BESLUIT van 20 oktober 2004, houdende regels inzake de verstrekking
van subsidies ten behoeve van energiedemonstratieprojecten en
energietransitie-experimenten (Besluit EOS: demo en
transitie-experimenten)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3
februari 2004, nr. WJZ 4005810, en 30 juni 2004, nr. WJZ 4033497;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (adviezen van 18 maart 2004, nr.
W10.04.0055/II, en 5 augustus 2004, nr. W10.04.0311/II);
Gezien de nadere rapporten van Onze Minister van Economische Zaken
van 15 oktober 2004, nr. WJZ 4063760, en nr. WJZ 4063763;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet
zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die
een onderneming in stand houdt;
b. ondernemer in de landbouwsector: een ondernemer die activiteiten
verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van
landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van
ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de
bosbouwsector;
c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon,
die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over
een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
d. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend
verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden
natuurlijke personen of rechtspersonen;
e. project:
1°. een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten,
geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in
de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van duurzame
energiehuishouding, dat een technisch of economisch risico inhoudt
en dat bestaat uit:
– energiebesparende maatregelen;
– maatregelen waarbij CO2-emissies worden afgevangen en
permanent in de ondergrond opgeslagen, of
– maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen
bevorderen met behulp van:
•. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken,
of
•. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten,
systemen of technieken;
2°. een energietransitie-experiment, gericht op de bescherming
van het milieu, dat in Nederland wordt uitgevoerd door een
samenwerkingsverband waaraan tenminste één ondernemer en één
niet ondernemer deelnemen, met als doel het beproeven van een
energiesysteem, of een of meer delen daarvan, dat op een
transitiepad ligt en waarbij het gaat om het bij tenminste een van
de leden van het samenwerkingsverband treffen van technische of
beheersmatige voorzieningen met behulp van apparaten, systemen of
technieken die reeds eerder zijn gedemonstreerd, maar die in
Nederland nog niet gebruikelijk zijn;
f. duurzame energiehuishouding: een energiehuishouding die
economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet
in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende
kwaliteit;
g. energiesysteem: een samenhangend geheel van winning,
transport, opslag, bewerking of gebruik van energiedragers;
h. transitiepad: een beschrijving van de transitie van een
bestaand, niet duurzaam energiesysteem, of een deel daarvan, naar
een ander, duurzaam energiesysteem.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen activiteiten worden
aangewezen die niet tot een project worden gerekend.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen ondernemers worden
uitgesloten van dit besluit.
4. Bij regeling van Onze Minister worden de erkende
transitiepaden aangegeven.
Artikel 2
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:
a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel d, onder 1:
1°. degene die in Nederland is gevestigd en voor eigen rekening
en risico een project uitvoert dat past in een energiethema, of
2°. de in Nederland gevestigde deelnemers in een
samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een
project uitvoeren dat past in een energiethema;
b. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel d, onder 2, de deelnemers in een samenwerkingsverband
die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoeren dat
past binnen het streven naar een duurzame energiehuishouding.
2. Als energiethema worden aangewezen de door Onze Minister
vastgestelde thema’s met betrekking tot de volgende gebieden of
combinaties daarvan:
a. biomassa;
b. nieuw gas/schoon fossiel en efficiënt gebruik van gas;
c. efficiëntieverbetering in de industriële sector;
d. gebouwde omgeving;
e. opwekking en netten.
3. Als thema binnen het streven naar een duurzame
energiehuishouding worden aangewezen de door Onze Minister vastgestelde
thema’s met betrekking tot de in het tweede lid, onderdelen a tot en
met c, genoemde gebieden of combinaties daarvan.
4. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband
zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en
betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in
de zin van dit besluit is opgetreden. Indien een of meerdere van de
deelnemers in een samenwerkingsverband ondernemers in de landbouwsector
zijn, geschiedt verstrekking en betaling van de subsidie op een bij
ministeriële regeling vast te stellen wijze.
5. Geen subsidie wordt verstrekt:
a. indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is
verstrekt;
b. aan de rijksoverheid;
c. voor zover door verlening van de subsidie in het kalenderjaar
waarin de beschikking wordt gegeven aan de aanvrager dan wel aan de
tot dezelfde groep als de aanvrager behorende ondernemers meer dan een
bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan subsidie op
grond van dit besluit zou worden verstrekt.
6. Aan een ondernemer in de landbouwsector wordt slechts subsidie
verstrekt indien deze:
a. aan de hand van een beoordeling van de vooruitzichten kan
aantonen dat het landbouwbedrijf economisch levensvatbaar is;
b. voldoet aan de normen gesteld bij of krachtens de Wet
milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de
Meststoffenwet, de Wet bodembescherming, de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren, de Diergeneesmiddelenwet en de Plantenziektewet, en
c. over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid beschikt, hetgeen
blijkt uit:
1°. het bezit van een getuigschrift van een erkende
landbouwkundige opleiding of van een opleiding van een hiermee
gelijkwaardig niveau, of
2°. de omstandigheid dat de ondernemer ten minste drie jaren op
een landbouwonderneming werkzaam is geweest.
7. Aan een ondernemer in de landbouwsector wordt geen subsidie
verstrekt indien de investeringen zijn gericht op een productieverhoging
waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden bestaan. Evenmin
zal een subsidie worden verstrekt indien de productie door de
investeringen verder stijgt dan op grond van productiebeperkingen of
beperkingen t.a.v. communautaire steunverlening is toegestaan.
8. Indien de voordelen van de subsidie geheel of gedeeltelijk ten
goede komen aan ondernemers in de landbouwsector die niet zelf de
aanvrager van de subsidie zijn, geschiedt verstrekking en betaling van
de subsidie op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.
Artikel 3
1. Onverminderd het vierde lid bedraagt de subsidie 40 procent
van de projectkosten, maar niet meer dan een bij regeling van Onze
Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van het
subsidiepercentage, genoemd in de eerste volzin, per periode als
bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld en
verschillend zijn voor de vast te stellen energiethema’s.
2. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10
procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een ondernemer is die een
kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van
verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die
verordening is vastgesteld en voor zover de projectkosten worden gemaakt
en betaald door de ondernemer.
3. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds
door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag
aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer
bedraagt dan het desbetreffende bedrag dat bij regeling van Onze
Minister is genoemd, noch, uitgedrukt in een percentage van de
projectkosten, meer bedraagt dan het percentage dat is genoemd in het
eerste en tweede lid.
4. Het te verlenen subsidiebedrag, tot stand gekomen met
toepassing van het eerste tot en met het derde lid, is niet meer dan de
maximaal toegestane investeringssteun, berekend op de voet van de
Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het
milieu (PbEG 2001 C 37).
5. Indien de subsidie-ontvanger een ondernemer in de
landbouwsector is, werkzaam in een bij regeling van Onze Minister
aangewezen specifieke sector, bedraagt de subsidie, in afwijking van het
eerste tot en met het vierde lid, ten hoogste het in die regeling
genoemde percentage dat niet hoger is dan 60% en het in die regeling
genoemde bedrag.
6. Indien de subsidie-ontvanger een ondernemer in de
landbouwsector is en een kleine of middelgrote onderneming in stand
houdt als bedoeld in het tweede lid, is de verhoging, bedoeld in het
tweede lid, niet van toepassing voorzover de projectkosten betrekking
hebben op investeringen waardoor de productiecapaciteit zal toenemen.
Artikel 4
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen
de rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na
de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en
betaalde extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de
verwezenlijking van de energiebesparing, de afvang en permanente
opslag van CO2-emissies of ingebruikneming van de hernieuwbare
energiebron. Punt 37 van de Communautaire kaderregeling inzake
staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37) wordt hierbij
in acht genomen.
2. Extra investeringskosten als bedoeld in het eerste lid hebben
in elk geval betrekking op:
a. kosten van verwerving of op andere titel dan verwerving in
gebruik verkregen bedrijfsterreinen;
b. kosten van verwerving, huurkoop of lease van bedrijfsgebouwen en
daartoe te rekenen centrale voorzieningen;
c. kosten van aangeschafte machines en apparatuur;
d. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen;
e. kosten van onderhoud en inspectie, administratie en beheer,
ontmanteling, onvoorziene reparaties, verplichte milieumonitoring en
verzekeringen;
f. kosten van geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van het
project en daartoe te rekenen productiekosten;
g. kosten van tenaamstelling, verwerving en instandhouding van
rechten van intellectuele eigendom;
h. aan derden verschuldigde kosten.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden als
projectkosten gemaakt door een ondernemer in de landbouwsector in
aanmerking genomen:
a. de kosten van nieuwe machines en nieuw materieel, met inbegrip
van computerprogrammatuur,
b. de kosten van bouw, verwerving of verbetering van onroerende
zaken,
c. de algemene kosten, zoals kosten van architecten en ingenieurs,
en voor het verkrijgen van octrooien en licenties, tot een maximum van
12 procent van de onder a en b bedoelde kosten, en
d. de aankoop van grond.
4. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van
omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger de die de kosten heeft
gemaakt de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent:
a. de kostensoorten, bedoeld in het eerste lid, en
b. de verrekening van voordelen als bedoeld in punt 37 van de in
het eerste lid genoemde kaderregeling.
Artikel 5
1. Er is een Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en
energietransitie-experimenten, die tot taak heeft Onze Minister op
zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van
dit besluit.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een
deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 4 en ten
hoogste 35 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop
de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het
Ministerie van Economische Zaken.
4. De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een
termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde
opnieuw benoembaar.
5. Onze Minister kan deelcommissies instellen en leden van de
commissie benoemen in deelcommissies.
6. Onze Minister kan op verzoek van de commissie met het oog op
de uitoefening van haar taak deskundigen opdracht verlenen onderzoek te
verrichten naar een door haar aangewezen project.
7. De commissie stelt haar werkwijze schriftelijk vast.
8. Een lid van de commissie en een deskundige als bedoeld in het
zesde lid nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een
advies, indien zij een persoonlijk belang hebben bij de beschikking op
een aanvraag.
9. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben
de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
10. In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister
voorzien.
11. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van
de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie
van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de
werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat
ministerie.
12. De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor
de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
13. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van
haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze
Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een
evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid
en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het
evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen
verkrijgbaar gesteld.
§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 6
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast
na afloop waarvan de aanvragen om een subsidie voor een project, die
in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke
voorschriften, worden behandeld.
2. Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een
subsidieplafond vast voor het verlenen van in het eerste lid bedoelde
subsidies op in die periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij
afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën
aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.
Artikel 7
1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking
van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze
Minister wordt vastgesteld.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een
begroting voor het project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig
hetgeen in het formulier is vermeld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het
samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en
gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking
tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld,
overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
4. Indien de aanvraag een project als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel d, onder 2, betreft, dient een van de deelnemers
in het samenwerkingsverband, zijnde een deelnemer die in Nederland is
gevestigd, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in. De aanvraag
gaat vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de
deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig
hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 8
Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien
weken na afloop van de in artikel 6 bedoelde periode.
Artikel 9
1. Indien op de aanvraag niet afwijzend wordt beslist, en deze
een project betreft dat wordt uitgevoerd door een
samenwerkingsverband, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening
een raming van de projectkosten per deelnemer in het
samenwerkingsverband.
2. Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste
het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag
aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de
subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
Artikel 10
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop
berustende bepalingen;
b. indien hij het onaannemelijk acht dat het project binnen drie
jaren kan worden voltooid;
c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project
niet kunnen financieren;
d. indien het project gericht is op:
1°. de aanpassing aan van toepassing zijnde communautaire
normen;
2°. de aanpassing aan vastgestelde, maar nog niet van
toepassing zijnde communautaire normen;
3°. de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of
minder zware eisen stellen dan communautaire normen, of
4°. de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van
communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na
de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.
Artikel 11
1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met
toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de
Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en
energietransitie-experimenten.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een
negatief advies:
a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het
project;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de
capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen
van het besluit en de daarop berustende bepalingen;
d. indien van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten
van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.
3. In het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel d, onder 2, geeft de commissie aan Onze Minister tevens
een negatief advies:
a. indien het project niet ligt op een door Onze Minister erkend
transitiepad;
b. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het project
wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband waarin een ondernemer
de leiding heeft en waarin voorts actief wordt samengewerkt, meerdere
disciplines vertegenwoordigd zijn en alle deelnemers naar vermogen
investeren;
c. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt maakt dat de
deelnemers in het samenwerkingsverband hun bedoelingen met de
uitvoering van het project expliciet hebben gemaakt en met elkaar
hebben gedeeld.
4. De commissie rangschikt:
a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel d, onder 1, per groep van aanvragen waarvoor een
subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert
zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer
bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding en het meer innovatief
van aard is;
b. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel d, onder 2, per transitiepad de aanvragen waaromtrent
zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt
wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame
energiehuishouding.
5. Voor de rangschikking kunnen bij regeling van Onze Minister
wegingsfactoren voor de doelstellingen, bedoeld in het vierde lid,
worden vastgesteld.
6. Voor duurzame energiehuishouding en innovatie alsmede voor
duurzame energiehuishouding als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
respectievelijk onderdeel b, kunnen bij regeling van Onze Minister
criteria worden vastgesteld.
Artikel 12
1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de
Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en
energietransitie-experimenten een negatief advies heeft uitgebracht.
2. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde
van rangschikking van de aanvragen door de commissie.
3. Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid,
indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit of de
daarop berustende bepalingen dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand
is gekomen.
§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 13
1. Aan de subsidieverlening zijn, voor zover daarbij niet
anders is bepaald, voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 14
tot en met 17 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande
dat de in artikel 16 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de
subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de
zin van dit besluit is opgetreden.
2. De in de artikelen 14 tot en met 16 opgenomen verplichtingen
gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 17
opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn
verstreken.
Artikel 14
1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig
het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en
voltooit het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde
tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het
project.
2. De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit,
behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor
gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid
kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 15
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke
wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 4 onderscheiden kostensoorten.
2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze
Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op
hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot
faillietverklaring van hem.
Artikel 16
De subsidie-ontvanger brengt steeds, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, na afloop van een periode
van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de
uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die
uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde
raming van de projectkosten.
Artikel 17
1. De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister
verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project en
draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten
van het project.
2. De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:
a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of
geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel
verplaatsen buiten Nederland;
b. indien hij deelneemt in een commanditaire vennootschap, een
vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding
ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 18
Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen
met betrekking tot:
a. het geven van bekendheid aan het project en de resultaten
ervan;
b. het verlenen van medewerking aan onder zijn zorg openbaar te
maken en te verspreiden resultaten van het project;
c. het verlenen van medewerking aan een door hem over de
toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld
evaluatie-onderzoek, voor zover hij aan die medewerking
redelijkerwijs behoefte heeft;
d. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en
vervreemding van rechten van intellectuele eigendom en de
instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van
belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.
§ 4. Voorschotten
Artikel 19
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot
subsidieverlening geldt kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger
door Onze Minister voorschotten worden verstrekt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en
betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de
verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal
het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij
de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt aan een
ondernemer het eerste voorschot ambtshalve verstrekt bij de
subsidieverlening: dit voorschot bedraagt 25 procent van het bij de
subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag en wordt betaald
binnen twee weken nadat de ondernemer Onze Minister schriftelijk heeft
medegedeeld dat met de uitvoering van het project is begonnen onder
vermelding van de daartoe behorende activiteiten met het desbetreffende
tijdstip van aanvang. Indien de ondernemer deelnemer is in een
samenwerkingsverband vindt overeenkomstige toepassing plaats van de
eerste volzin op de andere leden van het samenwerkingsverband.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld
in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, geacht gemaakt en betaald te zijn
voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en
betaald.
5. Een voorschot, niet zijnde een eerste voorschot als bedoeld in
het derde lid, wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot
meer is dan een bij regeling van Onze Minister te bepalen bedrag.
Artikel 20
1. Een aanvraag om een voorschot, niet zijnde een eerste
voorschot als bedoeld in artikel 19, derde lid, wordt ingediend
gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel
16.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het
samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de
zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere
deelnemers in.
Artikel 21
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag
om een voorschot, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan
ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
§ 5. Subsidievaststelling
Artikel 22
1. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om
subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het
project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn voltooid bij Onze
Minister in.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld.
3. De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is
vermeld, vergezeld van:
a. een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het
project,
b. indien het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden
vastgesteld € 50 000 of meer bedraagt, een accountantsverklaring die
is opgesteld op de in het formulier aangegeven wijze.
Artikel 23
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor
het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
§ 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit EOS: demo en
transitie-experimenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 oktober 2004
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de negenentwintigste oktober 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner