|
BESLUIT van 21 november 2008, houdende regels voor het verstrekken
van subsidies door de Minister van Economische Zaken op het gebied van
het technologiebeleid, het beleid met betrekking tot het midden- en
kleinbedrijf en het ruimtelijk economisch beleid (Kaderbesluit
EZ-subsidies)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Economische Zaken van 14 juli 2008, nr. WJZ/8086267;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet
EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 29
augustus 2008, nr. W10.08.0292 III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Economische Zaken van 17 november 2008, nr. WJZ/8177535;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
– algemene
groepsvrijstellingsverordening:verordening (EG) nr. 800/2008 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij
bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van
het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden
verklaard («de algemene groepsvrijstellingsverordening») (PbEU L
214);
– bank: binnen het grondgebied van
de Europese Unie gevestigde bank die is toegelaten het bedrijf van
bank uit te oefenen;
– de-minimis
verordening:verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van
Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de
toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op
de-minimissteun (PbEU L379) ), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007
betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag
op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en
verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de
landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193);
– Europees steunkader: een
mededeling, richtsnoer, kaderregeling, beschikking of
vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de
Commissie van de Europese Gemeenschappen, gelet op de artikelen 86,
derde lid , 87 en 88 van het EG-Verdrag heeft vastgesteld
– financier: een bank of een
participatiemaatschappij of een andere, door Onze Minister
aangewezen instelling;
– groep: een economische eenheid,
waarin organisatorisch zijn verbonden:
a. een natuurlijke persoon of
privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:
1°. meer dan de helft van
het geplaatste kapitaal verschaft aan,
2°. volledig aansprakelijk
vennoot is van, of
3°. overwegende zeggenschap
heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
b. laatstbedoelde rechtspersonen
of vennootschappen;
– kapitaalvennootschap:
a. een vennootschap als bedoeld
in artikel 1 van de Eerste Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van
9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen,
welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in
de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om
de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze
vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen
gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of
b. een kapitaalvennootschap die
is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de
Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart
vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de
vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar
nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals
bedoeld inRichtlijn 68/151/EEG van de Raad om de belangen van
zowel deelgerechtigden als derden te beschermen;
– kleine onderneming: kleine
onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
– kostendrager: een product of een
in economisch opzicht homogene groep van producten, die als voorwerp
van calculatie wordt gekozen;
– middelgrote onderneming: een
middelgrote onderneming in de zin van de algemene
groepsvrijstellingsverordening;
– MKB-ondernemer: een ondernemer
die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand
houdt;
– ondernemer: een natuurlijke
persoon, een rechtspersoon of een vennootschap, die een onderneming
in stand houdt, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld;
– onderneming: iedere eenheid,
ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een
economische activiteit uitoefent;
– onderzoeksorganisatie: een
onderzoeksorganisatie als bedoeld in paragraaf 2.2, onderdeel d, van
de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek,
ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);
– penvoerder: de door het
samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of organisatie;
– participatiemaatschappij: een
vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een
vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht
van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens haar
statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot
doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal
aan ondernemers teneinde winst te behalen;
– samenwerkingsverband: een geen
rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste
twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten
behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een
vennootschap;
– specifieke uitkering: een
subsidie aan een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld
in de Wet gemeenschappelijke regelingen die tevens een specifieke
uitkering is als bedoeld in de Financiële-verhoudingswet;
– subsidie aan een financier: een
subsidie, verstrekt aan een financier, met als doel om kapitaal te
doen verstrekken aan ondernemingen;
– universiteit: een onder a of b
van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs, alsmede een
onder i van de bijlage van die wet genoemd academisch ziekenhuis;
– voucher: een op grond van dit
besluit door Onze Minister afgegeven waardedocument voor een deel
van de kosten die met het doel waarvoor de voucher wordt gegeven,
gepaard gaan.
Hoofdstuk 2. Verstrekken van subsidie
Artikel 2
1. Subsidies die worden verstrekt
krachtens een ministeriële regeling op de gebieden, genoemd in
artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies, worden verstrekt volgens de
regels van dit besluit.
2. Onze Minister kan op aanvraag voor
de activiteiten op de gebieden, genoemd in het eerste lid, subsidie
verstrekken volgens bij ministeriële regeling bepaalde regels.
3. Onze Minister stelt regels als
bedoeld in het tweede lid uitsluitend over activiteiten die tevens een
positieve bijdrage leveren aan de economische, ecologische of sociale
dimensie van duurzaamheid.
4. Onder dit besluit vallen niet per
boekjaar verstrekte subsidies als bedoeld in artikel 4:58 van de
Algemene wet bestuursrecht.
5. Onder dit besluit vallen niet:
a. subsidies die worden verstrekt
op basis van of in nauwe samenhang met een bindend besluit van de
Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad
gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
betreffende ondersteuning van activiteiten op de in het eerste lid
genoemde gebieden, en
b. subsidies die worden verstrekt
met het oog op co-financiering van een door de Raad van de
Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen
goedgekeurd programma.
6. Onder dit besluit vallen niet
specifieke uitkeringen die verstrekt worden op grond van een regeling
die uitsluitend voorziet in het verstrekken van specifieke
uitkeringen.
7. Dit besluit is niet van toepassing
op subsidies krachtens het Besluit stimulering duurzame
energieproductie.
Artikel 3
1. Een subsidie wordt verstrekt aan een
in Nederland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of
vennootschap die voor eigen rekening en risico activiteiten uitvoert.
2. Bij ministeriële regeling kan, in
aanvulling op het eerste lid, worden bepaald dat subsidie wordt
verstrekt aan niet in Nederland gevestigde natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen of hiermee gelijk te stellen
entiteiten.
3. In aanvulling op het eerste lid kan
een subsidie aan een financier ook worden verstrekt aan een niet in
Nederland gevestigde financier.
4. Geen subsidie wordt verstrekt aan
een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen, tenzij bij ministeriële regeling is
bepaald dat daaraan wel subsidie wordt verstrekt.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld over:
a. de activiteiten waarvoor subsidie
wordt verleend;
b. de aanvragers;
c. een samenwerkingsverband en de
penvoerder van het samenwerkingsverband;
d. de vorm van de subsidie;
e. het verstrekken van vouchers en de
aanwending van vouchers;
f. degenen met wie een financier een
overeenkomst sluit;
g. verplichtingen van Onze Minister
in verband met de subsidie;
h. onderwerpen die, in afwijking van
of in aanvulling op de regels van dit besluit, nadere regeling
behoeven op basis van een Europees steunkader;
i. de wijze van uitvoering van de
activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend met het oog op de
economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.
Hoofdstuk 3. Hoogte subsidie
§ 1. Hoogte subsidie
Artikel 5
1. Bij ministeriële regeling wordt de
wijze van berekenen van de subsidie of de hoogte van de subsidie
bepaald.
2. Bij ministeriële regeling kan een
maximum subsidiebedrag worden bepaald.
§ 2. Cumulatie verschillende subsidies
Artikel 6
1.Indien reeds door een bestuursorgaan
of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie, met
uitzondering van subsidie aan een financier, is verstrekt voor de
subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig
bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet
meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden
verstrekt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
voor zover de verstrekte subsidie geldmiddelen betreft die één van
Onze Ministers onder door hem gestelde voorschriften ter beschikking
stelt als bijdrage in de algemene exploitatie- en investeringskosten
die een onderzoeksorganisatie maakt.
3.Indien bij ministeriële regeling is
aangegeven dat een bijdrage van een gemeente, provincie of openbaar
lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke
regelingen of een ander bestuursorgaan aangemerkt wordt als publieke
cofinanciering, kunnen bij ministeriële regeling van het eerste lid
afwijkende regels worden gesteld.
4.Indien uit de aan Onze Minister op
basis van artikel 41, tweede lid, voorgelegde afspraken blijkt dat
sprake is van staatssteun als gevolg van de overdracht van kennis of
andere resultaten uit activiteiten, wordt slechts een zodanig bedrag
aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidie niet meer
bedraagt dan het in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven
bedrag dat maximaal mag worden verstrekt ingevolge een Europees
steunkader.
Artikel 7
1.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat bepaalde subsidieregelingen of bijdragen van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen bij de toepassing van artikel 6 buiten
beschouwing blijven.
2.Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot de subsidie aan een financier regels worden gesteld
over de cumulatie van subsidie bij ondernemingen aan wie als gevolg
van de subsidie aan een financier kapitaal wordt verstrekt.
Artikel 8
Indien bij ministeriële regeling is
bepaald dat toepassing is gegeven aan een de-minimis verordening of de
algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het bedrag van de
subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.
§ 3 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk 4. Subsidiabele kosten
§ 1. Subsidiabele kosten
Artikel 10
1. Voor subsidie komen de redelijk
gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de
uitvoering van een activiteit.
2. Vóór indiening van de aanvraag
door de subsidieontvanger gemaakte kosten komen niet voor subsidie in
aanmerking.
3. De eventuele restwaarde van
specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur
maakt geen deel uit van de subsidiabele kosten.
4. De kosten worden in aanmerking
genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger
die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan
brengen.
5. Winstopslagen bij transacties binnen
een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het
gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties
buiten de groep in rekening te brengen.
6. Bij subsidie aan een ondernemer waar
een Europees steunkader op van toepassing is, komen alleen de kosten
voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het
desbetreffende steunkader.
7. Afschrijvingskosten van apparatuur
en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs
op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen, met een
minimale afschrijvingstermijn van vijf jaar.
§ 2. Standaardmethoden van berekenen
subsidiabele kosten
Artikel 11
1. Tenzij artikel 14a van toepassing
is, kiest de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten
uit:
a. de integrale kostensystematiek,
opgenomen in artikel 12,
b. de loonkosten plus
vaste-opslag-systematiek, opgenomen in artikel 13, of
c. de vaste-uurtarief-systematiek,
opgenomen in artikel 14.
2. De subsidiabele kosten worden
berekend op basis van een voor de subsidie-ontvanger gebruikelijke en
controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische
grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als
aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidie-ontvanger
stelselmatig toepast.
3. De kosten van aangeschafte
apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op
basis van historische aanschafprijzen.
4. Indien het aantal direct productieve
uren niet blijkt uit de methode, bedoeld in het tweede lid, wordt het
aantal direct productieve uren voor een fulltime dienstverband gesteld
op 1650 uur.
Artikel 12
1.Indien de aanvrager kiest voor de
integrale kostensystematiek, berekent de aanvrager de directe en
indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze
kostendrager.
2.De subsidiabele kosten worden
berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te
vermenigvuldigen met de ingevolge het eerste lid berekende tarief,
vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen
deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.
3.Bij een aanvraag om subsidie van €
125.000 of meer dient de subsidie-ontvanger uiterlijk bij de aanvraag
om subsidievaststelling een afschrift in van een rapport van
feitelijke bevindingen over de uitkomst van het onderzoek van een
accountant betreffende de door de subsidie-ontvanger gehanteerde
integrale kostensystematiek.
4.Bij ministeriële regeling worden
voorschriften gegeven over het rapport, bedoeld in het derde lid en
kunnen andere rapporten worden aangewezen die in plaats van het
rapport, bedoeld in het derde lid, worden ingediend.
Artikel 13
1. Indien de aanvrager kiest voor de
loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, worden de subsidiabele
kosten berekend door de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigen
met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten
betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt,
vermeerderd met:
a. een vaste opslag voor indirecte
kosten uitgedrukt als een percentage van de loonkosten, welk
percentage bij ministeriële regeling wordt vastgesteld;
b. de kosten van het gebruik van
apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen
indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
c. de aan derden betaalde kosten.
2. Voor zover geen loonkosten worden
gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de
berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor
indirecte kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, uitgegaan
van een bij ministeriële regeling vast te stellen vast uurtarief.
Artikel 14
Indien de aanvrager kiest voor de
vaste-uurtarief-systematiek, worden de subsidiabele kosten berekend door
het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken
personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te
vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen vast
uurtarief waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende
indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met:
a. de kosten van het gebruik van
apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen
indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
b. de aan derden betaalde kosten.
Artikel 14a
1. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat voor subsidie in aanmerking komen de extra
investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van
de voor subsidie in aanmerking komende maatregel met inachtneming van
Punt 80 tot en met 84 van de Communautaire kaderregeling inzake
staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEU 2008 C 82).
2. Extra investeringskosten als bedoeld
in het eerste lid hebben betrekking op:
a. kosten van verwerving of op
andere titel dan verwerving in gebruik verkregen
bedrijfsterreinen;
b. kosten van verwerving, huurkoop
of lease van bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale
voorzieningen;
c. kosten van aangeschafte machines
en apparatuur;
d. kosten van verbruikte materialen
en hulpmiddelen;
e. kosten van onderhoud en
inspectie, administratie en beheer, ontmanteling, onvoorziene
reparaties, verplichte milieumonitoring en verzekeringen;
f. kosten van geleidelijk opstarten
en in gebruik nemen van het project en daartoe te rekenen
productiekosten;
g. kosten van tenaamstelling,
verwerving en instandhouding van rechten van intellectuele
eigendom;
h. aan derden verschuldigde kosten.
3. De hoogte van de subsidiabele extra
investeringskosten komt overeen met de som van de per kostensoort
berekende investeringskosten van het project verminderd met de
referentie-kosten, extra opbrengsten en enig ander extra voordeel in
de periode tot vijf jaar na de ingebruikname alsmede extra besparingen
die met het project gemoeid zijn.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de berekening van de kosten, bedoeld in het
tweede en derde lid.
§ 3. Delegatiebepaling
Artikel 15
Bij ministeriële regeling kan worden
afgeweken van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 10 of de wijze
van berekenen van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 11, eerste
lid, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitleg
van in dit hoofdstuk gebruikte, voor de berekening van de subsidiabele
kosten relevante begrippen.
Hoofdstuk 5. Wijze van verdelen en
subsidieplafond
Artikel 16
Bij ministeriële regeling wordt een
subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies op in een
bepaalde periode ontvangen aanvragen op grond van dit besluit. Daarbij
kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde
categorieën van aanvragers, ondernemingen of activiteiten of voor
bepaalde thema’s of voor bepaalde vormen van subsidie.
Artikel 17
1.Bij ministeriële regeling wordt
gekozen voor:
a. verdeling van het
subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen,
b. verdeling van het
subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen,
c. evenredige verdeling van het
subsidieplafond over de ingediende aanvragen of
d. verdeling van het
subsidieplafond door vaststelling van een maximumbedrag per
financier.
2.Indien wordt gekozen voor verdeling
op volgorde van binnenkomst, kan bij ministeriële regeling worden
bepaald op welke wijze wordt omgegaan met meerdere aanvragen van één
aanvrager of aanvragers binnen één groep.
3.Indien de subsidie wordt verdeeld op
volgorde van rangschikking, worden bij ministeriële regeling
rangschikkingscriteria vastgesteld en, indien meerdere
rangschikkingscriteria worden vastgesteld, de onderlinge weging
hiervan.
4.Indien subsidie wordt verdeeld op
volgorde van binnenkomst van de aanvragen, op volgorde van
rangschikking van de aanvragen, of evenredig wordt verdeeld over de
ingediende aanvragen worden bij ministeriële regeling perioden
vastgesteld waarbinnen aanvragen om subsidie moeten zijn ontvangen.
5.Het vierde lid is van overeenkomstige
toepassing op vooraanmeldingen als bedoeld in artikel 21.
6.Bij ministeriële regeling wordt een
datum vastgesteld waarvoor het maximumbedrag per financier als bedoeld
in artikel 17, eerste lid, onderdeel d, wordt aangevraagd en
vastgesteld.
7.Bij ministeriële regeling kunnen
criteria worden bepaald voor de vaststelling van een maximumbedrag per
financier en kunnen regels worden gesteld over wijziging van het
maximumbedrag per financier.
Hoofdstuk 6. Adviescommissies
Artikel 18
1.Bij ministeriële regeling kan, als
het maximale subsidiebedrag per aanvraag gelijk is aan of meer
bedraagt dan € 25.000 of als een subsidie wordt verstrekt aan een
financier, worden bepaald dat over aanvragen om subsidie ten behoeve
van de beoordeling hiervan advies wordt ingewonnen bij een
adviescommissie. In dat geval kan bij ministeriële regeling worden
bepaald waarover de adviescommissie adviseert. Indien aanvragen worden
voorgelegd aan een adviescommissie, gelden het tweede tot en met
twaalfde lid.
2.De adviescommissie heeft tot taak
Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om
subsidie.
3.De adviezen van de adviescommissie
gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
4.De adviescommissie bestaat uit een
voorzitter en een aantal leden. De leden zijn deskundig op het terrein
waarop de adviescommissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren,
werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken of andere
ministeries die voor de subsidie verantwoordelijk zijn of mede
verantwoordelijk zijn.
5.Bij ministeriële regeling wordt het
aantal leden en de benoemingstermijn van de voorzitter en van de leden
van de adviescommissie vastgesteld.
6.De voorzitter en de leden worden door
Onze Minister benoemd en ontslagen. Zij zijn telkens opnieuw
benoembaar voor de termijn, bedoeld in het vijfde lid.
7.De adviescommissie stelt haar eigen
werkwijze schriftelijk vast.
8.Een lid van de adviescommissie neemt
niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien
hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
9.Onze Minister kan waarnemers
aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de
adviescommissie bij te wonen.
10.In het secretariaat van de
adviescommissie wordt door Onze Minister voorzien.
11.Het beheer van de bescheiden
betreffende de werkzaamheden van de adviescommissie geschiedt op
overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De
bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de
adviescommissie bewaard in het archief van dat ministerie.
12.De adviescommissie verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak
benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling
van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Hoofdstuk 7. Indienen van de aanvraag
Artikel 19
1.Een aanvraag om subsidie wordt
ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat bij ministeriële
regeling wordt vastgesteld.
2.De aanvraag gaat, overeenkomstig in
het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven
bescheiden.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over het tijdstip van indienen van de aanvraag.
Artikel 20
Indien aanvragers van subsidie
samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in via
een penvoerder.
Artikel 21
1.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat een aanvraag niet wordt ingediend dan nadat daarover door
een adviescommissie aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis
van een vooraanmelding.
2.De vooraanmelding bevat een
voorlopige opgave van de gewenste te subsidiëren activiteiten en van
de wijze waarop aan de toepasselijke voorschriften naar verwachting
zal kunnen worden voldaan.
3.Bij toepassing van het eerste lid
wordt bij ministeriële regeling een formulier voor de vooraanmelding
vastgesteld en kunnen nadere voorschriften worden gegeven.
4.Artikel 18, derde tot en met twaalfde
lid, is van overeenkomstige toepassing op de adviescommissie, bedoeld
in het eerste lid.
Hoofdstuk 8. Afwijzingsgronden
Artikel 22
Onze Minister beslist afwijzend op een
aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels.
Artikel 23
Onze Minister beslist afwijzend op een
aanvraag om subsidie, niet zijnde een subsidie aan een financier, voor
zover:
a. door de toepassing van een
de-minimis verordening, een bedrag aan de-minimis steun zou worden
verstrekt dat hoger is dan geoorloofd op grond van deze verordening;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat
de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;
c. het onaannemelijk wordt geacht dat
de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde
termijn kunnen worden voltooid;
d. aannemelijk is dat de activiteiten
ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zouden worden
uitgevoerd;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in
de technische haalbaarheid van de activiteiten;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in
de economische haalbaarheid van de activiteiten;
g. de activiteiten onvoldoende
bijdrage aan de doelstellingen van de subsidie leveren;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat
de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar
behoren uit te voeren;
i. het betreft een subsidie-ontvanger
die een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering
uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de
algemene groepsvrijstellingsverordening;
j. er een naar het oordeel van Onze
Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een
voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de
economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.
Artikel 24
Onze Minister beslist afwijzend op een
aanvraag om subsidie aan een financier indien:
a. de deskundigheid van degenen die
zijn belast met het verstrekken, beheren en vervreemden van kapitaal
en zekerheden onvoldoende gewaarborgd is;
b. de betrouwbaarheid van degenen die
zijn belast met het verstrekken, beheren en vervreemden van kapitaal
en zekerheden, en met de bepaling van en het toezicht op het beleid
ter zake onvoldoende gewaarborgd is;
c. de integriteit van de financier
onvoldoende gewaarborgd is;
d. de financiële draagkracht en
stabiliteit van de financier onvoldoende gewaarborgd is.
Artikel 25
Bij ministeriële regeling kunnen andere
afwijzingsgronden dan de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22
tot en met 24, worden opgenomen.
Hoofdstuk 9. Beslissing op de aanvraag
Artikel 26
1.Onze Minister geeft een beschikking
op een aanvraag om subsidie binnen de in onderstaande tabel aangegeven
termijn.
2.Indien een beschikking niet binnen de
in de tabel aangegeven termijn kan worden gegeven, kan deze termijn
eenmaal met de in de tabel aangegeven termijn worden verlengd.
|
Wijze van verdelen |
Bij ministeriële
regeling is wel/niet aangegeven dat een bijdrage van een gemeente,
een provincie, een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van
de Wet gemeenschappelijke regelingen of een ander bestuursorgaan
aangemerkt wordt als publieke cofinanciering |
Wel/geen advies
ingewonnen bij een adviescommissie |
Beslistermijn |
|
Volgorde van binnenkomst (artikel
17, eerste lid, onderdeel a) |
Geen sprake van publieke
co-financiering |
Over aanvragen om subsidie wordt
geen advies ingewonnen bij een adviescommissie |
8 weken na ontvangst van de
aanvraag |
|
Over aanvragen om subsidie wordt
advies ingewonnen bij een adviescommissie |
13 weken na ontvangst van de
aanvraag |
|
Wel sprake van publieke
co-financiering |
|
22 weken na ontvangst van de
aanvraag |
|
Volgorde van rangschikking (artikel
17, eerste lid, onderdeel b) |
Geen sprake van publieke
co-financiering |
|
13 weken na de laatste dag van de
periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend |
|
Wel sprake van publieke
co-financiering |
|
22 weken na de laatste dag van de
periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend |
|
Evenredige verdeling van het
subsidieplafond over de ingediende aanvragen (artikel 17, eerste
lid, onderdeel c) |
Geen sprake van publieke
co-financiering |
|
13 weken na de laatste dag van de
periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend |
|
Wel sprake van publieke
co-financiering |
|
22 weken na de laatste dag van de
periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend |
|
Maximumbedrag per financier
(artikel 17, eerste lid, onderdeel d) |
|
|
Voor de bij ministeriële regeling
bepaalde datum |
Artikel 27
1.Indien bij ministeriële regeling is
gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van
binnenkomst, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de
volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien
een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor
het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de
aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de
wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van
ontvangst geldt.
2.Indien Onze Minister op de dag dat
het subsidieplafond van een subsidie die wordt verdeeld op volgorde
van binnenkomst wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt
hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van
loting.
Artikel 28
Indien bij ministeriële regeling is
gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van
rangschikking, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de
volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 29
Indien de subsidie wordt verstrekt aan
deelnemers in een samenwerkingsverband, verzendt Onze Minister de
beschikkingen tot subsidieverlening aan de penvoerder.
Hoofdstuk 10. Voorwaarden voor de
subsidie-ontvanger
§ 1. Voorwaarden voor de
subsidie-ontvanger indien deze een financier is
Artikel 30
1.De beschikking tot verlenen van een
subsidie aan een financier wordt verleend onder de opschortende
voorwaarde dat binnen acht weken na de beschikking een overeenkomst
tot stand is gekomen tussen de Staat en de financier.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
indien tussen de Staat en de financier reeds een overeenkomst is
gesloten.
3.Bij ministeriële regeling kan een
van het eerste lid afwijkende termijn worden vastgesteld waarbinnen
een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen, in
aanvulling op de artikelen 31 tot en met 33, nadere regels worden
gesteld over de inhoud van de overeenkomst.
5.Bij ministeriële regeling wordt een
model voor de overeenkomst vastgesteld.
Artikel 31
De overeenkomst, bedoeld in artikel 30,
bevat in ieder geval:
a. de bepaling dat kapitaal of
zekerheid niet wordt verstrekt ten behoeve van een onderneming
waarvan blijkens de geringe rentabiliteit de continuïteit voor de
korte of middellange termijn in het geding is;
b. de bepaling dat uitsluitend
kapitaal of zekerheid wordt verstrekt aan ondernemingen die in
Nederland zijn gevestigd en daar een substantieel deel van hun
activiteiten uitvoeren;
c. de verplichting van de financier
er zorg voor te dragen dat de relaties tussen hem en de bij zijn
onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemers aan wie
kapitaal wordt verschaft anderzijds, transparant zijn;
d. de verplichting van de financier
tot verstrekking van informatie aan Onze Minister;
e. de verplichting van de financier
onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van de indiening bij
de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van
betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een
verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing te verklaren;
f. de wijze van vaststelling van de
subsidie;
g. aanvragen tot betaling;
h. de wijze waarop Onze Minister
gerechtigd is tot verhaal na uitbetaling van de financier.
Artikel 32
1.Indien de overeenkomst, bedoeld in
artikel 30, een overeenkomst van borgstelling of garantstelling is,
bevat deze overeenkomst in aanvulling op artikel 31 in ieder geval:
a. de vergoeding of provisie;
b. het maximum bedrag per
borgstelling of garantstelling;
c. de eisen waaraan de
kredietovereenkomst, waarvan de te sluiten overeenkomst van
borgstelling of garantstelling afhankelijk is, moet voldoen;
d. de wijze waarop de omvang van de
borgstelling of garantstelling wordt bepaald;
e. de voorwaarden waaronder de
borgstelling of garantstelling kan worden ingeroepen;
f. een bepaling inzake de duur en
de beëindiging van de overeenkomst tot borgstelling of
garantstelling;
g. een bepaling met betrekking tot
betalingen van de borgstelling of garantstelling door Onze
Minister aan de financier;
h. de terugvordering van kredieten
en de uitwinning van zekerheden.
2.In de overeenkomst kan worden bepaald
dat de financier kredietovereenkomsten kan sluiten voor zover het
totaal van de verstrekte kredieten niet hoger is dan het maximale
bedrag van de borgstelling.
3.Bij ministeriële regeling wordt de
hoogte van de vergoeding of de wijze van berekenen van de provisie
vastgesteld.
Artikel 33
1.Indien de overeenkomst, bedoeld in
artikel 30, een overeenkomst van krediet is, bevat deze overeenkomst
in aanvulling op artikel 31 in ieder geval:
a. de vergoeding en het maximum
bedrag per krediet;
b. de wijze waarop de omvang van
het krediet wordt bepaald;
c. de voorwaarden waaronder het
krediet moet worden terugbetaald;
d. een bepaling inzake de duur en
de beëindiging van de overeenkomst tot krediet;
e. een bepaling met betrekking tot
betalingen door Onze Minister aan de financier;
f. de terugvordering van kredieten
en de uitwinning van zekerheden;
2.Bij ministeriële regeling wordt de
hoogte van de vergoeding of de wijze van berekenen van de rente
vastgesteld.
§ 2. Voorwaarden voor de
subsidie-ontvanger algemeen
Artikel 34
1.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een subsidie wordt
verleend.
2.Indien een subsidie wordt verleend
aan de deelnemers in een samenwerkingsverband, kan bij ministeriële
regeling of bij de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde
worden gesteld dat binnen een bepaalde termijn een overeenkomst wordt
verstrekt waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het
samenwerkingsverband is geregeld.
Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de
subsidie-ontvanger niet zijnde een financier
§ 1. Verplichtingen van de
subsidie-ontvanger algemeen
Artikel 35
De in dit hoofdstuk opgenomen
verplichtingen gelden voor een ontvanger van een subsidie, niet zijnde
een subsidie aan een financier.
Artikel 36
De subsidie-ontvanger en de penvoerder
doen onverwijld mededeling aan Onze Minister van de indiening bij de
rechtbank van een verzoek tot het op hem toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van
surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.
Artikel 36a
De subsidie-ontvanger doet onverwijld
mededeling aan Onze Minister zodra aannemelijk is dat:
a. de subsidiabele activiteiten niet,
niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of
b. niet, niet tijdig of niet geheel
aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
Artikel 37
1.Indien de beschikking tot
subsidieverlening betrekking heeft op een plan, voert de
subsidie-ontvanger de activiteiten uit overeenkomstig dit plan.
2.De subsidie-ontvanger meldt aan Onze
Minister indien de subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalen
in het plan in het desbetreffende kwartaal of, indien er geen
mijlpalenplanning is, in het desbetreffende kalenderjaar meer dan 25%
afwijken van de begroting.
3.Onze Minister kan voor het vertragen,
essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand
verzoek van de subsidie-ontvanger ontheffing verlenen van de
verplichting, bedoeld in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 38
1. De subsidie-ontvanger voert een
zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en
duidelijke wijze is af te leiden:
a. de aard, inhoud en voortgang van
de verrichte werkzaamheden;
b. het aantal eenheden dat per
kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in
aanmerking komen;
c. het aantal uren dat per persoon
is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;
d. indien een tarief als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, wordt gehanteerd, de berekening en
samenstelling van het tarief;
e. de specifiek ten behoeve van de
activiteiten gemaakte en betaalde kosten.
2. De administratie wordt tot vijf jaar
na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.
3. Indien de subsidie minder bedraagt
dan € 125.000 zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing; in
dat geval beschikt de subsidie-ontvanger tot vijf jaar na de datum van
de beschikking tot subsidievaststelling over die gegevens die nodig
zijn om desgevraagd aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn
verricht.
Artikel 39
1. Indien de periode van uitvoering van
de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen meer dan twaalf
maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot
subsidieverlening de verplichting opgelegd tot indiening van één of
meer rapportages, maar ten hoogste één rapportage per jaar, waarbij
rekening wordt gehouden met de mijlpalen van de activiteiten.
2. Indien subsidie-ontvangers
samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun rapportages in
via een penvoerder.
3. Indien de subsidie minder bedraagt
dan € 25.000 is het eerste lid niet van toepassing.
Artikel 40
1.De subsidie-ontvanger draagt zorg
voor een verantwoord gebruik van de uit de activiteiten voortvloeiende
resultaten overeenkomstig de subsidie-aanvraag.
2.De verplichting, bedoeld in het
eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking
tot subsidievaststelling.
Artikel 41
1.Wanneer een geheel of gedeeltelijk
van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie deel uitmaakt
van een samenwerkingsverband, sluiten de deelnemers in het
samenwerkingsverband een overeenkomst over de wijze waarop wordt
omgegaan met de overdracht van kennis of andere resultaten uit de
activiteiten.
2.Indien in de overeenkomst is
opgenomen dat een onderzoeksorganisatie als bedoeld in het eerste lid
kennis of andere resultaten uit de activiteiten overdraagt aan een
ondernemer die deelneemt in het samenwerkingsverband, legt de
penvoerder de afspraken voor aan Onze Minister, tenzij:
a. de deelnemende ondernemingen de
volledige kosten dragen van de activiteiten van deze
onderzoeksorganisatie,
b. de resultaten waaraan geen
intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim kunnen
worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten op de
resultaten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie
voortvloeien, volledig aan deze onderzoeksorganisatie worden
toegekend of,
c. deze onderzoeksorganisatie van
de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die
overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele
eigendomsrechten die voortvloeien uit de door de
onderzoeksorganisatie in het kader van de activiteiten en die
worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
§ 2. Verplichtingen van de
subsidie-ontvanger bij subsidie met terugbetalingsverplichting
Artikel 42
1.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat een subsidie wordt verstrekt met de verplichting dat de
subsidie-ontvanger de verstrekte subsidie volgens een in de
beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terugbetaalt aan
Onze Minister. In dat geval wordt in de ministeriële regeling
geregeld wanneer en onder welke voorwaarden de subsidie wordt
terugbetaald.
2.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat de subsidie die wordt terugbetaald, wordt vermeerderd met:
a. rente, te rekenen vanaf het
moment van betaling, of
b. een opslag.
3.De subsidie-ontvanger kan Onze
Minister tot het tijdstip waarop een aanvraag tot subsidievaststelling
is ingediend, verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting
de verstrekte subsidie, inclusief eventuele rente of opslag, terug te
betalen.
4.De ontheffing, bedoeld in het derde
lid, kan worden verleend indien eerder een ontheffing is verleend voor
het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van de activiteiten
in verband met onoverkomelijke problemen of het verloren gaan van het
marktperspectief.
5.De subsidie-ontvanger kan Onze
Minister nadat een aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend,
verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting tot
terugbetaling van de subsidie, inclusief eventuele rente of opslag, of
ontheffing te verlenen van de verplichting subsidie, inclusief
eventuele rente of opslag, terug te betalen volgens het bij de
beschikking tot subsidieverlening vastgelegde schema.
6.De ontheffing, bedoeld in het vijfde
lid, kan worden verleend indien de verplichting tot terugbetaling
leidt tot zodanige financiële problemen voor de subsidie-ontvanger
dat het voortbestaan van zijn onderneming in gevaar komt.
7.Aan de ontheffingen, bedoeld in het
derde en vijfde lid, kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 3. Nadere uitwerking verplichtingen
Artikel 43
Onze Minister kan bij de beschikking tot
subsidieverlening nadere verplichtingen opleggen.
Artikel 44
1.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat een of meer van de in dit hoofdstuk opgenomen
verplichtingen niet van toepassing zijn.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
andere verplichtingen dan de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen
worden opgelegd.
Hoofdstuk 12. Voorschotten
Artikel 45
1. Onze Minister verstrekt ambtshalve
voorschotten voor een subsidie, niet zijnde een subsidie aan een
financier, die nog niet is vastgesteld.
2. Indien subsidie-ontvangers
samenwerken in een samenwerkingsverband, verstrekt Onze Minister de
voorschotten via de penvoerder aan de subsidie-ontvanger. Deze
betaling geldt als betaling aan de subsidie-ontvanger.
3. De hoogte en het moment van
verstrekking van de voorschotten worden bepaald door de regels,
genoemd in de vijfde kolom van onderstaande tabel voor de situaties
als bedoeld in de eerste vier kolommen van de tabel.
|
Soort subsidie |
Maximaal bedrag
subsidie |
Wel of geen
begroting per mijlpaal |
Duur subsidie
volgens regeling |
Regels voor
voorschotten |
|
Subsidie met
terugbetalingsverplichting |
€25.000 of minder |
|
|
Artikel 47, eerste en derde lid |
|
Meer dan € 25.000 maar niet meer
dan€ 125.000 |
|
Eén jaar of minder |
Artikel 47, eerste en derde lid |
|
Wel begroting per mijlpaal |
Meer dan één jaar |
Artikel 46, eerste tot en met
derde, vijfde, zesde en tiende lid |
|
Geen begroting per mijlpaal |
Artikel 46, eerste tot en met
derde, vijfde, zevende en tiende lid |
|
Meer dan€ 125.000 |
Wel begroting per mijlpaal |
|
Artikel 46, eerste tot en met
derde, vijfde, zesde en tiende lid |
|
Geen begroting per mijlpaal |
Artikel 46, eerste tot en met
derde, vijfde, zevende en tiende lid |
|
Andere subsidies dan subsidie met
terugbetalingsverplichting |
€25.000 of minder |
|
|
Artikel 47, eerste en derde lid |
|
Meer dan € 25.000 maar niet meer
dan€ 125.000 |
|
Eén jaar of minder |
Artikel 47, eerste en tweede lid |
|
Wel begroting per mijlpaal |
Meer dan één jaar |
Artikel 46, eerste tot en met
vierde, zesde en tiende lid |
|
Geen begroting per mijlpaal |
Meer dan één jaar |
Artikel 46, eerste tot en met
vierde, zevende en tiende lid |
|
Meer dan€ 125.000 |
Wel begroting per mijlpaal |
|
Artikel 46, eerste tot en met
vierde, zesde en tiende lid |
|
Geen begroting per mijlpaal |
Artikel 46, eerste tot en met
vierde, zevende en tiende lid |
Artikel 46
1. Onze Minister verstrekt het eerste
voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten.
2. De volgende voorschotten worden
ambtshalve verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli
en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten.
3. Als datum van aanvang van de
activiteiten geldt de dag na de verzending van de beschikking tot
subsidieverlening of, indien deze later is, de datum die in het plan
is opgenomen voor de start van de activiteiten.
4. Het voorschot bedraagt 90% van het
bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in
aanmerking komt.
5. Het voorschot bedraagt 100% van het
bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in
aanmerking komt.
6. Onze Minister berekent de hoogte van
het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de in de
periode tussen twee mijlpalen te maken subsidiabele kosten te
vermenigvuldigen met het subsidiepercentage, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, of artikel 9, en te delen door het aantal
voorschotmomenten in deze periode.
7. Onze Minister berekent de hoogte van
het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de
volgens het plan in dat kalenderjaar te maken subsidiabele kosten te
vermenigvuldigen met het subsidiepercentage, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, of artikel 9, en te delen door het aantal
voorschotmomenten in deze periode.
8. De volgende voorschotten worden
ambtshalve verstrekt telkens binnen twee weken na het verstrijken van
twaalf maanden na de aanvang van de activiteiten.
9. Het bedrag van het voorschot wordt
berekend door 90% van het maximale subsidiebedrag te delen door het
aantal voorschotmomenten tijdens de gehele subsidieperiode. Bij
ministeriële regeling kan een andere berekeningswijze worden
vastgesteld.
10. Het geheel van voorschotten
bedraagt niet meer dan het voorschotpercentage maal de maximale hoogte
van de subsidie.
Artikel 47
1.Het voorschot wordt ambtshalve
verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot
subsidieverlening.
2.Het voorschot bedraagt 90% van de
maximale hoogte van de subsidie.
3.Het voorschot bedraagt 100% van de
maximale hoogte van de subsidie.
Artikel 48
1. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het voorschot een ander percentage bedraagt dan
genoemd in artikel 46, vierde en vijfde lid en artikel 47, tweede en
derde lid of dat geen voorschot wordt verstrekt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voor publiekrechtelijke rechtspersonen en andere, bij ministeriële
regeling aangewezen instellingen of organisaties, van de artikelen 45
tot en met 47afwijkende bepalingen over voorschotten worden opgenomen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
van artikelen 45 tot en met 47 afwijkende bepalingen over voorschotten
worden opgenomen indien bij de verstrekking van een subsidie nauw
wordt aangesloten bij subsidies als bedoeld in artikel 2, vierde lid.
4. Bij ministeriële regeling kan in
afwijking van artikel 45, derde lid, voor subsidies waarvan het
maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag meer bedraagt dan
€ 25.000 maar niet meer dan€ 125.000 en waarvan de duur van de
subsidie meer dan één jaar kan bedragen, worden bepaald dat voor de
bevoorschotting de regels gelden van artikel 46, eerste, derde,
achtste en negende lid.
5. Indien de subsidie minder bedraagt
dan € 25.000 is het eerste lid niet van toepassing.
Hoofdstuk 13. Subsidievaststelling
Artikel 49
De in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen
gelden voor een ontvanger van een subsidie, niet zijnde een subsidie aan
een financier.
Artikel 50
1. Tenzij de beschikking tot
subsidieverlening tevens de subsidievaststelling inhoudt, dient de
subsidie-ontvanger zijn aanvraag om subsidievaststelling in uiterlijk
dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn
voltooid.
2. De aanvraag wordt ingediend met
gebruikmaking van een formulier, dat bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld. De aanvraag gaat, overeenkomstig in het formulier is
vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden,
waaronder in elk geval:
a. een eindverslag omtrent de
uitvoering en de resultaten van de activiteiten en
b. indien het subsidiebedrag €
125 000 of meer bedraagt, een accountantsverklaring.
3. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat, in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, de
aanvraag niet vergezeld hoeft te gaan van een accountantsverklaring.
4. In afwijking van het eerste lid kan
bij ministeriële regeling worden bepaald dat de subsidie ambtshalve
wordt vastgesteld. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de
datum waarop:
a. de activiteiten uiterlijk zijn
verricht;
b. de subsidie uiterlijk ambtshalve
wordt vastgesteld.
Artikel 51
1.Indien subsidie-ontvangers
samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag tot
subsidievaststelling in via de penvoerder.
2.Indien subsidie-ontvangers
samenwerken in een samenwerkingsverband, betaalt Onze Minister het
subsidiebedrag via de penvoerder aan de subsidie-ontvanger. Deze
betaling geldt als betaling aan de subsidie-ontvanger.
Artikel 52
1.Onze Minister geeft de beschikking
tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende
termijn is verstreken.
2.Indien een beschikking tot
subsidievaststelling niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn
kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden
verlengd.
Artikel 53
1.Bij ministeriële regeling kunnen
voor bij ministeriële regeling aangewezen instellingen of
organisaties, van de artikelen 50 tot en met 52 afwijkende bepalingen
over de subsidievaststelling worden opgenomen.
2.Artikel 50 is niet van toepassing op
de verstrekking van specifieke uitkeringen.
Hoofdstuk 14. Overgangs-en slotbepalingen
Artikel 54
1. De volgende besluiten worden
ingetrokken:
a. het Besluit borgstelling
MKB-kredieten 1997;
b. het Besluit borgstelling
scheepsnieuwbouw;
c. het Besluit innovatiesubsidie
samenwerkingsprojecten;
d. het Besluit subsidies
investeringen kennisinfrastructuur;
met dien verstande dat deze besluiten
van toepassing blijven op de aanvragen om subsidie die voor de
inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die
voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt.
2. De overeenkomsten, gesloten op basis
van artikel 10 van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, worden
geacht in stand te blijven tot een nieuwe overeenkomst is gesloten of,
indien dit eerder is, tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding
van dit besluit, behoudens beëindiging van een overeenkomst.
Artikel 55
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 januari 2009.
Artikel 56
Dit besluit wordt aangehaald als:
Kaderbesluit EZ-subsidies.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 november 2008
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven
Uitgegeven de negende december
2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage [Vervallen
per 01-01-2010]
|