000,00.
2. Het bedrag van de subsidie wordt zodanig vastgesteld dat de
bijdragen aan het project van anderen dan de aanvrager en de subsidie in
totaal niet meer bedragen dan 60 procent van de projectkosten in geval
van een ontwikkelingsproject en 80 procent in geval van een
revitaliseringsproject.
Artikel 5
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen
alle rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van
de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten,
met uitzondering van:
a. kosten van voorbereiding;
b. kosten van financiering;
c. kosten die verband houden met bodemsanering voor zover zij een
vijfde deel van de projectkosten te boven gaan en voor zover zij
binnen afzienbare termijn uit de daartoe bestemde financiële middelen
van het Rijk of de betrokken provincie kunnen worden gefinancierd of
derden ervoor aansprakelijk kunnen worden gesteld.
2. In afwijking van het eerste lid worden als projectkosten mede
in aanmerking genomen binnen tien jaar voor de indiening van de aanvraag
gemaakte kosten van verkrijging van onroerende zaken.
Artikel 5a
1. Indien van een ontwikkelingsproject in ondergeschikte mate
activiteiten deel uitmaken die bestaan uit een ingrijpende
herstructurering van een bestaand bedrijventerrein, worden als
projectkosten mede in aanmerking genomen de aan die activiteiten toe
te rekenen kosten, met dien verstande dat met betrekking tot die
kosten subsidie wordt verstrekt overeenkomstig het percentage dat
geldt voor revitaliseringsprojecten.
2. Indien van een revitaliseringsproject in ondergeschikte mate
activiteiten deel uitmaken die bestaan uit de aanleg van een nieuw
bedrijventerrein, worden als projectkosten mede in aanmerking genomen de
aan die activiteiten toe te rekenen kosten, met dien verstande dat met
betrekking tot die kosten subsidie wordt verstrekt overeenkomstig het
percentage dat geldt voor ontwikkelingsprojecten.
Artikel 6
1. Er is een commissie die tot taak heeft Onze Minister te
adviseren omtrent aanvragen op grond van dit besluit.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier
andere leden.
3. De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een
termijn van een jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw
benoembaar.
4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding
en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft
bij de beschikking op de aanvraag.
6. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben
de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
7. In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister
voorzien.
8. Het beheer van de bescheiden betreffende de commissie
geschiedt met inachtneming van het Besluit Algemene
secretarie-aangelegenheden rijksadministratie, op overeenkomstige wijze
als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na
beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het
archief van dat ministerie.
Paragraaf 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 7
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de periodes
vast waarin aanvragen om subsidie op grond van dit hoofdstuk moeten
zijn ontvangen.
2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van het origineel van
een ondertekend formulier, waarvan het model bij regeling van Onze
Minister wordt vastgesteld.
3. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een projectplan;
b. een begroting van de totale projectkosten en van de financiële
middelen die de gemeente en eventuele andere betrokkenen hiervoor
beschikbaar stellen;
c. de bedrijventerreinenvisie van de aanvrager.
4. Een aanvraag wordt ingediend bij het bestuur van de betrokken
provincie. Het bestuur van de provincie zendt de aanvraag binnen een
week door naar Onze Minister.
Artikel 8
De besturen van de provincies zenden binnen acht weken na afloop van
de in artikel 7, eerste lid, bedoelde periode aan Onze Minister een
advies met betrekking tot de aanvragen die betrekking hebben op in hun
provincie uit te voeren projecten omtrent:
a. de planologische uitvoerbaarheid van het project,
b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan het
oplossen van knelpunten met betrekking tot de ruimtelijke
accommodatie van bedrijvigheid,
c. de kwaliteit van de bedrijventerreinenvisie,
d. het draagvlak bij bestuur en bedrijfsleven voor het project en
e. de volgorde van belang van de onderscheiden projecten, gelet
op de criteria, genoemd in artikel 9, derde lid, onder a, b
en c.
Artikel 9
1. Onze Minister wint omtrent een aanvraag advies in van de
commissie, bedoeld in artikel 6.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een
negatief advies:
a. indien planologische belemmeringen het onwaarschijnlijk maken,
dat binnen achttien maanden na de beslissing op de aanvraag een
aanvang gemaakt kan worden met de uitvoering van het project;
b. indien onvoldoende aannemelijk is dat voor het project voldoende
financiële middelen beschikbaar komen, zodanig dat bijdragen aan het
project van anderen dan de aanvrager, de gevraagde subsidie daaronder
begrepen, niet meer uitmaken dan 60 procent van de projectkosten in
geval van een ontwikkelingsproject en niet meer dan 80 procent van de
projectkosten in geval van een revitaliseringsproject;
c. indien de commissie de projectkosten raamt op minder dan een
door Onze Minister bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag,
dat verschillend kan worden vastgesteld voor de verschillende soorten
projecten.
3. De commissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief
adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. een grotere bijdrage wordt geleverd aan het oplossen van
knelpunten met betrekking tot de tijdige beschikbaarheid van ruimte
voor bedrijvigheid met de juiste kwaliteit,
b. de kwaliteit van bedrijventerreinenvisie beter is,
c. het draagvlak bij bestuur en bedrijfsleven groter is, met dien
verstande dat het criterium bedoeld onder a voor 50 procent
meeweegt en de criteria bedoeld onder b en c elk voor 25
procent meewegen.
Artikel 10
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen vier
maanden na afloop van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde periode.
Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt
Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een
redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 11
1. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde
van rangschikking van de aanvragen door de commissie, bedoeld in
artikel 6.
2. Onze Minister kan afwijken van het eerste lid, indien een
advies van de commissie in strijd is met dit besluit, niet op
zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of wat de rangschikking van de in
een provincie uit te voeren projecten betreft afwijkt van de door het
bestuur van de betrokken provincie geadviseerde volgorde, bedoeld in
artikel 8, onder e. In het laatstbedoelde geval overlegt Onze
Minister voordat hij een beslissing neemt met het bestuur van de
provincie.
Paragraaf 3. Toezegging en verplichtingen
Artikel 12
(vervallen)
Artikel 13
(vervallen)
Artikel 14
Op de subsidie-ontvanger rusten de in de artikelen 15, 16 en 17
opgenomen verplichtingen.
Artikel 15
1. De subsidie-ontvanger maakt binnen achttien maanden na de
subsidieverlening een aanvang met de uitvoering van het project,
behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de Onze Minister
om van deze termijn af te wijken.
2. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het
projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en binnen vier
en een half jaar na de subsidieverlening, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het
essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.
3. Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste
en tweede lid voorschriften verbinden.
Artikel 16
1. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot
subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het
project ingevolge artikel 15, eerste lid moet zijn uitgevoerd bij Onze
Minister in.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld.
Artikel 17
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke
wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen.
2. De subsidie-ontvanger neemt bij het gebruik van de subsidie de
ingevolge de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen
voor de Staat geldende verplichtingen in acht.
Paragraaf 4. Voorschotten
Artikel 18
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot
subsidieverlening geldt kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door
Onze Minister ten hoogste tweemaal een voorschot worden verstrekt,
telkens wanneer ten minste 40 procent van de geraamde projectkosten
zijn gemaakt en betaald.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van gemaakte en
betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de
verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal
het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij
de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
Artikel 19
Een aanvraag wordt ingediend door middel van het origineel van een
ondertekend formulier, waarvan het model bij regeling van Onze Minister
wordt vastgesteld.
Artikel 20
(vervallen)
Artikel 21
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een
aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge
de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Paragraaf 5. Vaststelling definitief subsidiebedrag, intrekking en
terugvordering
Artikel 22
(vervallen)
Artikel 23
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor
het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking
niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de
subsidie-ontvanger daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke
termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 24
(vervallen)
Artikel 25
(vervallen)
Artikel 26
(vervallen)
HOOFDSTUK III. GROTE STEDEN
Artikel 27
Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan de gemeenten
Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en Utrecht voor activiteiten die:
a. bestaan uit de ontwikkeling of de revitalisering van een
bedrijfslocatie, voor zover nodig met inbegrip van de daarmee
rechtstreeks verband houdende infrastructuur,
b. een wezenlijke bijdrage leveren aan de voorziening in de
kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan bedrijfslocaties in de
betrokken gemeente en haar regio,
c. een wezenlijke bijdrage leveren aan de versterking van de
ruimtelijk-economische structuur van en de bevordering van de
werkgelegenheid in de betrokken gemeente en haar regio en
d. passen in het Actieplan Economie en Werk, bedoeld in het op 12
juli 1995 tussen het Rijk en de in de aanhef genoemde gemeenten
gesloten Convenant Grote Stedenbeleid.
Artikel 28
Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag onder de in artikel 27
genoemde gemeenten. Het bedrag van de te verlenen subsidie wordt door
Onze Minister bepaald, zodanig dat het niet meer bedraagt dan de eigen
bijdrage van de subsidie-ontvanger.
Artikel 29
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen
alle rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van
de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten,
met uitzondering van:
a. de kosten van voorbereiding;
b. de kosten van financiering en
c. kosten die verband houden met bodemsanering voor zover zij een
vijfde deel van de projectkosten te boven gaan en voor zover zij
binnen een afzienbare termijn uit de daartoe bestemde financiële
middelen van het Rijk of de betrokken provincie kunnen worden
gefinancierd of op derden kunnen worden verhaald.
2. In afwijking van het eerste lid worden als projectkosten mede
in aanmerking genomen binnen tien jaar voor de indiening van de aanvraag
gemaakte kosten van verkrijging van onroerende zaken.
Artikel 30
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de periodes vast
waarin aanvragen om subsidie op grond van dit hoofdstuk moeten zijn
ontvangen.
Artikel 31
(vervallen)
Artikel 32
(vervallen)
Artikel 33
(vervallen)
Artikel 34
(vervallen)
Artikel 35
(vervallen)
Artikel 36
(vervallen)
HOOFDSTUK IV. SLOTBEPALINGEN
Artikel 37
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2010.
2. Indien op 31 december 2009 een beschikking, houdende de
toezegging van een subsidie, nog niet gevolgd is door een beschikking,
houdende de vaststelling van het definitieve bedrag van de
desbetreffende subsidie, blijft dit besluit voor die uitkering gelden
tot vijf jaar na de datum van bekendmaking van de laatstbedoelde
beschikking.
3. Indien op 31 december 2009 sedert de bekendmaking van een
beschikking, houdende de vaststelling van het definitieve bedrag van een
uitkering, nog geen vijf jaren zijn verstreken, blijft dit besluit voor
de desbetreffende uitkering gelden tot een tijdstip, liggend vijf jaar
na de datum van bekendmaking van de beschikking.
Artikel 38
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stimulering ruimte voor
economische activiteit.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 5 maart 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
Uitgegeven de negentiende maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager