Behorende bij artikel 11, tweede lid, van de Regeling Groeifaciliteit:
A1: Model algemene garantieovereenkomst
A2: Model garantieovereenkomst met banken inzake niet converteerbare
achtergestelde leningen
Bijlage A1
Model algemene garantstellingsovereenkomst
Overeenkomst tussen:
1. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat,
vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken;
2. ...., hierna te noemen kapitaalverschaffer;
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Economische Zaken;
b. kapitaalvennootschap:
1°. een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerste
Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende
tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten
worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede
alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te
beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van
derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB
EG L 65), of
2°. een kapitaalvennootschap die is ingericht naar het recht
van één van de lidstaten van de Europese Unie, die
rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij
uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden
aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen
is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld in Richtlijn 68/151/EEG
van de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden
te beschermen;
c. MKB-ondernemer: een natuurlijke of rechtspersoon, niet zijnde
een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een
onderneming in stand houdt
1°. die ten tijde van de verstrekking van risicokapitaal op
grond van deze regeling voldoet aan de definitie van middelgrote,
kleine en micro-ondernemingen, opgenomen in de bijlage bij
Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van
25 februari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr.
70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de
toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op
staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10),
die gevestigd is in Nederland en wier activiteiten voor een
substantieel deel in Nederland worden uitgevoerd;
2°. wier activiteiten niet in overwegende mate betrekking
hebben op:
– landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van
toelevering en dienstverlening;
– onroerend goed, met uitzondering van bemiddeling;
– de financiële sector voor zover de MKB-ondernemer het
bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een
participatiemaatschappij heeft;
– de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een
aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet
marktordening gezondheidszorg;
d. participatiemaatschappij: een vennootschap
1°. in de vorm van een kapitaalvennootschap of een
vennootschap met een afgescheiden vermogen die is ingericht naar
Nederlands recht of naar het recht van één van de andere
lidstaten van de Europese Unie;
2°. die blijkens de akte waarbij haar statuten zijn
vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan
tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van
risicokapitaal aan MKB-ondernemers teneinde winst te behalen, met
uitzondering van startersfondsen als bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Regeling seed capital technostarters;
e. bank: een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag
uitoefenen;
f. kapitaalverschaffer: een participatiemaatschappij of een bank;
g. achtergestelde lening:
1°. een lening van geld door een kapitaalverschaffer aan een
MKB-ondernemer met het oog op de financiering door deze ondernemer
van eigen activiteiten,
– welke lening niet door enige vorm van zekerheid is
gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een
aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer op
persoonlijke titel heeft gegeven,
– en waarop de MKB-ondernemer krachtens een daartoe
strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van
ontbinding, een akkoord na verlening van surséance van
betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de
achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet
vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment
bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met
uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een
bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden
en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders
in de onderneming van de MKB-ondernemer,
– en ten aanzien waarvan de kapitaalverschaffer in de
vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle
rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; of
2°. een lening van geld door een kapitaalverschaffer aan een
MKB-ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts
bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een
dochtermaatschappij in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met het oog op de financiering door deze
ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij,
– welke lening niet door enige vorm van zekerheid is
gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van
een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer en van
een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij
– en ten aanzien waarvan de kapitaalverschaffer in de akte
van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot
verrekening van de niet vervallen aflossingen;
h. waarde van een achtergestelde lening: het nog niet afgeloste
deel van de lening;
i. aandelenkapitaal: aandelen in het kapitaal van een onderneming
van de MKB-ondernemer, die de kapitaalverschaffer rechtstreeks van
de MKB-ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen
in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening;
j. waarde van aandelenkapitaal: het bedrag in geld dat de
kapitaalverschaffer bij de volstorting van de aandelen heeft betaald
dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of
een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande
lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd
onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de
omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de
kapitaalverschaffer;
k. risicokapitaal: kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of
een achtergestelde lening;
l. reserveringsquotum: het bedrag dat de minister op aanvraag van
een kapitaalverschaffer vaststelt als maximum voor de som van de
garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die gedurende twee
jaar vanaf de datum van de vaststellingsbeschikking aan de
kapitaalverschaffer kunnen worden verschaft;
m. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke
rechtspersoon, die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van, of
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.
Artikel 2. Garantstelling
1. De Staat stelt zich tegenover de kapitaalverschaffer garant voor
50% van de waarde van door de kapitaalverschaffer verstrekt
risicokapitaal, voor welke garantstelling de kapitaalverschaffer een
provisie is verschuldigd.
2. De garantie wordt verleend voor de duur van de desbetreffende
kapitaalverstrekkingen met een maximum van twaalf jaar, met dien
verstande dat op verzoek van de kapitaalverschaffer de garantie inzake
een verstrekking van aandelenkapitaal wordt gebonden aan een termijn van
ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar.
3. De garantstelling heeft alleen betrekking op risicokapitaal
a. dat wordt verstrekt nadat de minister desgevraagd een
reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum nog
toereikend en geldig is;
b. dat wordt verstrekt overeenkomstig de in artikel 3 genoemde
voorwaarden;
c. dat onder de garantstelling is gebracht overeenkomstig de
procedure van artikel 4.
4. Indien de kapitaalverschaffer bij de verstrekking van
risicokapitaal een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de
Staat brengt, is deze overeenkomst slechts van toepassing op het
gedeelte van het verstrekte risicokapitaal dat onder de garantstelling
is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 3. Randvoorwaarden risicokapitaal
Een verstrekking van risicokapitaal aan een MKB-ondernemer kan onder
de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan
de volgende voorwaarden:
a. de onderneming van de MKB-ondernemer heeft redelijke
rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven;
b. in de voorafgaande periode van twaalf maanden zijn niet meer
middelen ten behoeve van derden aan de onderneming onttrokken dan
noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering en evenmin
is een verplichting tot een zodanige onttrekking aangegaan;
c. de verstrekking van het risicokapitaal dient niet ter
vervanging van eerder aan de MKB-ondernemer verschaft krediet of
risicokapitaal;
d. de waarde van het risicokapitaal dat aan de MKB-ondernemer of,
indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep
wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door
een andere kapitaalverschaffer met toepassing van deze regeling en
van risicokapitaal dat met toepassing van de Regeling seed capital
technostarters aan de MKB-ondernemer onderscheidenlijk de groep is
verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan
€ 5.000.000,–;
e. bij of in verband met het verstrekken van het risicokapitaal
verstrekt de kapitaalverschaffer geen andere goederen dan geld;
f. de verstrekking van het risicokapitaal draagt zelfstandig bij
aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid van de
kapitaalverschaffer;
g. de MKB-ondernemer verplicht zich aan een door de minister als
toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
aangewezen persoon of aan een door de minister aangewezen deskundige
derde, voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de
vervulling van zijn taak:
1°. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke
gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden
daarvan kopieën te maken;
2°. toegang te verlenen tot plaatsen niet zijnde woningen;
3°. anderszins binnen de door hem gestelde termijn alle door
hem gewenste medewerking te verlenen.
Artikel 4. Aanmelding en toetsing
1. De kapitaalverschaffer stelt de Staat in kennis van een
voorgenomen verstrekking van risicokapitaal met gebruikmaking van een
formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze
overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de
ontwerp-overeenkomst tot verstrekking van het risicokapitaal en van
andere bescheiden als genoemd in het model.
2. Indien de verstrekking van risicokapitaal naar het oordeel van de
Staat voldoet aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden, geldt de
garantstelling op grond van deze overeenkomst voor dit risicokapitaal.
De Staat bericht hierover de kapitaalverschaffer binnen twee weken na
ontvangst van de aanmelding onder vermelding van de omvang en duur van
de garantie.
3. De garantie wordt afgegeven onder de opschortende voorwaarde dat
een dienovereenkomstige, door partijen gesloten overeenkomst aan de
Staat wordt overgelegd en dat ook dan wordt voldaan aan de in artikel 3
bedoelde voorwaarden. De Staat bericht hierover de kapitaalverschaffer
binnen twee weken na ontvangst van de gesloten overeenkomst onder
vermelding van de omvang en duur van de garantie.
Artikel 5. Verplichtingen beheer
1. De kapitaalverschaffer draagt er voor zorg dat een actief en
winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken, beheren en
vervreemden van risicokapitaal, waarbij rekening wordt gehouden met het
belang van de Staat als garantsteller.
2. De kapitaalverschaffer draagt er voor zorg dat degenen die met het
verstrekken, beheren of vervreemden van risicokapitaal zijn belast
beschikken over de nodige deskundigheid.
3. De kapitaalverschaffer staat er voor in dat degenen die zijn
belast met het verstrekken, beheren of vervreemden van risicokapitaal en
met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar
zijn.
4. De kapitaalverschaffer draagt zorg voor een integere
bedrijfsvoering en neemt in dat verband de noodzakelijke maatregelen om
onder meer strafbare handelingen, verstrengeling van tegenstrijdige
belangen en afhankelijkheid van de kapitaalverschaffer van bepaalde
vennoten, aandeelhouders of andere betrokkenen te voorkomen.
5. De kapitaalverschaffer staat er voor in dat aandeelhouders,
hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders en beheerders van de
kapitaalverschaffer en andere zijdens de kapitaalverschaffer betrokkenen
alleen medewerking verlenen aan verstrekkingen van risicokapitaal en
krediet door een ander dan de kapitaalverschaffer aan een onderneming
waaraan de kapitaalverschaffer risicokapitaal heeft verstrekt met een
garantie op grond van deze overeenkomst, indien een redelijk handelend
en redelijk bekwaam beheerder deze verstrekkingen zou hebben gedaan in
het kader van een actief en winstgericht beleid.
6. De kapitaalverschaffer komt met een MKB-ondernemer aan wie een
achtergestelde lening is verstrekt slechts een wijziging van het
aflossingsschema overeen na voorafgaande toestemming van de Staat,
tenzij deze betrekking heeft op een versnelde aflossing of op een gehele
of gedeeltelijke opschorting van de aflossingen gedurende ten hoogste
vier aaneengesloten kwartalen die niet is voorafgegaan door een eerdere
opschorting van de aflossingen.
7. De Staat verleent de in het zesde lid bedoelde toestemming indien
aannemelijk is dat:
a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan het
bestaande aflossingsschema;
b. adequate maatregelen worden genomen ter verbetering van de
liquiditeit van de onderneming en rekening houdend met het belang
van rentabiliteit en continuïteit van de onderneming;
c. rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de
Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending
van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing
van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van
de gegarandeerde lening.
Artikel 6. Financiële verplichtingen
1. De kapitaalverschaffer aan wie de minister een reserveringsquotum
heeft toegekend, is hiervoor aan de Staat een eenmalige provisie van 1%
van dit quotum verschuldigd.
2. De kapitaalverschaffer is een provisie verschuldigd voor de
garantie op het verstrekte risicokapitaal dat overeenkomstig de
procedure van artikel 4 onder de garantstelling is gebracht. De provisie
bedraagt jaarlijks
a. 2,5% van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal indien
de kapitaalverstrekking bestaat uit een niet converteerbare
achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een
kapitaalverstrekking aan dezelfde MKB-ondernemer door de
kapitaalverschaffer of een andere kapitaalverschaffer die deel
uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare
achtergestelde lening of aandelenkapitaal;
b. 3% van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal in
andere gevallen.
3. Per kwartaal wordt een vierde deel van de in het tweede lid
bedoelde provisie in rekening gebracht, uitgaand van de waarde van het
risicokapitaal op de eerste dag van het kwartaal.
4. De in het tweede lid bedoelde provisie is verschuldigd voor de
duur van de garantie of zoveel korter als zich één van de in artikel
8, eerste lid, genoemde omstandigheden voordoet.
5. Indien het risicokapitaal aandelenkapitaal betreft dat wordt
vervreemd binnen zes jaren vanaf de verstrekking van het risicokapitaal,
is de kapitaalverschaffer op dat tijdstip een aanvullende provisie
verschuldigd voor de periode vanaf het tijdstip van de vervreemding tot
na het verstrijken van de periode van zes jaren, welke aanvullende
provisie wordt berekend met overeenkomstige toepassing van het tweede
lid en uitgaand van de waarde van het aandelenkapitaal op de eerste dag
van het kwartaal voorafgaand aan de vervreemding.
6. Indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, is de
kapitaalverschaffer op het tijdstip van de volledige aflossing van de
lening een aanvullende provisie verschuldigd indien de op grond van het
tweede lid voor de totale looptijd van de lening verschuldigde provisie
minder bedraagt dan het zesvoud van de provisie die met toepassing van
het tweede lid voor de helft van het geleende bedrag kan worden
berekend, welke aanvullende provisie gelijk is aan het hiervoor bedoelde
verschil.
7. Indien risicokapitaal binnen een termijn van zes jaar wordt
afgestoten om verlies op dat risicokapitaal in de zin van artikel 8,
eerste lid, te beperken, kan de minister op verzoek van de
kapitaalverschaffer de over de resterende termijn verschuldigde provisie
kwijtschelden indien sprake is van klemmende redenen, gelegen in het
belang van de onderneming van de MKB-ondernemer.
Artikel 7. Administratieve en
informatieverstrekkingsverplichtingen
1. De kapitaalverschaffer draagt er voor zorg dat een administratie
wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op
eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de
verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerd
risicokapitaal en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde
MKB-ondernemer heeft verstrekt.
2. De kapitaalverschaffer informeert de Staat binnen acht weken nadat
de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden schriftelijk over
wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van
de kapitaalverschaffer en over wijzigingen ten aanzien van gegarandeerd
risicokapitaal, waaronder
a. een omzetting van een achtergestelde lening in
aandelenkapitaal,
b. een aflossing van een achtergestelde lening, tenzij deze
aflossing overeenkomt met een aflossingsschema waarover de Staat
eerder is geïnformeerd;
c. een wijziging van de looptijd van een achtergestelde lening.
3. De kapitaalverschaffer verstrekt de Staat jaarlijks zijn
jaarverslag.
4. Desgevraagd verstrekt de kapitaalverschaffer de Staat gegevens en
bescheiden over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van
gegarandeerd risicokapitaal en van ander risicokapitaal dat hij aan
dezelfde MKB-ondernemer heeft verstrekt, en de jaarrekeningen van de
ondernemingen waaraan risicokapitaal is verstrekt, vergezeld van
desbetreffende accountantsverklaringen als bedoeld in artikel 393,
vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een mededeling
waarom deze ontbreekt, en van de bijbehorende toelichtingen voor het
bestuur van de onderneming.
5. De kapitaalverschaffer doet onverwijld mededeling aan de Staat van
de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van
surséance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van
hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing te verklaren.
Artikel 8. Reikwijdte garantie
1. De kapitaalverschaffer kan een beroep doen op de garantie indien
hij op gegarandeerd risicokapitaal verlies lijdt:
a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van dat
risicokapitaal;
b. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft,
door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening door de
kapitaalverschaffer;
c. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft,
door onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen;
d. als gevolg van een faillietverklaring, een verlening van
surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de
MKB-ondernemer;
e. bij een in kracht van gewijsde gegane homologatie van een
akkoord na de faillietverklaring, na de verlening van surséance van
betaling of na het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de
MKB-ondernemer waaraan de lening is verstrekt;
f. indien de MKB-ondernemer een rechtspersoon is, bij ontbinding
van de rechtspersoon.
2. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op
het gevraagde bedrag indien in de voorafgaande periode van twaalf
maanden meer middelen aan de MKB-onderneming zijn onttrokken ten behoeve
van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering,
dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan, mits
de kapitaalverschaffer hieraan op enigerlei wijze medewerking heeft
verleend.
3. Bij verlies ingevolge vervreemding van risicokapitaal geldt de
garantie alleen indien de vervreemding:
a. niet eerder dan twee jaar na de verstrekking ervan heeft
plaatsgevonden, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen
deze termijn heeft ingestemd;
b. gebeurt tegen een prijs die past in het voeren van een actief
en winstgericht beleid;
c. voor zover de kapitaalverschaffer daarbij risicokapitaal
geheel of voor een deel overdraagt aan één van zijn
aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders,
beheerders of andere betrokkenen, gebeurt tegen een prijs die is
gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen, dan
wel gepaard gaat met vervreemding van ten minste een derde deel van
het risicokapitaal aan onafhankelijke derden.
4. Bij verlies ingevolge gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
een achtergestelde lening geldt de garantie alleen indien de
kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming
waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is gehouden en wordt
gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door
een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de
MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met
inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.
5. Als onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen,
bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt aangemerkt de situatie waarin
a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan zijn
betalingsverplichtingen;
b. aannemelijk is dat de MKB-ondernemer in de eerstvolgende jaren
niet in staat zal zijn te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen;
en
c. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met
het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een
evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de
MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met
inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.
6. Verlies als gevolg van faillietverklaring, een verlening van
surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onder d, wordt aanwezig geacht
a. voor zover aannemelijk is dat de kapitaalverschaffer bij het
einde van het faillissement, van de surséance onderscheidenlijk van
de toepassing van de schuldsaneringsregeling een verlies als bedoeld
in het achtste lid zal leiden;
b. mits aannemelijk is dat rekening is gehouden met het belang
van de Staat als garantsteller.
7. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op
het gevraagde bedrag indien de kapitaalverschaffer tekort is geschoten
bij de naleving van verplichtingen op grond van deze overeenkomst of
indien de kapitaalverschaffer niet kan aantonen die maatregelen te
hebben genomen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder
zou hebben genomen in het kader van een actief en winstgericht beleid.
8. Het verlies wordt berekend op basis van de waarde van het
risicokapitaal of, indien het verlies slechts op een deel van het
verstrekte risicokapitaal is geleden, het hiermee overeenkomende deel
van die waarde, in een voorkomend geval verminderd met:
a. in geval van vervreemding: de prijs waarvoor die vervreemding
heeft plaatsgevonden;
b. in geval van ontbinding: de liquidatie-uitkering; of
c. in geval van homologatie van een akkoord als bedoeld in het
eerste lid, onder e, de in het kader van het akkoord voor de
achtergestelde lening verrichte uitkering; en
d. in geval van verlies op aandelenkapitaal, het totaal van de
uitgekeerde dividenden en het totaal van de aan de
kapitaalverschaffer betaalde vergoedingen voor zover deze
vergoedingen hoger zijn dan een marktconforme vergoeding.
9. Indien de kapitaalverschaffer meermalen gegarandeerd
risicokapitaal aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt en slechts op een
deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden op
het risicokapitaal dat de kapitaalverschaffer het eerst heeft verstrekt.
10. Indien de kapitaalverschaffer aan een MKB-ondernemer
risicokapitaal heeft verstrekt dat slechts ten dele onder de
garantstelling is gebracht en slechts op een deel van het verstrekte
risicokapitaal verlies lijdt, wordt het verlies, onverminderd het
negende lid, naar rato toegerekend aan het risicokapitaal dat onder de
garantstelling is gebracht.
Artikel 9. Inroepen van garantie
1. De kapitaalverschaffer verzoekt de Staat binnen zes maanden nadat
zich de in artikel 8, eerste lid, bedoelde situatie heeft voorgedaan om
betaling op grond van de garantie met gebruikmaking van een formulier,
overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is
gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de
vervreemdingsovereenkomst, de inschrijving in het register van de
ontbinding van de rechtspersoon of van de in artikel 8, eerste lid,
onder c, bedoelde akkoorden en van andere bescheiden als genoemd in het
model.
2. Indien naar het oordeel van de Staat sprake is van een verlies als
bedoeld in artikel 8, maakt de kapitaalverschaffer aanspraak op betaling
van 50% van het geleden verlies, tenzij de kapitaalverschaffer in
gebreke is gebleven bij de naleving van deze overeenkomst. De Staat
bericht hierover de kapitaalverschaffer binnen dertien weken na
ontvangst van het betalingsverzoek onder vermelding van het te betalen
bedrag.
Artikel 10. Betalingen
Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de
kapitaalverschaffer geschieden door overmaking van de betreffende
bedragen naar rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---bank, ten name van
SenterNovem, onder vermelding van het PM PM---nummer
Artikel 11. Terugvordering en navordering
1. Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige
ingebrekestelling opeisbaar zodra blijkt dat de kapitaalverschaffer
zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat de Staat
op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen,
indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft.
2. Indien vanwege een verlies als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel c of d, een uitkering op grond van de garantie heeft
plaatsgevonden, is de kapitaalverschaffer verplicht 50% van de
aflossingen die na de uitkering worden verricht, onderscheidenlijk van
hetgeen na de uitkering is ontvangen, uit te betalen aan de Staat.
Artikel 12. Opzegging
1. De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen
indien
a. de kapitaalverschaffer tekort schiet bij de nakoming van één
van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst;
b. ten aanzien van de kapitaalverschaffer een verzoek bij de
rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een
verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing
verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of
een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden;
c. de kapitaalverschaffer, in geval deze rechtspersoonlijkheid
heeft, is ontbonden;
d. de Regeling groeifaciliteit niet langer verenigbaar is met de
regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun.
2. Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt
uitsluitend nadat de Staat de kapitaalverschaffer op de hoogte heeft
gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid
is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen
binnen een redelijke termijn.
3. Een opzegging in verband met de in het eerste lid, onder d,
bedoelde omstandigheid heeft geen gevolgen voor de verplichtingen ten
aanzien van verstrekkingen van risicokapitaal die voor het tijdstip van
de opzegging onder de garantstelling zijn gebracht.
Artikel 13. Geschillen
1. Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij
uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het
arrondissement Den Haag.
2. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
Artikel 14. Adressering schriftelijke stukken
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd
voor de onder 1 gemelde partij worden gericht aan
Ministerie van Economische Zaken,
SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd
voor de onder 2 gemelde partij worden gericht aan
.....
Artikel 15. Inwerkingtreding
Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan
door de partijen.
........., ten deze vertegenwoordigd door
1. ...
2. ...
Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag
Bijlage A2
Model garantstellingsovereenkomst met banken inzake niet
converteerbare achtergestelde leningen
Overeenkomst tussen:
1. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat,
vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken;
2. ...., hierna te noemen kapitaalverschaffer;
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Economische Zaken;
b. kapitaalvennootschap:
1°. een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerste
Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende
tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten
worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede
alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te
beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van
derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB
EG L 65), of
2°. een kapitaalvennootschap die is ingericht naar het recht
van één van de lidstaten van de Europese Unie, die
rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij
uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden
aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen
is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld in Richtlijn 68/151/EEG
van de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden
te beschermen;
c. MKB-ondernemer: een natuurlijke of rechtspersoon, niet zijnde
een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een
onderneming in stand houdt
1°. die ten tijde van de verstrekking van risicokapitaal op
grond van deze regeling voldoet aan de definitie van middelgrote,
kleine en micro-ondernemingen, opgenomen in de bijlage bij
Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van 25 februari
2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de
Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine
en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), die gevestigd is in
Nederland en wier activiteiten voor een substantieel deel in
Nederland worden uitgevoerd;
2°. wier activiteiten niet in overwegende mate betrekking
hebben op:
– landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van
toelevering en dienstverlening;
– onroerend goed, met uitzondering van bemiddeling;
– de financiële sector voor zover de MKB-ondernemer het
bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een
participatiemaatschappij heeft;
– de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een
aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet
marktordening gezondheidszorg;
d. participatiemaatschappij: een vennootschap
1°. in de vorm van een kapitaalvennootschap of een
vennootschap met een afgescheiden vermogen die is ingericht naar
Nederlands recht of naar het recht van één van de andere
lidstaten van de Europese Unie;
2°. die blijkens de akte waarbij haar statuten zijn
vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan
tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van
risicokapitaal aan MKB-ondernemers teneinde winst te behalen, met
uitzondering van startersfondsen als bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Regeling seed capital technostarters;
e. bank: een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag
uitoefenen;
f. kapitaalverschaffer: een participatiemaatschappij of een bank;
g. achtergestelde lening:
1°. een lening van geld door een kapitaalverschaffer aan een
MKB-ondernemer met het oog op de financiering door deze ondernemer
van eigen activiteiten,
– welke lening niet door enige vorm van zekerheid is
gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een
aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer op
persoonlijke titel heeft gegeven,
– en waarop de MKB-ondernemer krachtens een daartoe
strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van
ontbinding, een akkoord na verlening van surséance van
betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de
achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet
vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment
bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met
uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een
bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden
en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders
in de onderneming van de MKB-ondernemer,
– en ten aanzien waarvan de kapitaalverschaffer in de
vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle
rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; of
2°. een lening van geld door een kapitaalverschaffer aan een
MKB-ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts
bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een
dochtermaatschappij in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met het oog op de financiering door deze
ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij,
– welke lening niet door enige vorm van zekerheid is
gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van
een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer en van
een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij
– en ten aanzien waarvan de kapitaalverschaffer in de akte
van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot
verrekening van de niet vervallen aflossingen;
h. waarde van een achtergestelde lening: het nog niet afgeloste
deel van de lening;
i. aandelenkapitaal: aandelen in het kapitaal van een onderneming
van de MKB-ondernemer, die de kapitaalverschaffer rechtstreeks van
de MKB-ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen
in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening;
j. waarde van aandelenkapitaal: het bedrag in geld dat de
kapitaalverschaffer bij de volstorting van de aandelen heeft betaald
dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of
een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande
lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd
onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de
omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de
kapitaalverschaffer;
k. risicokapitaal: kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of
een achtergestelde lening;
l. reserveringsquotum: het bedrag dat de minister op aanvraag van
een kapitaalverschaffer vaststelt als maximum voor de som van de
garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die gedurende twee
jaar vanaf de datum van de vaststellingsbeschikking aan de
kapitaalverschaffer kunnen worden verschaft;
m. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke
rechtspersoon, die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van, of
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.
Artikel 2. Garantstelling
1. De Staat stelt zich tegenover de bank garant voor 50% van de
waarde van door de bank verstrekte niet converteerbare achtergestelde
leningen, voor welke garantstelling de bank een provisie is
verschuldigd.
2. De garantie wordt verleend voor de duur van deze leningen met een
maximum van twaalf jaar.
3. De garantstelling heeft alleen betrekking op leningen
a. die worden verstrekt nadat de minister desgevraagd een
reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum nog
toereikend en geldig is;
b. die worden verstrekt overeenkomstig de in artikel 3 genoemde
voorwaarden;
c. die onder de garantstelling zijn gebracht overeenkomstig de
procedure van artikel 4.
4. Indien de bank bij de verstrekking van een lening een gedeelte
daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, is deze
overeenkomst slechts van toepassing op het gedeelte van de lening dat
onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is
bepaald.
Artikel 3. Randvoorwaarden risicokapitaal
Een niet converteerbare achtergestelde lening aan een MKB-ondernemer
kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt
voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de onderneming van de MKB-ondernemer heeft naar het oordeel
van de minister redelijke rentabiliteits- en
continuïteitsperspectieven;
b. in de voorafgaande periode van twaalf maanden zijn niet meer
middelen ten behoeve van derden aan de onderneming onttrokken dan
noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering en evenmin
is een verplichting tot een zodanige onttrekking aangegaan;
c. de verstrekking van de lening dient niet ter vervanging van
eerder aan de MKB-ondernemer verschaft krediet of risicokapitaal;
d. de waarde van de lening die aan de MKB-ondernemer of, indien
de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt
verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een
andere kapitaalverschaffer met toepassing van deze regeling en van
risicokapitaal dat met toepassing van de Regeling seed capital
technostarters aan de MKB-ondernemer onderscheidenlijk de groep is
verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan
€ 5.000.000,–;
e. bij of in verband met het verstrekken van de lening verstrekt
de bank geen andere goederen dan geld;
f. de lening draagt zelfstandig bij aan het realiseren van een
actief en winstgericht beleid van de bank;
g. de MKB-ondernemer verplicht zich aan een door de minister als
toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
aangewezen persoon of aan een door de minister aangewezen deskundige
derde, voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de
vervulling van zijn taak:
1°. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke
gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden
daarvan kopieën te maken;
2°. toegang te verlenen tot plaatsen niet zijnde woningen;
3°. anderszins binnen de door hem gestelde termijn alle door
hem gewenste medewerking te verlenen.
Artikel 4. Aanmelding en toetsing
1. De bank stelt de Staat in kennis van een voorgenomen verstrekking
van een lening met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een
model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging
van een kopie van de ontwerp-leningsovereenkomst en van andere
bescheiden als genoemd in het model.
2. Indien de verstrekking van de lening naar het oordeel van de Staat
voldoet aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden, geldt de
garantstelling op grond van deze overeenkomst voor deze lening. De Staat
bericht hierover de bank binnen twee weken na ontvangst van de
aanmelding onder vermelding van de omvang en duur van de garantie.
3. De garantie wordt afgegeven onder de opschortende voorwaarde dat
een dienovereenkomstige, door partijen gesloten overeenkomst aan de
Staat wordt overgelegd en dat ook dan wordt voldaan aan de in artikel 3
bedoelde voorwaarden. De Staat bericht hierover de bank binnen twee
weken na ontvangst van de gesloten overeenkomst onder vermelding van de
omvang en duur van de garantie.
Artikel 5. Verplichtingen beheer
1. De bank draagt er voor zorg dat een actief en winstgericht beleid
wordt gevoerd voor het verstrekken, beheren en vervreemden van leningen,
waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als
garantsteller.
2. De bank draagt er voor zorg dat degenen die met het verstrekken,
beheren of vervreemden van leningen zijn belast beschikken over de
nodige deskundigheid.
3. De bank staat er voor in dat degenen die zijn belast met het
verstrekken, beheren of vervreemden van leningen en met de bepaling van
en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn.
4. De bank draagt zorg voor een integere bedrijfsvoering en neemt in
dat verband de noodzakelijke maatregelen om onder meer strafbare
handelingen, verstrengeling van tegenstrijdige belangen en
afhankelijkheid van de kapitaalverschaffer van bepaalde vennoten,
aandeelhouders of andere betrokkenen te voorkomen.
5. De bank staat er voor in dat aandeelhouders, hoofdelijk
aansprakelijke vennoten, bestuurders en beheerders van de bank en andere
zijdens de bank betrokkenen alleen medewerking verlenen aan
verstrekkingen van risicokapitaal en krediet door een ander dan de bank
aan een onderneming waaraan de bank een gegarandeerde lening heeft
verstrekt, indien een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder
deze verstrekkingen zou hebben gedaan in het kader van een actief en
winstgericht beleid.
6. De bank komt met een MKB-ondernemer aan wie een gegarandeerde
lening is verstrekt slechts een wijziging van het aflossingsschema
overeen na voorafgaande toestemming van de Staat, tenzij deze betrekking
heeft op een versnelde aflossing of op een gehele of gedeeltelijke
opschorting van de aflossingen gedurende ten hoogste vier aaneengesloten
kwartalen die niet is voorafgegaan door een eerdere opschorting van de
aflossingen.
7. De Staat verleent de in het zesde lid bedoelde toestemming indien
aannemelijk is dat:
a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan het
bestaande aflossingsschema;
b. adequate maatregelen worden genomen ter verbetering van de
liquiditeit van de onderneming en rekening houdend met het belang
van rentabiliteit en continuïteit van de onderneming;
c. rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de
Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending
van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing
van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van
de gegarandeerde lening.
Artikel 6. Financiële verplichtingen
1. De bank aan wie de minister een reserveringsquotum heeft
toegekend, is hiervoor aan de Staat een eenmalige provisie van 1% van
dit quotum verschuldigd.
2. De bank is een provisie verschuldigd voor de garantie op leningen
die overeenkomstig de procedure van artikel 4 onder de garantstelling
zijn gebracht. De provisie bedraagt jaarlijks
a. 2,5% van de gegarandeerde waarde van de lening indien deze
bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat
deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde
MKB-ondernemer door de bank of een andere bank die deel uitmaakt van
dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde
lening of aandelenkapitaal;
b. 3% van de gegarandeerde waarde van de lening in andere
gevallen.
3. Per kwartaal wordt een vierde deel van de in het tweede lid
bedoelde provisie in rekening gebracht, uitgaand van de waarde van de
leningen op de eerste dag van het kwartaal.
4. De in het tweede lid bedoelde provisie is verschuldigd voor de
duur van de garantie of zoveel korter als zich één van de in artikel
8, eerste lid, genoemde omstandigheden voordoet.
5. De bank is op het tijdstip van de volledige aflossing van de
lening een aanvullende provisie verschuldigd indien de op grond van het
tweede lid voor de totale looptijd van de lening verschuldigde provisie
minder bedraagt dan het zesvoud van de provisie die met toepassing van
het tweede lid voor de helft van het geleende bedrag kan worden
berekend, welke aanvullende provisie gelijk is aan het hiervoor bedoelde
verschil.
6. Indien de lening binnen een termijn van zes jaar wordt afgestoten
om verlies op die lening in de zin van artikel 8, eerste lid, te
beperken, kan de minister op verzoek van de bank de over de resterende
termijn verschuldigde provisie kwijtschelden indien sprake is van
klemmende redenen, gelegen in het belang van de onderneming van de
MKB-ondernemer.
Artikel 7. Administratieve en
informatieverstrekkingsverplichtingen
1. De bank draagt er voor zorg dat een administratie wordt gevoerd
die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en
duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de
verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde
leningen en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde MKB-ondernemer
heeft verstrekt.
2. De bank informeert de Staat binnen acht weken nadat de
desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden schriftelijk over
wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van
de bank en over wijzigingen ten aanzien van gegarandeerde leningen,
waaronder
a. een aflossing van een achtergestelde lening, tenzij deze
aflossing overeenkomt met een aflossingsschema waarover de Staat
eerder is geïnformeerd;
b. een wijziging van de looptijd van een achtergestelde lening.
3. De bank verstrekt de Staat jaarlijks zijn jaarverslag.
4. Desgevraagd verstrekt de bank de Staat gegevens en bescheiden over
de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde
leningen en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde MKB-ondernemer
heeft verstrekt, en de jaarrekeningen van de ondernemingen waaraan
risicokapitaal is verstrekt, vergezeld van desbetreffende
accountantsverklaringen als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek of een mededeling waarom deze ontbreekt, en
van de bijbehorende toelichtingen voor het bestuur van de onderneming.
5. De bank doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening
bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van
betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een
verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing te verklaren.
Artikel 8. Reikwijdte garantie
1. De bank kan een beroep doen op de garantie indien hij op een
gegarandeerde lening verlies lijdt:
a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van de lening;
b. door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening door
de bank;
c. door het onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te
lossen;
d. als gevolg van een faillietverklaring, een surséance van
betaling of een van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de
MKB-ondernemer waaraan de lening is verstrekt;
e. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft,
bij een in kracht van gewijsde gegane homologatie van een akkoord na
de faillietverklaring, na de verlening van surséance van betaling
of na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de
lening is verstrekt;
f. indien de MKB-ondernemer een rechtspersoon is, bij ontbinding
van de rechtspersoon.
2. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op
het gevraagde bedrag indien in de voorafgaande periode van twaalf
maanden meer middelen aan de MKB-onderneming zijn onttrokken ten behoeve
van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering,
dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan, mits
de bank hieraan op enigerlei wijze medewerking heeft verleend.
3. Bij verlies ingevolge vervreemding van een lening geldt de
garantie alleen indien de vervreemding:
a. niet eerder dan twee jaar na de verstrekking ervan heeft
plaatsgevonden, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen
deze termijn heeft ingestemd;
b. gebeurt tegen een prijs die past in het voeren van een actief
en winstgericht beleid;
c. voor zover de bank daarbij de lening geheel of voor een deel
overdraagt aan één van zijn aandeelhouders, hoofdelijk
aansprakelijke vennoten, bestuurders, beheerders of andere
betrokkenen, gebeurt tegen een prijs die is gebaseerd op een taxatie
van twee onafhankelijke deskundigen, dan wel gepaard gaat met
vervreemding van ten minste een derde deel van de lening aan
onafhankelijke derden.
4. Bij verlies ingevolge gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
een lening geldt de garantie alleen indien de kwijtschelding
noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de
lening is verstrekt en indien rekening is gehouden en wordt gehouden met
het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een
evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de
MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met
inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.
5. Als onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen,
bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt aangemerkt de situatie waarin
a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan zijn
betalingsverplichtingen;
b. aannemelijk is dat de MKB-ondernemer in de eerstvolgende jaren
niet in staat zal zijn te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen;
en
c. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met
het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een
evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de
MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met
inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.
6. Verlies als gevolg van faillietverklaring, een verlening van
surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onder d, wordt aanwezig geacht
a. voor zover aannemelijk is dat de bank bij het einde van het
faillissement, van de surséance onderscheidenlijk van de toepassing
van de schuldsaneringsregeling een verlies als bedoeld in het
achtste lid zal leiden;
b. mits aannemelijk is dat rekening is gehouden met het belang
van de Staat als garantsteller.
7. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op
het gevraagde bedrag indien de bank tekort is geschoten bij de naleving
van verplichtingen op grond van deze overeenkomst of indien de bank niet
kan aantonen die maatregelen te hebben genomen die een redelijk
handelend en redelijk bekwaam beheerder zou hebben genomen in het kader
van een actief en winstgericht beleid.
8. Het verlies wordt berekend op basis van de waarde van de lening
of, indien het verlies slechts op een deel van de lening is geleden, het
hiermee overeenkomende deel van die waarde, in een voorkomend geval
verminderd met:
a. in geval van vervreemding: de prijs waarvoor die vervreemding
heeft plaatsgevonden;
b. in geval van ontbinding: de liquidatie-uitkering; of
c. in geval van homologatie van een akkoord als bedoeld in het
eerste lid, onder e, de in het kader van het akkoord voor de lening
verrichte uitkering.
9. Indien de bank meermalen gegarandeerde leningen aan een
MKB-ondernemer heeft verstrekt en slechts op een deel daarvan verlies
lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden op de lening dat de
kapitaalverschaffer het eerst heeft verstrekt.
10. Indien de bank aan een MKB-ondernemer leningen heeft verstrekt
die slechts ten dele onder de garantstelling zijn gebracht en slechts op
een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies, onverminderd het
zesde lid, naar rato toegerekend aan de leningen die onder de
garantstelling zijn gebracht.
Artikel 9. Inroepen van garantie en toetsing
1. De bank verzoekt de Staat binnen zes maanden nadat zich de in
artikel 8, eerste lid, bedoelde situatie heeft voorgedaan om betaling op
grond van de garantie met gebruikmaking van een formulier,
overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is
gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de
vervreemdingsovereenkomst, de inschrijving in het register van de
ontbinding van de rechtspersoon of van de in artikel 8, eerste lid,
onder c, bedoelde akkoorden en van andere bescheiden als genoemd in het
model.
2. Indien naar het oordeel van de Staat sprake is van een verlies als
bedoeld in artikel 8, maakt de bank aanspraak op betaling van 50% van
het geleden verlies, tenzij de bank in gebreke is gebleven bij de
naleving van deze overeenkomst.. De Staat bericht hierover de bank
binnen dertien weken na ontvangst van het betalingsverzoek onder
vermelding van het te betalen bedrag.
Artikel 10. Betalingen
Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de bank
geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar
rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---bank, ten name van SenterNovem,
onder vermelding van het PM PM---nummer
Artikel 11. Terugvordering en navordering
1. Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige
ingebrekestelling opeisbaar zodra blijkt dat de bank zodanig onjuiste of
onvolledige informatie heeft verschaft dat de Staat op een verzoek om
betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste
gegevens volledig waren verschaft.
2. Indien vanwege een verlies als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel c of d, een uitkering op grond van de garantie heeft
plaatsgevonden, is de bank verplicht 50% van de aflossingen die na de
uitkering worden verricht, uit te betalen aan de Staat.
Artikel 12. Opzegging
1. De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen
indien
a. de bank tekort schiet bij de nakoming van één van zijn
verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst;
b. ten aanzien van de bank een verzoek bij de rechtbank is
ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot
faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een
buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden;
c. de bank, in geval deze rechtspersoonlijkheid heeft, is
ontbonden;
d. de Regeling groeifaciliteit niet langer verenigbaar is met de
regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun.
2. Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt
uitsluitend nadat de Staat de bank op de hoogte heeft gesteld van het
voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om
een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een
redelijke termijn.
3. Een opzegging in verband met de in het eerste lid, onder d,
bedoelde omstandigheid heeft geen gevolgen voor de verplichtingen ten
aanzien van verstrekkingen van risicokapitaal die voor het tijdstip van
de opzegging onder de garantstelling zijn gebracht.
Artikel 13. Geschillen
1. Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij
uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het
arrondissement Den Haag.
2. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
Artikel 14. Adressering schriftelijke stukken
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd
voor de onder 1 gemelde partij worden gericht aan
Ministerie van Economische Zaken,
SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd
voor de onder 2 gemelde partij worden gericht aan
.....
Artikel 15. Inwerkingtreding
Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan
door de partijen.
........., ten deze vertegenwoordigd door
1. ...
2. ...
Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag
Toelichting bij de in bijlage A opgenomen model
garantstellingsovereenkomsten
Een aantal bepalingen van deze modellen komt letterlijk of materieel
overeen met bepalingen in de Regeling groeifaciliteit. In deze
toelichting op het model worden deze bepalingen niet opnieuw aan de orde
gesteld.
Omdat het model voor de garantstellingsovereenkomst ten aanzien van
door banken verstrekte achtergestelde leningen, bij de regeling gevoegd
als bijlage A2, materieel niet verschilt van het model voor de algemene
garantstellingsovereenkomst, wordt volstaan met een toelichting van het
laatstgenoemde model.
Artikel 3 (Randvoorwaarden risicokapitaal)
Dit artikel bevat de voorwaarden waaraan concrete verstrekkingen van
risicokapitaal moeten voldoen om deze onder de garantstelling te kunnen
brengen. Sommige van deze voorwaarden hebben betrekking op de
kapitaalverstrekking zelf, andere betreffen de MKB-onderneming waaraan
het risicokapitaal wordt verstrekt. De kapitaalverschaffer is gehouden
na te gaan of de MKB-onderneming aan deze voorwaarden voldoet. De
informatie waarover de kapitaalverschaffer bijgevolg beschikt of
redelijkerwijs zou moeten beschikken is maatgevend voor de beoordeling
op grond van artikel 4 of aan de voorwaarden is voldaan.
Het in onderdeel a opgenomen vereiste inzake continuïteit en
rentabiliteit van de MKB-onderneming, dat reeds in de toelichting bij
artikel 3 van de regeling is behandeld, wordt toegepast bij de
beoordeling van de aanmelding overeenkomstig artikel 4 van de
overeenkomst. De MKB-onderneming dient derhalve op dat moment aan deze
voorwaarde te voldoen. De onderneming dient op zichzelf economisch
gezond te zijn, maar ook is van belang dat niet een financiering
plaatsvindt die de rentabiliteit en continuïteit van het bedrijf in
gevaar brengt.
Onderdeel b betreft situaties waarin de ondernemer zonder dat dit
noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering middelen aan de onderneming
heeft onttrokken. Door deze gevallen uit te sluiten wordt voorkomen dat
het garantstellingsbudget van de regeling wordt benut voor
financieringen die in zekere zin onnodig zijn.
In onderdeel e is bepaald dat de verstrekking van risicokapitaal niet
anders dan met geld kan plaatsvinden. Bij financiering door de
overdracht van bijvoorbeeld goederen of vorderingen kan gemakkelijk een
intransparante situatie ontstaan.
In onderdeel f is een inhoudelijke voorwaarde gesteld ten aanzien van
de kapitaalverstrekking om te voorkomen dat op oneigenlijke wijze
gebruik wordt gemaakt van de regeling. Daarvan kan in het bijzonder
sprake zijn indien een financiering onder de garantstelling wordt
gebracht om het risico van een andere financiering af te dekken. Indien
de aankoop van aandelen tegen een abnormaal hoge prijs onder de
garantstelling wordt gebracht terwijl daarnaast, ter compensatie, een
lening tegen een zeer hoge rente wordt verstrekt, zou de
kapitaalverschaffer na enkele jaren de aandelen tegen een veel lagere
prijs kunnen verkopen en voor het geleden verlies een beroep op de
garantie kunnen doen. Om dit te voorkomen wordt voor toepassing van de
garantstelling vereist dat de kapitaalverstrekking als zodanig bijdraagt
aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid of, anders
gezegd, commercieel interessant is.
Onderdeel g beoogt zeker te stellen dat zonodig zijdens de minister
boekenonderzoek bij de MKB-onderneming kan plaatsvinden. Onder
omstandigheden kan twijfel bestaan of de feitelijke situatie van de
MKB-onderneming overeen komt met het beeld zoals dat naar voren komt uit
de door de kapitaalverschaffer verstrekte informatie. Het is wenselijk
dat alsdan de bevoegdheid bestaat toezicht uit te oefenen zoals dat
gebruikelijk is in het kader van publiekrechtelijke
subsidieverhoudingen. De essentie van de bepalingen van afdeling 5.2 van
hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht is om die reden
overgenomen in onderdeel g.
Artikel 4 (Aanmelding en toetsing)
Indien een kapitaalverschaffer een garantstellingsovereenkomst met de
Staat heeft gesloten en beschikt over een reserveringsquotum kan hij
financieringen aangaan met gebruikmaking van de garantstelling. Om de
kapitaalverschaffer zekerheid te kunnen bieden dat de financiering
voldoet aan de in de regeling en overeenkomst gestelde voorwaarden wordt
de voorgenomen financiering aangemeld bij de Staat, dat wil zeggen
agentschap SenterNovem van het Ministerie van Economische Zaken.
SenterNovem constateert of de financiering aan de voorwaarden voldoet en
informeert vervolgens de kapitaalverschaffer dat de financiering onder
de garantstelling wordt gebracht of dat niet aan de voorwaarden wordt
voldaan.
Omdat de melding plaats vindt op basis van een
ontwerp-financieringsovereenkomst, staat niet op voorhand vast dat de
financiering ook daadwerkelijk zal plaatsvinden. Het is bijvoorbeeld
denkbaar dat een MKB-onderneming verschillende kapitaalverschaffers om
een offerte heeft gevraagd. Alsdan zou het mogelijk zijn dat
verscheidene garanties voor één en dezelfde financiering worden
verleend of dat garanties voor een MKB-ondernemer worden afgegeven tot
boven het maximale financieringsbedrag van € 5.000.000,–. Om
die reden is in het derde lid bepaald dat de garantie eerst geldig wordt
nadat de definitieve financieringsovereenkomst is overgelegd en nadat is
geconstateerd dat nog steeds wordt voldaan aan de in artikel 3 genoemde
voorwaarden.
Artikel 5 (Verplichtingen beheer)
Dit artikel bevat enkele algemene verplichtingen ten aanzien van de
kapitaalverschaffer evenals bepalingen over wijzigingen van het
aflossingsschema van een achtergestelde lening.
In het eerste lid is een algemene zorgplicht vastgelegd om een actief
en winstgericht financieringsbeleid te voeren, rekening houdend met het
belang van de garantsteller. Dit impliceert onder meer dat de
kapitaalverschaffer op de hoogte moet zijn van belangrijke
ontwikkelingen bij de MKB-onderneming waarin is geïnvesteerd, opdat de
kapitaalverschaffer en de Staat als garantsteller niet onnodig voor
onaangename verrassingen worden gesteld. Het financieringsbeleid heeft
betrekking op alle werkzaamheden die een goed huisvader betaamt,
ongeacht of het de verstrekking, het beheren in enge zin of de
vervreemding van het risicokapitaal betreft.
Het tweede, derde en vierde lid weerspiegelen de eisen die in artikel
10 van de regeling zijn gesteld op het vlak van deskundigheid,
betrouwbaarheid en integriteit. Kapitaalverschaffers dienen aan de eisen
die voor het sluiten van de garantstellingsovereenkomst worden gesteld,
te blijven voldoen. Integriteit betreft onder meer het voorkomen van
verstrengeling van tegengestelde belangen. Een voorbeeld van
belangenverstrengeling en de mogelijke gevolgen daarvan is de situatie
waarin een aandeelhouder van een participatiemaatschappij die tevens
aandeelhouder is van een andere participatiemaatschappij, aandelen van
de ene naar de andere maatschappij overdraagt tegen kunstmatige prijzen,
waardoor de maatschappij benadeeld wordt.
Het vijfde lid betreft specifiek het risico van
belangenverstrengeling in geval bij de kapitaalverschaffer betrokkenen
investeringen doen door het verstrekken van krediet of risicokapitaal
aan de MKB-onderneming die met garantie is gefinancierd. Bij een
dergelijke samenloop kan belangenverstrengeling aan de orde zijn, reden
om te vergen dat die parallelle financieringen passen in een redelijk
financieringsbeleid.
Ingevolge het zesde lid vergt een wijziging van het aflossingsschema
die lagere aflossingen of een temporisering behelst, in beginsel de
toestemming van de Staat. Op deze wijze kan worden getoetst of de
beoogde aanpassing niet strijdig is met het belang van de onderneming of
met het (financiële) belang van de Staat. Het toestemmingsvereiste
geldt niet voor zover de wijziging voortvloeit uit de eerste opschorting
van aflossingen gedurende ten hoogste een jaar. Voor dergelijke
wijzigingen met relatief beperkte gevolgen volstaat dat de Staat
hierover wordt geïnformeerd overeenkomstig artikel 7, tweede lid.
Het zevende lid bevat de concrete criteria voor het verlenen van
toestemming. Duidelijk moet zijn dat de opschorting noodzakelijk is
vanwege liquiditeitsproblemen van de MKB-ondernemer (onderdeel a).
Verder moeten voor de oplossing daarvan maatregelen worden genomen,
waarbij ook het belang van de onderneming op de langere termijn moet
worden betrokken (onderdeel b). Het criterium van onderdeel c tenslotte
betreft het belang van de Staat als garantsteller en beoogt in het
bijzonder te voorkomen dat de aflossing van een gegarandeerde lening
wordt opgeschort terwijl op andere leningen wel afgelost wordt. Op die
wijze zou de financier zijn risico’s op de Staat kunnen afwentelen.
Bij de noodzaak van evenwichtige aanwending van beschikbare middelen
dient rekening te worden gehouden met de aard van de desbetreffende
leningen. In het bijzonder kan een achterstellingsclausule reden zijn
voor een niet evenredige aanwending van middelen voor aflossingen.
Artikel 6 (Financiële verplichtingen)
Onder omstandigheden kan de zesjaarstermijn averechts uitwerken,
bijvoorbeeld indien de MKB-onderneming in financieel zwaar weer is
geraakt. Handhaving van de premieplicht zou dan de kapitaalverschaffer
ertoe kunnen brengen faillissement van de onderneming aan te vragen.
Alsdan kan de premie op grond van het vijfde lid worden kwijtgescholden.
Hiertoe dient de kapitaalverstrekker een beargumenteerd en
gedocumenteerd verzoek te doen aan de Staat.
Artikel 7 (Administratieve en
informatieverstrekkingsverplichtingen)
In dit artikel zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de
administratie en de informatieverstrekking van de kapitaalverschaffer
aan het ministerie. Onder omstandigheden kan het ministerie nader
inzicht willen hebben in de samenhang tussen de gegarandeerde en de
andere financieringen die door de kapitaalverschaffer aan een
MKB-onderneming zijn verstrekt en in de gang van zaken bij de
gefinancierde MKB-ondernemingen. Het vierde lid verplicht de
kapitaalverschaffer alsdan de desbetreffende informatie te verschaffen.
Artikel 8 (Reikwijdte garantie)
Dit artikel bevat regels omtrent het inroepen van de garantie. In het
eerste lid is bepaald op welke situaties de garantie betrekking heeft,
overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de regeling.
Het tweede tot en met het zesde lid bevatten nadere voorwaarden voor
het inroepen van de garantstelling om te voorkomen dat de garantie wordt
gebruikt om onnodige verliezen af te wentelen. Het tweede lid betreft de
situatie dat middelen aan de onderneming zijn onttrokken zonder dat dit
een bedrijfsmatige reden heeft. Het kan bijvoorbeeld gaan om
uitzonderlijk hoge management- of commissariskosten. Niet altijd is de
kapitaalverschaffer op de hoogte van dergelijke kapitaalonttrekkingen of
is de kapitaalverschaffer in staat deze te voorkomen. Om die reden is in
de voorwaarde vermeld dat de kapitaalverschaffer op enigerlei wijze aan
de onttrekking moet hebben meegewerkt. Het is in een voorkomend geval
aan de kapitaalverschaffer om aan te tonen dat hij niet op de hoogte was
en redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van de onttrekking, dan wel
dat heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de
onttrekking te voorkomen.
Voor het geval van verliesgevende verkoop van aandelenkapitaal gelden
extra voorwaarden om te voorkomen dat hierbij de belangen van de Staat
tekort wordt gedaan. Een vervreemding binnen twee jaar is niet
gebruikelijk en bergt het risico in zich dat de participatie ten koste
van de MKB-onderneming wordt vervreemd. Verder moet ook voorkomen worden
dat bij de vervreemding sprake is van een oneigenlijke
belangenvermenging van de kapitaalverschaffer, beheerder en
aandeelhouders of vennoten. In verband hiermee is in het tweede lid
bepaald dat de vervreemding moet plaatsvinden tegen een prijs die past
in het voeren van een actief en winstgericht beleid. Indien vervreemding
plaats vindt aan betrokkenen bij de kapitaalverschaffer, kan de kans op
belangenverstrengeling op voorhand aanwezig worden geacht. In dat geval
worden aanvullende eisen gesteld om te voorkomen dat de prijsstelling op
oneigenlijke wijze plaats vindt.
In het vierde lid worden nadere voorwaarden gesteld aan
verliesdeclaraties vanwege kwijtschelding van achtergestelde leningen.
Een kapitaalverschaffer kan verlies lijden op risicokapitaal als de
desbetreffende onderneming financieel in de problemen komt. Als een
onderneming failliet dreigt te gaan, kan de kapitaalverschaffer proberen
dat te voorkomen door aanpassing van de financieringsvoorwaarden,
bijvoorbeeld door een gedeeltelijke of gehele kwijtschelding van een
achtergestelde lening. Op die wijze kan de overlevingskans van de
onderneming worden vergroot, hetgeen ook in het belang is van de
kapitaalverschaffer. Tegelijkertijd lijdt deze een verlies als gevolg
van de kwijtschelding. Om die reden omvat de garantie van de
Groeifaciliteit ook deze vorm van verlies. Voorwaarde is dat de
kwijtschelding noodzakelijk moet zijn – het moet gaan om een
onontkoombaar verlies. Verder is van belang dat met het belang van de
Staat rekening is gehouden en wordt gehouden, onder meer door een
evenwichtige aanwending van eventuele baten. De liquiditeitsproblemen
dienen niet eenzijdig op de gegarandeerde achtergestelde lening worden
afgewenteld, ten voordele van andere financieringen aan de
MKB-ondernemer. Dit betekent onder meer dat indien een
kapitaalverschaffer twee achtergestelde leningen aan een MKB-ondernemer
heeft verstrekt waarvan één onder de garantstelling is gebracht, de
aflossingen naar rato aan beide leningen ten goede dienen te komen. Bij
een combinatie van een gegarandeerde achtergestelde lening en een
andere, niet achtergestelde lening kan ook een beperkter aflossing op de
achtergestelde lening aanvaardbaar zijn.
Een enigszins vergelijkbare situatie doet zich voor indien de
MKB-ondernemer niet in staat is aflossingen te doen – terwijl er geen
reden is over te gaan tot kwijtschelding van de lening.
Dan lijdt de financier de facto een verlies. Van belang is of de
aflossingen binnen een afzienbare termijn kunnen worden hervat of dat de
financiële problemen van de onderneming een structureel karakter
dragen. Om die reden is het niet afgeloste deel van de lening eerst
declarabel onder de garantie indien gebleken is dat de ondernemer
feitelijk niet aan zijn aflossingsverplichtingen kan voldoen –
ongeacht of aflossingen zijn opgeschort in overeenstemming met de
financier – en indien naar verwachting ook in de nabije toekomst geen
aflossingen zullen worden gedaan. Voorts geldt hier de hiervoor reeds
besproken voorwaarde dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het
belang van de Staat als garantsteller.
In het zesde lid worden nadere voorwaarden geformuleerd voor
verliesdeclaraties bij faillissement, surséance van betaling of
toepassing van de schuldsaneringsregeling. Ten eerste is van belang dat
aannemelijk kan worden gemaakt dat ter zijner tijd daadwerkelijk een
verlies zal worden geleden. Ten tweede geldt ook hier de voorwaarde dat
rekening is gehouden met het belang van de Staat als garantsteller.
Anders dan in de hiervoor besproken situaties geldt deze voorwaarde niet
voor de toekomst omdat het faillissementsrecht daarvoor een eigen kader
biedt. Dat kent de nodige waarborgen voor een evenwichtige afwikkeling
van financieringsrelaties.
Op grond van het zevende lid hoeft uitbetaling op een verlies niet of
niet geheel plaats te vinden indien de kapitaalverschaffer niet aan zijn
verplichtingen heeft voldaan. Bij de toepassing van deze bepaling wordt
rekening gehouden met de aard van het verzuim. Een (gedeeltelijke)
uitbetaling ligt bijvoorbeeld niet in de rede als de kapitaalverschaffer
stelselmatig in gebreke is gebleven bij de betaling van de provisie. Het
inroepen van deze clausule, althans een volledige strafkorting, ligt
veel minder voor de hand indien het verzuim zich beperkt tot
bijvoorbeeld het niet tijdig voldoen aan de in artikel 7, tweede en
derde lid, bedoelde informatieverplichtingen. De in artikel 5, eerste
tot en met vijfde lid, opgenomen verplichtingen hebben kort gezegd
betrekking op een gezonde bedrijfvoering. Eerst bij wezenlijke
misstanden zal er reden zijn niet tot een (volledige) uitbetaling over
te gaan omdat alsdan niet valt uit te sluiten dat het verlies geheel of
gedeeltelijk is veroorzaakt door de gebrekkige bedrijfsvoering. Een
gezonde bedrijfsvoering veronderstelt dat ten aanzien van verstrekt
risicokapitaal de noodzakelijke beheersmaatregelen worden getroffen. Om
die reden is tevens bepaald dat de kapitaalverschaffer dit zonodig moet
kunnen aantonen. Krachtens artikel 5 van de overeenkomst is de
kapitaalverschaffer onder meer verplicht het risicokapitaal actief en
winstgericht te beheren en zorg te dragen voor de deskundigheid van de
betrokkenen. Bijgevolg geldt als maatstaf dat die maatregelen zijn
getroffen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder in
het kader van een actief en winstgericht beleid zou hebben getroffen.
Ingevolge het achtste lid bedraagt het voor de garantie relevante
verlies het verschil tussen de feitelijke waarde en de restwaarde die
uiteindelijk is verkregen. Daarnaast gelden de dividendinkomsten als
aftrekpost voor aandelenkapitaal. Op deze wijze wordt voorkomen dat de
kapitaalverschaffer inkomsten genereert die impliciet later voor 50% ten
koste van de garantsteller komen.
In geval van verscheidene financieringen kan onduidelijkheid bestaan
over de omvang van het verlies. Indien bijvoorbeeld meermalen met
garantie aandelenkapitaal is verschaft waarop gedeeltelijk verlies wordt
geleden, is op grond van het negende lid de waarde van het eerst
verkregen aandelenkapitaal bepalend voor de berekening van het verlies.
Het tiende lid betreft de situatie waarin niet alle verstrekkingen van
risicokapitaal onder de garantstelling zijn gebracht. Indien
bijvoorbeeld 60% van de financieringen gegarandeerd was, zal bij verlies
op een deel van het risicokapitaal voor slechts 60% van dat verlies een
beroep op de garantie kunnen worden gedaan.
Artikel 9 (Inroepen van garantie)
Dit artikel betreft de procedure voor het inroepen van de garantie.
Artikel 11 (Terugvordering en navordering)
Bij afschrijving van een achtergestelde lening is niet sprake van een
definitief verlies. Het is mogelijk dat naderhand alsnog een aflossing
op de lening plaatsvindt. Het tweede lid van artikel 12 verplicht de
kapitaalverschaffer in deze gevallen alsdan de helft van deze
aflossingen aan de Staat te betalen. Bij faillissement e.d. is nog niet
sprake van een daadwerkelijk verlies, althans het verlies staat nog niet
definitief vast. Indien de kapitaalverschaffer ontvangsten heeft uit het
akkoord of uit de liquidatie-uitkering, dienen deze eveneens voor 50% te
worden doorbetaald aan de Staat.
Artikel 12 (Geschillen)
Zonodig kan de overeenkomst door de Staat worden opgezegd op de in
het eerste lid genoemde gronden. Op grond van onderdeel a kan opzegging
plaatsvinden indien de kapitaalverschaffer zijn verplichtingen niet
nakomt. Daarnaast is opzegging door de Staat mogelijk indien de status
van de kapitaalverschaffer is gewijzigd, hetzij indien faillissement of
een vergelijkbare voorziening is aangevraagd, hetzij bij ontbinding van
de rechtspersoon van de kapitaalverschaffer. Tenslotte kan de Staat de
overeenkomst opzeggen indien deze als gevolg van Europeesrechtelijke
ontwikkelingen niet langer in overeenstemming zou zijn met de regels van
de Europese Gemeenschap ten aanzien van staatsteun.
Voor zover deze opzeggingsgronden verband houden of verband kunnen
houden met een tekortkoming die hersteld kan worden, dient op grond van
het tweede lid de Staat daarvoor de gelegenheid te bieden.
Het ligt in de rede dat de partijen bij opzegging van de overeenkomst
in onderhandeling treden en in een vaststellingsovereenkomst regelen hoe
de garantstellingsovereenkomst dient te worden afgewikkeld. Afhankelijk
van de omstandigheden kan bijvoorbeeld worden afgesproken dat lopende
garantieverplichtingen niet worden aangetast door een opzegging van de
overeenkomst, onder gelijktijdige afkoop van de nog niet betaalde
premies. Indien de overeenkomst wordt opgezegd in verband met
Europeesrechtelijke verplichtingen, is het in elk geval wenselijk de
lopende garanties te ontzien. Daarom is in het derde lid bepaald dat
alsdan de verplichtingen ingevolge bestaande garanties onverlet blijven.