| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet EZ-subsidies
BESLUIT
SUBSIDIES ENERGIEPROGRAMMA'S
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2009
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2010
|
|
|
BESLUIT van 16 maart 1994, houdende regels inzake de verstrekking van
subsidies in het kader van energieprogramma's
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 9
september 1993, nr. WJA/JZ 93065079;
Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen
EZ;
De Raad van State gehoord (advies van 11 januari 1994, nr.
W10.93.0612);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 8 maart
1994, nr. WJA/JZ 94007641;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet
zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld,
die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een onderneming die
bij regeling van Onze Minister is uitgesloten;
b. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke
rechtspersoon die direct of indirect:
- meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
- volledig aansprakelijk vennoot is van of
- overwegende zeggenschap heeft over
een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
c. project: een haalbaarheidsproject, een onderzoeks- of
ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment, een
kennisoverdrachtproject, een demonstratieproject of een
marktintroductieproject;
d. haalbaarheidsproject: een samenhangend geheel van
activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de
mogelijkheden om een apparaat, systeem of techniek te ontwikkelen of
in de praktijk toe te passen;
e. onderzoeks- of ontwikkelingsproject: een samenhangend geheel
van activiteiten, gericht op:
- het vermeerderen van technisch of wetenschappelijk inzicht
ten aanzien van een apparaat, systeem of techniek, of
- het geschikt maken van een apparaat, systeem of techniek
voor toepassing in de praktijk, niet zijnde een
praktijkexperiment;
f. praktijkexperiment: een samenhangend geheel van activiteiten,
bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige
voorzieningen, voor zover geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het
vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de
praktijk van een apparaat, systeem of techniek, alsmede de daarmee
samenhangende activiteiten, geheel of nagenoeg geheel gericht op het
verbeteren van die geschiktheid;
g. kennisoverdrachtproject: een samenhangend geheel van
activiteiten, gericht op het overdragen van kennis en informatie aan
een bepaalde doelgroep;
h. demonstratieproject: een op bescherming van het milieu gericht
samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch
risico inhouden, waarbij die activiteiten bestaan uit het bij de
aanvrager treffen van energiebesparende maatregelen of maatregelen
die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met
behulp van:
1°. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken,
of
2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten,
systemen of technieken;
i. marktintroductieproject: een op bescherming van het milieu
gericht samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit het in
Nederland bij de aanvrager treffen van energiebesparende maatregelen
of maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen
bevorderen met behulp van apparaten, systemen of technieken die
reeds eerder zijn gedemonstreerd, maar die in Nederland nog niet
gebruikelijk zijn;
j. communautaire norm: verplichte communautaire norm waarbij de
op milieugebied te bereiken normen zijn vastgesteld, alsmede de
verplichting de beste beschikbare technische middelen te gebruiken
die geen excessieve kosten meebrengen.
Artikel 2
1.Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die
in Nederland een project uitvoert, dat past in een energieprogramma en
naar het oordeel van Onze Minister het beste bijdraagt aan de
realisering van de doelstellingen van het programma.
2.Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de
energieprogramma’s vast. Een energieprogramma bevat een beschrijving
van met elkaar samenhangende doelstellingen en soorten projecten,
gericht op het bereiken van energiebesparing, de inzet van duurzame
energie of de toepassing van energietechnieken die tot een geringere
belasting van het milieu leiden.
3.Bij de beschikking tot subsidieverlening ter zake van een
onderzoeks- of ontwikkelingsproject, praktijkexperiment,
kennisoverdrachtproject of demonstratieproject, kan worden bepaald dat
de subsidie geheel of gedeeltelijk dient te worden terugbetaald en dat
over het terug te betalen bedrag een rentevergoeding verschuldigd is.
Artikel 3
1.Het bedrag van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van:
a. de mate waarin de subsidie-ontvanger een eigen belang heeft
bij de resultaten van het project,
b. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen
van het energieprogramma,
c. het al dan niet toegepast zijn van artikel 2, derde lid, en
d. de mate waarin ter zake van het project andere subsidies en
vermindering van belasting kunnen worden verkregen.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste:
a. in geval van een onderzoeks- of ontwikkelingsproject: 50
procent van de projectkosten, met dien verstande dat:
1°. indien de aanvrager een instelling van hoger onderwijs
of een geheel of hoofdzakelijk door de rijksoverheid
gefinancierde onderzoeksinstelling is, subsidie kan worden
verstrekt tot ten hoogste 100 procent van de projectkosten,
2°. indien de aanvrager een ondernemer is die een kleine
of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van
verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 12 januari 2001 (PbEG L 70) betreffende de
toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op
staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, subsidie
kan worden verstrekt tot ten hoogste 60 procent van de
projectkosten, en
3°. indien de aanvrager geen ondernemer is en geen
instelling als bedoeld onder 1°, subsidie kan worden
verstrekt tot ten hoogste 60 procent van de projectkosten;
b. in geval van een demonstratieproject: 40 procent van de
projectkosten, voor zover deze niet meer bedragen dan € 454 000,
en 25 procent van de projectkosten voor zover deze meer bedragen
dan € 454 000;
c. in geval van een marktintroductieproject: 40 procent van de
projectkosten.
Een wijziging van de in onderdeel a, onder 2°, bedoelde
kaderregeling treedt voor de toepassing van dit besluit in werking met
ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking treedt.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling, houdende vaststelling
van een energieprogramma lagere maximumpercentages per projectsoort
alsmede een maximum subsidiebedrag per project vaststellen.
3.De subsidie bedraagt niet meer dan de projectkosten.
4.Indien terzake van de projectkosten of een deel daarvan reeds uit
andere hoofde vanwege het rijk of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag
aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer
bedraagt dan de ingevolge het tweede of derde lid maximaal geldende
percentages voor de verschillende projecten, met dien verstande dat in
geval van een demonstratieproject het totaal aan subsidie niet meer
bedraagt dan 40 procent van de projectkosten.
Artikel 4
1.Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen en
door de subsidie-ontvanger in de bij de subsidieverlening vermelde
periode gemaakte en betaalde kosten:
1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van
een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een
volledige dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de
loonbelasting» van de loonstaat van het betrokken directe
personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van
een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst
verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600
productieve uren per jaar;
2°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen,
gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief
winstopslagen bij transacties binnen een groep;
3°. de kosten van aanschaf van machines en apparatuur,
exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
4°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen
verleende diensten en ter zake van de verwerving van kennis en
intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de
bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij
transacties binnen een groep;
5°. reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming
aan wetenschappelijke symposia, tot een maximum van 10 procent
van de projectkosten;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 40 procent van de
onder a, aanhef en onder 1°, bedoelde loonkosten.
2.Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a,
1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project
wordt verricht, kan Onze Minister daarvoor een redelijk bedrag
vaststellen, dat als projectkosten mede in aanmerking wordt genomen.
3.Indien machines en apparatuur worden aangeschaft door middel van
een lease-overeenkomst, is het vereiste dat de projectkosten moeten
zijn betaald niet van toepassing en wordt als kosten van aanschaf in
aanmerking genomen de contante waarde van de in totaal verschuldigde
lease-termijnen, verdisconteerd op jaarbasis tegen een bij regeling
van Onze Minister vast te stellen percentage.
4.Indien de kosten van aanschaf van machines en apparatuur slechts
gedeeltelijk aan het project zijn toe te rekenen, wordt als
projectkosten in aanmerking genomen een evenredig deel van de kosten
van afschrijving van de machines en apparatuur, berekend op basis van
de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties
binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur
van 5 jaar.
5.In geval van een haalbaarheidsproject en een onderzoeks- of
ontwikkelingsproject kan Onze Minister toestaan dat in afwijking van
het eerste lid het uurloon en de opslag voor algemene kosten worden
vastgesteld overeenkomstig een in de gehele organisatie van de
aanvrager gebruikelijke, controleerbare methodiek.
6.De projectkosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van
omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger omzetbelasting niet kan
verrekenen met door hem af te dragen omzetbelasting.
7.Voor demonstratie- en marktintroductieprojecten worden als
projectkosten uitsluitend in aanmerking genomen de extra
investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van
de energiebesparing of de ingebruikneming van de hernieuwbare
energiebron.
Artikel 5
1.Onze Minister stelt ieder begrotingsjaar bij ministeriële
regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies
krachtens dit besluit met betrekking tot ieder energieprogramma.
2.Onze Minister kan afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen met
betrekking tot onderdelen van energieprogramma's, verschillende
soorten projecten en aanvragen die zijn ontvangen in een bepaalde
periode.
Paragraaf 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 6
1.Onze Minister kan bij ministeriële regeling een periode
vaststellen, waarin aanvragen om subsidie op grond van dit besluit met
betrekking tot een energieprogramma of onderdeel daarvan moeten zijn
ontvangen.
2.Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel
van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan
vrijstelling verlenen.
Artikel 7
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag dan wel, indien het betrokken
energieprogramma voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen
met betrekking tot soortgelijke projecten, na afloop van de in artikel
6, eerste lid, bedoelde periode.
Artikel 8
1.Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. in geval van een demonstratieproject of
marktintroductieproject, indien het project past in een programma
als bedoeld in het Besluit tenders industriële energiebesparing
en de aanvraag is ingediend in de periode waarin de aanvragen in
het kader van dat programma moeten zijn ontvangen of de daarop
aansluitende periode van zeventien weken;
b. in geval van een demonstratieproject of een
marktintroductieproject, indien het project niet ook voor anderen
rendabele toepassingsmogelijkheden biedt.
c. in geval van een demonstratieproject of een
marktintroductieproject, indien het project gericht is op:
1. de aanpassing aan van toepassing zijnde communautaire
normen;
2. de aanpassing aan vastgestelde, maar nog niet van
toepassing zijnde communautaire normen;
3. de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan
of minder zware eisen stellen dan communautaire normen, of
4. de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van
communautaire normen, indien de aanpassing heeft
plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde
uiterste datum.
2.Onze Minister kan, indien vooralsnog onvoldoende vertrouwen
bestaat in de technische haalbaarheid van het project, de aanvraag
gedeeltelijk afwijzen, met dien verstande dat subsidie wordt verleend
ter zake van de projectkosten, verbonden aan de uitvoering van een
eerste fase van het project, gedurende een in de beschikking tot
subsidieverlening te vermelden tijdvak.
Artikel 9
1.Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van
ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een
aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het
in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5
van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de
aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de
wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van
ontvangst geldt.
2.Indien een energieprogramma voorziet in een gelijktijdige
beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten, op
basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan
de doelstelling van het programma, is het eerste lid niet van
toepassing en verdeelt Onze Minister het subsidieplafond in de
volgorde van geschiktheid van de projecten.
§ 3. Subsidieverlening en verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 11
Onze Minister geeft een beschikking tot subsidieverlening ingeval
toepassing gegeven wordt aan artikel 2, derde lid, slechts onder de
voorwaarde, dat de subsidieverlening vervalt, indien de
subsidie-ontvanger niet voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip
meewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst met de staat,
overeenkomstig een bij de beschikking gevoegd aanbod, waarin hij zich
verbindt tot het terugbetalen van en vergoeden van rente over een deel
van de subsidie.
Artikel 12
1.Op de subsidie-ontvanger rusten de in de artikelen 13, 14 en 15
opgenomen verplichtingen.
2.Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen
opleggen met betrekking tot:
a. het verlenen van medewerking aan een door Onze Minister of
een door Onze Minister aangewezen derde op te zetten en uit te
voeren meet- of demonstratieprogramma;
b. het zonder vergoeding geven van instemming met het door Onze
Minister of een door Onze Minister aangewezen derde geven van
bekendheid aan uit het project en het meet- of
demonstratieprogramma voortgekomen gegevens;
c. het zonder vergoeding aan Onze Minister of een door Onze
Minister aangewezen derde verstrekken van door Onze Minister
gewenste, met het project verband houdende informatie;
d. de tenaamstelling, verwerving en instandhouding van rechten
van intellectuele eigendom op resultaten van het project en de
instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van
belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane
kennis;
e. het al dan niet aan derden ter beschikking stellen of met
een zekerheidsrecht ten behoeve van een derde belasten van:
1°. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten
van het project;
2°. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de
resultaten van het project;
3°. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een
intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;
4°. niet door rechten van intellectuele eigendom
beschermde resultaten van het project;
f. het ontbinden of vervreemden van de rechtspersoon dan wel
het verplaatsen van de statutaire zetel ervan;
g. het meewerken aan de ontbinding van de vennootschap onder
firma of maatschap dan wel aan het uittreden van een of meer
deelnemers ervan;
h. de samenwerking met derden bij of in verband met de
uitvoering van het project.
Artikel 13
1.De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het
projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit
het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip,
behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor
het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het
project.
2.Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste
lid voorschriften verbinden.
Artikel 14
1.De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling
binnen zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge
artikel 13, eerste lid, moet zijn uitgevoerd bij Onze Minister in.
2.De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel
van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt
vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan
vrijstelling verlenen.
Artikel 15
1.De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke
wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden
kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een
door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde
urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2.De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze
Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op
hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan
hem of tot faillietverklaring van hem.
Paragraaf 4. Voorschotten
Artikel 16
1. Voorschotten kunnen door Onze Minister slechts eenmaal per drie
maanden op aanvraag van de subsidie-ontvanger worden verstrekt op een
subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en
betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de
verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal
zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van
het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de
loonkosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.
Artikel 17
Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van
een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling
verlenen.
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een
aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge
de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Paragraaf 5. Subsidievaststelling
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 21
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de voor het
indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Paragraaf 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23
De Regeling financiële bijdragen energieprogramma’s wordt
ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies
energieprogramma's.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
J.E. Andriessen
Uitgegeven de negenentwintigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|
|
|