BESLUIT van 20 november 2003, houdende regels inzake de verstrekking
van subsidies ter bevordering van projectmatige samenwerking (Besluit
innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 13 juni
2003, nr. WJZ 3020.342;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 2003, nr.
W10.03.0221/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van
14 november 2003, nr. WJZ3064107;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. project: een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van
activiteiten, hetzij bestaande uit industrieel onderzoek of
preconcurrentiële ontwikkeling, of een combinatie van beide, hetzij
bestaande uit een haalbaarheidsstudie;
b. industrieel onderzoek: onderzoek dat is gericht op het opdoen
van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling
van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten,
processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
c. preconcurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten
van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor
nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten;
d. haalbaarheidsstudie: het tot stand brengen van een schriftelijk
rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse
alsmede een inschatting van de technische en economische mogelijkheden
van industrieel onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling;
e. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet
zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die
een onderneming in stand houdt;
f. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1º. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon,
die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2º. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
g. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend
verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden
natuurlijke personen of rechtspersonen, onder wie ten minste één
ondernemer;
h. kennisinstelling:
1º. een onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor
hoger onderwijs en een onder i van de bijlage van die wet bedoeld
academisch ziekenhuis;
2º. een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk
door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksinstelling die
activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en
technische kennis uit te breiden;
3º. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat
gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs en een
daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling
respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1°, of
4º. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat
gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als
doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te
breiden.
2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling activiteiten
aanwijzen die niet tot een project worden gerekend.
3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling ondernemingen en
kennisinstellingen uitsluiten van subsidiëring op grond van dit
besluit.
4. Onze Minister kan bij ministeriële regeling andere dan de in
het eerste lid, onderdeel h, bedoelde instellingen als kennisinstelling
aanwijzen.
Artikel 2
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:
a. de in Nederland gevestigde deelnemers in een
samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een
project uitvoeren, of
b. een in Nederland gevestigde ondernemer die voor eigen rekening
en risico een project, niet zijnde een haalbaarheidsstudie, uitvoert:
1º. in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een
of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen die niet in
Nederland gevestigd zijn en die niet met hem in een groep,
commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap
zijn verbonden, of
2º. waarvan een deel van de activiteiten wordt uitbesteed aan
andere natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet met hem in
een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of
maatschap zijn verbonden.
2. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband
zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de in Nederland gevestigde
deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van
de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
3. Geen subsidie wordt verstrekt:
a. indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is
verstrekt;
b. aan een overheid of overheidsinstelling, tenzij het een
kennisinstelling betreft;
c. voor zover door verlening van de subsidie in het kalenderjaar
waarin de beschikking wordt gegeven aan de aanvrager dan wel aan de
totdezelfde groep als de aanvrager behorende ondernemers meer dan een
bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan subsidie op
grond van dit besluit zou worden verstrekt.
Artikel 3
1. De subsidie bedraagt 25 procent van de projectkosten, indien
deze betrekking hebben op preconcurrentiële ontwikkeling, maar niet
meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.
2. De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten, indien
deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, maar niet meer dan een
bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.
3. Indien de projectkosten betrekking hebben op zowel
preconcurrentiële ontwikkeling als industrieel onderzoek, bedraagt de
subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid
genoemde percentages van de desbetreffende projectkosten, maar niet meer
dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.
4. De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten, indien
deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie, maar niet meer dan
een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.
5. De in het eerste tot en met derde lid genoemde percentages
worden verhoogd met 10 procentpunten, indien subsidie verstrekt wordt
aan deelnemers in een samenwerkingsverband voor zover de projectkosten
worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een ondernemer is die
een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van
verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die
verordening is vastgesteld.
6. Onverminderd het vijfde lid worden de in het eerste tot en met
derde lid genoemde percentages verhoogd met 10 procentpunten, indien
subsidie verstrekt wordt aan deelnemers in een samenwerkingsverband,
indien:
a. ten minste één deelnemer een kennisinstelling is, of
b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en
niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer.
7. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds
door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, wordt slechts een
zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan
subsidies niet meer bedraagt dan het desbetreffende bedrag dat bij
regeling van Onze Minister is genoemd, noch, uitgedrukt in een
percentage van de projectkosten, meer bedraagt dan het ingevolge het
eerste tot en met zesde lid geldende percentage.
8. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds
door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt,
wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale
bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het desbetreffende bedrag dat
bij regeling van Onze Minister is genoemd, noch meer bedraagt dan 50
procent van de projectkosten voor zover het preconcurrentiële
ontwikkeling en 75 procent van de projectkosten voor zover het
industrieel onderzoek betreft.
Artikel 4
1. Als projectkosten van een project, bestaande uit industrieel
onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling, worden uitsluitend in
aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe
te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger
gemaakte en betaalde kosten:
1º. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een
uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige
dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de loonbelasting» van
de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de
wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en
van 1650 productieve uren per jaar;
2º. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien
verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen
afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische
aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde
afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot
vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van
financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische
levensduur;
3º. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd
op historische aanschafprijzen;
4º. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering
van:
– behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister: die kosten van activiteiten van het project die zijn
uitbesteed aan een niet in Nederland gevestigde kennisinstelling
of ondernemer, indien een in Nederland gevestigde instelling of
ondernemer over ten minste gelijkwaardige kennis en middelen
beschikt om de bedoelde activiteiten uit te voeren;
– binnenlandse reis- en verblijfkosten;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 50 procent van de onder
a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. Kosten van machines en apparatuur die niet uitsluitend voor
het project zijn aangeschaft, worden slechts als projectkosten op de
voet van het eerste lid, onder a, onder 2°, in aanmerking genomen,
indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde
urenverantwoording per machine respectievelijk van de apparatuur
aanwezig is.
3. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a,
onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het
project wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten
uitgegaan van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen
uurtarief.
4. Bij regeling van Onze Minister kan aan de kosten, bedoeld in
het eerste lid, onder a, onder 4°, een maximum worden verbonden en
kunnen regels worden gesteld over daartoe te rekenen categorieën van
kosten.
5. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van
omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt
omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
6. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder a,
onder 4°, kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 5
1. Als projectkosten van een project, bestaande uit een
haalbaarheidsstudie, worden uitsluitend in aanmerking genomen de
volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te
rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger
gemaakte en betaalde kosten:
a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een
uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige
dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de loonbelasting» van
de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de
wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van
1650 productieve uren per jaar;
b. aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van
binnenlandse reis- en verblijfkosten.
2. Artikel 4, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6
1. Er is een Adviescommissie innovatiesubsidie
samenwerkingsprojecten, die tot taak heeft Onze Minister op zijn
verzoek te adviseren omtrent aanvragen om een subsidie voor een
project, bestaande uit industrieel onderzoek of preconcurrentiële
ontwikkeling.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een
deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste acht en
ten hoogste vijfendertig andere leden. De leden zijn deskundig op het
terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren,
werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
4. De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een
termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde
opnieuw benoembaar.
5. Onze Minister kan deelcommissies instellen en leden van de
commissie benoemen in deelcommissies.
6. Onze Minister kan op verzoek van de commissie met het oog op
de uitoefening van haar taak deskundigen opdracht verlenen onderzoek te
verrichten naar een door haar aangewezen project.
7. De commissie stelt haar werkwijze schriftelijk vast.
8. Een lid van de commissie en een deskundige als bedoeld in het
zesde lid nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een
advies, indien zij een persoonlijk belang hebben bij de beschikking op
een aanvraag.
9. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben
de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
10. In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister
voorzien.
11. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van
de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie
van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de
werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat
ministerie.
12. De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor
de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
13. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van
haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze
Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een
evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid
en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het
evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen
verkrijgbaar gesteld.
§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 7
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden
vast, na afloop waarvan de aanvragen om een subsidie voor een project,
bestaande uit industrieel onderzoek of preconcurrentiële
ontwikkeling, die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de
wettelijke voorschriften, worden behandeld.
2. Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een
subsidieplafond vast voor het verlenen van in het eerste lid bedoelde
subsidies op in die periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij
afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën
aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.
Artikel 8
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling een subsidieplafond
vast voor het verlenen van subsidies voor een project, bestaande uit een
haalbaarheidsstudie, op aanvragen, ingediend in een daarbij genoemd
begrotingsjaar of deel daarvan. Daarbij kan hij afzonderlijke
subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën aanvragers en
voor bepaalde categorieën projecten.
Artikel 9
1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking
van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze
Minister wordt vastgesteld.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een
begroting voor het project alsmede van een overeenkomst, waarin de
samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband dan wel de
uitbesteding van activiteiten is geregeld alsmede van andere bescheiden,
overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient een in het samenwerkingsverband
deelnemende ondernemer de aanvraag mede namens de andere deelnemers in,
met dien verstande dat een aanvraag met betrekking tot een
haalbaarheidsstudie uitsluitend kan worden ingediend door een ondernemer
als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent het voorafgaand aan de aanvraag verkrijgen van een preadvies van
de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten over de
globale opzet van het project, bestaande uit industrieel onderzoek of
preconcurrentiële ontwikkeling.
Artikel 10
Onze Minister geeft op een aanvraag:
a. om een subsidie voor industrieel onderzoek of
preconcurrentiële ontwikkeling, een beschikking binnen dertien
weken na afloop van de in artikel 7 bedoelde periode;
b. om een subsidie voor een haalbaarheidsstudie, een beschikking
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 11
1. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, waarop niet met toepassing van de
artikelen 12 of 14 afwijzend wordt beslist, vermeldt de
beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per
deelnemer in het samenwerkingsverband.
2. Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste
het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag
aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de
subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
Artikel 12
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop
berustende bepalingen;
b. indien subsidieverlening in strijd zou zijn met bij regeling
van Onze Minister vastgestelde regels omtrent een evenwichtige
spreiding over grotere en kleinere ondernemingen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid;
c. in geval de aanvraag een project, bestaande uit industrieel
onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling, betreft: indien hij
het onaannemelijk acht dat het project binnen vier jaren kan worden
uitgevoerd, met dien verstande dat hij die periode op verzoek van de
subsidie-ontvanger met ten hoogste een jaar kan verlengen;
d. in geval de aanvraag een project, bestaande uit een
haalbaarheidsstudie, betreft: indien:
1º. hij in elk geval de technische haalbaarheid van de
aspecten, waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft,
onaannemelijk acht;
2º. hij het onaannemelijk acht dat het project binnen een jaar
kan worden uitgevoerd;
e. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project
niet kunnen financieren.
Artikel 13
1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen om een subsidie voor
een project, bestaande uit industrieel onderzoek of preconcurrentiële
ontwikkeling, waarop niet met toepassing van artikel 12 afwijzend
wordt beslist het advies in van de Adviescommissie innovatiesubsidie
samenwerkingsprojecten.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een
negatief advies:
a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en
economische haalbaarheid van het project;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de
capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de
Nederlandse economie te verwachten zijn.
3. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een
subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert
zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer
bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria
omtrent:
a. technologische innovatie;
b. duurzaamheid;
c. technologische samenwerking;
d. economisch perspectief.
Artikel 14
1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om een
subsidie voor industrieel onderzoek of preconcurrentiële
ontwikkeling, indien de Adviescommissie innovatiesubsidie
samenwerkingsprojecten een negatief advies heeft uitgebracht.
2. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde
van rangschikking van de aanvragen door de commissie.
3. Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid,
indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel
niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Artikel 15
Met betrekking tot aanvragen om een subsidie voor een project,
bestaande uit een haalbaarheidsstudie, waarop niet afwijzend is beslist,
verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van
ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager
niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in
behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van
de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan
te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke
voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst
geldt.
§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 16
1. Aan de subsidieverlening zijn, voor zover daarbij niet
anders bepaald, voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 17
tot en met 21 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande
dat de in artikelen 19 of 20 opgenomen verplichtingen slechts
gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om
subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
2. De in de artikelen 17 tot en met 20 opgenomen verplichtingen
gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 21
opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn
verstreken.
Artikel 17
1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig
het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en
voltooit het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde
tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het
project.
2. De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit,
behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor
gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid
kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 18
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke
wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, respectievelijk 5, eerste
lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van
de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving
vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze
Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op
hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot
faillietverklaring van hem.
Artikel 19
1. De subsidie-ontvanger brengt steeds, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, na afloop van een periode
van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de
uitvoering van het project, bestaande uit industrieel onderzoek of
preconcurrentiële ontwikkeling, met inbegrip van een vergelijking van
die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening
vermelde raming van de projectkosten.
2. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om
subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het in
het eerste lid bedoelde project ingevolge artikel 17, eerste lid, moet
zijn voltooid bij Onze Minister in.
3. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld.
4. De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring die
is opgesteld op de in het formulier aangegeven wijze indien de
projectkosten € 50 000 of meer bedragen, en een eindverslag
omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, overeenkomstig
hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 20
1. Met betrekking tot een project, bestaande uit een
haalbaarheidsstudie, dient de subsidie-ontvanger zijn aanvraag om
subsidievaststelling binnen twee maanden na het tijdstip waarop het
project ingevolge artikel 17, eerste lid, moet zijn uitgevoerd bij
Onze Minister in.
2. Artikel 19, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
1. De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, met betrekking tot de
resultaten van het project zorg voor:
a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van
intellectuele eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking
komen;
b. de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde rechten;
c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project
van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane
kennis.
2. De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet ter beschikking van
derden:
a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het
project;
b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten
van het project;
c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel
eigendomsrecht op de resultaten van het project;
3. De subsidie-ontvanger belast, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, de in het tweede lid
bedoelde rechten en aanspraken niet met een zekerheidsrecht ten behoeve
van een derde.
4. De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister
verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project.
5. De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:
a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of
geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel
verplaatsen buiten Nederland;
b. indien hij deelneemt in een commanditaire vennootschap,
vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding
ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.
6. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste, tweede, derde of
vijfde lid kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 22
Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen
met betrekking tot:
a. het geven van bekendheid aan het project en de resultaten
ervan;
b. de samenwerking met derden bij of in verband met de uitvoering
van het project;
c. het verlenen van medewerking aan een door hem over de
toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld
evaluatie-onderzoek, voor zover hij aan die medewerking
redelijkerwijs behoefte heeft;
d. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en
vervreemding van rechten van intellectuele eigendom en de
instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van
belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.
§ 4. Voorschotten
Artikel 23
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot
subsidieverlening geldt kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger
door Onze Minister voorschotten worden verstrekt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en
betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de
verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal
het bedrag aan voorschotten:
a. voor zover het betreft een project, niet zijnde een
haalbaarheidsstudie, niet groter zijn dan 80 procent van het bij de
subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, en
b. voor een project, bestaande uit een haalbaarheidsstudie, niet
meer zijn dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen
maximum.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt aan een
ondernemer als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, het eerste voorschot
ambtshalve verstrekt bij de subsidieverlening, met dien verstande dat
dit voorschot 25 procent bedraagt van het bij de subsidieverlening
vermelde maximale subsidiebedrag. Indien de ondernemer deelnemer is in
een samenwerkingsverband vindt overeenkomstige toepassing plaats van de
eerste volzin op de andere leden van het samenwerkingsverband.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn
voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en
betaald.
5. Een voorschot als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt
slechtsverstrekt, indien het bedrag aan voorschot meer is dan een bij
regeling van Onze Minister te bepalen bedrag.
Artikel 24
1. Een aanvraag om een voorschot, niet zijnde een eerste
voorschot als bedoeld in artikel 23, derde lid, met betrekking tot een
project, bestaande uit industrieel onderzoek of preconcurrentiële
ontwikkeling, wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een
verslag als bedoeld in artikel 19, eerste lid.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd
door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het
samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de
zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere
deelnemers in.
Artikel 25
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag
om een voorschot, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan
ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
§ 5. Subsidievaststelling
Artikel 26
Onze Minister geeft de beschikking tot vaststelling van het bedrag
van de subsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag
daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is
verstreken.
§ 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 27
Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische
samenwerkingsprojecten, het Besluit subsidies economie, ecologie en
technologie alsmede het Besluit subsidies technische
ontwikkelingsprojecten worden ingetrokken, met dien verstande dat deze
en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing blijven op aanvragen
om subsidie die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend
en op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn
verstrekt.
Artikel 28
1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004.
2. [Wijzigt dit besluit.]
Artikel 29
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit innovatiesubsidie
samenwerkingsprojecten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 november 2003
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de negende december 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner