vorm ter inschrijving is aangeboden,
wordt gedaan door middel van een verzoek dat de vorm heeft van het
model dat als bijlage 19 bij deze regeling is gevoegd.
2. Indien het hernieuwde verzoek tot inschrijving wordt gedaan in
elektronische vorm, wordt dit verzoek voorzien van de elektronische
handtekening van:
a. de oorspronkelijke aanbieder, dan wel
b. een persoon die bevoegd is tot het opmaken van het stuk waarop
het hernieuwde verzoek tot inschrijving betrekking heeft.
3. Indien het hernieuwde verzoek tot inschrijving wordt gedaan in
papieren vorm, vindt de hernieuwde aanbieding van tekeningen, foto’s
en andere stukken die deel uitmaken van het ter inschrijving aangeboden
stuk, in papieren vorm plaats tezamen met de indiening van dat verzoek.
Hoofdstuk 3. Vereisten waaraan in te
schrijven stukken moeten voldoen
Artikel 12
1. Ingeval een ter inschrijving
aangeboden stuk betrekking heeft op een bepaald reeds eerder
ingeschreven stuk als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet,
bevat het een verwijzing naar dit eerdere stuk door de vermelding van
het kantoor van de Dienst waar het eerdere stuk is ingeschreven, het
soort register waarin inschrijving plaatsvond, alsmede deel en nummer
van inschrijving.
2. Het eerste lid is tevens van toepassing op de in artikel 46,
vierde lid, van de wet bedoelde verwijzing.
Artikel 12a
Een bijhoudingsverklaring als bedoeld in artikel 46a, eerste lid, van
de wet kan uitsluitend worden ingeschreven, indien:
a. de bijhoudingsverklaring betrekking heeft op een eerder
ingeschreven stuk betreffende de overdracht van een gedeelte van een
perceel of de vestiging van een beperkt recht op een gedeelte van
een perceel;
b. onduidelijk is op welk gedeelte van het betrokken perceel het
eerder ingeschreven stuk betrekking heeft, en
c. de notaris in de bijhoudingsverklaring in aanvulling op het
eerder ingeschreven stuk verklaart op welk gedeelte van het
betrokken perceel dit stuk betrekking heeft.
Artikel 13
Indien in een in te schrijven stuk de plaatselijke aanduiding van een
onroerende zaak of een appartementsrecht moet worden vermeld, geschiedt
zulks door de vermelding van de plaats en het adres, of, zo de
desbetreffende onroerende zaak of het desbetreffende appartementsrecht
geen adres heeft, de naam van de plaats en de straat in welks nabijheid
de onroerende zaak of het appartementsrecht is gelegen.
Hoofdstuk 4. In de kadastrale registratie op
te nemen gegevens
Artikel 14
1. In de kadastrale registratie worden de
volgende gegevens betreffende de feitelijke gesteldheid van onroerende
zaken opgenomen:
a. de cultuuraanduiding;
b. voor bebouwde percelen: het objectadres met postcode; voor
onbebouwde percelen: de plaatselijke benaming, zo deze bekend is;
c. de coördinaten van het perceel in het stelsel van de
Rijksdriehoeksmeting;
d. gegevens omtrent het beheer van aan overheden toebehorende
onroerende zaken, zo deze bij de Dienst bekend zijn;
e. in geval van bebouwde percelen waaraan een of meer adressen zijn
toegekend: de coördinaten van elk huisnummer in het stelsel van de
Rijksdriehoeksmeting.
2. In de kadastrale registratie worden tevens de volgende
gegevens met betrekking tot onroerende zaken opgenomen:
a. het feit dat een onroerende zaak is gelegen in een blok als
bedoeld in artikel 1 van de Landinrichtingswet of artikel 1, eerste
lid, onderdeel g, van de Wet inrichting landelijk gebied, dan wel in
een gebied als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet
Midden-Delfland of artikel 1 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen
en de Gronings-Drentse Veenkoloniën;
b. het feit dat afwijkingen bestaan tussen de lijst van
rechthebbenden, bedoeld in artikel 183, eerste lid, van de
Landinrichtingswet, artikel 71, tweede lid, van de Wet inrichting
landelijk gebied, artikel 68 van de Reconstructiewet Midden-Delfland,
dan wel in artikel 53 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën, en de kadastrale registratie;
c. het feit dat een verkrijging plaatsvond onder een ontbindende of
opschortende voorwaarde;
d. gegevens omtrent de koopsom, zo die bekend is;
e. de aanduiding van degene die geheel of voor het grootste deel
eigenaar is van de onroerende zaak alsmede van degene die als beperkt
gerechtigde geheel of voor het grootste deel het genot van een
onroerende zaak heeft;
f. het feit dat een onroerende zaak of een appartementsrecht is
betrokken bij een voorgenomen splitsing of ondersplitsing in
appartementsrechten, dan wel bij een wijziging van de splitsing in
appartementsrechten;
g. een korte aanduiding van de aard van de in de openbare registers
ingeschreven stukken betreffende de volgende feiten:
1°. ondercuratelestelling van een rechthebbende;
2°. faillietverklaring van een rechthebbende;s
3°. surséance van betaling, verleend aan een rechthebbende;
4º. toestemming als bedoeld in de artikelen 42, eerste lid, en
50, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek om een boom,
heester of heg dan wel een venster, balcon of soortgelijke werken
binnen de verboden afstand van de grens van een erf te hebben;
5º. afwijkende regeling als bedoeld in artikel 59 van Boek 5 van
het Burgerlijk Wetboek;
6º. bestemming van een onroerende zaak tot gemeenschappelijk nut
in verband met mandeligheid als bedoeld in artikel 1 van Boek 5 van
het Burgerlijk Wetboek;
7º. huurkoop als bedoeld in de Tijdelijke wet huurkoop onroerend
zaken;
8º. reglementen en andere regelingen die tussen medegerechtigden
in registergoederen zijn vastgesteld;
9º. instelling van een rechtsvordering of de indiening van een
verzoekschrift ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak;
10º. instelling van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke
uitspraak;
11º. ruilverkavelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 119,
eerste lid, van de Landinrichtingswet, dan wel artikel 85, eerste
lid, van de Wet inrichting landelijk gebied;
12º. het van toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op een rechthebbende.
h. inzake hypotheken, ingeschreven vanaf 1 januari 1995:
1º. de rangorde van de hypotheek;
2º. het feit dat inzake een hypotheek een overeenkomst van
borgtocht is gesloten met de te 's-Gravenhage gevestigde Stichting
Waarborgfonds Eigen Woningen;
3º. de rentevast periode van een geldlening waarvoor de
hypotheek is gevestigd, alsmede de duur van de rentevast periode;
i. inzake beslagen, ingeschreven vanaf 1 januari 1995:
1º. ten behoeve en ten laste van wie het beslag is gelegd,
alsmede het desbetreffende bedrag;
2º. de datum waarop het proces-verbaal van inbeslagneming is
opgemaakt;
j. met betrekking tot een appartementsrecht:
– de naam en de woonplaats met adres van de bestuurder of
bestuurders van de vereniging van eigenaars, bedoeld in artikel 131,
eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoofdstuk 5. Bijwerking van de kadastrale
registratie en de kadastrale kaarten
Artikel 15
Als publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen, aan wie een
deel van de overheidstaak is opgedragen, als bedoeld in artikel 54,
eerste lid, onder b, c en e, van de wet, worden aangewezen:
a. voor zover het betreft inlichtingen omtrent het overlijden van
personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot
een onroerende zaak in de kadastrale registratie staan vermeld:
de gemeenten;
b. voor zover het betreft inlichtingen omtrent de wettelijke
woonplaats, daaronder begrepen het adres, van personen die als
eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende
zaak in de kadastrale registratie staan vermeld:
1º. de gemeenten,
2º. de Kamers van Koophandel en Fabrieken;
c. voor zover het betreft inlichtingen omtrent de feitelijke
gesteldheid van onroerende zaken:
de gemeenten.
Artikel 16
Indien uit een ingeschreven stuk blijkt dat sprake is van een trust,
wordt in de kadastrale registratie als rechthebbende vermeld de trustee,
alsmede die hoedanigheid, onder vermelding van de gegevens betreffende
de trust.
Artikel 17
1. De Dienst doet van het voornemen tot het uitvoeren van een
meting mededeling aan de in artikel 57, eerste lid, van de wet
bedoelde belanghebbenden door middel van een brief. Indien sprake is
van een nieuw te vormen perceel en naar het oordeel van de met meting
belaste ambtenaar aanwijzing ter plaatse niet nodig is bevat de brief
de op dat nieuw te vormen perceel betrekking hebbende gegevens.
2. Indien de brief gegevens bevat die betrekking hebben op een
nieuw te vormen perceel kan een belanghebbende binnen zes weken na
dagtekening van die brief bedenkingen inbrengen tegen die gegevens. In
de brief wordt de belanghebbende uitdrukkelijk op die mogelijkheid
gewezen en wordt hem het vervolg van de procedure medegedeeld, zowel
voor het geval waarin geen bedenkingen worden ingebracht als voor het
geval waarin wel bedenkingen worden ingebracht.
3. De belanghebbenden die vóór het in het eerste lid bedoelde
tijdstip bericht hebben gedaan op het desbetreffende tijdstip verhinderd
te zijn, worden opnieuw in de gelegenheid gesteld inlichtingen te
verstrekken.
4. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige
toepassing ingeval een onderzoek ter plaatse wordt ingesteld als bedoeld
in de artikelen 12, eerste lid, en 13, eerste lid, van het
Kadasterbesluit.
Artikel 18
1. De Dienst doet van het voornemen tot het houden van een
onderzoek, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, naar het
zich voorgedaan hebben van een feit als bedoeld in artikel 29 dan wel
in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, mededeling aan
belanghebbenden door middel van een brief.
2. Artikel 17, derde lid, is van toepassing.
Artikel 19
1. De Dienst doet van het voornemen tot het ter plaatse
inwinnen van nadere inlichtingen, bedoeld in artikel 73, derde lid,
van de wet, mededeling aan belanghebbenden door middel van een brief.
2. Artikel 17, derde lid, is van toepassing.
Artikel 20
1. Het voornemen tot het instellen van een onderzoek van
vernieuwing, bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de wet, wordt
tenminste één maand vóór de aanvang van dat onderzoek openbaar
gemaakt in tenminste twee dag- of nieuwsbladen die in het
desbetreffende gebied worden verspreid.
2. In de bekendmaking wordt de omvang van het desbetreffende
gebied duidelijk omschreven en op een topografische kaart weergegeven.
Tevens bevat de bekendmaking een korte uiteenzetting omtrent doel en
inhoud van het voornemen, waarbij tevens wordt gewezen op de in artikel
78, tweede en derde lid, van de wet genoemde gevolgen die de wet aan de
vernieuwing verbindt.
3. In de bekendmaking wordt melding gemaakt van het adres en het
telefoonnummer van het kantoor van de Dienst, alsmede van de naam van de
ambtenaar tot wie belanghebbenden zich desgewenst kunnen wenden ter
verkrijging van nadere gegevens.
Artikel 21
1. De Dienst doet van het voornemen tot een onderzoek van
vernieuwing mededeling aan de in artikel 75, tweede lid, van de wet
bedoelde belanghebbenden door middel van een brief.
2. De brief wordt verzonden tenminste twee weken vóór het
tijdstip waarop het onderzoek van vernieuwing zal plaatsvinden.
3. De in het eerste lid bedoelde brief maakt ook melding van het
adres en het telefoonnummer van het kantoor van de Dienst, alsmede van
de naam van de ambtenaar tot wie een belanghebbende zich desgewenst kan
wenden, indien het in het vierde lid bedoelde geval zich voordoet.
4. Ingeval een belanghebbende die ter plaatse inlichtingen moet
verschaffen tijdig bericht heeft gedaan op het desbetreffende tijdstip
verhinderd te zijn, wordt hij opnieuw in de gelegenheid gesteld
inlichtingen te verstrekken.
Artikel 22
Het relaas van bevindingen bevat tenminste naast de gegevens die op
grond van de desbetreffende bepalingen van de wet en het Kadasterbesluit
daarin moeten worden vermeld:
a. de namen en overige personalia van de bij de bijwerking
belanghebbende personen die inlichtingen hebben verstrekt of ter
plaatse aanwijzingen hebben gegeven dan wel van hun
vertegenwoordigers zo zij niet in persoon verschijnen dan wel
wettelijke vertegenwoordi gers hebben;
b. ingeval van vertegenwoordiging, de aard van deze en, ingeval
een rechtspersoon wordt vertegenwoordigd, de relatie van de
vertegenwoordiger tot de rechtspersoon;
c. de relatie van de verschenen personen of de door hen
vertegenwoordigde personen tot de onroerende zaak;
d. de omschrijving van de door belanghebbenden aangewezen
grenzen, vastgelegd op een schets of tekening onder aanduiding van
grenspunten en onder vermelding van maten en coördinaten dan wel
een verwijzingscode naar deze coördinaten;
e. het al dan niet eensluidend zijn van de aanwijzingen van
belanghebbenden;
f. in geval de aanwijzingen niet eensluidend zijn, alle gegeven
aanwijzingen;
g. de resultaten van de controle of de omschrijving van de
onroerende zaak in het ingeschreven stuk verenigbaar is met de door
belanghebbenden gegeven aanwijzingen;
h. in geval van het niet-ontvangen van inlichtingen, de reden
daarvan.
Artikel 23
1. De voorstellen van vernieuwing, bedoeld in artikel 76,
tweede lid, van de wet, worden als volgt ingedeeld:
a. de kadastrale aanduiding van de in het onderzoek van vernieuwing
betrokken percelen, zoals deze luidt op de dag waarop het voorstel is
opgemaakt;
b. de gegevens omtrent de rechten, de rechthebbenden en de grootte
zoals deze luiden op de dag waarop het voorstel is opgemaakt;
c. de inhoud van het voorstel van vernieuwing;
d. de gronden waarop de inhoud van het voorstel berust;
e. bijhoudingen als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van de wet.
2. De gegevens omtrent rechten van hypotheek en inbeslagnemingen,
alsmede gegevens omtrent erfdienstbaarheden, worden afzonderlijk
vermeld.
3. Indien de kadastrale aanduiding gewijzigd zal worden, wordt
hierop in het voorstel geattendeerd.
Artikel 24
1. De wijze van bijwerking, bedoeld in artikel XI van hoofdstuk
II van de Invoeringswet Kadasterwet, geschiedt met inachtneming van
het tweede en derde lid.
2. Ingeval de geautomatiseerde bestanden van de kadastrale
registratie mede onderdelen omvatten van het geautomatiseerde systeem
Hypotheken waardoor het mogelijk wordt in de kadastrale registratie een
of meer soorten van gegevens omtrent hypotheken op te nemen als bedoeld
in artikel 48, tweede lid, van de wet, vindt bijhouding plaats op grond
van veranderingen als bedoeld in artikel XI van hoofdstuk II van de
Invoeringswet Kadasterwet en vangt de bijhouding van die soorten van
gegevens in de kadastrale registratie terstond aan.
3. De wijze van bijhouding vindt, voorts, plaats in
overeenstemming met de inhoud van het desbetreffende gereed gekomen
onderdeel van het geautomatiseerde systeem Hypotheken dat aan de
geautomatiseerde bestanden van de kadastrale registratie wordt
toegevoegd, en met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet
daaromtrent is bepaald.
Hoofdstuk 6. Inlichtingen
Artikel 25
1. De in artikel 57, zesde lid, van de
wet bedoelde inlichtingen worden op het desbetreffende kantoor van de
Dienst verstrekt door belanghebbenden inzage te geven in, dan wel
mondelinge inlichtingen te verstrekken uit de kadastrale registratie, de
kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, voor
zover het de percelen betreft die in de kennisgeving zijn vermeld.
Tevens wordt aan belanghebbenden desgewenst een toelichting verstrekt.
2. De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden aan een
belanghebbende slechts éénmaal verstrekt. Nadat de inlichtingen zijn
gegeven wordt dit feit door de ambtenaar van de Dienst op de
bekendmaking vermeld.
Hoofdstuk 7. Vaststelling van het
complexnummer van een appartementsrecht en het nummer van een netwerk
Artikel 26
Een verzoek tot vaststelling van het complexnummer of het nummer van
een netwerk als bedoeld in artikel 2, derde en vijfde lid, van het
Kadasterbesluit wordt gedaan door middel van een formulier dat de vorm
heeft van het model dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 26a
1. Een verzoek als bedoeld in artikel 26 wordt in papieren vorm
in tweevoud ingediend bij de bewaarder. Het verzoek wordt gedagtekend
en door een notaris ondertekend.
2. In het verzoek tot vaststelling van het complexnummer worden
de kadastrale aanduidingen van de desbetreffende onroerende zaken en de
appartementsrechten, waarin deze onroerende zaken zullen worden
gesplitst, vermeld. Bij het verzoek worden, voorzover artikel 26b niet
van toepassing is, twee afschriften van de tekening, bedoeld in artikel
109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, gevoegd. Op de
tekening worden de onroerende zaken waarop de in de splitsing te
betrekken appartementsrechten betrekking hebben, perceelsgewijs
aangeduid door middel van hun kadastrale aanduiding.
3. Bij het verzoek tot vaststelling van het nummer van een
netwerk worden, voorzover artikel 26b niet van toepassing is, twee
afschriften van de tekening gevoegd waarop het netwerk is weergegeven
door middel van een lijn lopend over de onroerende zaken waarin het
netwerk is of wordt aangelegd. Op de tekening worden de onroerende zaken
perceelsgewijs aangeduid door middel van hun kadastrale aanduiding,
wordt de voor de desbetreffende afbeelding gebruikte schaal vermeld en
de richting van het noorden door middel van een pijl aangegeven.
4. Indien het afschrift van de tekening, bedoeld in het tweede en
derde lid, uit meerdere bladen bestaat, wordt op elk blad vermeld de
daarop afgebeelde onroerende zaken met perceelsgewijs hun kadastrale
aanduiding en de dagtekening van het verzoek. Elk blad wordt voorzien
van een open ruimte, bestemd voor de verklaring, bedoeld in artikel 27,
tweede lid, en wordt door de notaris gewaarmerkt.
5. De notaris vermeldt in het verzoek, bedoeld in artikel 26, uit
hoeveel bladen het afschrift van de tekening bestaat en verklaart dat de
overgelegde afschriften van de tekening onderling geheel gelijkluidend
zijn.
Artikel 26b
Indien het afschrift van de tekening overeenkomstig artikel 10 in
papieren vorm in bewaring wordt gegeven, wordt een verzoek als bedoeld
in artikel 26 in papieren vorm ingediend. Artikel 26a is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij het verzoek
slechts één afschrift van de tekening wordt gevoegd.
Artikel 26c
1. Een verzoek als bedoeld in artikel 26 wordt in elektronische
vorm in enkelvoud ingediend op het elektronische postadres dat daartoe
is vastgesteld bij regeling van het bestuur van de Dienst. Het verzoek
wordt gedagtekend en door een notaris voorzien van een elektronische
handtekening die voldoet aan artikel 7e van de wet.
2. Op het verzoek tot vaststelling van het complexnummer is
artikel 26a, tweede lid, van toepassing, met dien verstande dat bij het
verzoek een elektronisch afschrift van de tekening, bedoeld in artikel
109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, wordt gevoegd,
waarop de voor de desbetreffende afbeelding gebruikte schaal en de
afmetingen van de originele afbeelding worden vermeld.
3. Op het verzoek tot vaststelling van het nummer van een netwerk
is artikel 26a, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat bij het verzoek een elektronisch afschrift van de tekening
wordt gevoegd.
4. Indien het afschrift van de tekening, bedoeld in het tweede en
derde lid, uit meerdere deeltekeningen bestaat, worden op elke
deeltekening vermeld de daarop afgebeelde onroerende zaken met
perceelsgewijs hun kadastrale aanduiding en de dagtekening van het
verzoek. Op elke deeltekening worden de voor de desbetreffende
afbeelding gebruikte schaal en de afmetingen van de originele afbeelding
vermeld.
5. De notaris verklaart in het verzoek, bedoeld in artikel 26,
uit hoeveel deeltekeningen het afschrift van de tekening, bedoeld in het
tweede en derde lid, bestaat.
Artikel 27
1. Indien het verzoek, bedoeld in artikel 26, overeenkomstig
artikel 26a in papieren vorm is ingediend, stelt de bewaarder het
complexnummer of het nummer van het netwerk vast en voorziet beide
exemplaren van het verzoek en beide afschriften van de tekening van
een gedagtekende en ondertekende verklaring waarin dit complexnummer
of nummer van het netwerk wordt vermeld.
2. Indien het afschrift van de tekening uit meerdere bladen
bestaat, worden de overzichtstekening en alle bladen voorzien van de
verklaring, bedoeld in het eerste lid.
3. Nadat de bewaarder het complexnummer of het nummer van het
netwerk heeft vastgesteld, zendt hij een exemplaar van het verzoek,
bedoeld in artikel 26, voorzien van de verklaring, bedoeld in het eerste
lid, en een afschrift van de tekening aan de notaris terug. Het andere
exemplaar van het verzoek en het andere afschrift van de tekening
blijven bij de Dienst berusten.
Artikel 27a
1. Indien het verzoek, bedoeld in artikel 26, overeenkomstig
artikel 26b in papieren vorm is ingediend, stelt de bewaarder het
complexnummer of het nummer van het netwerk vast en voorziet het
verzoek, alsmede het bij het verzoek tot inbewaringneming gevoegde
afschrift van de tekening, van een gedagtekende en ondertekende
verklaring waarin deze complexaanduiding of kadastrale aanduiding
wordt vermeld.
2. Artikel 27, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Nadat de bewaarder het complexnummer of het nummer van het
netwerk heeft vastgesteld, zendt hij een exemplaar van het verzoek,
bedoeld in artikel 26, voorzien van de verklaring, bedoeld in het eerste
lid, en het bij het verzoek gevoegde afschrift van de tekening aan de
notaris terug.
Artikel 27b
1. Indien het verzoek, bedoeld in artikel 26, overeenkomstig
artikel 26c in elektronische vorm is ingediend, stelt de bewaarder het
complexnummer of het nummer van het netwerk vast en voorziet het
verzoek en het afschrift van de tekening van een gedagtekende
verklaring, waarin het complexnummer of het nummer van het netwerk
wordt vermeld. De bewaarder voorziet de verklaring van een
elektronische handtekening.
2. Indien het afschrift van de tekening uit meerdere
deeltekeningen bestaat, worden de overzichtstekening en alle
deeltekeningen voorzien van de verklaring, bedoeld in het eerste lid.
3. Nadat de bewaarder het complexnummer of het nummer van het
netwerk heeft vastgesteld, vervaardigt hij een elektronisch afschrift
van het verzoek, bedoeld in artikel 26. De bewaarder zendt het afschrift
van het verzoek, voorzien van de verklaring, bedoeld in het eerste lid,
en zijn elektronische handtekening terug aan de notaris. Een exemplaar
van het verzoek en het elektronische afschrift van de tekening blijven
bij de Dienst berusten.
4. De elektronische handtekening van de bewaarder, bedoeld in het
eerste en derde lid, voldoet aan artikel 7e van de wet.
Artikel 28
1. In geval van een ondersplitsing van een appartementsrecht
als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk
Wetboek, zijn de artikelen 26 tot en met 27b van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat het bestaande complexnummer
gehandhaafd wordt en behoudens het tweede en derde lid.
2. De tekening die bij het verzoek betreffende de voorgenomen
ondersplitsing wordt overgelegd, stemt geheel overeen met de laatste
ingeschreven tekening, met dien verstande dat binnen de begrenzing van
het gedeelte van de gebouwen en de grond, waarvan het uitsluitend
gebruik in het onder te splitsen appartementsrecht begrepen is, de
begrenzingen worden aangegeven van de onderscheidene gedeelten die
bestemd zijn om na de voorgenomen ondersplitsing als afzonderlijk geheel
te worden gebruikt en waarvan volgens de akte van ondersplitsing het
uitsluitend gebruik in de onderscheidene nieuwe appartementsrechten zal
zijn begrepen.
3. De in het tweede lid bedoelde gedeelten worden op de over te
leggen tekening aangeduid met de nummers, volgende op het hoogste nummer
dat als kenmerk van een gedeelte voorkomt op de laatste ingeschreven
tekening.
Tevens wordt elk van deze gedeelten en die waarvan na de
ondersplitsing het uitsluitend gebruik niet zal zijn begrepen in een der
nieuwe appartementsrechten, op de over te leggen tekening voorzien van
het nummer dat op de laatste ingeschreven tekening voorkomt als kenmerk
van het onder te splitsen appartementsrecht. Dit nummer wordt omkringd.
Artikel 29
1. In geval van een wijziging van de akte van splitsing als
bedoeld in artikel 139 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, die niet
uitsluitend betrekking heeft op het reglement, zijn de artikelen 26
tot en met 27b van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
het bestaande complexnummer gehandhaafd wordt en behoudens het tweede
en derde lid.
2. De appartementsindices blijven bij wijziging van de akte van
splitsing gehandhaafd, voor zover deze wijziging niet een verandering
betreft in de begrenzing van enig gedeelte van de gebouwen of de grond,
dat al dan niet tezamen met andere gedeelten voor gebruik als
afzonderlijk geheel is bestemd en waarvan het uitsluitend gebruik in een
appartementsrecht is begrepen.
3. De tekening die bij het verzoek betreffende de voorgenomen
wijziging wordt overgelegd, geeft de begrenzing aan van de
onderscheidene gedeelten van de gebouwen en de grond, die bestemd zijn
als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan na inschrijving
van de akte van wijziging het uitsluitend gebruik in een
appartementsrecht is begrepen.
4. De op de tekening binnen de begrenzing van elk zodanig
gedeelte als kenmerk daarvan aangebrachte nummers zijn:
a. voor elk gedeelte, welks begrenzing bij de voorgenomen wijziging
geen verandering ondergaat: het nummer dat als kenmerk van dat
gedeelte is aangebracht op de laatste ingeschreven tekening;
b. voor de overige gedeelten: de nummers volgende op het hoogste
nummer, dat als kenmerk van een gedeelte voorkomt op de onder a
bedoelde tekening.
Hoofdstuk 8. Inhoud en bijwerking van de
registratie voor schepen
Artikel 30
In de registratie voor schepen worden ten aanzien van elk daarin te
boek staand schip tevens de volgende gegevens opgenomen:
a. het feit dat een verkrijging plaatsvond onder een ontbindende
of opschortende voorwaarde;
b. een korte aanduiding van de aard van de in de openbare
registers ingeschreven stukken betreffende de volgende feiten:
1º. ondercuratelestelling van een rechthebbende, alsmede de
naam en de woonplaats met adres van de curator;
2º. faillietverklaring van een rechthebbende, alsmede de naam
en de woonplaats met adres van de curator;
3º. surséance van betaling, verleend aan een rechthebbende,
alsmede de naam en de woonplaats met adres van de bewindvoerder;
4º. scheepshuurkoopovereenkomst waarop artikel 800, tweede
lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is;
5º. reglementen en andere regelingen die tussen
medegerechtigden in schepen zijn vastgesteld;
6º. instelling van een rechtsvordering of de indiening van een
verzoekschrift ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak;
7º. instelling van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke
uitspraak;
8º. het van toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op een rechthebbende, alsmede de naam en
woonplaats met adres van de bewindvoerder;
c. inzake beslagen: ten behoeve van wie het beslag is gelegd,
alsmede het desbetreffende bedrag.
Artikel 31
Als publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen, aan wie een
deel van de overheidstaak is opgedragen, als bedoeld in artikel 87,
eerste lid, onder b en c, van de wet, worden aangewezen:
a. voor zover het betreft inlichtingen omtrent het overlijden van
personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot
een schip in de registratie voor schepen staan vermeld:
1º. de Staat (rijksbelastingdienst), en
2º. de gemeenten;
b. voor zover het betreft inlichtingen omtrent de wettelijke
woonplaats, daaronder begrepen het adres, van personen die als
eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een schip in de
registratie voor schepen staan vermeld:
1º. de Staat (rijksbelastingdienst),
2º. de gemeenten, en
3º. de Kamers van Koophandel en Fabrieken.
Artikel 32
Indien uit een ingeschreven stuk blijkt dat sprake is van een trust,
wordt in de registratie voor schepen als rechthebbende vermeld de
trustee, alsmede die hoedanigheid, onder vermelding van de gegevens
betreffende de trust.
Artikel 33
1. De in artikel 9 van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992
bedoelde certificaten en duplicaten van certificaten hebben de vorm
van het model dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd onder
toevoeging van het woord ‘certificaat’ dan wel, ingeval artikel
10, eerste lid, van die maatregel van toepassing is, ‘vervangend
certificaat’, onderscheidenlijk ‘duplicaat-certificaat’.
De in de eerste zin genoemde documenten worden aan de achterzijde
voorzien van een tekst met de vorm van het model dat als bijlage 3 bij
deze regeling is gevoegd, met dien verstande dat ingeval van afgifte van
vervangende certificaten dan wel van duplicaten van certificaten het
woord ‘certificaat’ wordt gewijzigd in ‘vervangend certificaat’
onderscheidenlijk ‘duplicaat-certificaat’.
2. De in artikel 36 van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992
bedoelde verzoeken, verklaringen en aangiften, met uitzondering van de
in artikel 35, eerste lid, eerste zin, van die maatregel bedoelde
aangifte, hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 4 tot en met
13 bij deze regeling zijn gevoegd.
Artikel 34
1. De wijze van bijwerking, bedoeld in artikel XVI van
hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet, geschiedt met
inachtneming van het tweede en derde lid.
2. Ingeval de geautomatiseerde bestanden van de registratie voor
schepen mede onderdelen omvatten waardoor het mogelijk wordt in de
registratie voor schepen een of meer soorten van gegevens omtrent
hypotheken op te nemen als bedoeld in artikel 85, tweede lid, van de
wet, vindt bijhouding plaats op grond van veranderingen als bedoeld in
artikel XVI van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet en vangt
de bijhouding van die soorten van gegevens in de registratie voor
schepen terstond aan.
3. De wijze van bijhouding vindt, voorts, plaats in
overeenstemming met de inhoud van het desbetreffende gereed gekomen
onderdeel van het geautomatiseerde systeem dat aan de geautomatiseerde
bestanden van de registratie voor schepen wordt toegevoegd, en met
inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet daaromtrent is bepaald.
Hoofdstuk 9. Inhoud en bijwerking van de
registratie voor luchtvaartuigen
Artikel 35 [Vervallen per 16-07-2005]
Artikel 36
Als publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen, aan wie een
deel van de overheidstaak is opgedragen, als bedoeld in artikel 94,
eerste lid, onder b en c, van de wet, worden aangewezen:
a. voor zover het betreft inlichtingen omtrent het overlijden van
personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot
een luchtvaartuig in de registratie voor luchtvaartuigen staan
vermeld:
1º. de Staat (rijksbelastingdienst), en
2º. de gemeenten;
b. voor zover het betreft inlichtingen omtrent de wettelijke
woonplaats, daaronder begrepen het adres, van personen die als
eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een luchtvaartuig
in de registratie voor luchtvaartuigen staan vermeld:
1º. de Staat (divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat).
2º. de gemeenten, en
3º. de Kamers van Koophandel en Fabrieken.
Artikel 37
Indien uit een ingeschreven stuk blijkt dat sprake is van een trust,
wordt in de registratie voor luchtvaartuigen als rechthebbende vermeld
de trustee, alsmede die hoedanigheid, onder vermelding van de gegevens
betreffende de trust.
Artikel 38
De in artikel 15 van de Maatregel teboekgestelde luchtvaartuigen 1996
bedoelde verzoeken en aangiften hebben de vorm van de modellen die als
bijlagen 14 tot en met 16 bij deze regeling zijn gevoegd.
Artikel 39
1. De wijze van bijwerking, bedoeld in artikel XVIII van
hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet, geschiedt met
inachtneming van het tweede en derde lid.
2. Ingeval de registratie voor luchtvaartuigen een of meer
soorten van gegevens omtrent hypotheken bevat als bedoeld in artikel 92,
tweede lid, van de wet, vindt bijhouding plaats op grond van
veranderingen als bedoeld in artikel XVIII van hoofdstuk II van de
Invoeringswet Kadasterwet en vangt de bijhouding van die soorten van
gegevens in de registratie voor luchtvaartuigen terstond aan.
3. De wijze van bijhouding vindt, voorts, plaats in
overeenstemming met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet
daaromtrent is bepaald.
Hoofdstuk 10. Overige en slotbepalingen
Artikel 40
De gevallen waarin de Dienst bevoegd is om de kadastrale aanduiding
van onroerende zaken en appartementsrechten te wijzigen en de grootte
van percelen opnieuw vast te stellen, bedoeld in artikel 111, eerste
lid, van de wet, zijn:
a. de gevallen waarin vernieuwing van de kadastrale kaart
plaatsvindt, waarbij deze op een andere kaartschaal wordt gebracht;
b. de gevallen waarin de indeling in kadastrale gemeenten
wijzigt.
Artikel 41
De Uitvoeringsregeling Kadasterwet wordt ingetrokken.
Artikel 42
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop
de Organisatiewet Kadaster in werking treedt.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling
Kadasterwet 1994.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst met uitzondering van de bijlagen die ter inzage zullen worden
gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de
Staatscourant.
's-Gravenhage, 14 april 1994.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E. Heerma.
Bijlage 14, als bedoeld in artikel 38 van de
Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994
Verzoek tot teboekstelling van een luchtvaartuig
De ondergetekende(n)
wonende
woonplaats kiezende te: …
eigen(a)ar(en) van het luchtvaartuig met het nationaliteits- en
inschrijvingskenmerk … genaamd …
gebouwd te … in het jaar …
fabrikaat: … type: …
serienummer: …
fabrikaat motoren: …
type: … aantal: …
maximum startgewicht: …
welk luchtvaartuig:
– te boek gestaan heeft te …
– nummer heeft te boek gestaan
verzoekt/verzoeken de bewaarder van het kadaster en de openbare
registers te Rotterdam bovengenoemd luchtvaartuig te boek te
stellen.
Hij/Zij verklaart/verklaren:
a. dat het luchtvaartuig is een Nederlands luchtvaartuig in de
zin der Luchtvaartwet en niet reeds te boek staat
b. dat het luchtvaartuig niet te boek staat
c. dat het luchtvaartuig in een verdragsregister te boek staat,
doch is verkregen door toewijzing na een executie welke in
Nederland heeft plaatsgevonden.
Voorts verklaart/verklaren hij/zij, dat naar zijn/haar/hun beste
weten het luchtvaartuig voor teboekstelling vatbaar is.
De ondergetekende(n) verzoek/verzoeken de arrondissementsrechtbank
te deze verklaring goed te keuren.
Teneinde deze goedkeuring te verkrijgen, worden bij dit verzoek
overgelegd:
1e. het bewijs van inschrijving in het Nederlandse
nationaliteitsregister,
2e. een door de directeur-hoofdinspecteur van de divisie
Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat afgegeven
verklaring, waaruit het startgewicht van het luchtvaartuig blijkt,
3e. …
…, …
Totaal der bijlagen: …
Beschikking van de rechtbank
...
Bijlage 15, als bedoeld in
artikel 38 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994
Verzoek tot doorhaling van de teboekstelling van een luchtvaartuig
De ondergetekende(n)
wonende …
verzoekt/verzoeken de bewaarder van het kadaster en de openbare
registers te Rotterdam de teboekstelling van het luchtvaartuig met het
nationaliteits- en inschrijvingskenmerk …
nummer van teboekstelling: …
genaamd …
door te halen.
De mede-ondergetekende(n)
wonende …
te wiens/wier gunste inschrijvingen of voorlopige aantekeningen
betreffende het luchtvaartuig bestaan, verklaart/verklaren in de
doorhaling toe te stemmen, verklaart/verklaren dat zij zijn voldaan.
Teneinde de machtiging tot deze doorhaling te verkrijgen, worden aan
de arrondissementsrechtbank te … bij dit verzoek overgelegd:
a. een uittreksel van de registratie voor luchtvaartuigen;
b. het/de bewijsstuk(ken) waaruit blijkt dat degene(n) te
wiens/wier gunste inschrijvingen of voorlopige aantekeningen
betreffende het luchtvaartuig bestaan, is/zijn voldaan.
…, …
Totaal der bijlagen: …
Bijlage 16, als bedoeld in artikel 38 van de
Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994
Aangifte
De ondergetekende(n)
wonende …
verklaart/verklaren omtrent het luchtvaartuig met het nationaliteits-
en inschrijvingskenmerk …
nummer van teboekstelling: …
genaamd …
a. dat het de Nederlandse nationaliteit heeft verloren
b. dat het heeft opgehouden als zodanig te bestaan,
c. dat daarvan gedurende 2 maanden na het laatste vertrek geen
tijding is ontvangen, en verzoekt/verzoeken de doorhaling ter
teboekstelling.
Teneinde de machtiging tot deze doorhaling te verkrijgen, worden aan
de arrondissementsrechtbank te bij dit verzoek overgelegd:
1e. een uittreksel van de registratie voor luchtvaartuigen,
2e. een verklaring van de directeur-hoofdinspecteur van de
divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat dat het
luchtvaartuig is afgevoerd uit het nationaliteitsregister,
3e.
Totaal der bijlagen: …
… (plaats), … (datum)
Bijlage 17
[Niet opgenomen]
Bijlage 18
[Niet opgenomen]
Bijlage 19
[Niet opgenomen]
|