235.
Artikel 4
1. Voor de toepassing van artikel 2 wordt als een vergadering
beschouwd:
a. een vergadering van het adviescollege;
b. een vergadering van een uit het adviescollege samengestelde
commissie;
c. een vergadering van een gemengde commissie als bedoeld in
artikel 23, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges.
2. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één
vergadering.
§ 3. Vaste vergoedingen
Artikel 5
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de
voorzitter, de ondervoorzitters dan wel tevens de overige leden in
afwijking van § 2 een vaste vergoeding ontvangen.
2. Een regeling op grond van het eerste lid bepaalt de
toepasselijke deeltijdfactor en de toepasselijke salarisschaal van
bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
3. De vaste vergoeding bedraagt naar evenredigheid van de
toepasselijke deeltijdfactor het maximum van de toepasselijke
salarisschaal.
Artikel 6
1. Indien de som van de vaste vergoeding en andere inkomsten
die een voorzitter of een ander lid heeft uit hoofde van het vervullen
van een of meer functies waaraan een bezoldiging uit een openbare kas
of uit een van overheidswege gesubsidieerde kas is verbonden, per
maand meer bedraagt dan de bezoldiging per maand van respectievelijk
een minister of een staatssecretaris, wordt de vaste vergoeding
verminderd met dat meerdere.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt de vaste vergoeding
niet verminderd tot een lager bedrag dan het bedrag dat zou zijn genoten
indien § 2 van toepassing zou zijn geweest en de in artikel 3 vermelde
maximumbedragen als vergoeding per vergadering zouden zijn vastgesteld.
3. Van het genieten van inkomsten die leiden tot toepasselijkheid
van het eerste lid, doet het betrokken lid terstond mededeling aan Onze
Minister wie het aangaat.
§ 4. Onkostenvergoedingen
Artikel 7
De leden hebben overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het
Reisbesluit buitenland recht op vergoeding wegens reis- en
verblijfkosten.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 8
Dit besluit is niet van toepassing op leden van de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid, bedoeld in artikel 1 van de
Instellingswet W.R.R.
Artikel 9
1. Ten aanzien van degene die op 31 december 1996 zitting had
in een adviescollege en met ingang van 1 januari 1997 zitting heeft in
een adviescollege met een naar inhoud en omvang vergelijkbare
adviestaak, kan bij beschikking van Onze Minister wie het aangaat
worden bepaald dat dit besluit niet van toepassing is tot de dag
waarop de betrokkene aftreedt of voor de eerste maal wordt herbenoemd,
indien de toepassing van dit besluit ten aanzien van de betrokkene zou
leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
2. In de in het eerste lid bedoelde beschikking wordt tevens
bepaald op welke wijze tot de dag van aftreden of eerste herbenoeming
wordt voorzien in de rechtspositie van de betrokkene.
Artikel 10
[Wijzigt het Vacatiegeldenbesluit 1988]
Artikel 11
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 12
Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit adviescolleges.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 november 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
J. Kohnstamm
Uitgegeven de tiende december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager