| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet EZ-subsidies
BESLUIT
PARTICULIERE PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJEN
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 18 maart 1994, houdende regels inzake de erkenning van en
de verstrekking van subsidies aan particuliere
participatiemaatschappijen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 24
november 1993, nr. WJA/JZ 93088661;
Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen
EZ;
De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 1994, nr. W10.93
0777);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 14 maart
1994, nr. WJA/JZ 94020460;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bank: de Nederlandsche Bank N.V.;
b. accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden,
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke
rechtspersoon, die direct of indirect:
- meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
- volledig aansprakelijk vennoot is van of
- overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.
Artikel 2
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
onder een participatie verstaan:
a. de aandelen in het kapitaal van een vennootschap die de
particuliere participatiemaatschappij rechtstreeks van de vennootschap
uit een en dezelfde emissie heeft verkregen:
1°. tegen volstorting van die aandelen in geld,
2°. door omzetting van een participatie, als bedoeld in
onderdeel b, die is geregistreerd als bedoeld in artikel 15,
of een deel daarvan, of
3°. door omzetting van een met het oog op de verkrijging van die
aandelen door de particuliere participatiemaatschappij aan de
vennootschap, of aan de vennootschap in oprichting, in geld
verstrekte lening met een effectieve looptijd van niet meer dan drie
maanden of een deel van die lening;
b. een in aandelen converteerbare achtergestelde lening ten laste
van een vennootschap die de particuliere participatiemaatschappij
heeft verkregen:
1°. door aan de vennootschap een lening te verstrekken in geld
of
2°. door omzetting van een door de particuliere
participatiemaatschappij aan de vennootschap, of de vennootschap in
oprichting, in geld verstrekte lening met een effectieve looptijd
van niet meer dan drie maanden of een deel van die lening.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
een gemelde participatie verstaan een participatie in de zin van artikel
1, eerste lid, onder g, van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981, ten aanzien waarvan de melding niet is
doorgehaald, als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van die regeling.
3. In het eerste lid van dit artikel en in de hoofdstukken 3 en 4
wordt onder een vennootschap verstaan een vennootschap die voldoet aan
de volgende eisen:
a. zij is een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid;
b. zij is in Nederland gevestigd en hoofdzakelijk in Nederland
werkzaam;
c. zij heeft niet meer dan 100 werknemers in dienst en maakt niet
deel uit van een groep waarbij in totaal meer dan 200 werknemers in
dienst zijn;
d. haar activiteiten liggen niet geheel of hoofdzakelijk op het
gebied van:
1°. het bank- en verzekeringswezen;
2°. het beleggingswezen;
3°. het op enigerlei wijze financieren van een of meer
ondernemers;
4°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van
onroerende zaken;
5°. het middellijk of onmiddellijk deelnemen in vennootschappen
waarvan de activiteiten geheel of hoofdzakelijk liggen op de
gebieden, genoemd onder 1° tot en met 4°.
4. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
een achtergestelde lening verstaan een niet door enige vorm van
zekerheid gedekte geldlening, waarop de debiteur krachtens een daartoe
strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding,
een akkoord na verlening van surséance van betaling of een akkoord in
faillissement van de debiteur, rente en aflossing - voor zover de
termijnen daarvan niet reeds verschenen waren voor het tijdstip van de
ontbinding, de indiening van het verzoek om verlening van surséance van
betaling of de indiening van de faillissementsaanvrage - eerst verplicht
is te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de
debiteur, met uitzondering van die welke voortvloeien uit leningen
waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling is
verbonden, zijn voldaan, terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van
geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot
verrekening van de rente en aflossing.
Artikel 3
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
onder de verkrijgingsprijs van een participatie verstaan het bedrag in
geld, waarvoor de particuliere participatiemaatschappij de
participatie heeft verkregen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt onder de
verkrijgingsprijs van een participatie die bestaat uit aandelen die zijn
verkregen door omzetting van een converteerbare achtergestelde lening,
of een deel daarvan, verstaan het bedrag van de uitstaande lening dat is
omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het
bedrag in geld dat wegens de omzetting bijbetaald is door
onderscheidenlijk terugbetaald is aan de particuliere
participatiemaatschappij.
Hoofdstuk 2. Erkenning van de particuliere participatiemaatschappij
Artikel 4
Een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, vennootschap onder firma of commanditaire
vennootschap wordt op aanvraag door de bank als particuliere
participatiemaatschappij erkend, indien zij voldoet aan de volgende
eisen:
a. zij heeft blijkens de notariële akte waarbij haar statuten
zijn vastgesteld of blijkens de in een notariële akte vastgelegde
overeenkomst waarbij zij is aangegaan uitsluitend tot doel het
verstrekken van risicodragend kapitaal aan het bedrijfsleven;
b. zij is gevestigd in Nederland;
c. haar gestorte aandelenkapitaal, respectievelijk het kapitaal
dat de vennoten blijkens de bovenbedoelde akte verplicht zijn
gezamenlijk in te brengen, bedraagt ten minste € 453 500;
d. de aandelen waarin haar kapitaal is verdeeld zijn op naam
gesteld;
e. indien van een of meer van de aandelen waarin haar kapitaal is
verdeeld met medewerking van de vennootschap certificaten zijn
uitgegeven, is dit geschied door een van de vennootschap
onafhankelijk administratiekantoor;
f. zij heeft geen aandeelhouders respectievelijk vennoten, die:
1°. een rechtspersoon zijn die krachtens publiekrecht is
ingesteld, of
2°. een rechtspersoon zijn waarover rechtspersonen die
krachtens publiekrecht zijn ingesteld uit hoofde van onmiddellijk
of middellijk aandeelhouderschap, lidmaatschap,
bestuurslidmaatschap of soortgelijke kwaliteit overwegende
zeggenschap uitoefenen, tenzij de aandelen van de rechtspersoon of
de certificaten daarvan zijn toegelaten tot de officiële notering
aan de Amsterdamse effectenbeurs, of
3°. een rechtspersoon zijn waarvan de bestuurders uitsluitend
door rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld
onmiddellijk of middellijk worden benoemd en waarvan het vermogen
bij liquidatie uitsluitend ter beschikking komt van rechtspersonen
die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, tenzij de aandelen van
de rechtspersoon of de certificaten daarvan zijn toegelaten tot de
officiële notering aan de Amsterdamse effectenbeurs;
g. indien zij slechts één beherend vennoot heeft, is deze
vennoot een rechtspersoon, die voldoet aan het bepaalde onder a
en b.
Artikel 5
1. Een aanvraag om erkenning als particuliere
participatiemaatschappij wordt ingediend, vergezeld van de volgende
bescheiden:
a. indien het betreft een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid:
1°. de statuten van de vennootschap;
2°. een opgave van de samenstelling van het bestuur en voor
zover aanwezig van de raad van commissarissen van de vennootschap;
3°. een opgave van de aandeelhouders van de vennootschap;
4°. een opgave van het aantal aandelen in het kapitaal van de
vennootschap dat ieder van de aandeelhouders houdt en van het op
ieder aandeel gestorte bedrag;
5°. een globale raming van de omvang en het aantal van de
activiteiten voor de eerste drie jaar, vergezeld van een
kostenbegroting;
b. indien het betreft een vennootschap onder firma of een
commanditaire vennootschap:
1°. de overeenkomst waarbij de vennootschap is aangegaan;
2°. een opgave van de vennoten en de niet-commanditaire
vennoten;
3°. een opgave van de verplichtingen tot inbreng van kapitaal
door de vennoten;
4°. een globale raming van de omvang en het aantal van de
activiteiten voor de eerste drie jaar, vergezeld van een
kostenbegroting.
2. Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Artikel 6
Door de bank aangewezen personen kunnen, voor zover dat
redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van dit
besluit, de aanvrager verzoeken:
a. inzage te verlenen van zakelijke gegevens en bescheiden,
b. hen kopieën te laten maken van de onder a bedoelde
gegevens en bescheiden en
c. medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens door
anderen.
Artikel 7
De bank geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 8
1. De bank beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag,
indien op grond van de deskundigheid, de voornemens of de antecedenten
van een of meer personen die het beleid van de aanvrager bepalen of
medebepalen de vrees bestaat, dat het goed functioneren van de
aanvrager als particuliere participatiemaatschappij onvoldoende
gewaarborgd is.
2. De bank kan afwijzend beslissen op een aanvraag:
a. indien niet is voldaan aan een verzoek als bedoeld in artikel 6
of aan een verzoek als bedoeld in artikel 6 van de Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ;
b. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens heeft
verstrekt, waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of
onvolledig waren en deze verstrekking tot een onjuiste beschikking op
de aanvraag zou hebben geleid.
Artikel 9
Een erkenning als particuliere participatiemaatschappij wordt bekend
gemaakt in de Staatscourant, onder vermelding van de naam en de
statutaire zetel van de particuliere participatiemaatschappij.
Artikel 10
Aan een erkenning als particuliere participatiemaatschappij zijn de
in de artikelen 11, 12 en 13 opgenomen verplichtingen verbonden.
Artikel 11
1. De betrokkene blijft voldoen aan de in artikel 4 gestelde
eisen.
2. De betrokkene voldoet voorts aan de volgende eisen:
a. het rentedragend vreemd vermogen zal niet tweemaal achtereen aan
het einde van een boekjaar meer bedragen dan het hoogste van de twee
volgende bedragen:
1°. het gestorte aandelenkapitaal, of, indien de betrokkene geen
rechtspersoon is, het door vennoten verplicht in te brengen
kapitaal;
2°. de helft van de de totale verkrijgingsprijs van de
participaties van betrokkene, die worden geregistreerd als bedoeld
in artikel 15 of die gemelde participaties van betrokkene zijn;
b. de som van de verkrijgingsprijzen van de uit aandelen bestaande
participaties van betrokkene, die worden geregistreerd als bedoeld in
artikel 15 of die gemelde participaties van betrokkene vormen, zal aan
het einde van het derde boekjaar na erkenning van de
participatiemaatschappij niet minder dan 40 procent, aan het einde van
het vierde boekjaar niet minder dan 50 procent en aan het einde van
het vijfde boekjaar niet minder dan 60 procent van de totale activa
van de particuliere participatiemaatschappij bedragen, waarbij de
vaste financiële activa tegen kostprijs zijn gewaardeerd. Met ingang
van het zesde boekjaar zal dit percentage niet tweemaal achtereen aan
het einde van het boekjaar minder dan 60 procent bedragen.
3. Indien als gevolg van een incidentele grote opbrengst uit de
vervreemding van een participatie dan wel van een andere financiering
niet voldaan kan worden aan het tweede lid, onder b, kan de bank
een tijdelijke ontheffing verlenen. Een aanvraag om een ontheffing wordt
ingediend uiterlijk zes weken voor het einde van het desbetreffende
boekjaar. De bank geeft een beschikking voor het einde van dat boekjaar.
4. Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b,
wordt bij de bepaling van de boekjaren de periode waarin de betrokkene
als particuliere participatiemaatschappij was erkend op basis van de
Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 mede
betrokken.
Artikel 12
1. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de
betrokkene aan de bank:
a. de op dat boekjaar betrekking hebbende, door de algemene
vergadering van aandeelhouders of de vennoten goedgekeurde of
vastgestelde jaarrekening, die is opgemaakt met inachtneming van titel
9 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek;
b. het verslag en de verklaring van een accountant, die op de
jaarrekening betrekking hebben.
2. Met de in het eerste lid bedoelde bescheiden zendt de
betrokkene door een accountant gecontroleerde en goedgekeurde,
overeenkomstig het bij regeling van Onze Minister vastgestelde model
opgestelde overzicht mee van alle aandelen in het kapitaal van enige
rechtspersonen en van alle overige door de particuliere
participatiemaatschappij aan natuurlijke of rechtspersonen verstrekte
financieringen, die de particuliere participatiemaatschappij aan het
einde van het laatstverlopen boekjaar had.
Artikel 13
1. De betrokkene stelt de bank binnen acht weken nadat de
desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, schriftelijk, onder
medezending van alle relevante gegevens en bescheiden, op de hoogte
van:
a. indien het een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid betreft:
1°. een wijziging van haar statuten,
2°. de overdracht van aandelen in haar kapitaal,
3°. de plaatsing van aandelen in haar kapitaal en
4°. een wijziging in de samenstelling van haar bestuur of haar
raad van commissarissen;
b. indien het een vennootschap onder firma of een commanditaire
vennootschap betreft:
1°. de wijziging of de beëindiging van de overeenkomst waarbij
de vennootschap is aangegaan,
2°. een wijziging in de bevoegdheid van een vennoot om de
vennootschap te vertegenwoordigen en
3°. een wijziging in de aansprakelijkheid van een vennoot voor
de schulden van de vennootschap;
c. enige omstandigheid ten gevolge waarvan zij niet meer voldoet
aan artikel 4;
d. de gehele of gedeeltelijke vervreemding van een participatie die
tot aan de vervreemding werd geregistreerd als bedoeld in artikel 15
of een gemelde participatie was;
e. de faillietverklaring van, de verlening van voorlopige of
definitieve surséance van betaling aan, en een besluit tot ontbinding
van een vennootschap, waarin de betrokkene een of meer participaties
heeft, die worden geregistreerd als bedoeld in artikel 15 of die een
gemelde participatie zijn.
2. De betrokkene voldoet aan verzoeken van door de bank
aangewezen personen om, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is
voor een goede uitvoering van dit besluit:
a. inzage te verlenen van zakelijke gegevens en bescheiden;
b. hen kopieën te laten maken van de onder a bedoelde
gegevens en bescheiden en
c. medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens door
anderen.
Artikel 14
1. De bank kan de erkenning als particuliere
participatiemaatschappij intrekken, indien:
a. de betrokkene niet heeft voldaan aan de in de artikelen 11, 12
en 13 opgenomen verplichtingen;
b. de bank op grond van de deskundigheid, de voornemens of de
antecedenten van een of meer personen die het beleid van de betrokkene
bepalen of medebepalen of op grond van het door de betrokkene gevoerde
beleid dan wel op grond van de omstandigheden die geleid hebben tot
een afwijzing van een aanvraag als bedoeld in artikel 27 van oordeel
is, dat het goed functioneren van de betrokkene als particuliere
participatiemaatschappij niet meer voldoende gewaarborgd is;
c. de beschikking, inhoudende de erkenning als particuliere
participatiemaatschappij, ten gevolge van aan de betrokkene te wijten
onjuistheid of onvolledigheid van verstrekte gegevens anders luidde
dan het geval zou zijn geweest, indien de gegevens juist en volledig
zouden zijn verstrekt.
2. Bij de beschikking tot intrekking kan de bank bepalen dat de
aanspraken op subsidies als bedoeld in artikel 20 betreffende die
participaties, die de particuliere participatiemaatschappij heeft
verkregen nadat de intrekkingsgrond is ontstaan, in een door hem te
bepalen omvang, al dan niet met terugwerkende kracht, vervallen. Indien
de intrekking gegrond is op het eerste lid, onder c, bepaalt de
bank steeds dat alle in de eerste volzin bedoelde aanspraken vervallen
met terugwerkende kracht.
3. De intrekking wordt, zodra zij onherroepelijk is geworden,
bekend gemaakt in de Staatscourant, onder vermelding van de naam
en de statutaire zetel van de betrokkene.
Hoofdstuk 3. Registratie van een participatie
Artikel 15
1. Een erkende particuliere participatiemaatschappij kan op
aanvraag registratie van een participatie verkrijgen van de bank.
2. Een aanvraag om registratie wordt binnen dertien weken na de
verkrijging van de participatie ingediend door de erkende particuliere
participatiemaatschappij die de participatie heeft verkregen.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring van de
particuliere participatiemaatschappij, welke inhoudt:
a. de naam en een omschrijving van de activiteiten van de
vennootschap waarin de particuliere participatiemaatschappij de
participatie heeft verkregen;
b. dat deze vennootschap op het moment van de aanvraag voldoet aan
de eisen, bedoeld in artikel 2, derde lid;
c. de precieze aard van de participatie, de datum van verkrijging,
de verkrijgingsprijs van de participatie en de voorwaarden waaronder
deze is verkregen;
d. dat de vennootschap blijvende rendementsperspectieven heeft.
4. De aanvraag gaat voorts vergezeld van:
a. de laatste door de algemene vergadering van aandeelhouders van
de vennootschap vastgestelde of goedgekeurde jaarrekening;
b. een verklaring van een accountant, welke inhoudt dat hij de
verklaringen, bedoeld in het derde lid, onder a, b en c,
heeft gecontroleerd en juist heeft bevonden.
c. het bewijs van betaling aan de bank van een registratiepremie
ten bedrage van 1 procent van de verkrijgingsprijs van de participatie
waarop de aanvraag betrekking heeft.
5. Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Artikel 16
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling met betrekking tot
ieder kalenderjaar het bedrag vast, inhoudende het totaal van de
verkrijgingsprijzen van participaties waarvoor in dat jaar op aanvraag
een beschikking tot registratie kan worden verkregen.
Artikel 17
1. De bank beslist afwijzend op een aanvraag om registratie,
indien:
a. de aanvrager geen erkende participatiemaatschappij was in de zin
van dit besluit ten tijde van de indiening van de aanvraag;
b. de aanvrager geen erkende participatiemaatschappij was in de zin
van dit besluit of de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981 ten tijde van de verkrijging van de
participatie.
c. de aanvrager de registratiepremie, bedoeld in artikel 15, vierde
lid, onder c, niet of niet tijdig heeft voldaan.
2. De bank beslist afwijzend op een aanvraag om registratie, voor
zover:
a. door registratie het krachtens artikel 16 vastgestelde bedrag
zou worden overschreden;
b. de participatie waarop de aanvraag betrekking heeft ten tijde
van de verkrijging bestond uit een converteerbare achtergestelde
lening en de aanvrager niet voorafgaand aan of tegelijk met de
verkrijging van de betreffende participatie een of meer andere uit
aandelen bestaande participaties in dezelfde vennootschap heeft
verkregen, die ten tijde van de verkrijging van de eerst bedoelde
participatie aan de volgende vereisten voldeden:
1°. zij vormen tezamen ten minste ééntwintigste deel van het
geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap;
2°. zij worden door de bank geregistreerd of zij zijn een of
meer gemelde participaties;
c. het totale bedrag van de verkrijgingsprijs van de participatie
en van al de overige participaties, die eerder of tegelijk met de
verkrijging zijn verkregen door enige particuliere
participatiemaatschappij in dezelfde vennootschap en die op het
tijdstip van registratie worden geregistreerd of een gemelde
participatie zijn, meer dan € 1 140 000;
d. het totale bedrag van de verkrijgingsprijs van de aandelen en
andere financieringen die de aanvrager in de vennootschap houdt door
de verkrijging van die participatie hoger is geworden dan 20 procent
van:
1°. het gestorte kapitaal van de aanvrager, indien de
participatie is verkregen voor het einde van het derde volle
boekjaar, verlopen sedert de erkenning van de aanvrager als
particuliere participatiemaatschappij, of
2°. het totale bedrag van de verkrijgingsprijs van alle aandelen
en andere financieringen, met inbegrip van de desbetreffende
participatie, van de aanvrager, indien de participatie verkregen is
na het einde van het derde volle boekjaar, verlopen sedert de
erkenning van de aanvrager als particuliere
participatiemaatschappij.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder d,
wordt voor de bepaling van de boekjaren de periode waarin de aanvrager
een in de zin van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981 erkende particuliere
participatiemaatschappij was, mede betrokken.
Artikel 18
1. De betrokkene voldoet jaarlijks voor het eind van de maand
waarin de participatie is verkregen, en voor het eerst in het jaar
volgend op dat waarin de aanvraag tot registratie is ingediend, aan de
bank een registratiepremie ten bedrage van 1 procent van de
verkrijgingsprijs van de participatie.
2. De betrokkene verricht de betaling op de door de bank te
bepalen wijze en vergezeld van bescheiden waaruit blijkt op welke
participatie de betaling betrekking heeft.
3. De bank kan de beschikking tot registratie intrekken, indien
de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichtingen welke ingevolge
het eerste lid voor hem gelden.
4. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde premie
worden de bedragen, die vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip
zijn afgelost op participaties die bestaan uit leningen niet tot de
verkrijgingsprijs gerekend.
Artikel 19
Een beschikking tot registratie van een participatie vervalt, zodra
en voorzover de betrokkene de participatie vervreemdt.
Hoofdstuk 4. Subsidies
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 20
1. De bank verstrekt op aanvraag een subsidie aan een erkende
particuliere participatiemaatschappij, indien deze op een voor 1
januari 1996 verkregen participatie een verlies lijdt bij:
a. gehele of gedeeltelijke vervreemding van die participatie;
b. ontbinding van de vennootschap waarin de aanvrager die
participatie heeft;
c. indien het een participatie betreft die bestaat uit een
converteerbare achtergestelde lening, een in kracht van gewijsde
gegane homologatie van een akkoord na de faillietverklaring of na de
verlening van surséance van betaling van de vennootschap waarin de
verzoeker die participatie heeft.
2. Geen subsidie wordt verstrekt, indien ten tijde van de
gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c,
de participatie niet wordt geregistreerd door de bank.
3. Geen subsidie wordt verstrekt, indien het verlies is geleden:
a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van de participatie aan
een of meer personen, die op het tijdstip van de gebeurtenis als
bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, of op enig
tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar aandeelhouder waren van
of in dienst waren van de aanvrager of betrokken waren bij het beleid
of beheer van die aanvrager;
b. na inkoop van of terugbetaling door de vennootschap op aandelen
die de aanvrager in de vennootschap houdt.
4. Geen subsidie wordt verstrekt, indien ten tijde van de
gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c,
dan wel faillietverklaring van de vennootschap, minder dan een jaar is
verlopen sedert de particuliere participatiemaatschappij de participatie
heeft verkregen.
5. In dit hoofdstuk wordt mede begrepen
a. onder een aandeelhouder: een vennoot en de natuurlijke persoon
of rechtspersoon die uit hoofde van een onmiddellijk of middellijk
aandeelhouderschap, lidmaatschap, bestuurslidmaatschap of soortgelijke
kwaliteit overwegende zeggenschap over een aandeelhouder of een
vennoot uitoefent, en
b. onder een bestuurder: een niet-commanditaire vennoot en de
natuurlijke persoon of rechtspersoon die uit hoofde van een
onmiddellijk of middellijk aandeelhouderschap, lidmaatschap,
bestuurslidmaatschap of soortgelijke kwaliteit overwegende zeggenschap
over een bestuurder of een niet-commanditaire vennoot uitoefent.
Artikel 21
De bank beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag om subsidie
indien:
a. de aanvrager tezamen met zijn bestuurders en die
aandeelhouders, die overwegende zeggenschap over hem uitoefenen,
door of op enig tijdstip na de verkrijging van de participatie
onmiddellijk of middellijk overwegende zeggenschap over tenminste de
helft van het geplaatste kapitaal van de vennootschap waarin de
participatie is verkregen heeft uitgeoefend of ten minste de helft
van het geplaatste kapitaal van die vennootschap heeft gehouden;
b. de aandeelhouders en de bestuurders van de aanvrager ten tijde
van of op enige tijdstip na de verkrijging van de participatie
onmiddellijk of middellijk, anders dan door middel van een of meer
andere erkende particuliere participatiemaatschappijen, tezamen
overwegende zeggenschap over ten minste 10 procent van het
geplaatste kapitaal van de vennootschap waarin de participatie is
verkregen hebben uitgeoefend of ten minste 10 procent van het
geplaatste kapitaal van die vennootschap hebben gehouden;
c. een bestuurder van de aanvrager of een aandeelhouder die ten
minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van de
aanvrager houdt, of, indien de aanvrager geen rechtspersoon is,
ingevolge de overeenkomst waarbij de vennootschap is aangegaan in de
vennootschap ten minste 10 procent van het kapitaal moet inbrengen,
ten tijde van of op enig tijdstip na de verkrijging van de
participatie alleen of tezamen met anderen een bedrijf heeft
uitgeoefend dat gelijk of verwant is aan het door de vennootschap
waarin de participatie is verkregen uitgeoefende bedrijf en bij de
uitoefening van dat bedrijf een vaste afnemersrelatie met de
desbetreffende vennootschap heeft gehad;
d. in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de
verkrijging van de participatie aan de vennootschap ten behoeve van
derden, niet zijnde aandeelhouders, middelen zijn onttrokken onder
welke naam of in welke vorm dan ook, ten bedrage van meer dan 10
procent van het eigen vermogen van de vennootschap, daaronder de
participatie niet begrepen, dan wel een verplichting tot zodanige
onttrekking is aangegaan anders dan in verband met een redelijk te
achten bedrijfsvoering;
e. in de periode van vier jaar na de verkrijging van de
participatie aan de vennootschap ten behoeve van derden, niet zijnde
aandeelhouders, middelen zijn onttrokken anders dan in verband met
een redelijk te achten bedrijfsvoering;
f. indien in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de
verkrijging van de participatie aan de vennootschap ten behoeve van
een of meer aandeelhouders middelen zijn onttrokken, onder welke
naam of in welke vorm dan ook en met inbegrip van de
dividenduitkeringen, ten bedrage van meer dan 10 procent van het
eigen vermogen van de vennootschap, daaronder de participatie niet
begrepen, dan wel een verplichting tot zodanige onttrekking is
aangegaan;
g. indien in de periode van vier jaar na de verkrijging van de
participatie aan de vennootschap ten behoeve van een of meer
aandeelhouders middelen zijn onttrokken anders dan door middel van
redelijk te achten dividenduitkeringen;
h. indien de aanvrager of de aandeelhouders of de bestuurders van
de aanvrager na de verkrijging van de participatie middellijk dan
wel onmiddellijk middelen, onder welke naam of in welke vorm dan
ook, aan de vennootschap heeft onttrokken anders dan in verband met
een redelijk te achten bedrijfsvoering;
i. ter zake van het betrokken deel van de participatie reeds een
subsidie is verstrekt.
§ 2. Berekening van de subsidie
Artikel 22
1. De subsidiegrondslag van een participatie die bestaat uit
aandelen wordt gevormd door de verkrijgingsprijs of, indien het
verlies slechts op een deel van de participatie is geleden, het
hiermee overeenkomende deel van de verkrijgingsprijs, verminderd met:
a. indien de participatie geheel of gedeeltelijk is vervreemd, de
prijs waarvoor die vervreemding plaatsvond of, indien de betreffende
vennootschap ontbonden is, de liquidatie-uitkering en
b. de door de bank vastgestelde waarde van de voordelen die de
aanvrager en de personen, die op het tijdstip van de gebeurtenis als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, of
op enig tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar, aandeelhouder
waren van de aanvrager, in dienst waren van de aanvrager of betrokken
waren bij het beleid of beheer van de aanvrager, door het verkrijgen
of het houden van de participatie dan wel door een gebeurtenis als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
hebben verkregen of zullen verkrijgen.
2. De subsidiegrondslag van een participatie die bestaat uit een
converteerbare achtergestelde lening wordt gevormd door de
verkrijgingsprijs of, indien het verlies slechts op een deel van de
participatie is geleden, het hiermee overeenkomende deel van de
verkrijgingsprijs, verminderd met:
a. indien de participatie geheel of gedeeltelijk is vervreemd, de
prijs waarvoor die vervreemding plaatsvond of de op de participatie
verrichte uitkering wegens een van de in artikel 20, eerste lid, onder
b of c genoemde gebeurtenissen,
b. het bedrag of, indien het verlies slechts op een deel van de
participatie is geleden, het hiermee overeenkomende deel van het
bedrag, dat op de participatie is afgelost in de periode tot aan de
gebeurtenis, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
en
c. de door de bank vastgestelde waarde van de voordelen die de
aanvrager en de personen, die op het tijdstip van de gebeurtenis als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, of
op enig tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar aandeelhouder
waren van de aanvrager, in dienst waren van de aanvrager, of betrokken
waren bij het beleid of beheer van de aanvrager, door het verkrijgen
of het houden van de participatie dan wel door een gebeurtenis als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
hebben verkregen of zullen verkrijgen.
3. Indien de verkrijgingsprijs van een participatie die bestaat
uit een converteerbare achtergestelde lening hoger is dan de nominale
waarde van de hoofdsom, wordt bij de toepassing van het tweede lid in
plaats van de verkrijgingsprijs de nominale waarde van de hoofdsom in
aanmerking genomen.
4. Indien de aanvrager in de desbetreffende vennootschap een
aantal gelijksoortige geregistreerde participaties heeft en slechts op
een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden
op die geregistreerde of gemelde participatie van de betreffende soort,
welke de aanvrager het eerst heeft verkregen.
5. Indien de aanvrager naast een of meer geregistreerde
participaties tevens een of meer andere financieringen van dezelfde
soort in de betreffende vennootschap houdt en slechts op een deel van
die participaties en financieringen verlies lijdt, wordt het verlies,
onverminderd het vierde lid, geacht te zijn geleden op dat deel van de
geregistreerde participaties, dat overeenkomt met de verhouding tussen
de totale verkrijgingsprijs van de geregistreerde participaties en het
totale bedrag van de verkrijgingsprijs van alle geregistreerde en
gemelde participaties en andere financieringen van dezelfde soort.
Artikel 23
1. De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiegrondslag.
2. Dit percentage wordt verminderd met 10 procentpunten voor
ieder vol jaar, verlopen na het einde van het achtste jaar na de datum
waarop de aanvrager de participatie heeft verkregen, indien de
participatie is verkregen in 1992 en na het einde van het zevende, zesde
of vijfde jaar, indien de participatie is verkregen in onderscheidenlijk
1993, 1994 en 1995. Indien de participatie bestaat uit aandelen die zijn
verkregen door omzetting van een converteerbare achtergestelde lening,
wordt de datum waarop de betrokken achtergestelde lening is verkregen
aangemerkt als de datum waarop de participatie is verkregen.
3. Indien de participatie uit aandelen bestaat, wordt het in het
eerste lid genoemde percentage bovendien verminderd met het aantal
procentpunten dat voortvloeit uit de formule
indien de uitkomst van deze formule positief is.
In deze formule betekent:
D: het totale dividend dat op deze participatie in geld is uitgekeerd
in de periode tussen de verkrijging van de participatie door de
aanvrager en de gebeurtenis als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder
a, b of c;
F: de verkrijgingsprijs van de participatie;
Tm: het aantal volledige maanden, verlopen tussen de verkrijging van
de participatie door de aanvrager en de gebeurtenis, bedoeld in artikel
20, eerste lid, onder a, b of c.
§ 3. Voorschotten
Artikel 24
1. Zodra de vennootschap waarin de participatie wordt gehouden
in staat van faillissement is verklaard, kan op aanvraag van de
erkende participatiemaatschappij door de bank een voorschot op de
subsidie worden verstrekt.
2. Het voorschot is niet groter dan de redelijkerwijs te
verwachten subsidie.
Artikel 25
De bank geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 26
1. De bank kan een beschikking, inhoudende de verlening van een
voorschot, intrekken, indien niet binnen drie jaar na de datum van de
beschikking een beschikking is gegeven, inhoudende de verstrekking van
subsidie ter zake van het desbetreffende verlies.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn ter
beschikking gestelde financiële middelen terstond opeisbaar.
§ 4. Aanvragen om subsidie
Artikel 27
1. Een aanvraag om subsidie wordt binnen zes maanden na de
gebeurtenis, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
ingediend bij de bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan
het model bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld. De
aanvraag gaat vergezeld van:
a. alle bewijsstukken betreffende de oorzaak en de omvang van het
verlies;
b. een verklaring van de aanvrager omtrent de waarde van de in
artikel 20, eerste lid, onder b en tweede lid, onder c,
bedoelde voordelen;
c. de namen van de personen die op het tijdstip van de gebeurtenis,
bedoeld in artikel 20 eerste lid, onder a, b of c, of op
enig tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar aandeelhouder waren
van de aanvrager, in dienst waren van de aanvrager dan wel betrokken
waren bij het beheer van de aanvrager;
d. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid en
volledigheid van de in de aanvraag vermelde gegevens en bij de
aanvraag meegezonden bewijsstukken;
e. de bescheiden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, betreffende de
twee laatst verlopen boekjaren, tenzij de bank deze bescheiden reeds
heeft ontvangen;
f. de door de algemene vergadering van aandeelhouders van de
vennootschap of de vennoten vastgestelde of goedgekeurde
jaarrekeningen betreffende de sedert de verkrijging van de
participatie verlopen boekjaren.
2. Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Artikel 28
De bank geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 29
Op een aanvraag kan in ieder geval afwijzend worden beslist:
a. indien niet is voldaan aan een verzoek als bedoeld in artikel
6, of aan een verzoek als bedoeld in artikel 6 van de Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ;
b. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens
heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze
onjuist of onvolledig waren, en de verstrekking van deze gegevens
tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid.
Artikel 30
1. Een beschikking, inhoudende de verstrekking van een subsidie
kan worden ingetrokken of gewijzigd bij een beschikking als bedoeld in
artikel 14, tweede lid.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn ter
beschikking gestelde financiële middelen terstond opeisbaar voor zover
zij het bedrag waarop de betrokkene alsdan recht heeft te boven gaan.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 31
1. Aanvragen tot erkenning als particuliere
participatiemaatschappij als bedoeld in Hoofdstuk 2 van de
Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981, die
zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit, en waarop nog
niet is besloten, worden in aanmerking genomen als aanvragen, bedoeld
in artikel 4 van dit besluit.
2. Meldingen als bedoeld in artikel 13 van de Garantieregeling
particuliere participatiemaatschappijen 1981 die de toezichthouder ten
tijde van de inwerkingtreding van dit besluit nog niet schriftelijk
heeft bevestigd, worden in aanmerking genomen als aanvragen om
registratie als bedoeld in artikel 15 van dit besluit.
Artikel 32
De particuliere participatiemaatschappij, die bij de inwerkingtreding
van dit besluit op basis van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981 als zodanig was erkend, wordt aangemerkt
als een met inachtneming van dit besluit door de bank erkende
particuliere participatiemaatschappij.
Artikel 33
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 34
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit particuliere
participatiemaatschappijen.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bank: de Nederlandsche Bank N.V.;
b. accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden,
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke
rechtspersoon, die direct of indirect:
- meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
- volledig aansprakelijk vennoot is van of
- overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.
Artikel 2
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
participatie verstaan:
a. de aandelen in het kapitaal van een vennootschap die de
particuliere participatiemaatschappij rechtstreeks van de
vennootschap uit een en dezelfde emissie heeft verkregen:
1°. tegen volstorting van die aandelen in geld,
2°. door omzetting van een participatie, als bedoeld in
onderdeel b, die is geregistreerd als bedoeld in artikel 15,
of een deel daarvan, of
3°. door omzetting van een met het oog op de verkrijging
van die aandelen door de particuliere participatiemaatschappij
aan de vennootschap, of aan de vennootschap in oprichting, in
geld verstrekte lening met een effectieve looptijd van niet
meer dan drie maanden of een deel van die lening;
b. een in aandelen converteerbare achtergestelde lening ten
laste van een vennootschap die de particuliere
participatiemaatschappij heeft verkregen:
1°. door aan de vennootschap een lening te verstrekken in
geld of
2°. door omzetting van een door de particuliere
participatiemaatschappij aan de vennootschap, of de
vennootschap in oprichting, in geld verstrekte lening met een
effectieve looptijd van niet meer dan drie maanden of een deel
van die lening.
2.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
gemelde participatie verstaan een participatie in de zin van artikel
1, eerste lid, onder g, van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981, ten aanzien waarvan de melding niet
is doorgehaald, als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van die
regeling.
3.In het eerste lid van dit artikel en in de hoofdstukken 3 en 4
wordt onder een vennootschap verstaan een vennootschap die voldoet aan
de volgende eisen:
a. zij is een naamloze vennootschap of besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid;
b. zij is in Nederland gevestigd en hoofdzakelijk in Nederland
werkzaam;
c. zij heeft niet meer dan 100 werknemers in dienst en maakt
niet deel uit van een groep waarbij in totaal meer dan 200
werknemers in dienst zijn;
d. haar activiteiten liggen niet geheel of hoofdzakelijk op het
gebied van:
1°. het bank- en verzekeringswezen;
2°. het beleggingswezen;
3°. het op enigerlei wijze financieren van een of meer
ondernemers;
4°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van
onroerende zaken;
5°. het middellijk of onmiddellijk deelnemen in
vennootschappen waarvan de activiteiten geheel of
hoofdzakelijk liggen op de gebieden, genoemd onder 1° tot en
met 4°.
4.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
achtergestelde lening verstaan een niet door enige vorm van zekerheid
gedekte geldlening, waarop de debiteur krachtens een daartoe
strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding,
een akkoord na verlening van surséance van betaling of een akkoord in
faillissement van de debiteur, rente en aflossing - voor zover de
termijnen daarvan niet reeds verschenen waren voor het tijdstip van de
ontbinding, de indiening van het verzoek om verlening van surséance
van betaling of de indiening van de faillissementsaanvrage - eerst
verplicht is te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande
schulden van de debiteur, met uitzondering van die welke voortvloeien
uit leningen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde
bepaling is verbonden, zijn voldaan, terwijl ingevolge de
vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan
van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing.
Artikel 3
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder de
verkrijgingsprijs van een participatie verstaan het bedrag in geld,
waarvoor de particuliere participatiemaatschappij de participatie
heeft verkregen.
2.In afwijking van het eerste lid wordt onder de verkrijgingsprijs
van een participatie die bestaat uit aandelen die zijn verkregen door
omzetting van een converteerbare achtergestelde lening, of een deel
daarvan, verstaan het bedrag van de uitstaande lening dat is omgezet
in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag
in geld dat wegens de omzetting bijbetaald is door onderscheidenlijk
terugbetaald is aan de particuliere participatiemaatschappij.
Hoofdstuk 2. Erkenning van de particuliere participatiemaatschappij
Artikel 4
Een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, vennootschap onder firma of commanditaire
vennootschap wordt op aanvraag door de bank als particuliere
participatiemaatschappij erkend, indien zij voldoet aan de volgende
eisen:
a. zij heeft blijkens de notariële akte waarbij haar statuten
zijn vastgesteld of blijkens de in een notariële akte vastgelegde
overeenkomst waarbij zij is aangegaan uitsluitend tot doel het
verstrekken van risicodragend kapitaal aan het bedrijfsleven;
b. zij is gevestigd in Nederland;
c. haar gestorte aandelenkapitaal, respectievelijk het kapitaal
dat de vennoten blijkens de bovenbedoelde akte verplicht zijn
gezamenlijk in te brengen, bedraagt ten minste € 453 500;
d. de aandelen waarin haar kapitaal is verdeeld zijn op naam
gesteld;
e. indien van een of meer van de aandelen waarin haar kapitaal is
verdeeld met medewerking van de vennootschap certificaten zijn
uitgegeven, is dit geschied door een van de vennootschap
onafhankelijk administratiekantoor;
f. zij heeft geen aandeelhouders respectievelijk vennoten, die:
1°. een rechtspersoon zijn die krachtens publiekrecht is
ingesteld, of
2°. een rechtspersoon zijn waarover rechtspersonen die
krachtens publiekrecht zijn ingesteld uit hoofde van
onmiddellijk of middellijk aandeelhouderschap, lidmaatschap,
bestuurslidmaatschap of soortgelijke kwaliteit overwegende
zeggenschap uitoefenen, tenzij de aandelen van de rechtspersoon
of de certificaten daarvan zijn toegelaten tot de officiële
notering aan de Amsterdamse effectenbeurs, of
3°. een rechtspersoon zijn waarvan de bestuurders
uitsluitend door rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld onmiddellijk of middellijk worden benoemd en waarvan
het vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking komt van
rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, tenzij
de aandelen van de rechtspersoon of de certificaten daarvan zijn
toegelaten tot de officiële notering aan de Amsterdamse
effectenbeurs;
g. indien zij slechts één beherend vennoot heeft, is deze
vennoot een rechtspersoon, die voldoet aan het bepaalde onder a en b.
Artikel 5
1.Een aanvraag om erkenning als particuliere
participatiemaatschappij wordt ingediend, vergezeld van de volgende
bescheiden:
a. indien het betreft een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid:
1°. de statuten van de vennootschap;
2°. een opgave van de samenstelling van het bestuur en
voor zover aanwezig van de raad van commissarissen van de
vennootschap;
3°. een opgave van de aandeelhouders van de vennootschap;
4°. een opgave van het aantal aandelen in het kapitaal van
de vennootschap dat ieder van de aandeelhouders houdt en van
het op ieder aandeel gestorte bedrag;
5°. een globale raming van de omvang en het aantal van de
activiteiten voor de eerste drie jaar, vergezeld van een
kostenbegroting;
b. indien het betreft een vennootschap onder firma of een
commanditaire vennootschap:
1°. de overeenkomst waarbij de vennootschap is aangegaan;
2°. een opgave van de vennoten en de niet-commanditaire
vennoten;
3°. een opgave van de verplichtingen tot inbreng van
kapitaal door de vennoten;
4°. een globale raming van de omvang en het aantal van de
activiteiten voor de eerste drie jaar, vergezeld van een
kostenbegroting.
2.Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Artikel 6
Door de bank aangewezen personen kunnen, voor zover dat
redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van dit
besluit, de aanvrager verzoeken:
a. inzage te verlenen van zakelijke gegevens en bescheiden,
b. hen kopieën te laten maken van de onder a bedoelde gegevens
en bescheiden en
c. medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens door
anderen.
Artikel 7
De bank geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 8
1.De bank beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag, indien
op grond van de deskundigheid, de voornemens of de antecedenten van
een of meer personen die het beleid van de aanvrager bepalen of
medebepalen de vrees bestaat, dat het goed functioneren van de
aanvrager als particuliere participatiemaatschappij onvoldoende
gewaarborgd is.
2.De bank kan afwijzend beslissen op een aanvraag:
a. indien niet is voldaan aan een verzoek als bedoeld in
artikel 6 of aan een verzoek als bedoeld in artikel 6 van de
Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ;
b. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens
heeft verstrekt, waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze
onjuist of onvolledig waren en deze verstrekking tot een onjuiste
beschikking op de aanvraag zou hebben geleid.
Artikel 9
Een erkenning als particuliere participatiemaatschappij wordt bekend
gemaakt in de Staatscourant, onder vermelding van de naam en de
statutaire zetel van de particuliere participatiemaatschappij.
Artikel 10
Aan een erkenning als particuliere participatiemaatschappij zijn de
in de artikelen 11, 12 en 13 opgenomen verplichtingen verbonden.
Artikel 11
1.De betrokkene blijft voldoen aan de in artikel 4 gestelde eisen.
2.De betrokkene voldoet voorts aan de volgende eisen:
a. het rentedragend vreemd vermogen zal niet tweemaal achtereen
aan het einde van een boekjaar meer bedragen dan het hoogste van
de twee volgende bedragen:
1°. het gestorte aandelenkapitaal, of, indien de
betrokkene geen rechtspersoon is, het door vennoten verplicht
in te brengen kapitaal;
2°. de helft van de de totale verkrijgingsprijs van de
participaties van betrokkene, die worden geregistreerd als
bedoeld in artikel 15 of die gemelde participaties van
betrokkene zijn;
b. de som van de verkrijgingsprijzen van de uit aandelen
bestaande participaties van betrokkene, die worden geregistreerd
als bedoeld in artikel 15 of die gemelde participaties van
betrokkene vormen, zal aan het einde van het derde boekjaar na
erkenning van de participatiemaatschappij niet minder dan 40
procent, aan het einde van het vierde boekjaar niet minder dan 50
procent en aan het einde van het vijfde boekjaar niet minder dan
60 procent van de totale activa van de particuliere
participatiemaatschappij bedragen, waarbij de vaste financiële
activa tegen kostprijs zijn gewaardeerd. Met ingang van het zesde
boekjaar zal dit percentage niet tweemaal achtereen aan het einde
van het boekjaar minder dan 60 procent bedragen.
3.Indien als gevolg van een incidentele grote opbrengst uit de
vervreemding van een participatie dan wel van een andere financiering
niet voldaan kan worden aan het tweede lid, onder b, kan de bank een
tijdelijke ontheffing verlenen. Een aanvraag om een ontheffing wordt
ingediend uiterlijk zes weken voor het einde van het desbetreffende
boekjaar. De bank geeft een beschikking voor het einde van dat
boekjaar.
4.Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt
bij de bepaling van de boekjaren de periode waarin de betrokkene als
particuliere participatiemaatschappij was erkend op basis van de
Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 mede
betrokken.
Artikel 12
1.Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de
betrokkene aan de bank:
a. de op dat boekjaar betrekking hebbende, door de algemene
vergadering van aandeelhouders of de vennoten goedgekeurde of
vastgestelde jaarrekening, die is opgemaakt met inachtneming van
titel 9 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek;
b. het verslag en de verklaring van een accountant, die op de
jaarrekening betrekking hebben.
2.Met de in het eerste lid bedoelde bescheiden zendt de betrokkene
door een accountant gecontroleerde en goedgekeurde, overeenkomstig het
bij regeling van Onze Minister vastgestelde model opgestelde overzicht
mee van alle aandelen in het kapitaal van enige rechtspersonen en van
alle overige door de particuliere participatiemaatschappij aan
natuurlijke of rechtspersonen verstrekte financieringen, die de
particuliere participatiemaatschappij aan het einde van het
laatstverlopen boekjaar had.
Artikel 13
1.De betrokkene stelt de bank binnen acht weken nadat de
desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, schriftelijk, onder
medezending van alle relevante gegevens en bescheiden, op de hoogte
van:
a. indien het een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid betreft:
1°. een wijziging van haar statuten,
2°. de overdracht van aandelen in haar kapitaal,
3°. de plaatsing van aandelen in haar kapitaal en
4°. een wijziging in de samenstelling van haar bestuur of
haar raad van commissarissen;
b. indien het een vennootschap onder firma of een commanditaire
vennootschap betreft:
1°. de wijziging of de beëindiging van de overeenkomst
waarbij de vennootschap is aangegaan,
2°. een wijziging in de bevoegdheid van een vennoot om de
vennootschap te vertegenwoordigen en
3°. een wijziging in de aansprakelijkheid van een vennoot
voor de schulden van de vennootschap;
c. enige omstandigheid ten gevolge waarvan zij niet meer
voldoet aan artikel 4;
d. de gehele of gedeeltelijke vervreemding van een participatie
die tot aan de vervreemding werd geregistreerd als bedoeld in
artikel 15 of een gemelde participatie was;
e. de faillietverklaring van, de verlening van voorlopige of
definitieve surséance van betaling aan, en een besluit tot
ontbinding van een vennootschap, waarin de betrokkene een of meer
participaties heeft, die worden geregistreerd als bedoeld in
artikel 15 of die een gemelde participatie zijn.
2.De betrokkene voldoet aan verzoeken van door de bank aangewezen
personen om, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van dit besluit:
a. inzage te verlenen van zakelijke gegevens en bescheiden;
b. hen kopieën te laten maken van de onder a bedoelde gegevens
en bescheiden en
c. medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens
door anderen.
Artikel 14
1.De bank kan de erkenning als particuliere
participatiemaatschappij intrekken, indien:
a. de betrokkene niet heeft voldaan aan de in de artikelen 11,
12 en 13 opgenomen verplichtingen;
b. de bank op grond van de deskundigheid, de voornemens of de
antecedenten van een of meer personen die het beleid van de
betrokkene bepalen of medebepalen of op grond van het door de
betrokkene gevoerde beleid dan wel op grond van de omstandigheden
die geleid hebben tot een afwijzing van een aanvraag als bedoeld
in artikel 27 van oordeel is, dat het goed functioneren van de
betrokkene als particuliere participatiemaatschappij niet meer
voldoende gewaarborgd is;
c. de beschikking, inhoudende de erkenning als particuliere
participatiemaatschappij, ten gevolge van aan de betrokkene te
wijten onjuistheid of onvolledigheid van verstrekte gegevens
anders luidde dan het geval zou zijn geweest, indien de gegevens
juist en volledig zouden zijn verstrekt.
2.Bij de beschikking tot intrekking kan de bank bepalen dat de
aanspraken op subsidies als bedoeld in artikel 20 betreffende die
participaties, die de particuliere participatiemaatschappij heeft
verkregen nadat de intrekkingsgrond is ontstaan, in een door hem te
bepalen omvang, al dan niet met terugwerkende kracht, vervallen.
Indien de intrekking gegrond is op het eerste lid, onder c, bepaalt de
bank steeds dat alle in de eerste volzin bedoelde aanspraken vervallen
met terugwerkende kracht.
3.De intrekking wordt, zodra zij onherroepelijk is geworden, bekend
gemaakt in de Staatscourant, onder vermelding van de naam en de
statutaire zetel van de betrokkene.
Hoofdstuk 3. Registratie van een participatie
Artikel 15
1.Een erkende particuliere participatiemaatschappij kan op aanvraag
registratie van een participatie verkrijgen van de bank.
2.Een aanvraag om registratie wordt binnen dertien weken na de
verkrijging van de participatie ingediend door de erkende particuliere
participatiemaatschappij die de participatie heeft verkregen.
3.De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring van de particuliere
participatiemaatschappij, welke inhoudt:
a. de naam en een omschrijving van de activiteiten van de
vennootschap waarin de particuliere participatiemaatschappij de
participatie heeft verkregen;
b. dat deze vennootschap op het moment van de aanvraag voldoet
aan de eisen, bedoeld in artikel 2, derde lid;
c. de precieze aard van de participatie, de datum van
verkrijging, de verkrijgingsprijs van de participatie en de
voorwaarden waaronder deze is verkregen;
d. dat de vennootschap blijvende rendementsperspectieven heeft.
4.De aanvraag gaat voorts vergezeld van:
a. de laatste door de algemene vergadering van aandeelhouders
van de vennootschap vastgestelde of goedgekeurde jaarrekening;
b. een verklaring van een accountant, welke inhoudt dat hij de
verklaringen, bedoeld in het derde lid, onder a, b en c, heeft
gecontroleerd en juist heeft bevonden.
c. het bewijs van betaling aan de bank van een
registratiepremie ten bedrage van 1 procent van de
verkrijgingsprijs van de participatie waarop de aanvraag
betrekking heeft.
5.Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Artikel 16
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling met betrekking tot
ieder kalenderjaar het bedrag vast, inhoudende het totaal van de
verkrijgingsprijzen van participaties waarvoor in dat jaar op aanvraag
een beschikking tot registratie kan worden verkregen.
Artikel 17
1.De bank beslist afwijzend op een aanvraag om registratie, indien:
a. de aanvrager geen erkende participatiemaatschappij was in de
zin van dit besluit ten tijde van de indiening van de aanvraag;
b. de aanvrager geen erkende participatiemaatschappij was in de
zin van dit besluit of de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981 ten tijde van de verkrijging van
de participatie.
c. de aanvrager de registratiepremie, bedoeld in artikel 15,
vierde lid, onder c, niet of niet tijdig heeft voldaan.
2.De bank beslist afwijzend op een aanvraag om registratie, voor
zover:
a. door registratie het krachtens artikel 16 vastgestelde
bedrag zou worden overschreden;
b. de participatie waarop de aanvraag betrekking heeft ten
tijde van de verkrijging bestond uit een converteerbare
achtergestelde lening en de aanvrager niet voorafgaand aan of
tegelijk met de verkrijging van de betreffende participatie een of
meer andere uit aandelen bestaande participaties in dezelfde
vennootschap heeft verkregen, die ten tijde van de verkrijging van
de eerst bedoelde participatie aan de volgende vereisten voldeden:
1°. zij vormen tezamen ten minste ééntwintigste deel van
het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap;
2°. zij worden door de bank geregistreerd of zij zijn een
of meer gemelde participaties;
c. het totale bedrag van de verkrijgingsprijs van de
participatie en van al de overige participaties, die eerder of
tegelijk met de verkrijging zijn verkregen door enige particuliere
participatiemaatschappij in dezelfde vennootschap en die op het
tijdstip van registratie worden geregistreerd of een gemelde
participatie zijn, meer dan € 1 140 000;
d. het totale bedrag van de verkrijgingsprijs van de aandelen
en andere financieringen die de aanvrager in de vennootschap houdt
door de verkrijging van die participatie hoger is geworden dan 20
procent van:
1°. het gestorte kapitaal van de aanvrager, indien de
participatie is verkregen voor het einde van het derde volle
boekjaar, verlopen sedert de erkenning van de aanvrager als
particuliere participatiemaatschappij, of
2°. het totale bedrag van de verkrijgingsprijs van alle
aandelen en andere financieringen, met inbegrip van de
desbetreffende participatie, van de aanvrager, indien de
participatie verkregen is na het einde van het derde volle
boekjaar, verlopen sedert de erkenning van de aanvrager als
particuliere participatiemaatschappij.
3.Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder d, wordt
voor de bepaling van de boekjaren de periode waarin de aanvrager een
in de zin van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981 erkende particuliere
participatiemaatschappij was, mede betrokken.
Artikel 18
1.De betrokkene voldoet jaarlijks voor het eind van de maand waarin
de participatie is verkregen, en voor het eerst in het jaar volgend op
dat waarin de aanvraag tot registratie is ingediend, aan de bank een
registratiepremie ten bedrage van 1 procent van de verkrijgingsprijs
van de participatie.
2.De betrokkene verricht de betaling op de door de bank te bepalen
wijze en vergezeld van bescheiden waaruit blijkt op welke participatie
de betaling betrekking heeft.
3.De bank kan de beschikking tot registratie intrekken, indien de
betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichtingen welke ingevolge
het eerste lid voor hem gelden.
4.Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde premie
worden de bedragen, die vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip
zijn afgelost op participaties die bestaan uit leningen niet tot de
verkrijgingsprijs gerekend.
Artikel 19
Een beschikking tot registratie van een participatie vervalt, zodra
en voorzover de betrokkene de participatie vervreemdt.
Hoofdstuk 4. Subsidies
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 20
1.De bank verstrekt op aanvraag een subsidie aan een erkende
particuliere participatiemaatschappij, indien deze op een voor 1
januari 1996 verkregen participatie een verlies lijdt bij:
a. gehele of gedeeltelijke vervreemding van die participatie;
b. ontbinding van de vennootschap waarin de aanvrager die
participatie heeft;
c. indien het een participatie betreft die bestaat uit een
converteerbare achtergestelde lening, een in kracht van gewijsde
gegane homologatie van een akkoord na de faillietverklaring of na
de verlening van surséance van betaling van de vennootschap
waarin de verzoeker die participatie heeft.
2.Geen subsidie wordt verstrekt, indien ten tijde van de
gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, de
participatie niet wordt geregistreerd door de bank.
3.Geen subsidie wordt verstrekt, indien het verlies is geleden:
a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van de participatie
aan een of meer personen, die op het tijdstip van de gebeurtenis
als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, of op enig
tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar aandeelhouder waren
van of in dienst waren van de aanvrager of betrokken waren bij het
beleid of beheer van die aanvrager;
b. na inkoop van of terugbetaling door de vennootschap op
aandelen die de aanvrager in de vennootschap houdt.
4.Geen subsidie wordt verstrekt, indien ten tijde van de
gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, dan wel
faillietverklaring van de vennootschap, minder dan een jaar is
verlopen sedert de particuliere participatiemaatschappij de
participatie heeft verkregen.
5.In dit hoofdstuk wordt mede begrepen
a. onder een aandeelhouder: een vennoot en de natuurlijke
persoon of rechtspersoon die uit hoofde van een onmiddellijk of
middellijk aandeelhouderschap, lidmaatschap, bestuurslidmaatschap
of soortgelijke kwaliteit overwegende zeggenschap over een
aandeelhouder of een vennoot uitoefent, en
b. onder een bestuurder: een niet-commanditaire vennoot en de
natuurlijke persoon of rechtspersoon die uit hoofde van een
onmiddellijk of middellijk aandeelhouderschap, lidmaatschap,
bestuurslidmaatschap of soortgelijke kwaliteit overwegende
zeggenschap over een bestuurder of een niet-commanditaire vennoot
uitoefent.
Artikel 21
De bank beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag om subsidie
indien:
a. de aanvrager tezamen met zijn bestuurders en die
aandeelhouders, die overwegende zeggenschap over hem uitoefenen,
door of op enig tijdstip na de verkrijging van de participatie
onmiddellijk of middellijk overwegende zeggenschap over tenminste de
helft van het geplaatste kapitaal van de vennootschap waarin de
participatie is verkregen heeft uitgeoefend of ten minste de helft
van het geplaatste kapitaal van die vennootschap heeft gehouden;
b. de aandeelhouders en de bestuurders van de aanvrager ten tijde
van of op enige tijdstip na de verkrijging van de participatie
onmiddellijk of middellijk, anders dan door middel van een of meer
andere erkende particuliere participatiemaatschappijen, tezamen
overwegende zeggenschap over ten minste 10 procent van het
geplaatste kapitaal van de vennootschap waarin de participatie is
verkregen hebben uitgeoefend of ten minste 10 procent van het
geplaatste kapitaal van die vennootschap hebben gehouden;
c. een bestuurder van de aanvrager of een aandeelhouder die ten
minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van de
aanvrager houdt, of, indien de aanvrager geen rechtspersoon is,
ingevolge de overeenkomst waarbij de vennootschap is aangegaan in de
vennootschap ten minste 10 procent van het kapitaal moet inbrengen,
ten tijde van of op enig tijdstip na de verkrijging van de
participatie alleen of tezamen met anderen een bedrijf heeft
uitgeoefend dat gelijk of verwant is aan het door de vennootschap
waarin de participatie is verkregen uitgeoefende bedrijf en bij de
uitoefening van dat bedrijf een vaste afnemersrelatie met de
desbetreffende vennootschap heeft gehad;
d. in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de
verkrijging van de participatie aan de vennootschap ten behoeve van
derden, niet zijnde aandeelhouders, middelen zijn onttrokken onder
welke naam of in welke vorm dan ook, ten bedrage van meer dan 10
procent van het eigen vermogen van de vennootschap, daaronder de
participatie niet begrepen, dan wel een verplichting tot zodanige
onttrekking is aangegaan anders dan in verband met een redelijk te
achten bedrijfsvoering;
e. in de periode van vier jaar na de verkrijging van de
participatie aan de vennootschap ten behoeve van derden, niet zijnde
aandeelhouders, middelen zijn onttrokken anders dan in verband met
een redelijk te achten bedrijfsvoering;
f. indien in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de
verkrijging van de participatie aan de vennootschap ten behoeve van
een of meer aandeelhouders middelen zijn onttrokken, onder welke
naam of in welke vorm dan ook en met inbegrip van de
dividenduitkeringen, ten bedrage van meer dan 10 procent van het
eigen vermogen van de vennootschap, daaronder de participatie niet
begrepen, dan wel een verplichting tot zodanige onttrekking is
aangegaan;
g. indien in de periode van vier jaar na de verkrijging van de
participatie aan de vennootschap ten behoeve van een of meer
aandeelhouders middelen zijn onttrokken anders dan door middel van
redelijk te achten dividenduitkeringen;
h. indien de aanvrager of de aandeelhouders of de bestuurders van
de aanvrager na de verkrijging van de participatie middellijk dan
wel onmiddellijk middelen, onder welke naam of in welke vorm dan
ook, aan de vennootschap heeft onttrokken anders dan in verband met
een redelijk te achten bedrijfsvoering;
i. ter zake van het betrokken deel van de participatie reeds een
subsidie is verstrekt.
§ 2. Berekening van de subsidie
Artikel 22
1.De subsidiegrondslag van een participatie die bestaat uit
aandelen wordt gevormd door de verkrijgingsprijs of, indien het
verlies slechts op een deel van de participatie is geleden, het
hiermee overeenkomende deel van de verkrijgingsprijs, verminderd met:
a. indien de participatie geheel of gedeeltelijk is vervreemd,
de prijs waarvoor die vervreemding plaatsvond of, indien de
betreffende vennootschap ontbonden is, de liquidatie-uitkering en
b. de door de bank vastgestelde waarde van de voordelen die de
aanvrager en de personen, die op het tijdstip van de gebeurtenis
als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, of op enig
tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar, aandeelhouder waren
van de aanvrager, in dienst waren van de aanvrager of betrokken
waren bij het beleid of beheer van de aanvrager, door het
verkrijgen of het houden van de participatie dan wel door een
gebeurtenis als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
hebben verkregen of zullen verkrijgen.
2.De subsidiegrondslag van een participatie die bestaat uit een
converteerbare achtergestelde lening wordt gevormd door de
verkrijgingsprijs of, indien het verlies slechts op een deel van de
participatie is geleden, het hiermee overeenkomende deel van de
verkrijgingsprijs, verminderd met:
a. indien de participatie geheel of gedeeltelijk is vervreemd,
de prijs waarvoor die vervreemding plaatsvond of de op de
participatie verrichte uitkering wegens een van de in artikel 20,
eerste lid, onder b of c genoemde gebeurtenissen,
b. het bedrag of, indien het verlies slechts op een deel van de
participatie is geleden, het hiermee overeenkomende deel van het
bedrag, dat op de participatie is afgelost in de periode tot aan
de gebeurtenis, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
en
c. de door de bank vastgestelde waarde van de voordelen die de
aanvrager en de personen, die op het tijdstip van de gebeurtenis
als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, of op enig
tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar aandeelhouder waren
van de aanvrager, in dienst waren van de aanvrager, of betrokken
waren bij het beleid of beheer van de aanvrager, door het
verkrijgen of het houden van de participatie dan wel door een
gebeurtenis als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
hebben verkregen of zullen verkrijgen.
3.Indien de verkrijgingsprijs van een participatie die bestaat uit
een converteerbare achtergestelde lening hoger is dan de nominale
waarde van de hoofdsom, wordt bij de toepassing van het tweede lid in
plaats van de verkrijgingsprijs de nominale waarde van de hoofdsom in
aanmerking genomen.
4.Indien de aanvrager in de desbetreffende vennootschap een aantal
gelijksoortige geregistreerde participaties heeft en slechts op een
deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden
op die geregistreerde of gemelde participatie van de betreffende
soort, welke de aanvrager het eerst heeft verkregen.
5.Indien de aanvrager naast een of meer geregistreerde
participaties tevens een of meer andere financieringen van dezelfde
soort in de betreffende vennootschap houdt en slechts op een deel van
die participaties en financieringen verlies lijdt, wordt het verlies,
onverminderd het vierde lid, geacht te zijn geleden op dat deel van de
geregistreerde participaties, dat overeenkomt met de verhouding tussen
de totale verkrijgingsprijs van de geregistreerde participaties en het
totale bedrag van de verkrijgingsprijs van alle geregistreerde en
gemelde participaties en andere financieringen van dezelfde soort.
Artikel 23
1.De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiegrondslag.
2.Dit percentage wordt verminderd met 10 procentpunten voor ieder
vol jaar, verlopen na het einde van het achtste jaar na de datum
waarop de aanvrager de participatie heeft verkregen, indien de
participatie is verkregen in 1992 en na het einde van het zevende,
zesde of vijfde jaar, indien de participatie is verkregen in
onderscheidenlijk 1993, 1994 en 1995. Indien de participatie bestaat
uit aandelen die zijn verkregen door omzetting van een converteerbare
achtergestelde lening, wordt de datum waarop de betrokken
achtergestelde lening is verkregen aangemerkt als de datum waarop de
participatie is verkregen.
3.Indien de participatie uit aandelen bestaat, wordt het in het
eerste lid genoemde percentage bovendien verminderd met het aantal
procentpunten dat voortvloeit uit de formule
,
indien de uitkomst van deze formule positief is.
In deze formule betekent:
D: het totale dividend dat op deze participatie in geld is
uitgekeerd in de periode tussen de verkrijging van de participatie
door de aanvrager en de gebeurtenis als bedoeld in artikel 20, eerste
lid, onder a, b of c;
F: de verkrijgingsprijs van de participatie;
Tm: het aantal volledige maanden, verlopen tussen de verkrijging
van de participatie door de aanvrager en de gebeurtenis, bedoeld in
artikel 20, eerste lid, onder a, b of c.
§ 3. Voorschotten
Artikel 24
1. Een voorschot op een subsidie kan op aanvraag van de erkende
participatiemaatschappij eerst worden verstrekt nadat de vennootschap
waarin de participatie wordt gehouden, in staat van faillissement is
gesteld.
2. Het voorschot is niet groter dan de redelijkerwijs te verwachten
subsidie.
Artikel 25
De bank geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 26
1.De bank kan een beschikking, inhoudende de verlening van een
voorschot, intrekken, indien niet binnen drie jaar na de datum van de
beschikking een beschikking is gegeven, inhoudende de verstrekking van
subsidie ter zake van het desbetreffende verlies.
2.Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn ter
beschikking gestelde financiële middelen terstond opeisbaar.
§ 4. Aanvragen om subsidie
Artikel 27
1.Een aanvraag om subsidie wordt binnen zes maanden na de
gebeurtenis, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c,
ingediend bij de bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan
het model bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld. De
aanvraag gaat vergezeld van:
a. alle bewijsstukken betreffende de oorzaak en de omvang van
het verlies;
b. een verklaring van de aanvrager omtrent de waarde van de in
artikel 20, eerste lid, onder b en tweede lid, onder c, bedoelde
voordelen;
c. de namen van de personen die op het tijdstip van de
gebeurtenis, bedoeld in artikel 20 eerste lid, onder a, b of c, of
op enig tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar
aandeelhouder waren van de aanvrager, in dienst waren van de
aanvrager dan wel betrokken waren bij het beheer van de aanvrager;
d. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid en
volledigheid van de in de aanvraag vermelde gegevens en bij de
aanvraag meegezonden bewijsstukken;
e. de bescheiden, bedoeld in artikel 12, eerste lid,
betreffende de twee laatst verlopen boekjaren, tenzij de bank deze
bescheiden reeds heeft ontvangen;
f. de door de algemene vergadering van aandeelhouders van de
vennootschap of de vennoten vastgestelde of goedgekeurde
jaarrekeningen betreffende de sedert de verkrijging van de
participatie verlopen boekjaren.
2.Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Artikel 28
De bank geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 29
Op een aanvraag kan in ieder geval afwijzend worden beslist:
a. indien niet is voldaan aan een verzoek als bedoeld in artikel
6, of aan een verzoek als bedoeld in artikel 6 van de Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ;
b. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens
heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze
onjuist of onvolledig waren, en de verstrekking van deze gegevens
tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid.
Artikel 30
1.Een beschikking, inhoudende de verstrekking van een subsidie kan
worden ingetrokken of gewijzigd bij een beschikking als bedoeld in
artikel 14, tweede lid.
2.Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn ter
beschikking gestelde financiële middelen terstond opeisbaar voor
zover zij het bedrag waarop de betrokkene alsdan recht heeft te boven
gaan.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 31
1.Aanvragen tot erkenning als particuliere participatiemaatschappij
als bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981, die zijn ingediend voor de
inwerkingtreding van dit besluit, en waarop nog niet is besloten,
worden in aanmerking genomen als aanvragen, bedoeld in artikel 4 van
dit besluit.
2.Meldingen als bedoeld in artikel 13 van de Garantieregeling
particuliere participatiemaatschappijen 1981 die de toezichthouder ten
tijde van de inwerkingtreding van dit besluit nog niet schriftelijk
heeft bevestigd, worden in aanmerking genomen als aanvragen om
registratie als bedoeld in artikel 15 van dit besluit.
Artikel 32
De particuliere participatiemaatschappij, die bij de inwerkingtreding
van dit besluit op basis van de Garantieregeling particuliere
participatiemaatschappijen 1981 als zodanig was erkend, wordt aangemerkt
als een met inachtneming van dit besluit door de bank erkende
particuliere participatiemaatschappij.
Artikel 33
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 34
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit particuliere
participatiemaatschappijen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 18 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
J.E. Andriessen
Uitgegeven de tiende mei 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|