BESLUIT van 23 september 2004, houdende regels inzake de verstrekking
van subsidies in het kader van energieonderzoek op lange termijn (Besluit
EOS: lange termijn)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van
3 februari 2004, nr. WJZ 4005807;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2004, nr. W10.04.0056/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van
20 september 2004, nr. WJZ 4057440;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet
zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die
een onderneming in stand houdt;
b. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon,
die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
c. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend
verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden
natuurlijke personen of rechtspersonen;
d. project: lange termijn-project of neo-project;
e. lange termijn-project: een nieuw, planmatig geheel van
activiteiten, bestaande uit fundamenteel of industrieel onderzoek, of
een combinatie van beide, naar een duurzame energiehuishouding,
waarvan de onderzoeksresultaten naar verwachting niet eerder dan na
tien jaar na het tijdstip van subsidieverlening in de markt worden of
kunnen worden toegepast;
f. neo-project: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten,
bestaande uit een haalbaarheidsstudie, fundamenteel of industrieel
onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel
onderzoek, met betrekking tot een innovatief, niet-conventioneel idee
voor energietechniek, dat een duurzame energiehuishouding stimuleert,
dat kan leiden tot een nieuw onderzoeksgebied of een nieuwe richting
binnen een bestaand onderzoeksgebied en dat een hoge technologische
risicograad heeft;
g. haalbaarheidsstudie: het tot stand brengen van een schriftelijk
rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse
alsmede een inschatting van de technische mogelijkheden van
fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van
fundamenteel en industrieel onderzoek;
h. duurzame energiehuishouding: energiehuishouding die economisch
efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in
beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende
kwaliteit;
i. fundamenteel onderzoek: onderzoek, gericht op het uitbreiden van
de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder
industriële of commerciële doelstellingen;
j. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel
deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen
of diensten of om bestaande producten, processen of diensten
aanmerkelijk te verbeteren;
k. kennisinstelling:
1°. een onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor
hoger onderwijs;
2°. een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk
door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksinstelling die
activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en
technische kennis uit te breiden;
3°. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat
gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig
aan een instelling als bedoeld onder 1°, of
4°. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat
gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als
doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te
breiden.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen activiteiten worden
aangewezen die niet tot een project worden gerekend.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen ondernemers en
kennisinstellingen worden uitgesloten van subsidiëring op grond van dit
besluit.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere dan de in het
eerste lid, onder h, bedoelde instellingen als kennisinstelling worden
aangewezen die ten minste gelijkwaardig zijn aan een instelling voor
hoger onderwijs als genoemd onder f, g en h van de bijlage van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 2
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:
a. een in Nederland gevestigde ondernemer of kennisinstelling die
voor eigen rekening en risico een lange termijn-project uitvoert dat
past in een onderzoeksprogramma;
b. de in Nederland gevestigde deelnemers in een
samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een
lange termijn-project uitvoeren dat past in een onderzoeksprogramma;
c. degene die in Nederland voor eigen rekening en risico een
neo-project uitvoert dat past in een onderzoeksprogramma;
d. de deelnemers in een samenwerkingsverband die in Nederland voor
gezamenlijke rekening en risico een neo-project uitvoeren dat past in
een onderzoeksprogramma.
2. Als onderzoeksprogramma’s worden aangewezen de door Onze
Minister vast te stellen programma’s met betrekking tot de volgende
gebieden of combinaties daarvan:
a. biomassa;
b. nieuw gas/schoon fossiel;
c. energie-efficiëntie in de industriële en agrarische sector;
d. gebouwde omgeving;
e. opwekking en netten;
f. nieuw energieonderzoek.
3. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband
zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de in Nederland gevestigde
deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van
de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
4. Geen subsidie wordt verstrekt:
a. indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is
verstrekt;
b. aan een overheid of overheidsinstelling, tenzij het een
kennisinstelling betreft;
c. voor zover door verlening van de subsidie in het kalenderjaar
waarin de beschikking wordt gegeven aan de aanvrager dan wel aan de
tot dezelfde groep als de aanvrager behorende ondernemers meer dan een
bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan subsidie op
grond van dit besluit zou worden verstrekt.
Artikel 3
1. De subsidie bedraagt 100 procent van de projectkosten voor
zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, maar niet meer
dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij
kan de hoogte van het subsidiepercentage, genoemd in de eerste volzin,
per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden
vastgesteld.
2. De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten voor
zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, maar niet meer
dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij
kan de hoogte van het subsidiepercentage, genoemd in de eerste volzin,
per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden
vastgesteld.
3. Indien de subsidiabele projectkosten betrekking hebben op
zowel fundamenteel als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het
gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde
percentages van de desbetreffende subsidiabele projectkosten, maar niet
meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.
5. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10
procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een ondernemer is die een
kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van
verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die
verordening is vastgesteld en voor zover de projectkosten worden gemaakt
en betaald door de ondernemer. Indien subsidie wordt verstrekt aan
deelnemers in een samenwerkingsverband is de eerste volzin van
overeenkomstige toepassing voor zover de projectkosten worden gemaakt en
betaald door een deelnemer die een onderneming is als bedoeld in de
eerste volzin.
4. De subsidie bedraagt 100 procent van de projectkosten voor
zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan
fundamenteel onderzoek en 75 procent van de projectkosten voor zover
deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan
industrieel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze
Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van de
subsidiepercentages, genoemd in de eerste volzin, per periode als
bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld.
6. Onverminderd het vijfde lid wordt het in het tweede lid
genoemde percentage met 10 procentpunten verhoogd, indien subsidie wordt
verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:
a. zich onder deze deelnemers ten minste één kennisinstelling en
ten minste één ondernemer bevinden, of
b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en
niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer
en deze deelnemer een wezenlijke bijdrage levert aan het project.
7. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds
door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag
aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies uitgedrukt
in een percentage van de projectkosten, niet meer bedraagt dan het
ingevolge het eerste tot en met zesde lid geldende percentage.
Artikel 4
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe
te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger
gemaakte en betaalde kosten:
1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een
uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige
dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de loonbelasting» van
de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de
wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en
van 1650 productieve uren per jaar;
2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien
verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen
afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische
aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde
afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot
vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van
financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische
levensduur;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd
op historische aanschafprijzen;
4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering
van:
– behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister: die kosten van activiteiten van het project die zijn
uitbesteed aan een niet in Nederland gevestigde kennisinstelling
of ondernemer, indien een in Nederland gevestigde instelling of
ondernemer over ten minste gelijkwaardige kennis en middelen
beschikt om de bedoelde activiteiten uit te voeren;
– binnenlandse reis- en verblijfkosten;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 50 procent van de onder
a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. Kosten van machines en apparatuur die niet uitsluitend voor
het project zijn aangeschaft, worden slechts als projectkosten op de
voet van het eerste lid, onder a, onder 2°, in aanmerking genomen,
indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde
urenverantwoording per machine respectievelijk van de apparatuur
aanwezig is.
3. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a,
onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het
project wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten
uitgegaan van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen
uurtarief.
4. Bij regeling van Onze Minister kan aan de kosten, bedoeld in
het eerste lid, onder a, onder 4°, een maximum worden verbonden en
kunnen regels worden gesteld over daartoe te rekenen categorieën van
kosten.
5. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van
omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt
omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
6. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder a,
onder 4°, kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 5
1. Er is een Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en
nieuw energieonderzoek, die tot taak heeft Onze Minister op zijn
verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie voor een project.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een
deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 5 en ten
hoogste 35 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop
de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het
Ministerie van Economische Zaken.
4. De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een
termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde
opnieuw benoembaar.
5. Onze Minister kan deelcommissies instellen en leden van de
commissie benoemen in deelcommissies.
6. Onze Minister kan op verzoek van de commissie met het oog op
de uitoefening van haar taak deskundigen opdracht verlenen onderzoek te
verrichten naar een door haar aangewezen project.
7. De commissie stelt haar werkwijze schriftelijk vast.
8. Een lid van de commissie en een deskundige als bedoeld in het
zesde lid nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een
advies, indien zij een persoonlijk belang hebben bij de beschikking op
een aanvraag.
9. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben
de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
10. In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister
voorzien.
11. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van
de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie
van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de
werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat
ministerie.
12. De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor
de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
13. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van
haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze
Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een
evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid
en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het
evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen
verkrijgbaar gesteld.
§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 6
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast
na afloop waarvan de aanvragen om een subsidie voor een project die in
die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke voorschriften
worden behandeld.
2. Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een
subsidieplafond vast voor het verlenen van in het eerste lid bedoelde
subsidies op in die periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij
afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën
aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.
Artikel 7
1. Een aanvraag om subsidie op grond van dit besluit wordt
ingediend met gebruikmaking van een ondertekend formulier, dat door
Onze Minister wordt vastgesteld.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een
begroting voor het project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig
hetgeen in het formulier is vermeld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het
samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en
gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking
tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld,
overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 8
Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien
weken na afloop van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde periode.
Artikel 9
1. Indien op de aanvraag niet afwijzend wordt beslist, en deze
een project betreft dat wordt uitgevoerd door een
samenwerkingsverband, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening
een raming van de projectkosten per deelnemer in het
samenwerkingsverband.
2. Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste
het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag
aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de
subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
Artikel 10
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop
berustende bepalingen;
b. indien hij het onaannemelijk acht dat:
1°. het lange termijn-project binnen vier jaren kan worden
voltooid;
2°. het neo-project dat een haalbaarheidsstudie betreft binnen
één jaar kan worden voltooid en het neo-project dat een
fundamenteel onderzoek, een industrieel onderzoek of een
combinatie van beide betreft binnen twee jaren kan worden
voltooid.
c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project
niet kunnen financieren.
Artikel 11
1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met
toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de
Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw
energieonderzoek.
2. Onze Minister wint geen advies in over een aanvraag voor een
haalbaarheidsstudie.
3. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een
negatief advies:
a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van
het besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische
haalbaarheid van het project;
c. indien toepassing van het het resultaat van het lange
termijn-project in de markt naar verwachting eerder zal plaatsvinden
dan tien jaren na het tijdstip van de subsidieverlening;
d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de
capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
e. indien het neo-project onvoldoende potentie heeft om bij te
dragen aan de opbouw van een sterkere kennispositie in Nederland.
4. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een
subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert
zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer
bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria
omtrent een duurzame energiehuishouding of aan de versterking van de
kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de rangschikking
wegingsfactoren worden vastgesteld.
Artikel 12
1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de
Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw
energieonderzoek een negatief advies heeft uitgebracht.
2. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde
van rangschikking van de aanvragen door de commissie.
3. Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid,
indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel
niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Artikel 12a
In afwijking van artikel 12 verdeelt Onze Minister het beschikbare
bedrag voor haalbaarheidsstudies in de volgorde van de ontvangst van de
aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de
dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met
betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 13
1. Aan de subsidieverlening zijn, voor zover daarbij niet
anders bepaald, voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 14
tot en met 17 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande
dat de in artikelen 16 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de
subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de
zin van dit besluit is opgetreden.
2. De in de artikelen 14 tot en met 16 opgenomen verplichtingen
gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 17
opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn
verstreken.
Artikel 14
1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig
het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en
voltooit het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde
tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het
project.
2. De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit,
behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor
gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid
kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 15
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke
wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden
kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een
door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde
urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze
Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op
hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot
faillietverklaring van hem.
Artikel 16
De subsidie-ontvanger brengt steeds, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, na afloop van een periode
van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de
uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die
uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde
raming van de projectkosten.
Artikel 17
1. De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister
verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project en
draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten
van het project.
2. De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:
a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of
geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel
verplaatsen buiten Nederland;
b. indien hij deelneemt in een commanditaire vennootschap, een
vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding
ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 18
Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen
met betrekking tot:
a. het geven van bekendheid aan het project en de resultaten
ervan;
b. het verlenen van medewerking aan onder zijn zorg openbaar te
maken en te verspreiden resultaten van het project;
c. het verlenen van medewerking aan een door hem over de
toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld
evaluatie-onderzoek, voor zover hij aan die medewerking
redelijkerwijs behoefte heeft;
d. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en
vervreemding van rechten van intellectuele eigendom en de
instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van
belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.
§ 4. Voorschotten
Artikel 19
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot
subsidieverlening geldt kunnen op aanvraag door Onze Minister
voorschotten worden verstrekt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en
betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de
verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal
het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij
de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt aan een
ondernemer als bedoeld in artikel 3, vierde lid, het eerste voorschot
ambtshalve verstrekt bij de subsidieverlening; dit voorschot bedraagt 25
procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale
subsidiebedrag en wordt betaald binnen twee weken nadat de ondernemer
Onze Minister schriftelijk heeft medegedeeld dat met de uitvoering van
het project is begonnen onder vermelding van de daartoe behorende
activiteiten met het desbetreffende tijdstip van aanvang. Indien de
ondernemer deelnemer is in een samenwerkingsverband vindt
overeenkomstige toepassing plaats van de eerste volzin op de andere
leden van het samenwerkingsverband.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn
voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en
betaald.
5. Een voorschot, uitgezonderd het eerste voorschot, bedoeld in
het derde lid, wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot
meer is dan een bij regeling van Onze Minister te bepalen bedrag.
Artikel 20
1. Een aanvraag om een voorschot, niet zijnde een eerste
voorschot als bedoeld in artikel 19, derde lid, wordt ingediend
gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel
16.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het
samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de
zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere
deelnemers in.
Artikel 21
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag
om een voorschot, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan
ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
§ 5. Subsidievaststelling
Artikel 22
1. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt binnen zes
maanden na het tijdstip waarop het in het eerste lid bedoelde project
ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn voltooid bij Onze Minister
ingediend.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.
3. De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is
vermeld, vergezeld van:
a. een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het
project,
b. indien het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden
vastgesteld € 50 000 of meer bedraagt, een accountantsverklaring die
is opgesteld op de in het formulier aangegeven wijze.
4. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het
samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de
zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere
deelnemers in.
Artikel 23
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor
het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
§ 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit EOS: lange termijn.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 september 2004
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de vijfde oktober 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner