§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte,
golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas,
rioolwaterzuiveringsgas en biogas;
b. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten,
afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van
plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw, de visserij- en
aquacultuursector en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch
afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
c. hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit, opgewekt in een
productie-installatie die uitsluitend gebruik maakt van hernieuwbare
energiebronnen, alsmede elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare
energiebronnen in een hybride productie-installatie die ook met
conventionele energiebronnen werkt, met inbegrip van elektriciteit die
is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen en die wordt gebruikt voor
accumulatiesystemen, en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig
is van accumulatiesystemen;
d. gas: gas als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
Gaswet;
e. hernieuwbaar gas: gas, opgewekt in een productie-installatie die
uitsluitend gebruik maakt van hernieuwbare energiebronnen, alsmede gas,
opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in een hybride
productie-installatie die ook fossiele energiebronnen gebruikt;
f. één Nm3 aardgasequivalent: de hoeveelheid gas met een
verbrandingswaarde die overeenkomt met één Nm3 aardgas van standaard
Groningen kwaliteit onder normaalcondities;
g. warmtekrachtkoppeling: de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof,
waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie
van elektriciteit;
h. productie-installatie: een samenstel van voorzieningen waarmee
hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt
door middel van warmtekrachtkoppeling wordt geproduceerd, waarbij onder
een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen
die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van
hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt
door middel van warmtekrachtkoppeling;
i. producent: een ieder die een productie-installatie in stand houdt;
j. elektriciteitsnet: een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998 en een elektriciteitsnet dat
is gelegen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone dat is
verbonden met een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i,
van de Elektriciteitswet 1998;
k. gasnet: een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
van de Gaswet;
l. garantie van oorsprong: een garantie van oorsprong voor als bedoeld
in artikel 1, onderdeel x, van de Elektriciteitswet 1998;
m. certificaat voor elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling: een certificaat als bedoeld in artikel 31,
negende lid, onderdeel c, van de Elektriciteitswet 1998;
n. gebundelde aanvraag: de bundeling van maximaal 250 aanvragen om
subsidieverlening vallend binnen één subsidieplafond in één aanvraag
om subsidieverlening;
o. productie-installatie voor de productie van hernieuwbare
elektriciteit met behulp van windenergie op zee: een
productie-installatie die is opgericht op een afstand van meer dan één
kilometer zeewaarts van de laagwaterlijn, bedoeld in de artikelen 1,
tweede lid, en 2, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse
territoriale zee en die niet is gelegen binnen een gemeentelijke grens,
waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd met behulp van
windenergie.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen andere hernieuwbare energiebronnen dan
genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden aangewezen.
§ 2. Algemene bepalingen subsidie voor hernieuwbare elektriciteit,
hernieuwbaar gas en elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling
Artikel 2
Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor:
a. de productie van hernieuwbare elektriciteit aan een producent van
hernieuwbare elektriciteit om gedurende een bepaalde periode het
verschil tussen de gemiddelde kostprijs van deze hernieuwbare
elektriciteit en de relevante gemiddelde marktprijs van elektriciteit
geheel of gedeeltelijk te compenseren;
b. de productie van hernieuwbaar gas aan een producent van hernieuwbaar
gas om gedurende een bepaalde periode het verschil tussen de gemiddelde
kostprijs van dit hernieuwbaar gas en de relevante gemiddelde marktprijs
van gas geheel of gedeeltelijk te compenseren;
c. de productie van elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling, voor zover de warmte die vrijkomt bij deze
productie van elektriciteit nuttig wordt aangewend, aan een producent
van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling om
gedurende een bepaalde periode het verschil in de gemiddelde
productiekosten van warmte en elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling en de gemiddelde marktprijzen van warmte en
elektriciteit geheel of gedeeltelijk te compenseren.
Artikel 3
1.
Geen subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien voor
dezelfde productie-installatie reeds op grond van artikel 72m van de
Elektriciteitswet 1998 subsidie van meer dan € 0,00 is verstrekt,
tenzij:
a. subsidie wordt gevraagd op basis van
zowel artikel 2, onderdeel a, als artikel 2, onderdeel c;
b. de productie-installatie ingrijpend
wordt uitgebreid of geheel wordt vervangen;
c. het een productie-installatie betreft die ingrijpend wordt
gerenoveerd en behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen
categorie te renoveren productie-installaties;
d. het een productie-installatie betreft die behoort tot een bij
ministeriële regeling aangewezen categorie productie-installaties
waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd door middel van
biomassa of waarmee elektriciteit wordt opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling;
e. er op de datum van de aanvraag van
subsidie op grond van dit besluit geen voorschotten op grond van
artikel 72w van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde op 31
december 2006 zijn verstrekt en de periode waarover op grond van
artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde op 31
december 2006 subsidie is verstrekt, is aangevangen op 31 december
2007.
2. Geen
subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien voor dezelfde
productie-installatie reeds op grond van artikel 2 van de
Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in
vergistingsinstallaties, tenzij:
a. subsidie wordt gevraagd op basis van
zowel artikel 2, onderdeel a, als artikel 2, onderdeel c;
b. de productie-installatie ingrijpend
wordt uitgebreid of geheel wordt vervangen;
c. het een productie-installatie betreft die ingrijpend wordt
gerenoveerd en behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen
categorie te renoveren productie-installaties.
3. Geen
subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien voor dezelfde
productie-installatie reeds op grond van dit besluit subsidie is
verstrekt, tenzij:
a. subsidie wordt gevraagd op basis van
zowel artikel 2, onderdeel a, als artikel 2, onderdeel c;
b. de productie-installatie ingrijpend
wordt uitgebreid of geheel wordt vervangen;
c. het een productie-installatie betreft die ingrijpend wordt
gerenoveerd en behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen
categorie te renoveren productie-installaties;
d. het een productie-installatie betreft waarvoor reeds eerder subsidie
op grond van dit besluit is verstrekt voor een of meer periodes van een
bij ministeriële regeling te bepalen duur;
e. de productie-installatie niet in
gebruik is genomen, er tenminste vijf jaren zijn verstreken na de
datum van de beschikking tot subsidieverlening en die beschikking door
Onze Minister is ingetrokken;
f. het een productie-installatie
betreft die behoort tot een op grond van artikel 15, vierde lid, of
artikel 23, vierde lid, aangewezen categorie productie-installaties en
die beschikking door Onze Minister is ingetrokken.
4. Geen
subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien de
productie-installatie in gebruik is genomen voor de datum waarop de
subsidie is aangevraagd en waarvoor geen subsidie op grond van artikel
72m van de Elektriciteitswet 1998, artikel 2 van de Subsidieregeling
opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties of dit
besluit is verstrekt, tenzij:
a. de productie-installatie ingrijpend
wordt uitgebreid of geheel wordt vervangen;
b. het een productie-installatie betreft die behoort tot een bij
ministeriële regeling aangewezen categorie productie-installaties en
die ingrijpend wordt gerenoveerd;
c. het een bestaande
productie-installatie betreft die voor het eerst gebruik zal maken van
hernieuwbare energiebronnen;
d. het een bestaande
productie-installatie voor warmtekrachtkoppeling betreft die voor het
eerst de warmte nuttig zal gebruiken.
5.
Geen subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien een
productie-installatie geheel of gedeeltelijk bestaat uit gebruikte
materialen, tenzij het een productie-installatie betreft die behoort tot
een bij ministeriële regeling aangewezen categorie
productie-installaties.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid en het zevende lid.
7.
Geen subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien de
productie-installatie hernieuwbare elektriciteit opwekt uit een
hernieuwbare energiebron die geheel of gedeeltelijk bestaat uit
hernieuwbaar gas dat afkomstig is uit een of meerdere
productie-installaties waaraan op grond van dit besluit subsidie is
verstrekt.
Artikel 4
Onze Minister kan reeds ontvangen of genoten overheidssteun dan wel in
de toekomst te ontvangen of te genieten overheidssteun die er toe leidt
dat de totale aan de producent verleende overheidssteun meer bedraagt
dan is toegestaan ingevolge voor de Staat geldende verplichtingen
krachtens een verdrag, in mindering brengen op de subsidie bedoeld in
artikel 2.
Artikel 5
Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, derde lid, onderdeel b of vierde lid, onderdeel a, komt
uitsluitend hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en
elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling die als
gevolg van deze uitbreiding extra is geproduceerd voor subsidie in
aanmerking.
Artikel 6
1.
De periode waarover subsidie wordt verstrekt vangt aan op het door de
subsidie-ontvanger in zijn aanvraag aangegeven en in de beschikking tot
subsidieverlening overgenomen tijdstip, met dien verstande dat de
periode waarover subsidie wordt verstrekt niet later aanvangt dan binnen
een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn na de datum van
de beschikking tot subsidieverlening. Indien Onze Minister op grond van
artikel 62, derde lid, ontheffing aan de subsidie-ontvanger heeft
verleend voor het vertragen van het projectplan, vangt de periode
waarover subsidie wordt verstrekt aan op de in de ontheffing opgenomen
datum.
2.
Onze Minister kan op verzoek van de subsidie-ontvanger voorafgaand aan
de periode waarover subsidie wordt verstrekt, het tijdstip van aanvang
van de periode waarover subsidie wordt verstrekt maximaal driemaal
wijzigen met dien verstande dat dit tijdstip niet later wordt
vastgesteld dan een jaar na het oorspronkelijke tijdstip van aanvang.
3.
In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden
bepaald dat de datum van aanvang van de periode waarover de subsidie
wordt verstrekt wordt bepaald door de datum waarop de subsidie-ontvanger
de productie-installatie daadwerkelijk in gebruik neemt, mits deze datum
valt binnen de op grond van artikel 61, eerste lid, bij ministeriële
regeling bepaalde periode. Indien de productie-installatie niet binnen
de op grond van artikel 61, eerste lid, bij ministeriële regeling
bepaalde periode in gebruik wordt genomen is de dag na afloop van deze
periode de datum van aanvang van de periode waarover subsidie wordt
verstrekt.
Artikel 7
Bij ministeriële regeling wordt bepaald over welke periode voor een
categorie productie-installaties subsidie wordt verstrekt. Deze periode
kan verschillen voor verschillende categorieën productie-installaties
of verschillende wijzen van verdeling van het beschikbare bedrag.
§ 3. Subsidie voor hernieuwbare elektriciteit
§ 3.1. Algemeen
Artikel 8
1.
Aan de producent van hernieuwbare elektriciteit die is geproduceerd door
een bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan te wijzen categorie
productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit, kan subsidie
worden verleend.
2.
Indien voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door een
bepaalde categorie productie-installaties subsidie wordt verleend, wordt
bij ministeriële regeling de wijze van verdeling van het beschikbare
bedrag bepaald.
§ 3.2. Subsidie volgorde binnenkomst
Artikel 9
De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 8,
tweede lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst.
Artikel 10
1.
Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van
Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk
subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één
subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de
productie van hernieuwbare elektriciteit.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen perioden worden vastgesteld waarbinnen
de aanvragen ontvangen moeten zijn.
Artikel 11
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt per categorie productie-installaties een basisbedrag
per kWh vastgesteld voor de subsidie voor de productie van hernieuwbare
elektriciteit.
2.
Het basisbedrag bedraagt ten hoogste de gemiddelde kosten per kWh voor
het produceren van hernieuwbare elektriciteit per categorie
productie-installaties.
3.
Voor de kWh die voor subsidie in aanmerking komen kunnen verschillende
basisbedragen gelden die zijn gerelateerd aan:
a. de hoeveelheid geproduceerde kWh die voor subsidie in aanmerking
komt;
b. het aantal vollasturen van de productie-installatie;
c. het rendement van de productie-installatie.
Artikel 12
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt ten behoeve van de correctie van het basisbedrag,
bedoeld in artikel 14 en de vaststelling van het bedrag dat de subsidie
ten hoogste bedraagt, bedoeld in artikel 16, een
basiselektriciteitsprijs per kWh vastgesteld die kan verschillen per
categorie productie-installaties.
2.
Binnen een categorie productie-installaties kunnen verschillende
basiselektriciteitsprijzen gelden die gerelateerd zijn aan de
hoeveelheid geproduceerde kWh die voor subsidie in aanmerking komt.
3.
De hoogte van de basiselektriciteitsprijs bedraagt tweederde van de
lange termijn elektriciteitsprijs. Indien hernieuwbare elektriciteit
wordt opgewekt uit wind, wordt de basiselektriciteitsprijs
vermenigvuldigd met de factor 1,25.
Artikel 13
Het basisbedrag, bedoeld in artikel 11, en de basiselektriciteitsprijs,
bedoeld in artikel 12, die gelden op het moment van aanvraag van de
subsidie, gelden gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt
verstrekt.
Artikel 14
1.
Voor elke subsidie-ontvanger geldt dat het basisbedrag in elk
kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt wordt
gecorrigeerd met:
a. de elektriciteitsprijs of, indien de elektriciteitsprijs lager is dan
de in artikel 12 bedoelde basiselektriciteitsprijs, de in artikel 12
bedoelde basiselektriciteitsprijs;
b. de waarde van garanties van oorsprong;
c. andere bij ministeriële regeling vast te stellen correcties die een
substantiële invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde
kostprijs van hernieuwbare elektriciteit en de relevante gemiddelde
marktprijs van elektriciteit en die voortvloeien uit maatregelen van de
overheid.
2.
De elektriciteitsprijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt
de gemiddelde waarde voor elektriciteit, verminderd met de profielkosten
van elektriciteitslevering aan het net en met de onbalanskosten.
3.
Indien elektriciteit wordt opgewekt uit wind, wordt het bedrag, bedoeld
in het eerste lid vermenigvuldigd met de factor 1,25.
4.
In de beschikking tot subsidieverlening kan Onze Minister bepalen dat,
in aanvulling op het eerste lid, het basisbedrag wordt gecorrigeerd met
een bedrag per kWh in verband met de opbrengsten die voor de
subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare
broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet
milieubeheer.
5.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 april de in het
eerste en vierde lid bedoelde correcties en de in het tweede lid
bedoelde profielkosten van elektriciteitslevering aan het net en
onbalanskosten voor het voorgaande kalenderjaar vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties en binnen een categorie
productie-installaties indien op grond van artikel 12 verschillende
basiselektriciteitsprijzen voor een categorie productie-installaties
zijn vastgesteld.
6.
Ten behoeve van de voorschotverlening worden bij ministeriële regeling
jaarlijks voor 1 november de in het eerste en vierde lid bedoelde
correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties en binnen een categorie
productie-installaties indien op grond van artikel 12 verschillende
basiselektriciteitsprijzen voor een categorie productie-installaties
zijn vastgesteld en waarbij voor de elektriciteitsprijs de gemiddelde
waarde in de periode 1 oktober tot en met 30 september voorafgaand aan
het kalenderjaar wordt gehanteerd en voor de profielkosten van
elektriciteitslevering aan het net en onbalanskosten de waarden die op
grond van het vierde lid zijn vastgesteld. Indien na 1 november bij
ministeriële regeling een andere categorie productie-installaties wordt
aangewezen waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, worden de in het
eerste en vierde lid bedoelde correcties ten behoeve van de
voorschotverlening voor die categorie productie-installaties bij die
ministeriële regeling vastgesteld.
7.
Indien een productie-installatie geheel of gedeeltelijk bestaat uit
gebruikte materialen, kan Onze Minister in de beschikking tot
subsidieverlening een correctie op het ingevolge het eerste lid geldende
bedrag vaststellen.
8.
Indien een productie-installatie ingrijpend wordt gerenoveerd, kan Onze
Minister in de beschikking tot subsidieverlening een correctie op het
ingevolge het eerste lid geldende bedrag vaststellen.
9.
Indien het ingevolge het eerste, vierde, zevende of achtste lid geldende
bedrag negatief is, bedraagt het bedrag nul.
Artikel 15
1.
De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:
a. met elkaar te vermenigvuldigen:
1°. het aantal kWh dat in elk kalenderjaar voor subsidie in
aanmerking komt en waarvoor garanties van oorsprong zijn verstrekt die
aantonen dat de producent met zijn productie-installatie voor
hernieuwbare elektriciteit in het betreffende kalenderjaar een
hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit heeft geproduceerd en op een
elektriciteitsnet heeft ingevoed, met
2°. het voor het betreffende kalenderjaar op basis van artikel 14
geldende gecorrigeerde basisbedrag, en
b. de overeenkomstig onderdeel a
berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover
subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.
2. Het
aantal kWh dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt bedraagt ten
hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vastgestelde maximum
aantal kWh dat per jaar kan verschillen en dat gebaseerd is op het
vermogen van de installatie en het aantal vollasturen.
3.
Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het
maximum aantal kWh, bedoeld in het tweede lid, voor een categorie van
productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden bepaald.
4.
Indien een subsidie-ontvanger hernieuwbare elektriciteit opwekt met een
bij ministeriële regeling aangewezen productie-installatie, wordt bij
de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, ten eerste, opgeteld het
aantal kWh dat in elk kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt en
waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering, bedoeld in
artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame
elektriciteit zijn verstrekt die aantonen dat de producent met zijn
productie-installatie in het betreffende kalenderjaar een hoeveelheid
hernieuwbare elektriciteit heeft geproduceerd en op de eigen installatie
heeft ingevoed.
Artikel 16
De subsidie bedraagt ten hoogste het verschil tussen het basisbedrag,
bedoeld in artikel 11, en de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in
artikel 12, vermenigvuldigd met het in de beschikking tot
subsidieverlening voor de gehele periode waarover subsidie wordt
verstrekt bepaald maximum aantal kWh.
§ 3.3. Subsidie volgorde rangschikking
Artikel 17
De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 8,
tweede lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking.
Artikel 18
Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van
Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk
subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één
subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de
productie van hernieuwbare elektriciteit.
Artikel 19
1.
Bij de aanvraag tot subsidieverlening wordt door de producent een
tenderbedrag per kWh opgegeven. Bij een gebundelde aanvraag is het door
de producent opgegeven tenderbedrag van toepassing op alle aanvragen die
deel uitmaken van de gebundelde aanvraag.
2.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt per categorie productie-installaties een maximum
tenderbedrag per kWh voor hernieuwbare elektriciteit bepaald.
3.
Het maximum tenderbedrag bedraagt maximaal de gemiddelde kosten per kWh
voor het produceren van hernieuwbare elektriciteit per categorie van
productie-installaties.
Artikel 20
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt ten behoeve van de correctie van het tenderbedrag,
bedoeld in artikel 22, en de vaststelling van bedrag dat de subsidie ten
hoogste bedraagt, bedoeld in artikel 24, een basiselektriciteitsprijs
per kWh vastgesteld die kan verschillen per categorie
productie-installaties.
2.
Binnen een categorie productie-installaties kunnen verschillende
basiselektriciteitsprijzen gelden die gerelateerd zijn aan de
hoeveelheid geproduceerde kWh die voor subsidie in aanmerking komt.
3.
De hoogte van de basiselektriciteitsprijs bedraagt tweederde van de
lange termijn elektriciteitsprijs. Indien hernieuwbare elektriciteit
wordt opgewekt uit wind, wordt de basiselektriciteitsprijs
vermenigvuldigd met de factor 1,25.
Artikel 21
1.
Het door de producent opgegeven tenderbedrag, bedoeld in artikel 19,
eerste lid, geldt gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt
verstrekt.
2.
De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 20, die geldt op het
moment van aanvraag van de subsidie, geldt gedurende de gehele periode
waarover subsidie wordt verstrekt.
Artikel 22
1.
Voor elke subsidie-ontvanger geldt dat het tenderbedrag in elk
kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt wordt
gecorrigeerd met:
a. de elektriciteitsprijs of, indien de elektriciteitsprijs lager is dan
de in artikel 20 bedoelde basiselektriciteitsprijs, de in artikel 20
bedoelde basiselektriciteitsprijs;
b. de waarde van de garanties van oorsprong;
c. andere bij ministeriële regeling vast te stellen correcties die een
substantiële invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde
kostprijs van hernieuwbare elektriciteit en de relevante gemiddelde
marktprijs van elektriciteit en die voortvloeien uit maatregelen van de
overheid.
2.
De elektriciteitsprijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt
de gemiddelde waarde voor elektriciteit, verminderd met de profielkosten
van elektriciteitslevering aan het net en met de onbalanskosten.
3.
Indien elektriciteit wordt opgewekt uit wind, wordt het bedrag, bedoeld
in het eerste lid vermenigvuldigd met de factor 1,25.
4.
In de beschikking tot subsidieverlening kan Onze Minister bepalen dat,
in aanvulling op het eerste lid, het tenderbedrag wordt gecorrigeerd met
een bedrag per kWh opbrengsten die voor de subsidie-ontvanger
voortvloeien uit het systeem van verhandelbare
broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet
milieubeheer.
5.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 april de in het
eerste en vierde lid bedoelde correcties en de in het tweede lid
bedoelde profielkosten van elektriciteitslevering aan het net en
onbalanskosten voor het voorgaande kalenderjaar vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties en binnen een categorie
productie-installaties indien op grond van artikel 20 verschillende
basiselektriciteitsprijzen voor een categorie productie-installaties
zijn vastgesteld.
6.
Ten behoeve van de voorschotverlening worden bij ministeriële regeling
jaarlijks voor 1 november de in het eerste en vierde lid bedoelde
correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties en binnen een categorie
productie-installaties indien op grond van artikel 20 verschillende
basiselektriciteitsprijzen voor een categorie productie-installaties
zijn vastgesteld en waarbij voor de elektriciteitsprijs de gemiddelde
waarde in de periode 1 oktober tot en met 30 september voorafgaand aan
het kalenderjaar wordt gehanteerd en voor de profielkosten van
elektriciteitslevering aan het net en onbalanskosten de waarden die op
grond van het vierde lid zijn vastgesteld. Indien na 1 november bij
ministeriële regeling een andere categorie productie-installaties wordt
aangewezen waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, worden de in het
eerste en vierde lid bedoelde correcties ten behoeve van de
voorschotverlening voor die categorie productie-installaties bij die
ministeriële regeling vastgesteld.
7.
Indien het ingevolge het eerste of vierde lid geldende bedrag negatief
is, bedraagt het bedrag nul.
Artikel 23
1.
De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:
a. met elkaar te vermenigvuldigen:
1°. het aantal kWh dat in elk kalenderjaar voor subsidie in
aanmerking komt en waarvoor garanties van oorsprong zijn verstrekt die
aantonen dat de producent met zijn productie-installatie voor
hernieuwbare elektriciteit in het betreffende kalenderjaar een
hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit heeft geproduceerd en op een
elektriciteitsnet heeft ingevoed, met
2°. het voor het betreffende kalenderjaar op basis van artikel 22
geldende gecorrigeerde basisbedrag, en
b. de overeenkomstig onderdeel a
berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover
subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.
2. Het
aantal kWh dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt bedraagt ten
hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vastgestelde maximum
aantal kWh dat per jaar kan verschillen en dat gebaseerd is op het
vermogen van de installatie en het aantal vollasturen.
3.
Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het
maximum aantal kWh, bedoeld in het tweede lid voor een categorie
productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden bepaald.
4.
Indien een subsidie-ontvanger hernieuwbare elektriciteit opwekt met een
bij ministeriële regeling aangewezen productie-installatie, wordt bij
de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, ten eerste, opgeteld het
aantal kWh dat in elk kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt en
waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering, bedoeld in
artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame
elektriciteit zijn verstrekt die aantonen dat de producent met zijn
productie-installatie in het betreffende kalenderjaar een hoeveelheid
hernieuwbare elektriciteit heeft geproduceerd en op de eigen installatie
heeft ingevoed.
Artikel 24
De subsidie bedraagt ten hoogste het verschil tussen het tenderbedrag,
bedoeld in artikel 19, en de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in
artikel 20, vermenigvuldigd met het in de beschikking tot
subsidieverlening voor de gehele periode waarover subsidie wordt
verstrekt bepaald maximum aantal kWh.
§ 3.4. Subsidie voor innovatieve windenergie op zee
Artikel 24a
1.
Onze Minister kan op aanvraag aan een producent van hernieuwbare
elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de
productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op
zee, aan wie een subsidie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is
verstrekt, subsidie verstrekken voor de bijzondere en risicovolle inzet
van innovatieve windmolens.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de
verstrekking van deze subsidie, waarbij in ieder geval regels worden
gesteld over de productie-installaties waarvoor deze subsidie wordt
verstrekt, de vorm van de subsidie, de aanvraag van een subsidie en de
besluitvorming daarover, het bedrag van de subsidie dan wel de wijze
waarop dit bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de subsidie en de
betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten.
§ 4. Subsidie voor hernieuwbaar gas
§ 4.1. Algemeen
Artikel 25
1.
Aan de producent van hernieuwbaar gas dat is geproduceerd door een bij
regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan te wijzen categorie
productie-installaties voor hernieuwbaar gas, kan subsidie worden
verleend.
2.
Indien voor de productie van hernieuwbaar gas door een bepaalde
categorie productie-installaties subsidie wordt verleend, wordt bij
ministeriële regeling de wijze van verdeling van de subsidie bepaald.
§ 4.2. Subsidie volgorde binnenkomst
Artikel 26
De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 25,
tweede lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst.
Artikel 27
1.
Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van
Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk
subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één
subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de
productie van hernieuwbaar gas.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen perioden worden vastgesteld waarbinnen
de aanvragen ontvangen moeten zijn.
Artikel 28
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt per categorie productie-installaties een basisbedrag
per Nm3 aardgasequivalent vastgesteld voor de subsidie voor de productie
van hernieuwbaar gas.
2.
Het basisbedrag bedraagt ten hoogste de gemiddelde kosten per Nm3
aardgasequivalent voor het produceren van hernieuwbaar gas per categorie
van productie-installaties.
3.
Voor de Nm3 aardgasequivalent die voor subsidie in aanmerking komen
kunnen verschillende basisbedragen gelden die zijn gerelateerd aan:
a. de hoeveelheid geproduceerde Nm3 aardgasequivalent die voor subsidie
in aanmerking komt;
b. het aantal vollasturen van de productie-installatie;
c. het rendement van de productie-installatie.
Artikel 29
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt ten behoeve van de correctie van het basisbedrag,
bedoeld in artikel 31 en de vaststelling van het bedrag dat de subsidie
ten hoogste bedraagt, bedoeld in artikel 33, een basisgasprijs per Nm3
aardgasequivalent vastgesteld die kan verschillen per categorie
productie-installaties.
2.
De hoogte van de basisgasprijs bedraagt tweederde van de lange termijn
gasprijs.
Artikel 30
Het basisbedrag, bedoeld in artikel 28, en de basisgasprijs, bedoeld in
artikel 29, die gelden op het moment van aanvraag van de subsidie,
gelden gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt.
Artikel 31
1.
Voor elke subsidie-ontvanger geldt dat het basisbedrag in elk
kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt wordt
gecorrigeerd met:
a. de gasprijs of, indien de gasprijs lager is dan de in artikel 29
bedoelde basisgasprijs, de in artikel 29 bedoelde basisgasprijs;
b. andere bij ministeriële regeling vast te stellen correcties die een
substantiële invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde
kostprijs van de hernieuwbaar gas en de relevante gemiddelde marktprijs
van gas en die voortvloeien uit maatregelen van de overheid.
2.
De gasprijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt de
gemiddelde waarde voor gas.
3.
In de beschikking tot subsidieverlening kan Onze Minister bepalen dat,
in aanvulling op het eerste lid, het basisbedrag wordt gecorrigeerd met
een bedrag per Nm3 aardgasequivalent in verband met opbrengsten die voor
de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare
broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet
milieubeheer.
4.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 april de in het
eerste en derde lid bedoelde correcties vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties.
5.
Ten behoeve van de voorschotverlening worden bij ministeriële regeling
jaarlijks voor 1 november de in het eerste en derde lid bedoelde
correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties, waarbij voor de
gasprijs de gemiddelde waarde in de periode 1 oktober tot en met 30
september voorafgaand aan het kalenderjaar wordt gehanteerd. Indien na 1
november bij ministeriële regeling een andere categorie
productie-installaties wordt aangewezen waarvoor subsidie kan worden
aangevraagd, worden de in het eerste en derde lid bedoelde correcties
ten behoeve van de voorschotverlening voor die categorie
productie-installaties bij die ministeriële regeling vastgesteld.
6.
Indien een productie-installatie geheel of gedeeltelijk bestaat uit
gebruikte materialen, kan Onze Minister in de beschikking tot
subsidieverlening een correctie op het ingevolge het eerste lid geldende
subsidiebedrag vaststellen.
7.
Indien een productie-installatie ingrijpend wordt gerenoveerd, kan Onze
Minister in de beschikking tot subsidieverlening een correctie op het
ingevolge het eerste lid geldende subsidiebedrag vaststellen.
8.
Indien het ingevolge het eerste, derde, zesde of zevende lid geldende
bedrag negatief is, bedraagt het bedrag nul.
Artikel 32
1.
De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:
a. met elkaar te vermenigvuldigen:
1°. het aantal Nm3 aardgasequivalent dat in elk kalenderjaar voor
subsidie in aanmerking komt die een producent van hernieuwbaar gas in
dat kalenderjaar heeft geproduceerd en op een gasnet heeft ingevoed of
heeft laten invoeden, met
2°. het voor het betreffende kalenderjaar op basis van artikel 31
geldende gecorrigeerde basisbedrag, en
b. de overeenkomstig onderdeel a
berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover
subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.
2. Het
aantal Nm3 aardgasequivalent dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking
komt bedraagt ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening
vastgestelde maximum aantal Nm3 aardgasequivalent dat per jaar kan
verschillen en dat gebaseerd is op het vermogen van de installatie en
het aantal vollasturen.
3.
Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het
maximum aantal Nm3 aardgasequivalent, bedoeld in het tweede lid, per
categorie productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden
bepaald.
Artikel 33
De subsidie bedraagt ten hoogste het
verschil tussen het basisbedrag, bedoeld in artikel 28, en de
basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, vermenigvuldigd met het in de
beschikking tot subsidieverlening voor de gehele periode waarover
subsidie wordt verstrekt bepaald maximum aantal Nm3 aardgasequivalent.
§ 4.3. Subsidie volgorde rangschikking
Artikel 34
De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 25,
tweede lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking.
Artikel 35
Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van
Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk
subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één
subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de
productie van hernieuwbaar gas.
Artikel 36
1.
Bij de aanvraag tot subsidieverlening wordt door de producent een
tenderbedrag per Nm3 aardgasequivalent opgegeven. Bij een gebundelde
aanvraag is het door de producent opgegeven tenderbedrag van toepassing
op alle aanvragen die deel uitmaken van de gebundelde aanvraag.
2.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt per categorie productie-installaties een maximum
tenderbedrag per Nm3 aardgasequivalent voor hernieuwbaar gas bepaald.
3.
Het maximum tenderbedrag bedraagt maximaal de gemiddelde kosten per Nm3
aardgasequivalent voor het produceren van hernieuwbaar gas per categorie
productie-installaties voor hernieuwbaar gas.
Artikel 37
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, wordt ten behoeve van de correctie van het tenderbedrag,
bedoeld in artikel 39, en de vaststelling van het bedrag dat de subsidie
ten hoogste bedraagt, bedoeld in artikel 41, een basisgasprijs per Nm3
aardgasequivalent vastgesteld die kan verschillen voor verschillende
categorieën productie-installaties.
2.
De hoogte van de basisgasprijs bedraagt tweederde van de lange termijn
gasprijs.
Artikel 38
1.
Het door de producent opgegeven tenderbedrag, bedoeld in artikel 36,
geldt gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt.
2.
De basisgasprijs, bedoeld in artikel 37, die geldt op het moment van
aanvraag van de subsidie, geldt gedurende de gehele periode waarover
subsidie wordt verstrekt.
Artikel 39
1.
Voor elke subsidie-ontvanger geldt dat het tenderbedrag in elk
kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt wordt
gecorrigeerd met:
a. de gasprijs of, indien de gasprijs lager is dan de in artikel 29
bedoelde basisgasprijs is, de in artikel 29 bedoelde basisgasprijs;
b. andere bij ministeriële regeling vast te stellen correcties die een
substantiële invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde
kostprijs van het hernieuwbaar gas en de relevante gemiddelde marktprijs
van gas en die voortvloeien uit maatregelen van de overheid.
2.
De gasprijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt de
gemiddelde waarde voor gas.
3.
In de beschikking tot subsidieverlening kan Onze Minister bepalen dat,
in aanvulling op het eerste lid, het tenderbedrag wordt gecorrigeerd met
een bedrag per Nm3 aardgasequivalent in verband met opbrengsten die voor
de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare
broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet
milieubeheer.
4.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 april de in het
eerste en derde lid bedoelde correcties vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties.
5.
Ten behoeve van de voorschotverlening worden bij ministeriële regeling
jaarlijks voor 1 november de in het eerste en derde lid bedoelde
correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld, die kunnen
verschillen per categorie productie-installaties, waarbij voor de
gasprijs de gemiddelde waarde in de periode 1 oktober tot en met 30
september voorafgaand aan het kalenderjaar wordt gehanteerd. Indien na 1
november bij ministeriële regeling een andere categorie
productie-installaties wordt aangewezen waarvoor subsidie kan worden
aangevraagd, worden de in het eerste en derde lid bedoelde correcties
ten behoeve van de voorschotverlening voor die categorie
productie-installaties bij die ministeriële regeling vastgesteld.
6.
Indien het ingevolge het eerste of derde lid geldende bedrag negatief
is, bedraagt het bedrag nul.
Artikel 40
1.
De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:
a. met elkaar te vermenigvuldigen:
1°. het aantal Nm3 aardgasequivalent dat in elk kalenderjaar voor
subsidie in aanmerking komt die een producent van hernieuwbaar gas in
dat kalenderjaar heeft geproduceerd en op een gasnet heeft ingevoed of
heeft laten invoeden, met
2°. het voor het betreffende kalenderjaar op basis van artikel 39
geldende gecorrigeerde basisbedrag, en
b. de overeenkomstig onderdeel a
berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover
subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.
2. Het
aantal Nm3 aardgasequivalent dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking
komt bedraagt ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening
vastgestelde maximum aantal Nm3 aardgasequivalent dat per jaar kan
verschillen en dat gebaseerd is op het vermogen van de installatie en
het aantal vollasturen.
3.
Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het
maximum aantal Nm3 aardgasequivalent, bedoeld in het tweede lid, per
categorie productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden
bepaald.
Artikel 41
De subsidie bedraagt ten hoogste het
verschil tussen het tenderbedrag, bedoeld in artikel 36, en de
basisgasprijs, bedoeld in artikel 37, vermenigvuldigd met het in de
beschikking tot subsidieverlening voor de gehele periode waarover
subsidie wordt verstrekt bepaald maximum aantal Nm3 aardgasequivalent.
§ 5. Subsidie voor elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling
§ 5.1. Algemeen
Artikel 42
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kunnen categorieën
productie-installaties die elektriciteit produceren door middel van
warmtekrachtkoppeling worden aangewezen waarvoor subsidie kan worden
verleend.
2.
Indien voor een categorie productie-installaties die elektriciteit
opwekt door middel van warmtekrachtkoppeling subsidie wordt verleend,
wordt bij ministeriële regeling de wijze van verdeling van de subsidie
bepaald.
§ 5.2. Subsidie volgorde binnenkomst
Artikel 43
De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 42,
tweede lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst.
Artikel 44
1.
Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van
Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk
subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één
subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de
productie van elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen perioden worden vastgesteld waarbinnen
de aanvragen ontvangen moeten zijn.
Artikel 45
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, worden per categorie van productie-installaties jaarlijks
voor 1 november voorafgaand aan een kalenderjaar subsidiebedragen per
kWh waarvoor certificaten voor elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling zijn verstrekt, vastgesteld.
2.
Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste het verschil in de gemiddelde
productiekosten van warmte en elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling en de gemiddelde marktprijzen van warmte en
elektriciteit.
3.
Voor de kWh die voor subsidie in aanmerking komen, kunnen verschillende
bedragen gelden die zijn gerelateerd aan het aantal vollasturen van de
productie-installatie.
Artikel 46
De subsidiebedragen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, die gelden op de
eerste dag van een kalenderjaar, gelden voor dat kalenderjaar.
Artikel 47
1.
Indien een productie-installatie geheel of gedeeltelijk bestaat uit
gebruikte materialen, kan Onze Minister in de beschikking tot
subsidieverlening een correctie op de ingevolge artikel 45, eerste lid,
geldende subsidiebedragen vaststellen.
2.
Indien een productie-installatie ingrijpend wordt gerenoveerd, kan Onze
Minister in de beschikking tot subsidieverlening een correctie op de
ingevolge artikel 45, eerste lid, geldende subsidiebedragen vaststellen.
3.
Indien het ingevolge het eerste of tweede geldende subsidiebedrag
negatief is, bedraagt het subsidiebedrag nul.
Artikel 48
1.
De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:
a. met elkaar te vermenigvuldigen:
1°. het aantal kWh dat in elk kalenderjaar voor subsidie in
aanmerking komt en waarvoor certificaten voor elektriciteit opgewekt
door middel van warmtekrachtkoppeling zijn uitgegeven, die aantonen dat
de producent met zijn productie-installatie een hoeveelheid
elektriciteit heeft opgewekt en op een elektriciteitsnet of een
Nederlandse installatie heeft ingevoed, met
2°. de voor het betreffende kalenderjaar op basis van artikel 45
geldende subsidiebedragen of op basis van artikel 47 geldende
gecorrigeerde subsidiebedragen, en
b. de overeenkomstig onderdeel a
berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover
subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.
2. Het
aantal kWh dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt bedraagt ten
hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vastgestelde maximum
aantal kWh dat per jaar kan verschillen en dat gebaseerd is op het
vermogen van de installatie en het aantal vollasturen.
3.
Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het
maximum aantal kWh, bedoeld in het tweede lid, per categorie
productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden bepaald.
Artikel 49
1.
Bij ministeriële regeling wordt een subsidiebedrag per kWh vastgesteld
waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.
2.
Het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, dat geldt op het moment
van aanvraag van de subsidie, geldt gedurende de gehele periode waarover
subsidie wordt verstrekt.
3.
De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in het eerste lid,
vermenigvuldigd met het in de beschikking tot subsidieverlening voor de
gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt bepaald maximum aantal
kWh.
§ 5.3. Subsidie volgorde rangschikking
Artikel 50
De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 42,
tweede lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking.
Artikel 51
Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van
Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk
subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één
subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de
productie van elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling.
Artikel 52
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van
Financiën, worden per categorie productie-installaties jaarlijks voor 1
november voorafgaand aan een kalenderjaar maximum bedragen per kWh
waarvoor certificaten voor elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling zijn verstrekt, vastgesteld.
2.
Het maximum bedrag per kWh bedraagt ten hoogste het verschil in de
gemiddelde productiekosten van warmte en elektriciteit door middel van
warmtekrachtkoppeling en de gemiddelde marktprijzen van warmte en
elektriciteit.
3.
Voor de kWh die voor subsidie in aanmerking komen, kunnen verschillende
bedragen gelden die zijn gerelateerd aan het aantal vollasturen van de
productie-installatie.
4.
Bij de aanvraag tot subsidieverlening wordt door de producent een
percentage opgegeven waarmee de maximum bedragen per kWh in de
beschikking tot subsidieverlening gekort zal worden. Bij een gebundelde
aanvraag is het door de producent opgegeven percentage van toepassing op
alle aanvragen die deel uitmaken van de gebundelde aanvraag.
Artikel 53
1.
De maximum bedragen, bedoeld in artikel 52, eerste lid, die gelden op de
eerste dag van elk kalenderjaar, gelden voor dat kalenderjaar.
2.
Het percentage, bedoeld in artikel 52, vierde lid, geldt gedurende de
gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt.
Artikel 54
1.
De subsidie bedraagt de som van de bedragen die in elk jaar van de
periode waarover subsidie wordt verstrekt worden vastgesteld door het
voor dat jaar geldende subsidiebedrag, bedoeld in artikel 52, eerste
lid, te korten met het percentage, bedoeld in artikel 52, vierde lid, en
de uitkomst hiervan te vermenigvuldigen met het aantal kWh dat voor
subsidie in aanmerking komt en waarvoor certificaten zijn verstrekt die
aantonen dat de producent met zijn productie-installatie een hoeveelheid
elektriciteit heeft geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling
en deze op een elektriciteitsnet of een Nederlandse installatie heeft
ingevoed en die betrekking hebben op het desbetreffende jaar.
2.
Jaarlijks wordt subsidie verstrekt tot een bij de beschikking tot
subsidieverlening bepaald maximum aantal kWh.
3.
Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het
maximum aantal kWh, bedoeld in het tweede lid, per categorie
productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden bepaald.
Artikel 55
1.
Bij ministeriële regeling wordt een bedrag per kWh vastgesteld waarop
de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.
2.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat geldt op het moment van
aanvraag van de subsidie, geldt gedurende de gehele periode waarover
subsidie wordt verstrekt.
3.
De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in het eerste lid,
gekort met het percentage, bedoeld in artikel 52, vierde lid,
vermenigvuldigd met het aantal in de beschikking tot subsidieverlening
bepaald maximum kWh.
§ 6. Algemene bepalingen over aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 56
1.
Een aanvraag om subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van
een formulier, overeenkomstig het model dat bij ministeriële regeling
is vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling een of meer
categorieën productie-installaties aanwijzen waarvoor een gebundelde
aanvraag kan worden ingediend. Bij ministeriële regeling kan voor een
categorie productie-installaties worden bepaald dat per
openstellingsperiode per adres waarop een productie-installatie is of
wordt geplaatst maximaal één aanvraag kan worden ingediend.
2.
Indien dit op het formulier is vermeld, gaat een aanvraag vergezeld van:
a. een omschrijving van iedere productie-installatie waarvoor subsidie
wordt aangevraagd;
b. een onderbouwde opgave van de hoeveelheid op te wekken en in te
voeden kWh of Nm3 per kalenderjaar gedurende de periode waarover
subsidie wordt verstrekt van iedere productie-installatie;
c. indien voor de productie-installatie één of meer vergunningen op
grond van de de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken of paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het
Waterbesluit zijn vereist, de door het bevoegd gezag verleende
vergunningen;
d. een plan voor het in gebruik nemen en exploiteren van iedere
productie-installatie;
e. een financiële onderbouwing van iedere productie-installatie
waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
f. indien de subsidie-aanvrager een samenwerkingsverband is, een
overzicht van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
g. overige op het formulier aangegeven bescheiden.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de
gegevens die op grond van lid 2, onderdelen a tot en met g, overgelegd
moeten worden.
Artikel 57
1.
Onze Minister beslist op een aanvraag:
a. om een subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit,
hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling die wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst,
binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag;
b. om een subsidie voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of
elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling die wordt
verdeeld op volgorde van rangschikking, binnen dertien weken na de
laatste dag van de bij ministeriële regeling vastgestelde periode.
2.
De in het eerste lid genoemde perioden kunnen éénmaal met ten hoogste
dertien weken worden verlengd.
3.
Indien een gebundelde aanvraag niet leidt tot subsidieverlening door
Onze Minister, kan een gebundelde aanvraag worden behandeld als één
aanvraag.
4.
Indien Onze Minister aan de aanvrager van een gebundelde aanvraag
subsidie verstrekt, verstrekt Onze Minister per productie-installatie
die onderdeel is van de gebundelde aanvraag een beschikking tot
subsidieverlening.
Artikel 58
1.
Ingeval van verdeling op volgorde van binnenkomst, verdeelt Onze
Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de
aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de
dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum
van ontvangst geldt.
2.
Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen
ertoe zou leiden dat het beschikbare subsidieplafond zou worden
overschreden, stelt Onze Minister de volgorde van ontvangst van deze
aanvragen vast door middel van loting.
3.
Aanvragen die worden ontvangen op werkdagen na 17.00 uur of andere
dagen, worden aangemerkt als ontvangen op de eerstvolgende werkdag.
4.
In geval van loting wordt een gebundelde aanvraag behandeld als één
aanvraag.
Artikel 59
1.
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende
bepalingen;
b. hij het onaannemelijk acht dat de productie-installatie binnen vier
jaar of binnen de bij of krachtens artikel 61, eerste lid, vastgestelde
termijn in gebruik wordt genomen;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de
productie-installatie.
2.
Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties
worden bepaald dat Onze Minister afwijzend beslist op een aanvraag
indien op het moment van indienen van de aanvraag geen toestemming van
de eigenaar van de beoogde locatie is verkregen voor het plaatsen van de
productie-installatie.
Artikel 60
1.
Onze Minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van het
artikel 59 afwijzend wordt beslist zodanig dat een aanvraag hoger wordt
gerangschikt indien:
a. het tenderbedrag per kWh of per Nm3 lager is;
b. het kortingspercentage hoger is;
c. er meer sprake is van technologische- of brandstofinnovatie;
d. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbaar gas
sprake is van meer netto broeikasgas-reductie ten opzichte van de
productie van energie uit niet-hernieuwbare bronnen;
e. voor elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling
meer sprake is van het vermijden van negatieve externe effecten door het
verminderen van emissies van kooldioxide.
2.
Voor de rangschikking kunnen bij ministeriële regeling regels worden
vastgesteld met betrekking tot:
a. wegingsfactoren voor de criteria,
bedoeld in het eerste lid;
b. de toepassing van de criteria,
bedoeld in het eerste lid.
3. Onze
Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van
rangschikking van de aanvragen.
4. Indien
honorering van alle aanvragen die gelijk zijn gerangschikt ertoe zou
leiden dat het beschikbare subsidieplafond zou worden overschreden,
stelt Onze Minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast
door middel van loting.
5.
Een gebundelde aanvraag wordt voor de toepassing van dit artikel
behandeld als één aanvraag.
6.
Ten behoeve van de rangschikking van aanvragen om subsidie voor een
productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit
met behulp van windenergie op zee kan Onze Minister het door de
producent opgegeven tenderbedrag met een bij ministeriële regeling
vastgesteld bedrag verminderen, dat gerelateerd is aan de afstand van
een productie-installatie tot de kust.
§ 7. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 61
1.
De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie zo spoedig mogelijk
na de datum van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik. Bij
ministeriële regeling wordt de periode vastgesteld waarbinnen de
subsidie-ontvanger de productie-installatie in gebruik moet nemen. Deze
periode kan per categorie productie-installaties verschillen.
2.
Een subsidie-ontvanger mag, behoudens ontheffing van Onze Minister, tot
de datum van ingebruikname van een productie-installatie een beschikking
tot subsidieverlening niet overdragen aan een derde.
3.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de beschikking tot
subsidieverlening wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de
subsidie-ontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een
uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
eisen aan de uitvoeringsovereenkomst worden gesteld.
4.
Indien artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van toepassing is, verzoekt
de subsidie-ontvanger binnen vier weken na de datum van de beschikking
tot subsidieverlening Onze Minister de beschikking tot subsidieverlening
op grond van artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat artikel
luidde op 31 december 2006, in te trekken.
Artikel 62
1.
De subsidie-ontvanger realiseert en exploiteert de productie-installatie
overeenkomstig het plan zoals ingediend bij de aanvraag om subsidie.
2.
De verplichting bedoeld in het eerste lid, geldt tot aan de dag waarop
de subsidie wordt vastgesteld.
3.
Onze Minister kan voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het
stopzetten van de realisatie of exploitatie van de productie-installatie
in afwijking van het plan op voorafgaand verzoek van de
subsidie-ontvanger schriftelijk ontheffing verlenen van de verplichting,
bedoeld in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden
verbonden.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere verplichtingen voor de
subsidie-ontvanger worden opgelegd, die kunnen verschillen per categorie
van productie-installaties.
Artikel 63
1.
In de beschikking tot subsidieverlening kan aan de subsidie-ontvanger de
verplichting tot het indienen van ten hoogste één maal per
kalenderjaar van een tussentijds voortgangsverslag worden opgelegd dat
betrekking heeft op:
a. de duurzaamheid van biomassa waarmee
hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en elektriciteit opgewekt
door middel van warmtekrachtkoppeling wordt opgewekt;
b. monitorgegevens over de bouw,
productie, uitval en onderhoud van de productie-installatie.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het
tussentijds voortgangsverslag.
Artikel 64
De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van
de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot
faillietverklaring van hem.
Artikel 65
De subsidie-ontvanger verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle
bescheiden, gegevens of inlichtingen die nodig zijn voor een beslissing
omtrent de subsidie.
§ 8. Voorschotten
Artikel 66
1.
Voor een subsidie waarvoor een beschikking tot subsidieverlening geldt,
verstrekt Onze Minister ambtshalve maximaal één maal per jaar een
voorschot.
2.
Onze Minister verstrekt het eerste voorschot aan een subsidie-ontvanger
die hernieuwbare elektriciteit opwekt en aan een subsidie-ontvanger die
elektriciteit door middel van warmtekrachtkoppeling opwekt niet eerder
dan nadat de subsidie-ontvanger een rekening, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder y, van de Elektriciteitswet 1998, bij de
garantiebeheerinstantie heeft geopend.
Artikel 67
1.
Een voorschot aan een subsidie-ontvanger die hernieuwbare elektriciteit
produceert bedraagt het product van:
a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar
vastgestelde maximum aantal kWh, en
b. het basisbedrag dan wel het tenderbedrag verminderd met de op grond
van artikel 14, vierde lid, dan wel artikel 22, vierde lid, vastgestelde
correcties,
met dien verstande dat in het daaropvolgende kalenderjaar de hoogte van
het voorschot wordt vastgesteld op basis van het in het voorgaande
kalenderjaar feitelijk geproduceerde en voor subsidie in aanmerking
komend aantal kWh en het gecorrigeerde bedrag, bedoeld in artikel 14,
derde lid, dan wel artikel 22, derde lid.
2.
Een voorschot aan een subsidie-ontvanger die hernieuwbaar gas produceert
bedraagt het product van:
a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar
vastgestelde maximum aantal Nm3 aardgasequivalent, en
b. het basisbedrag dan wel het tenderbedrag verminderd met de op grond
van artikel 31, vierde lid, dan wel artikel 39, vierde lid, vastgestelde
correcties,
met dien verstande dat in het daaropvolgende kalenderjaar de hoogte van
het voorschot wordt vastgesteld op basis van het in het voorgaande
kalenderjaar feitelijk geproduceerde en voor subsidie in aanmerking
komend aantal Nm3 aardgasequivalent en het gecorrigeerde bedrag, bedoeld
in artikel 31, derde lid, dan wel artikel 39, derde lid.
3.
Een voorschot aan een subsidie-ontvanger die elektriciteit opwekt door
middel van warmtekrachtkoppeling bedraagt het product van:
a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar
vastgestelde maximum aantal kWh, en
b. de op grond van artikel 45, eerste lid, vastgestelde subsidiebedragen
verminderd met de op grond van artikel 47, eerste en tweede lid,
vastgestelde correcties dan wel de op grond van artikel 52, eerste lid,
vastgestelde maximum bedragen verminderd met het percentage bedoeld in
artikel 52, tweede lid.
4.
Onze Minister verstrekt per jaar slechts een voorschot tot ten hoogste
in de beschikking tot subsidieverlening vastgestelde maximum aantal kWh
of Nm3 aardgasequivalent.
5.
Indien de meetgegevens niet beschikbaar zijn in het kalenderjaar,
bedoeld in het eerste en derde lid, wordt in afwijking van het eerste en
derde lid het voorschot uiterlijk vastgesteld in het eerstvolgende
kalenderjaar nadat de meetgegevens beschikbaar zijn.
Artikel 68
1.
Onze Minister verstrekt de in artikel 67, eerste en tweede lid, bedoelde
voorschotten in maandelijkse bedragen, tenzij bij ministeriële regeling
is bepaald dat voor een bepaalde categorie productie-installaties het
voorschot in een jaarlijks bedrag wordt verstrekt. De som van de
maandelijkse bedragen of van het jaarlijkse bedrag bedraagt niet meer
dan 80% van het product van:
a. het aantal kWh of Nm3
aardgasequivalent dat volgens de beschikking tot subsidieverlening in
het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft voor subsidie
in aanmerking komt, en
b. het basisbedrag dan wel het
tenderbedrag verminderd met de op grond van artikel 14, vierde lid of
artikel 31, vierde lid, dan wel artikel 22, vierde lid, of artikel 39,
vierde lid, vastgestelde correcties.
2. Indien
de som van de maandelijkse bedragen of van het jaarlijkse bedrag die in
een kalenderjaar zijn verstrekt minder dan wel meer bedraagt dan de
hoogte van het voorschot dat na afloop van het kalenderjaar wordt
vastgesteld, kan Onze Minister dit verrekenen met de nog te verstrekken
maandelijkse of jaarlijkse bedragen.
3. Onze
Minister verstrekt het in artikel 67, derde lid, bedoelde voorschot in
maandelijkse bedragen met dien verstande dat de som van de maandelijkse
bedragen niet meer bedraagt dan 80% van dat voorschot.
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de berekening van
de maandelijkse bedragen en van het jaarlijkse bedrag.
Artikel 69
Onze Minister verstrekt geen voorschot, indien de subsidie-ontvanger
niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende
verplichtingen, indien hij failliet is verklaard of aan hem surséance
van betaling is verleend of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.
§ 9. Subsidievaststelling
Artikel 70
1.
De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in
binnen zes maanden na het tijdstip waarop periode waarover subsidie
wordt verstrekt, bepaald in de beschikking tot subsidieverlening, is
verstreken.
2.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier,
overeenkomstig het model dat bij ministeriële regeling is vastgesteld.
3.
De aanvraag gaat, overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld
van de in het formulier aangegeven bescheiden.
Artikel 71
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor
het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
§ 10. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 72
Onze Minister publiceert binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit
besluit een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit
besluit.
Artikel 73 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 74 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 75
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 76
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stimulering duurzame
energieproductie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijbehorende
nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 oktober 2007
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven
Uitgegeven de dertigste oktober 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin