| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet
LNV-subsidies
REGELING
LNV-SUBSIDIES
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit van 14 februari 2007, nr. TRCJZ/2007/388, houdende
regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling LNV-subsidies)
De Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op:
- Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen (PbEG L 10);
- Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20
september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het
Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU
L 277);
- Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot
wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEU L 358);
- de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
– bancair aansprakelijk vermogen:
a. het eigen vermogen van de onderneming van de aanvrager;
b. zekerheidsstelling door derden ten behoeve van de
onderneming van de aanvrager, en
c. vermogensbestanddelen van de aanvrager privé, bestaande
uit:
1. bij eenmanszaken, vennootschappen onder firma en
maatschappen: privé-bezittingen;
2. bij besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid of naamloze vennootschappen:
privé-bezittingen voor zover deze door zekerheidsstelling
ten behoeve van de bank zijn verbonden;
3. achtergestelde leningen.
– bank: binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde
bank die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen;
– Dienst Regelingen: Dienst regelingen van het Ministerie van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
– Europese subsidies: subsidies:
a) verstrekt op basis van of in nauwe samenhang met een
bindend besluit van de Raad, van het Europees Parlement en de
Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Unie;
b) verstrekt met het oog op cofinanciering van een door de
Raad of de Commissie van de van de Europese Unie goedgekeurd
programma, of
c) die als staatssteun als bedoeld in artikel 107 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn aan te
merken;
– EG-maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als
bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap;
– lening: door een bank verstrekte geldlening, niet zijnde een
rekening-courantkrediet;
– liquiditeitstoename: som van het bedrijfsresultaat, de
afschrijving en de privé-toevoegingen verminderd met de
aflossingen, de privé-onttrekkingen en de
vervangingsinvesteringen;.
– landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie
van landbouwproducten plaatsvindt;
– landbouwproducten: producten als bedoeld in bijlage I bij het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering
van de producten genoemd in hoofdstuk 3 van die bijlage;
– landbouwsector: gehele complex van landbouwondernemingen,
landbouwproducten verwerkende ondernemingen en aan de landbouw
gerelateerde afzet, handel, dienstverlening, logistiek, en
toeleverende industrie;
– Minister: Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
– plattelandsontwikkelingsprogramma:
plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005, van Nederland;
– probleemgebied: gebied zoals aangewezen in bijlage 2 bij
maatregelfiche 212 van het plattelandsontwikkelingsprogramma;
– project: geheel van activiteiten gericht op concrete
resultaten ter verwezenlijking van de in deze regeling omschreven
subsidiedoelstellingen;
– Richtlijn 2001/80/EG: Richtlijn 2001/80/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de
emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door
grote stookinstallaties (PbEU L 309);
– verordening (EG) nr. 1698/2005: verordening (EG) nr.
1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005
inzake steun uit het Europees Landbouwfonds voor
plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);
– verordening (EG) nr. 1857/2006: verordening (EG) nr.
1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de
toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun
voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten
produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001;
– de-minimis verordening: verordening (EG) nr. 1535/2007 van de
Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de
landbouwproductiesector (PbEU L 337);
– verordening (EG) nr. 800/2008: verordening (EG) nr. 800/2008
van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën
steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de
gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de
algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L 214);
– visserijproducten: producten, genoemd in hoofdstuk 3 van
bijlage I bij het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap;
– visserijsector: gehele complex van ondernemingen, gericht op
de vangst of de primaire productie van visserijproducten,
visserijproducten verwerkende ondernemingen en aan de visserij
gerelateerde afzet, handel, dienstverlening, logistiek, en
toeleverende industrie.
Artikel 1:2. Subsidiabele activiteiten
1.Op grond van deze regeling kan op aanvraag door de Minister
subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van activiteiten in
Nederland die bijdragen aan:
a. de verbetering van het concurrentievermogen van de
landbouwsector, bosbouwsector of visserijsector;
b. het behoud of de verbetering van de natuur en het landelijk
en cultureel erfgoed, de ontwikkeling van landschapskwaliteit dan
wel bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied van de
recreatie, of
c. een duurzame exploitatie van de levende aquatische
rijkdommen en een duurzame aquacultuur;
d. het landbouwonderwijs en onderzoek op het terrein van de
landbouw, de bosbouw, de natuur, het landschap, de visserij en de
openluchtrecreatie.
2.Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die
zijn aangevangen op of na de subsidieverlening.
Artikel 1:3. Openstelling
1. Op grond van deze regeling kan uitsluitend subsidie worden
verstrekt indien de Minister de mogelijkheid tot het doen van een
aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of
subsidieverstrekking heeft opengesteld door vaststelling van een
subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag.
2. De Minister kan de openstelling beperken tot bepaalde
activiteiten, categorieën van aanvragers of een bepaald aantal
aanvragen.
3. De Minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor
verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers.
4. De Minister maakt een besluit als bedoeld in dit artikel bekend
in de Staatscourant.
5. De Minister wijst Europese subsidies aan bij de openstelling,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1:4. Toebedeling beschikbaar bedrag naar geschiktheid
1.De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een
zelfde aanvraagperiode zijn ingediend, waarbij een aanvraag hoger
wordt gerangschikt naarmate de activiteit waarop deze betrekking heeft
naar het oordeel van de Minister een grotere bijdrage levert aan de
doelstelling van de subsidie.
2.Volgens de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, komt de
hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.
3.De Minister kan één of meer beoordelingscommissies instellen
die tot taak hebben aanvragen overeenkomstig het tweede lid te
beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de Minister.
Artikel 1:5. Toebedeling beschikbaar bedrag door loting
1.In afwijking van artikel 1:4 is het onderhavige artikel van
toepassing, ingeval dit in deze regeling van toepassing is verklaard.
2.De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een
zelfde aanvraagperiode zijn ingediend door loting.
3.Volgens de rangschikking, bedoeld in het tweede lid, komt de
hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.
Artikel 1:6. Toebedeling beschikbaar bedrag in volgorde van ontvangst
1.In afwijking van artikel 1:4 is het onderhavige artikel van
toepassing, ingeval dit in deze regeling van toepassing is verklaard.
2.De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een
zelfde aanvraagperiode zijn ingediend in volgorde van ontvangst,
waarbij aanvragen met dezelfde ontvangstdatum worden gerangschikt door
loting voor zover op die datum het subsidieplafond wordt overschreden.
3.Volgens de rangschikking, bedoeld in het tweede lid, komt de
hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.
4.Ingeval een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvraag voor de
toepassing van het tweede lid geacht te zijn ontvangen op de datum
waarop de ontbrekende gegevens en bescheiden zijn ontvangen.
Artikel 1:7. Overige bepalingen over rangschikking
1.Indien per categorie van aanvragers een subsidieplafond is
vastgesteld, vindt rangschikking als bedoeld in artikel 1:4, 1:5 of
1:6 per categorie plaats.
2.Bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, kan de
Minister:
a. besluiten dat rangschikking plaatsvindt op een andere wijze
dan bepaald in deze regeling;
b. toetsingscriteria vaststellen voor rangschikking als bedoeld
in artikel 1:4, tweede lid, in voorkomend geval in aanvulling op
toetsingscriteria die in deze regeling zijn gesteld.
Artikel 1:8. Indiening van een aanvraag
1. Een aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of
voorschotverlening wordt ingediend bij de Directeur van de Dienst
Regelingen met gebruikmaking van een daartoe door de Dienst Regelingen
verstrekt formulier.
2. In aanvulling op de voorschriften, gesteld in deze regeling, kan
de Minister bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
nadere voorschriften stellen over de indiening van een aanvraag.
Artikel 1:9. Indiening aanvraag subsidieverlening
1.Bij een aanvraag tot subsidieverlening wordt in voorkomend geval
mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee
de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt of zal worden
gefinancierd.
2.Een aanvraag tot subsidieverlening voor een project gaat
vergezeld van een projectplan, waarin ten minste is opgenomen:
a. een beschrijving van het project, waaronder:
1°. de doelstellingen;
2°. een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak
van het project en de ter uitvoering daarvan te maken kosten
blijkt;
3°. de activiteiten en de wijze van uitvoering;
4°. voor zover van toepassing een overzicht van de aan het
samenwerkingsverband deelnemende ondernemingen en de verdeling
van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële
verplichtingen van de deelnemers.
b. informatie waaruit blijkt in hoeverre het project bijdraagt
aan de doeleinden waarvoor de subsidie wordt verstrekt;
c. een sluitende begroting voor het project, die een
meerjarenbegroting is met liquiditeitsplanning per jaar voor zover
het project langer dan een jaar duurt, met toelichting daarop;
d. criteria voor het toetsen van de resultaten van het project;
e. de verwachte realisatietermijn, met een beschrijving van het
tijdpad en mijlpalen indien die termijn langer dan een jaar is.
Artikel 1:10. Beslistermijn subsidieverlening
1. Bij toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 1:4, wordt
een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven binnen 22 weken na
afloop van de periode voor het aanvragen van de subsidie.
2. Bij toepassing van de procedures, bedoeld in de artikelen 1:5 en
1:6, wordt een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven binnen 13
weken na afloop van de periode voor het aanvragen van de subsidie.
Artikel 1:11. Subsidieverlening ten laste van niet vastgestelde
begroting
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld,
wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1:12. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger voert de activiteiten waarvoor subsidie is
verleend uit met inachtneming van:
a. bij of krachtens deze regeling gestelde vereisten voor of
voorwaarden bij subsidieverlening;
b. overige wettelijke voorschriften die van toepassing zijn op
die activiteiten.
2. De subsidieontvanger voert een administratie die te allen tijde
voldoende gegevens bevat voor een juist inzicht in de realisatie van
de te subsidiëren activiteiten en voor een juiste
subsidieverstrekking.
3. In de administratie, bedoeld in het tweede lid:
a. zijn alle ontvangsten en uitgaven vastgelegd met de
onderliggende bewijsstukken;
b. zijn bewijsstukken ten name van de subsidieontvanger
aanwezig, waaruit de aard van geleverde goederen en diensten
duidelijk blijkt.
4. De administratie, bedoeld in het tweede lid, wordt ten minste
gedurende vijf jaar na de datum van subsidievaststelling bewaard.
5. De subsidieontvanger verstrekt aan de ambtenaren, bedoeld in
artikel 6:1, desgevraagd de nodige gegevens en bescheiden waaruit
blijkt dat wordt voldaan aan de vereisten, voorwaarden of
voorschriften, bedoeld in het eerste lid.
6. Artikel 8 van het Besluit aanbestedingsregels voor
overheidsopdrachten is van overeenkomstige toepassing op de
verstrekking van opdrachten voor werken of diensten aan derden door
een subsidieontvanger die geen aanbestedende dienst als bedoeld in
artikel 1, onderdeel r, van dat besluit is.
7. De Minister kan de subsidieontvanger bij subsidieverlening ook
andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van
het doel van de subsidie, waaronder een termijn waarbinnen de
activiteiten waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd.
8. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 125.000
zijn het tweede tot en met het vierde lid niet van toepassing; in dat
geval levert de subsidie-ontvanger tot vijf jaar na de datum van de
beschikking tot subsidievaststelling desgevraagd die gegevens die
nodig zijn om aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten waarvoor
subsidie is verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de
subsidie verbonden verplichtingen.
9. In afwijking van het achtste lid zijn het tweede tot en met het
vierde lid van toepassing op verleende Europese subsidies lager dan
€125.000.
Artikel 1:13. Verplichtingen subsidieontvanger bij projecten
1. Ingeval subsidie is verleend voor de uitvoering van een project,
voert de subsidieontvanger dat project uit overeenkomstig het
projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot
subsidieverlening.
2. Ingeval een project langer dan een jaar duurt, informeert de
subsidieontvanger de Minister telkens nadat een jaar is verstreken
binnen drie maanden over de voortgang van het project door middel van
een verslag, dat ten minste een beschrijving bevat van:
a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project
zijn verricht;
b. de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de
doelstellingen, omschreven in het projectplan.
3. De Minister kan goedkeuring verlenen aan een tussentijdse
wijziging van een projectplan, tenzij de wijziging:
a. de doelstellingen, omschreven in het projectplan, betreft;
b. verhoging van het bedrag van de subsidie of het bedrag
waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot
subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld, tot gevolg
heeft.
4. Bij een goedkeuring als bedoeld in het derde lid kan de Minister
de beschikking tot subsidieverlening alsmede de aan de
subsidieontvanger opgelegde verplichtingen wijzigen.
5. Verslagen als bedoeld in het tweede lid en aanvragen tot een
goedkeuring als bedoeld in het derde lid worden ingediend bij de
Directeur van de Dienst Regelingen.
6. Bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, kan de
Minister besluiten dat een project moet zijn aangevangen of uitgevoerd
binnen een andere termijn dan bepaald in deze regeling.
7. Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 is het tweede
lid niet van toepassing en worden er geen tussentijdse verslagen
opgevraagd.
Artikel 1:14. Indiening aanvraag subsidievaststelling
1. Tenzij de beschikking tot subsidieverlening tevens de
subsidievaststelling inhoudt, dient de subsidie-ontvanger zijn
aanvraag om subsidievaststelling in, binnen dertien weken na het
tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid, tenzij de
Minister bij subsidieverlening een andere periode voor het indienen
van de aanvraag heeft vastgesteld.
2. Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt in voorkomend
geval mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies,
waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft is
gefinancierd.
3. Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de
subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden
subsidiabele kosten.
4. Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor de
uitvoering van een project gaat vergezeld van een eindverslag, dat ten
minste bevat:
a. een beschrijving van de activiteiten die in het kader van
het project zijn verricht;
b. een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben
bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan
dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening;
c. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan,
en
d. de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in
onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval in deze
regeling is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.
5. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 125.000 is
het derde lid niet van toepassing; in dat geval overlegt de
subsidie-ontvanger de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de
subsidiabele activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de
subsidie verbonden verplichtingen.
6. In afwijking van het vijfde lid is het derde lid van toepassing
op Europese subsidies die minder bedragen dan €125.000.
Artikel 1:14a. Beslistermijn subsidievaststelling
De Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
Artikel 1:14b. Subsidievaststelling bij subsidies onder de €25.000
1. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 25.000
wordt de subsidie:
a. direct vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot
subsidieverlening, of
b. ambtshalve vastgesteld, uiterlijk op een in een voorafgaande
beschikking tot subsidieverlening vermelde datum, doch niet later
dan tweeëntwintig weken nadat de activiteiten op grond van de
beschikkingen moeten zijn verricht.
2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het
eerste lid, onder b, wordt gegeven, vermeldt de beschikking tot
subsidieverlening de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten
zijn verricht.
3. Desgevraagd overlegt de subsidie-ontvanger de gegevens die nodig
zijn om aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht en
dat is voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
4. De artikelen betreffende subsidieverlening in dit hoofdstuk zijn
van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot subsidievaststelling,
als bedoeld in onderdeel a van het eerst lid.
5. Indien de subsidie direct wordt vastgesteld, vindt de betaling
van het subsidiebedrag in één keer plaats.
Artikel 1:14c. Europese subsidies onder de € 25.000
Artikel 1:14b is niet van toepassing op verleende Europese subsidies
die minder bedragen dan€ 25.000.
Artikel 1:14d. Meldplicht
De subsidieontvanger doet onverwijld een schriftelijke melding zodra
aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend,
niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet,
niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden
verplichtingen zal worden voldaan.
Artikel 1:14e. Controleverklaring accountant
1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
controleverklaring van een accountant indien dat in deze regeling of
in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald.
2. In de beschikking tot subsidieverlening kan uitsluitend worden
bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat van
een controleverklaring, indien het in die beschikking vermelde
subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt.
3. De controleverklaring bestaat uit een verklaring van een
accountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit
blijkt dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften uit
artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert
en stelt de controleverklaring vast met inachtneming de voorschriften,
gesteld in bijlage 1 bij deze regeling.
Artikel 1:15. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:
a. kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of
gefinancierd van overheidswege;
b. kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit
waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen;
c. debetrente;
d. kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd in strijd met
EG-maatregelen of nationale voorschriften die daarop van
toepassing zijn.
2. Kosten voor aankoop van grond komen uitsluitend in aanmerking
voor subsidie tot een hoogte van 10% van de subsidiabele kosten van de
investering.
3. Verschuldigde BTW komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking
ingeval de aanvrager de BTW niet kan verrekenen met de door hem af te
dragen omzetbelasting.
4. In aanvulling op de voorschriften, gesteld in deze regeling, kan
de Minister bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
nadere voorschriften stellen over de voor een subsidie in aanmerking
komende kosten.
5. Indien in deze regeling is bepaald dat loonkosten of kosten voor
eigen arbeid in aanmerking komen voor een subsidie:
a. worden de kosten bepaald aan de hand van een uurtarief dat
wordt berekend door eerst het bruto jaarloon te verminderen met de
volledig winstafhankelijke uitkeringen en te verhogen met de
premies voor sociale verzekeringen, VUT en pensioen, en dat bedrag
vervolgens te delen door 1600, en
b. komen de kosten uitsluitend in aanmerking tot ten hoogste
het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de Handleiding
Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën. Hierbij wordt
uitgegaan van ten hoogste de volgende salarisschalen:
1°. schaal 6 voor ondersteunend personeel;
2°. schaal 11 voor uitvoerend personeel;
3°. schaal 13 voor toezichthoudend personeel.
Artikel 1:16. Hoogte subsidie
1. Indien in deze regeling is bepaald dat een subsidie ten hoogste
een bepaald bedrag of percentage van de subsidiabele kosten bedraagt,
wordt het subsidiebedrag bepaald met inachtneming van dat bedrag of
percentage, tenzij de Minister bij de openstelling, bedoeld in artikel
1:3, eerste lid, een lager subsidiebedrag of lager percentage heeft
vastgesteld.
2. Ingeval in deze regeling niet is bepaald welk bedrag of
percentage van de subsidiabele kosten een subsidie bedraagt, bedraagt
de subsidie ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
3. Ingeval een activiteit gedeeltelijk uit andere hoofde wordt
gesubsidieerd, wordt op grond van deze regeling een zodanig
subsidiebedrag vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor die
activiteit niet hoger is dan het totale subsidiebedrag dat op grond
van deze regeling kan worden verstrekt.
4. Indien subsidies worden verstrekt voor investeringen door een
landbouwonderneming op grond van artikel 2:42 of artikel 2:47, of voor
investeringen als bedoeld in Hoofdstuk 1, 4 of 5 van Bijlage 2,
bedraagt het totaal van de subsidies die tijdens een periode van drie
fiscale jaren aan de landbouwonderneming voor desbetreffende
activiteiten wordt toegekend ingevolge artikel 4 van verordening (EG)
nr. 1857/2006 niet meer dan € 400.000 of € 500.000 indien de
landbouwonderneming is gevestigd in een probleemgebied.
Artikel 1:17. Voorschotverlening
1. De Minister verstrekt voor een subsidie die nog niet is
vastgesteld binnen twee weken na de datum van de beschikking tot
subsidieverlening ambtshalve een voorschot, tenzij de Minister deze
mogelijkheid bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
heeft uitgesloten.
2. Het voorschot bedraagt 80% van het ten hoogste te verstrekken
subsidiebedrag.
3. Bevoorschotting vindt plaats aan de hand van het
bevoorschottingsregime dat in de beschikking tot subsidieverlening
wordt vastgesteld.
4. De Minister kan bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3,
eerste lid, bepalen dat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld
gaat van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.
5. In afwijking van het tweede lid, bedraagt het voorschot 100% van
de maximale hoogte van de subsidie indien de verleende subsidie minder
bedraagt dan €25.000.
Artikel 1:18. Wettelijke rente bij terugvordering
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet
bestuursrecht, artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies of artikel 1:20,
derde of vijfde lid, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met
de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt
tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de
subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.
Artikel 1:19. Samenwerkingsverbanden
1. Indien in deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden
verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen voor de subsidie in
aanmerking samenwerkingsverbanden die:
a. zijn gericht op het realiseren van een van de doelstellingen
waarvoor de subsidie kan worden verstrekt, en
b. waarvan de deelnemers natuurlijke personen of
rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom
van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn.
2. Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een
samenwerkingsverband:
a. berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien
hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband;
b. kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht
hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het
samenwerkingsverband.
3. De Minister kan bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3,
eerste lid, in afwijking van het tweede lid bepalen dat ingeval een
subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband, onverschuldigde
betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene
wet bestuursrecht worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het
samenwerkingsverband voor wat betreft het door de deelnemer ontvangen
deel van de onverschuldigde betaalde subsidiebedragen.
Artikel 1:20. Subsidies in het kader van verordening (EG) nr.
1698/2005
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een subsidie die
wordt verstrekt ter uitvoering van het
plattelandsontwikkelingsprogramma.
2. De subsidie wordt verleend onder voorbehoud dat:
a. de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedkeuring
als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van verordening (EG) nr.
1698/2005 verleent aan een programma als bedoeld in het eerste
lid, en
b. de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft op grond
van het programma, bedoeld in onderdeel a, kan worden
gefinancierd.
3. Onverminderd de artikelen 4:35, 4:48 en 4:49 van de Algemene
wet bestuursrecht weigert de Minister subsidieverlening of trekt de
Minister een subsidieverlening of subsidievaststelling in, indien:
a. in het kader van de aanvraag met opzet onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. in het voorafgaande of hetzelfde jaar met opzet onjuiste
of onvolledige gegevens zijn verstrekt bij een aanvraag tot
subsidieverlening of subsidievaststelling met betrekking tot
dezelfde activiteit;
c. de aanvrager kunstgrepen heeft uitgevoerd om aan de eisen
voor subsidieverstrekking te kunnen voldoen.
4. Indien het bij de aanvraag tot subsidievaststelling gevraagde
subsidiebedrag meer dan drie procent hoger is dan het bedrag dat op
grond van deze regeling kan worden verstrekt, wordt een
subsidiebedrag vastgesteld dat is verlaagd met het verschil tussen
die twee bedragen, tenzij de aanvrager aantoont dat de aanvraag
buiten zijn schuld onjuist is.
5. Indien subsidie wordt verstrekt voor een investering, wordt de
beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van
de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken indien de investering
gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de datum van
subsidievaststelling een belangrijke wijziging ondergaat die:
a. de aard van de investering of de bij of krachtens deze
regeling opgelegde uitvoeringsvoorwaarden raakt;
b. een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig
voordeel oplevert, of
c. het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de
eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de
beëindiging of verplaatsing van productiecapaciteit.
6. Bijlage VI, onderdelen 2.2 en 3.2, van verordening (EG) nr.
1974/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15
december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van
Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie
inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees
Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 368) is
van toepassing.
7. In afwijking van artikel 1:17, eerste lid, kan de Minister op
aanvraag uitsluitend voorschot verlenen voor:
a. kosten die door de subsidieontvanger zijn gemaakt en
betaald alsmede kosten van eigen arbeid van de betrokken
ondernemer, voor zover die kosten op grond van deze regeling
subsidiabel zijn, waarbij het voorschot wordt berekend naar rato
van gemaakte en betaalde kosten;
b. kosten van activiteiten die kunnen worden gefinancierd op
grond van een programma als bedoeld in het eerste lid waarvoor
een goedkeuring als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is
verleend.
8. De Minister wijst subsidies als bedoeld in het eerste lid aan
bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid.
9. Van de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Hoofdstuk 2. Concurrerende landbouw
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
– agro-MKB-onderneming: kleine of middelgrote onderneming die
in de landbouwsector werkzaam is, met uitzondering van een
landbouwonderneming;
– bosbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie
van bosbouwproducten plaatsvindt;
– communautaire voedselkwaliteitsregeling: een kwaliteitsschema
voor een landbouwproduct dat is erkend in het kader van:
a. verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van de Europese
Unie van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische
aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en
levensmiddelen PbEU L 93);
b. verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van de Europese
Unie van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele
specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L
93);
c. verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 juni 1991 inzake de biologische
produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op
landbouwproducten en levensmiddelen (PbEG L 198);
d. titel VI van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad
van de Europese Unie van 17 mei 1999 houdende een
gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PbEG L 179);
– deskundige: persoon die vanuit zijn beroep deskundig is op
het terrein waarvoor zijn kennis wordt ingezet en die onafhankelijk
is van de subsidieontvanger;
– groep: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek;
– innovatieproject: project dat een samenhangend geheel van
activiteiten vormt, welke zijn gericht op:
a. het creëren van nieuwe, gewijzigde of verbeterde
producten, technieken, systemen, processen, diensten of
organisatievormen tot aan, maar niet met inbegrip van
commerciële toepassing op praktijkschaal, en
b. het verwerven van kennis ten behoeve van de activiteiten,
bedoeld in onderdeel a;
– jonge landbouwer: natuurlijke persoon die ten hoogste 39 jaar
oud is en sinds ten hoogste drie jaar voor het eerst voor eigen
rekening en risico een landbouwonderneming beheert die hij:
a. alleen in eigendom, pacht of erfpacht heeft, of
b. volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft met een
andere natuurlijke persoon die niet eerder een
landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht
heeft gehad;
– kleine of middelgrote onderneming: kleine of middelgrote
onderneming als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van verordening
(EG) nr. 800/2008;
– producentengroepering: organisatie, van welke juridische vorm
dan ook, bestaande uit personen die actief opereren in een
voedselkwaliteitsregeling, met uitzondering van een professionele of
interprofessionele organisatie die een of meer sectoren
vertegenwoordigt;
– verordening (EG) nr. 73/2009: Verordening (EG) nr. 73/2009
van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van
gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake
rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde
steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen
(EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30);
– vervangingsinvestering: investering voor het eenvoudige
vervangen van een bestaand gebouw of een bestaande machine, of delen
daarvan, door een nieuw modern gebouw of een nieuwe moderne machine,
zonder dat daarbij de productiecapaciteit met meer dan 25% wordt
verhoogd of de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt
gewijzigd;
– voedselkwaliteitsregeling: een communautaire
voedselkwaliteitsregeling of een door de Minister erkende
kwaliteitsregeling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel
b, van verordening (EG) nr. 1698/2005.
Artikel 2:1a. Nadere voorschriften
Aan een onderneming, landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming
wordt geen subsidie verstrekt indien:
a. de onderneming moet worden aangemerkt als een onderneming als
bedoeld in paragraaf 2.1 van de communautaire richtsnoeren voor
reddings- en herstructureringssteun (PbEU C 244);
b. overeenkomstig artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van
Verordening (EG) nr. 800/2008 er ten aanzien van de onderneming een
uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere
beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig
en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
Artikel 2:2. Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1:15, komen de volgende kosten niet in
aanmerking voor subsidie op grond van dit hoofdstuk:
a. de aankoop van agrarische productierechten, dieren, planten en
de aanplant van planten voor éénjarige gewassen;
b. vervangingsinvesteringen;
c. legeskosten;
d. reguliere investeringen in de onderneming van de
subsidieontvanger en kosten van eigen arbeid van de betrokken
ondernemer;
e. kosten voor de vervaardiging van producten die melk en
zuivelproducten imiteren of vervangen.
Titel 2. Beroepsopleiding en voorlichting
Artikel 2:3. Subsidiabele activiteiten
1.Ter stimulering van de duurzame ontwikkeling van de land- en
bosbouwsector kan de Minister aan een landbouwonderneming,
agro-MKB-onderneming of bosbouwonderneming subsidie verstrekken voor
de uitvoering van de volgende activiteiten:
a. een bedrijfsconsult;
b. het volgen van opleidingen, trainingen of
voorlichtingsbijeenkomsten door ondernemers of in de onderneming
werkzame personen bij daartoe gespecialiseerde instellingen of
organisaties.
2.Een bedrijfsconsult bevat een op de onderneming toegesneden
advies omtrent de ontwikkeling of beëindiging van die onderneming en
heeft betrekking op:
a. het verrichten van bedrijfsdoorlichtingen, met uitzondering
van kwaliteits- en productcontroles door deskundigen;
b. het laten verrichten van onderzoek, met uitzondering van
kwaliteits- en productcontroles door deskundigen, met het oog op
de ontwikkeling van landbouwproducten van hoge kwaliteit;
c. het opstellen van plannen gericht op de ontwikkeling van de
onderneming;
d. het opstellen van plannen gericht op de beëindiging van de
onderneming;
e. het opstellen van plannen gericht op de toepassing van
kwaliteitsregelgeving op de onderneming;
f. het opstellen van plannen gericht op risicobeheer, of
g. het opstellen van plannen gericht op het ontwikkelen van
samenwerkingsverbanden tussen landbouwondernemingen onderling, of
met agro-MKB-ondernemingen.
3.Een opleiding, training of voorlichtingsbijeenkomst heeft
betrekking op:
a. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of
waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire of fytosanitaire
regelgeving, aan hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan
arbeidsomstandighedenregelgeving;
b. het verkrijgen of vergroten van kennis en vaardigheden
waarmee nieuwe, betere of hoogwaardigere producten kunnen worden
verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen
worden verbeterd;
c. begeleiding bij het starten of beëindigen van de
onderneming of een onderdeel daarvan.
4.Geen subsidie wordt verstrekt voor:
a. opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten die
onderdeel van normale programma’s of van leergangen voor
middelbaar of hoger landbouw- en bosbouwonderwijs vormen;
b. activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder
bedragen dan € 250.
Artikel 2:4. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 2:5. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voert de activiteiten waarvoor subsidie is
verleend uit binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening.
Artikel 2:6. Indiening aanvraag subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot
subsidievaststelling binnen negen maanden na de datum van
subsidieverlening ingediend.
Artikel 2:7. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de totale kosten van een
bedrijfsconsult, opleiding of training.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.500 per jaar per
onderneming.
3.De subsidie, bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a,
wordt betaald aan de adviseur of instelling.
Titel 3. Bedrijfsadviesdiensten
Artikel 2:8. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan subsidie aan een landbouwonderneming of
bosbouwonderneming verstrekken voor een schriftelijk advies door een
bedrijfsadviesdienst omtrent de wijze waarop de onderneming kan worden
ontwikkeld of voortgezet overeenkomstig ten minste:
a. de beheerseisen, bedoeld in artikel 5 en bijlage II van
verordening (EG) nr. 73/2009,
b. de minimumeisen inzake goede landbouw- en milieuconditie,
bedoeld in artikel 6 en bijlage III van verordening (EG)
nr.73/2009, en
c. arbeidsveiligheidsstandaards die zijn gebaseerd op
EG-maatregelen.
2. De bedrijfsadviesdienst:
a. heeft de beschikking over voldoende personeel dat beschikt
over de voor het verstrekken van bedrijfsadviezen vereiste
kwalificaties op een voor de inhoud van het advies relevant
terrein;
b. beschikt over de benodigde administratieve en technische
faciliteiten;
c. is ervaren in het verstrekken van adviezen met betrekking
tot de in het eerste lid genoemde onderwerpen;
d. staat als betrouwbaar te boek;
e. staat ingeschreven bij een Kamer van Koophandel als
organisatie die zich het geven van adviezen ten doel stelt;
f. heeft ten minste één jaar ervaring in het verstrekken van
adviezen op ten minste één van de in het eerste lid, onderdelen
a tot en met c genoemde aspecten;
g. is in het betrokken kalenderjaar ten minste 28 dagen voor de
eerste mogelijkheid tot het doen van een aanvraag door de Minister
is opengesteld, aangemeld als bedrijfsadviesdienst bij de Dienst
Regelingen.
3. Het advies is gebaseerd op een op de betrokken
landbouwonderneming of bosbouwonderneming uitgevoerd onderzoek, waarin
wordt aangegeven welke eisen als bedoeld in het eerste lid op de
onderneming van toepassing zijn en in hoeverre aan die eisen wordt
voldaan.
4. De subsidie wordt betaald aan de bedrijfsadviesdienst.
Artikel 2:9. Rangschikking in categorieën
1. In afwijking van artikel 1:4 rangschikt de Minister aanvragen
tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend
in de navolgende volgorde van categorieën:
a. aanvragen, afkomstig van ondernemingen die in de drie jaren
voorafgaand aan de aanvraag geen gebruik hebben gemaakt van de
subsidie;
b. overige aanvragen.
2. Binnen de categorieën, bedoeld in het eerste lid, worden
aanvragen gerangschikt in volgorde van ontvangst.
3. Indien het aantal aanvragen hoger ligt dan het beschikbare
budget, worden binnen de categorieën, bedoeld in het eerste lid,
aanvragen door loting gerangschikt.
Artikel 2:9a. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger laat de activiteiten waarvoor subsidie is
verleend binnen zes maanden uitvoeren na de datum van subsidieverlening.
Artikel 2:9b. Indiening aanvraag subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot
subsidievaststelling binnen negen maanden na de datum van
subsidieverlening ingediend.
Artikel 2:10. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een
bedrijfsadvies.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.500.
3.De subsidie wordt ten hoogste eenmaal per drie jaar verleend.
Titel 4. Kennisverspreiding
§ 1. Praktijknetwerken
Artikel 2:11. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan een samenwerkingsverband van
landbouwondernemingen, agro-MKB-ondernemingen, bosbouwondernemingen,
kennisinstellingen of verenigingen van agrariërs subsidie verstrekken
voor de uitvoering van een project dat is gericht op de onderlinge
uitwisseling van voor elk van de aan het samenwerkingsverband
deelnemende ondernemingen relevante kennis en ervaring met betrekking
tot werkzaamheden in de landbouwsector of bosbouwsector.
2. Het project heeft een duur van ten hoogste vijf jaar en heeft
betrekking op:
a. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of
waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire regelgeving, aan
fytosanitaire, hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan
arbeidsomstandighedenregelgeving,
b. het verkrijgen of vergroten van kennis en vaardigheden
waarmee nieuwe, betere of hoogwaardigere producten kunnen worden
verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen
worden verbeterd, of
c. het verkrijgen of vergroten van kennis op het gebied van
klimaatverandering, hernieuwbare energie, kwantitatief en
kwalitatief waterbeheer (grond- en oppervlaktewater) dan wel
biodiversiteit en innovaties op deze terreinen.
Artikel 2:11a. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger vangt het project aan binnen drie maanden na de
datum van de subsidieverlening.
Artikel 2:11b [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 2:12. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:
a. de kosten van een procesbegeleider of projectuitvoerder;
b. de kosten voor de organisatie en facilitering van het
samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaalhuur,
vergaderfaciliteiten en bureaukosten;
c. de kosten van het vastleggen en verspreiden van kennis,
waaronder begrepen drukwerk en de kosten van de ontwikkeling en
het beheer van internetapplicaties;
d. de kosten voor het inhuren van kennis van overige
landbouwondernemingen, deskundigen, onderzoekers of
kennisinstellingen.
2. In afwijking van artikel 1:15, derde lid, komt niet verrekenbare
BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 2:13. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.
§ 2. Demonstratieprojecten
Artikel 2:14. Subsidiabele activiteiten
1. Ter bevordering van de concurrentiekracht van de land- en
bosbouw en van productiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen
inzake milieubescherming en natuurbeheer kan de Minister subsidie
verstrekken voor de uitvoering van een project waarvan de activiteiten
zijn gericht op het in de praktijk uittesten en demonstreren van de
resultaten van vernieuwingen bij landbouwondernemingen,
bosbouwondernemingen of agro-MKB-ondernemingen, met uitzondering van
beroepsopleidingen en aan beroepsopleidingen gerelateerde cursussen.
2. Voor de subsidie komen in aanmerking:
a. landbouwondernemingen;
b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling,
of van ten minste één landbouwonderneming en:
1°. agro-MKB-ondernemingen, bosbouwondernemingen of
ondernemingen, werkzaam in de voedselindustrie;
2°. verenigingen of stichtingen, werkzaam op het gebied
van de landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen;
3°. adviesbureaus;
4°. onderwijs- en opleidingsinstellingen;
5°. overheidsinstanties;
c. verenigingen van agrariërs.
Artikel 2:15. Nadere voorschriften projecten
1. Een project heeft betrekking op:
a. biologische landbouw, geïntegreerde landbouw of gesloten
teeltsystemen;
b. milieuverantwoorde benutting van meststoffen;
c. beperking van de ammoniakemissies in de veehouderij;
d. verwijdering en verwerking van organische afvalstoffen voor
zover betrekking hebbende op de substraatteelt;
e. beperking van milieubelasting door ondernemingen die zich
richten op de be- of verwerking van, of handel in producten van de
land- of bosbouw;
f. terugdringing van het gebruik of de emissie van
gewasbeschermingsmiddelen;
g. duurzame energie, energiebesparing, energie-efficiency en
energiemanagement;
h. toepassing van nieuwe marktgerichte productiemethoden of
verwerkingstechnieken, waaronder de ontwikkeling van nieuwe
landbouwproducten of bijproducten en het openen van nieuwe
markten;
i. verbetering van logistieke systemen en
informatietechnologie;
j. verbetering van de kwaliteit van productieprocessen of
-systemen, waaronder integrale borgingssystemen;
k. verbetering van de horizontale, onderscheidenlijk verticale
samenwerking in, onderscheidenlijk tussen opeenvolgende schakels
in de productieketen van land- of bosbouwproducten;
l. verbetering van arbeidsomstandigheden;
m. verbetering van hygiëne;
n. verbetering van de gezondheid of het welzijn van dieren;
o. benutten en verbeteren van genetische en functionele
agro-biodiversiteit om duurzame productie te bevorderen;
p. verbetering van de kwaliteit en vergroting van de variatie
van het bodemleven door goede bodembewerkingsmethoden,
bemestingsmethoden en –technieken waardoor het watervasthoudend
vermogen van de bodem toeneemt en uitspoeling van nutriënten
vermindert;
q. voorkomen van en omgaan met bodemverdichting en bestrijding
van erosie;
r. behouden en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden in
agrarische gebieden;
s. nemen van beheersmaatregelen die verdroging van
natuurgebieden tegengaan;
t. horizontale of verticale samenwerking;
u. effectief kwantitatief en kwalitatief waterbeheer;
v. reductie van broeikasgassen.
2. Een project komt voor de subsidie in aanmerking indien:
a. het kan bijdragen aan de bevordering van de toepassing van
nieuwe kennis of technologieën, die verder gaat dan de wettelijke
minimumnormen;
b. het betrekking heeft op vernieuwingen in de productiekolom
van land- en bosbouwproducten die voldoende perspectief bieden
voor toepassing op bedrijfsniveau;
c. het, gelet op de doelstelling, de inhoud en het geografisch
bereik, niet gelijk is aan projecten waarvoor in het kader van
deze regeling eerder een subsidie is verleend;
d. de uitvoeringstermijn ten hoogste drie jaar bedraagt, en
e. de subsidiabele kosten in totaal ten minste €25.000
bedragen.
Artikel 2:16. Rangschikking naar geschiktheid
De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger
naarmate:
a. het project waarop de aanvraag betrekking heeft:
1°. gericht is op vernieuwingen die:
– meer perspectief bieden voor toepassing op
bedrijfsniveau, en
– zich in een meer vergevorderd stadium van
ontwikkeling bevinden;
2°. meer bijdraagt aan het bevorderen van de toepassing van
nieuwe kennis of technologieën in de gehele sector, en
3°. een groter draagvlak heeft bij relevante vaktechnische-,
dienstverlenende-, branche- of standsorganisaties;
b. uit het communicatieplan, bedoeld in artikel 2:17, blijkt dat
met het project de relevante doelgroepen beter worden bereikt.
Artikel 2:17. Indiening aanvraag subsidieverlening
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een op het
project toegesneden communicatieplan waarin wordt aangegeven wie de
doelgroep is.
Artikel 2:18. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger voert het project in Nederland uit,
behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering
buiten Nederland.
2. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van drie jaar.
3. De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het
project zijn opgedaan onmiddellijk na afloop van het project openbaar
in ten minste één vakblad.
4. De Minister kan de subsidieontvanger aanvullende verplichtingen
opleggen omtrent de wijze van openbaarmaking van de kennis en
informatie die met het project zijn opgedaan.
Artikel 2:19 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 2:20. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten gemoeid met het demonstreren van de producten,
procedés en technologieën;
b. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van
het project belaste personen;
c. kosten van leveringen van materiaal en diensten door derden;
d. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen
van publiciteit;
e. kosten van huur of huurkoop van voor het project
noodzakelijke bedrijfsmiddelen, waaronder onroerende zaken;
f. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project
betrokken personeel van de subsidieontvanger;
g. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, in
afwijking van artikel 2:2, aanhef in samenhang met onderdeel d;
h. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur
van vergaderzalen;
i. kosten van de voor de subsidievaststelling benodigde
controleverklaring van een accountant.
2. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor de subsidie:
a. overheadkosten;
b. kosten voor de aankoop van bedrijfsmiddelen, met
uitzondering van huurkoop;
c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van
een voldoende gespecificeerde aanvraag;
d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen
rente en kosten.
3. Ingeval wordt aangetoond dat een bedrijfsmiddel een noodzakelijk
onderdeel is van het demonstratieproject en niet op andere wijze kan
worden verkregen dan door de subsidie, is het tweede lid, aanhef in
samenhang met onderdeel b, niet van toepassing, met dien verstande dat
uitsluitend voor de subsidie in aanmerking komt het bij de aanvraag
tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs
en:
a. de gerealiseerde verkoopprijs, ingeval deze hoger is dan de
getaxeerde verkoopprijs zoals deze is vastgesteld voor de datum
waarop de uitvoering van het project is voltooid;
b. de getaxeerde verkoopprijs, bedoeld in onderdeel a, in
andere gevallen.
Artikel 2:21. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
2. Indien het project wordt uitgevoerd door een
samenwerkingsverband van landbouwondernemingen, bedraagt de subsidie
in afwijking van het eerste lid ten hoogste 70% van de subsidiabele
kosten.
3. Ingeval aan een landbouwonderneming subsidie is verleend voor
een project dat gedeeltelijk uit andere hoofde wordt gesubsidieerd,
wordt in afwijking van artikel 1:16, derde lid, een zodanig
subsidiebedrag vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat
project niet hoger is dan 90% van de subsidiabele kosten.
4. De subsidie bedraagt voor landbouwondernemingen ten hoogste 100%
van de subsidiabele kosten, indien het project wordt uitgevoerd door
een landbouwonderneming of een samenwerkingsverband van
landbouwondernemingen en het project strekt tot uitvoering van een
activiteit in verband met een prioriteit als bedoeld in artikel 16 bis
van Verordening (EG) 1698/2005.
§ 3. Vouchers ten behoeve van kennisoverdracht
Artikel 2:22. Vouchers
1.De Minister kan op aanvraag een voucher verstrekken aan een
landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming voor de uitvoering van een
activiteit die is gericht op de beantwoording van een
toepassingsgerichte kennisvraag met betrekking tot voor de onderneming
relevante nieuwe kennis over producten, processen of diensten door een
kennisinstelling.
2.Er wordt geen voucher verstrekt aan een onderneming die in de
drie jaar, voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot
verstrekking van een voucher, de minimis-steun als bedoeld in artikel
3 van verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun in de
landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 325) heeft ontvangen.
3.Er wordt geen voucher verstrekt aan een onderneming die in het
jaar, voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot
verstrekking van een voucher, van een bestuursorgaan een document
heeft ontvangen dat kan worden ingeleverd bij een kennisinstelling ten
behoeve van de uitvoering van een activiteit als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 2:23. Openstelling
1.Een voucher kan uitsluitend worden aangevraagd indien de Minister
heeft vastgesteld:
a. in welke periode de voucher kan worden aangevraagd;
b. hoeveel vouchers beschikbaar zijn, en
c. welke activiteiten tegen welke kosten in ruil voor de
vouchers kunnen worden uitgevoerd.
2.De Minister bepaalt per aanvraagperiode tot welke datum de in die
aanvraagperiode verstrekte vouchers kunnen worden ingeleverd bij een
kennisinstelling.
3.De Minister maakt een besluit als bedoeld in dit artikel bekend
in de Staatscourant.
Artikel 2:24. Rangschikking door loting
Artikel 1:5 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot
verstrekking van een voucher.
Artikel 2:25. Vergoeding kennisinstelling
1.De Minister verstrekt op aanvraag een vergoeding aan een
kennisinstelling die voor eigen rekening en risico een activiteit als
bedoeld in artikel 2:22, eerste lid, heeft uitgevoerd en in verband
daarmee een of meer geldige vouchers overlegt.
2.Geen vergoeding wordt verstrekt voor de uitvoering van een
activiteit waartoe de onderneming en de kennisinstelling reeds voor de
afgiftedatum van de voucher verplichtingen jegens elkaar zijn
aangegaan.
3.Voor vergoeding komen de door de kennisinstelling voor de
activiteit gemaakte kosten in aanmerking, met dien verstande dat:
a. niet meer wordt vergoed dan de waarde van de door de
kennisinstelling overgelegde vouchers;
b. per activiteit ten hoogste tien vouchers voor vergoeding
kunnen worden overgelegd;
c. uitsluitend vouchers die op naam staan van de onderneming
voor wie de activiteit is uitgevoerd voor vergoeding kunnen worden
overgelegd.
Artikel 2:26. Indiening van een aanvraag
Een aanvraag als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid, of 2:25, eerste
lid, wordt ingediend bij de Directeur van de Dienst Regelingen met
gebruikmaking van een daartoe door de Minister vastgesteld formulier.
Titel 5. Onderzoek en ontwikkeling
§ 1. Innovatieprojecten
Artikel 2:27. Subsidiabele activiteiten
1.Ter stimulering van het innovatieve vermogen in de landbouwsector
of de bosbouwsector kan de Minister subsidie verstrekken voor de
uitvoering van een innovatieproject aan:
a. een landbouwonderneming, agro-MKB-onderneming of
bosbouwonderneming, of
b. een samenwerkingsverband van ondernemingen als bedoeld in
onderdeel a die voor gezamenlijke rekening en risico het project
uitvoeren.
2.Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de
subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000.
Artikel 2:28. Rangschikking naar geschiktheid
De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger
naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft:
a. een meer innovatief karakter heeft;
b. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing
op praktijkschaal, en
c. een groter uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door
andere ondernemingen.
Artikel 2:29. Verplichtingen subsidieontvanger
1.De subsidieontvanger voert het project uit:
a. in Nederland, behoudens toestemming van de Minister tot
gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland, en
b. binnen drie jaar na de datum waarop de beschikking tot
subsidieverlening is gegeven.
2.De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het
project worden opgedaan onmiddellijk na afloop van het project
openbaar, tenzij hij in de aanvraag tot subsidieverlening heeft
gekozen voor vaststelling van een subsidiebedrag overeenkomstig
artikel 2:31, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 2:29a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 2:30. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project
betrokken personeel van de subsidieontvanger;
b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies,
onderzoeksactiviteiten, proces-en ketenmanagement, de verwerving van
kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de
bescherming van die rechten, met uitzondering van winstopslagen bij
transacties binnen een groep;
c. de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd
op historische aanschafprijzen of de aan het project toe te rekenen
leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten en
winstopslagen bij transacties binnen een groep, tot ten hoogste 50%.
Artikel 2:31. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste:
a. 50% van de subsidiabele kosten tot en met € 900.000 en 25%
van de subsidiabele kosten boven € 900.000, of
b. 25% van de subsidiabele kosten, ingeval de subsidieontvanger
ervoor kiest de kennis en informatie die met het project worden
opgedaan niet openbaar te maken.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.000.000.
3.Ingeval aan een landbouwonderneming subsidie is verleend voor een
project dat gedeeltelijk uit andere hoofde wordt gesubsidieerd, wordt
in afwijking van artikel 1:16, derde lid, een zodanig subsidiebedrag
vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat project niet
hoger is dan 75% van de subsidiabele kosten.
§ 2. Samenwerking bij innovatieprojecten
Artikel 2:32. Subsidiabele activiteiten
1.Ter bevordering van de samenwerking tussen landbouwondernemingen,
bosbouwondernemingen en agro-MKB-ondernemingen kan de Minister
subsidie verstrekken ter dekking van de voor de samenwerking gemaakte
kosten voor de uitvoering van een innovatieproject.
2.Voor de subsidie komt in aanmerking een samenwerkingsverband van
landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen onderling, dan wel met
agro-MKB-ondernemingen, die voor gezamenlijke rekening en risico het
project uitvoeren.
3.Geen subsidie wordt verstrekt:
a. aan ondernemingen die zijn gericht op onderzoek, scholing,
opleiding, voorlichting, advies of begeleiding;
b. voor projecten waarvan de subsidiabele kosten in totaal
minder bedragen dan € 10.000;
c. voor projecten met een duur van meer dan drie jaar.
Artikel 2:33. Rangschikking naar geschiktheid
De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger
naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft:
a. een meer innovatief karakter heeft;
b. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing
op praktijkschaal;
c. een groter uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door
andere ondernemingen, en
d. een meer duurzaam karakter heeft.
Artikel 2:34. Verplichtingen subsidieontvanger
1.De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van drie jaar.
2.De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het
project worden opgedaan onmiddellijk na afloop van het project
openbaar.
Artikel 2:34a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 2:35. Subsidiabele kosten
1.De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project
betrokken personeel van de subsidieontvanger;
b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies,
onderzoeksactiviteiten, proces- en ketenmanagement en ter zake van
de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede
ter zake van de bescherming van die rechten, met uitzondering van
winstopslagen bij transacties binnen een groep;
c. kosten voor de aanschaf van machines en apparatuur, nieuw of
tweedehands, in geval van huurkoop gebaseerd op de aan het project
toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van
financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een
groep;
d. kosten voor organisatie en facilitering van het
samenwerkingsverband, waaronder begrepen verwerving van onroerende
zaken, zaalhuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten;
e. kosten voor een procesbegeleider of ketenmanager;
f. kosten voor een studie naar de haalbaarheid van de
ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in
de landbouw-, de voedsel- en bosbouwsector;
g. kosten gemoeid met het testen van de nieuwe producten,
procédés en technologieën;
h. kosten voor investeringen in onroerende zaken;
i. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, in
afwijking van artikel 2:2, aanhef in samenhang met onderdeel d.
2.De in het eerste lid bedoelde kosten komen uitsluitend in
aanmerking voor de subsidie voor zover zij worden gemaakt vóórdat de
nieuwe producten, procédés en technologieën, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen f en g, voor commerciële doeleinden toegepast worden.
Artikel 2:36. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000.
Artikel 2:36aa. Nadere voorschriften onderzoeksactiviteiten integraal
duurzame stallen
In aanvulling op deze paragraaf, zijn ten aanzien van de
onderzoeksactiviteiten bij integraal duurzame stallen de voorwaarden,
bedoeld in bijlage 1a, hoofdstuk 1, van toepassing.
§ 3. Onderzoek naar emissiearm veevoeder
Artikel 2:36a. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
– diervoeders:
alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt,
gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden
gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;
– industrieel onderzoek:
industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 30 van de verordening
(EG) nr. 800/2008;
– onderzoeksproject diervoeders:
industrieel onderzoek naar diervoeders of naar de productiemethode
van diervoeders met het oog op persistente reductie van de
methaanvorming in de pens of dikke darm van melkvee met minimaal
behoud van de melkproductie, met dien verstande dat het onderzoek zich
richt op:
a. het vaststellen van de potentie van diervoeders of van de
productiemethode van diervoeders, middels in vivo experimenten, of
b. het vaststellen van het werkingsmechanisme van diervoeders
of van de productiemethode van diervoeders, indien de potentie van
de diervoeders of van de productiemethode van diervoeders reeds is
vastgesteld;
– onderneming:
iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering,
die een economische activiteit uitoefent;
– onderzoeksorganisatie:
een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 30 van de
verordening (EG) nr. 800/2008;
– productiemethode van diervoeders:
het fysisch, mechanisch of chemisch bewerken van diervoeders
gericht op het beïnvloeden van de eigenschappen ervan.
Artikel 2:36b. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een
onderzoeksproject diervoeders aan een onderneming of een
samenwerkingsverband van ondernemingen onderling, dan wel met een
onderzoeksorganisatie.
2. Geen subsidie wordt verstrekt aan een onderzoeksproject gericht
op:
a. de ontwikkeling van mathematische modellen die de
effectiviteit van diervoeders of van de productiemethode van
diervoeders voorspellen onder uiteenlopende omstandigheden;
b. het primair verhogen van de melkproductie per eenheid
nutriëntenaanbod;
c. onderzoek naar de potentie van weidegras, graskuil, snijmais,
maiszetmeel, graanzetmeel of zetmeelrijke producten uit de
aardappelverwerkende industrie op het vlak van de reductie van
methaanemissie in de pens of dikke darm van melkvee.
3. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien
aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder
belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd.
Artikel 2:36c. Indiening aanvraag subsidieverlening en
subsidievaststelling
Aanvragen tot subsidieverlening en subsidievaststelling voor een
onderzoeksproject worden in afwijking van artikel 1:8, eerste lid,
ingediend bij Agentschap NL met gebruikmaking van een daartoe door
Agentschap NL verstrekt formulier en gaan vergezeld van een projectplan
respectievelijk eindverslag.
Artikel 2:36d. Nadere voorschriften projectplan en eindverslag
1. In het projectplan is ten minste opgenomen:
a. een onderbouwde hypothese of in vitro onderzoeksgegevens van
de potentie van de te onderzoeken diervoeders of productiemethode
van diervoeders of een onderbouwde hypothese of in vitro
onderzoeksgegevens van het werkingsmechanisme van de te
onderzoeken diervoeders of productiemethode van diervoeders;
b. verwachte gegevens omtrent de afwenteling naar andere
(milieu)effecten, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie,
gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke
productie;
c. verwachte netto-effect op de broeikasgasemissies.
2. In aanvulling op artikel 1:14, vierde lid, moet in het
eindverslag worden opgenomen:
a. een wetenschappelijke rapportage van de gegevens gegenereerd
in het onderzoeksproject;
b. gegevens over het werkingsmechanisme of hypotheses over het
werkingsmechanisme van het onderzochte diervoeder of
productiemethode van diervoeder;
c. gegevens over de afwenteling naar andere (milieu) effecten,
waaronder in ieder geval wordt begrepen: stikstofemissie, de
kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens
of dier, het milieu, en de dierlijke productie;
d. een analyse van het netto-effect op de broeikasgasemissies.
Artikel 2:36e. Subsidiabele kosten
1. In aanvulling, onderscheidenlijk afwijking van artikel 1:15 zijn
de subsidiabele kosten van een onderzoeksproject de volgende
rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoeksproject toe te
rekenen kosten:
a. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel;
b. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en
hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
c. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van
de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het
project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische
aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande
dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van
de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato
van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project
onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen
voor financiering en afschrijving;
d. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het
gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
e. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en
onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en
intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming
van die rechten.
2. Voor subsidie komen alleen de kosten voor vergoeding in
aanmerking die voldoen aan de eisen van de verordening (EG) nr.
800/2008.
Artikel 2:36f. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt per onderzoeksproject 50% van de
subsidiabele kosten tot een maximum van€ 250.000.
2. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 250.000 per
onderzoeksproject.
Artikel 2:36g. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject in Nederland
uit, behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke
uitvoering buiten Nederland.
2. De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject uit binnen een
periode van twee jaar na datum van subsidieverlening.
3. De Minister kan de subsidieontvanger verplichten de gegevens
genoemd inartikel 2:36d, tweede lid, onderdelen a en b te verstrekken
aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor de
Nederlandse emissieregistratie.
Artikel 2:36h. Adviescommissie Onderzoek naar emissiearm veevoeder
1. Er is een Adviescommissie Onderzoek naar emissiearm veevoeder
die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent
aanvragen om subsidie op grond van artikel 2:36b, eerste lid.
2. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van
één jaar.
Artikel 2:36i. Rangschikking naar geschiktheid
1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4
hoger naarmate het onderzoeksproject waarop de aanvraag betrekking
heeft:
a. meer bijdraagt aan de doelstelling van deze subsidiemodule;
b. van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project
groter is;
c. wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband dat beter
gericht is op het behalen van de doelstelling van deze
subsidiemodule;
d. een hogere kosteneffectiviteit kent;
e. meer internationale uitwisseling van ervaringen, kennis en
resultaten genereert.
2. Voor de rangschikking weegt het in het eerste lid, onderdeel a,
genoemde criterium, waarbij maximaal 35 punten te behalen zijn, mee
voor 35/100, het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde criterium,
waarbij maximaal 30 punten te behalen zijn, mee voor 30/100, het in
het eerste lid, onderdeel c, genoemde criterium, waarbij maximaal 15
punten te behalen zijn, mee voor 15/100, het in het eerste lid,
onderdeel d, genoemde criterium, waarbij maximaal 15 punten te behalen
zijn, mee voor 15/100, het in het tweede lid, onderdeel e, genoemde
criterium, waarbij maximaal 5 punten te behalen zijn, mee voor 5/100.
Er geldt een drempel van 60 punten.
3. Aanvragen voor onderzoeksprojecten met minder dan 60 punten
komen niet in aanmerking voor subsidie en zullen door de Minister
worden afgewezen.
Artikel 2:36j. Aanwijzing toezichthouders
In afwijking van artikel 6:1 worden de ambtenaren van Agentschap NL
voor deze paragraaf aangewezen als personen als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Kaderwet LNV-subsidies.
Titel 6. Bedrijfsmodernisering
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:37. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan voor een investering als bedoeld in bijlage 2
bij deze regeling subsidie verstrekken aan landbouwondernemingen of
samenwerkingsverbanden, genoemd bij die investering, voor zover die
investering leidt tot:
a. een hoger niveau van diergezondheid in Nederland en daardoor
tot een beter technisch en economisch perspectief van en
continuïteit binnen landbouwondernemingen;
b. verlaging van de productiekosten;
c. de verbetering en omschakeling van de productie;
d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu,
de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid
of duurzaam gebruik van energiebronnen;
e. herstructurering en ontwikkeling;
f. verhoging van de kwaliteit en toegevoegde waarde van
producten;
g. verbetering van de arbeidsomstandigheden in de onderneming;
h. behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke
hulpbronnen;
i. verhoging van de doelmatigheid bij inzet en gebruik van
middelen, machines en menskracht, of
j. het tot waarde brengen van bij-, rest- en afvalproducten;
k. verbetering van de leefkwaliteit op het platteland.
2. Een landbouwonderneming komt voor de subsidie in aanmerking
indien:
a. door de investering de algehele prestatie van de
landbouwonderneming wordt verbeterd, en
b. de investering voldoet aan de daarvoor geldende
EG-maatregelen en nationale voorschriften.
3. Aan een landbouwonderneming wordt geen subsidie verstrekt
indien:
a. daardoor zou worden gehandeld in strijd met verordeningen
als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap, houdende een gemeenschappelijke
marktordening;
b. de subsidie betrekking heeft op vervangingsinvesteringen.
Artikel 2:38. Indiening van een aanvraag
Een aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of
voorschotverlening gaat vergezeld van de documenten die in bijlage 2 bij
deze regeling zijn genoemd bij de investering waarop de subsidie
betrekking heeft.
Artikel 2:39. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voldoet in voorkomend geval aan de
verplichtingen die in bijlage 2 bij deze regeling zijn genoemd bij de
investering waarop de subsidie betrekking heeft.
Artikel 2:40. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de bouw, verwerving, inrichting of verbetering
van onroerende zaken;
b. kosten voor de aanschaf van nieuwe machines en apparatuur,
waarvan de aanvrager eerste gebruiker is;
c. kosten voor de aanschaf van plantmateriaal en de kosten van
derden voor het planten van blijvende teelten, bedoeld in artikel
2, onderdeel b, van verordening 1120/2009.
2. Bij de kosten voor de verwerving van onroerende zaken zijn
inbegrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting,
notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster.
3. Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de
verwerving van onroerende zaken met uitzondering van grond, ten
behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de
periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de
aanvraag tot subsidieverlening.
4. In bijlage 2 bij deze regeling kan bij de investering waarop de
subsidie betrekking heeft zijn bepaald dat kosten in aanmerking komen
voor de subsidie, in aanvulling of in afwijking van het eerste tot en
met derde lid.
Artikel 2:41. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste:
a. 60% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door
jonge landbouwers in:
1°. de door Nederland ter uitvoering van artikel 50, tweede
en derde lid, van verordening (EG) nr. 1998/2005 aangewezen
gebieden;
2°. de door Nederland ter uitvoering van artikel 4 van
richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de
natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) op
de lijst van beschermde gebieden opgenomen gebieden, of
3°. de door Nederland ter uitvoering van artikel 6 van
richtlijn nr. 60/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van
een kader voor communautaire maatregelen betreffende het
waterbeleid (PbEG L 327) in het register van beschermde gebieden
aangewezen gebieden;
b. 50% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door
andere landbouwers dan jonge landbouwers in de gebieden, bedoeld in
onderdeel a;
c. 50% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door
jonge landbouwers in andere gebieden dan de gebieden, bedoeld in
onderdeel a;
d. 40% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door
andere landbouwers dan jonge landbouwers in andere gebieden dan de
gebieden, bedoeld in onderdeel a;
e. 60% van de subsidiabele kosten voor investeringen voor zover
het de noodzakelijke extra in aanmerking komende kosten betreft van
investeringen die verder gaan dan volgens communautaire minimumeisen
noodzakelijk is, dan wel 60% van de subsidiabele kosten voor
investeringen voor zover het de noodzakelijke extra in aanmerking
komende kosten betreft van investeringen die verder gaan dan bij of
krachtens wet vastgelegde minimumeisen noodzakelijk is indien deze
minimumeisen verder gaan dan communautaire minimumeisen, en voor
zover de extra in aanmerking komende kosten niet leiden tot
investeringen die een stijging van de productiecapaciteit tot gevolg
hebben.
§ 2. Jonge landbouwers
Artikel 2:42. Subsidiabele activiteiten
1.In aanvulling op artikel 2:37, eerste lid, kan de Minister voor
andere investeringen dan de investeringen, bedoeld in bijlage 2 bij
deze regeling, subsidie als bedoeld in dat artikel verstrekken aan een
persoon die op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag tot
subsidieverlening een jonge landbouwer is en aan ten minste één van
de volgende voorwaarden voldoet:
a. hij beschikt over een getuigschrift van afronding van een
erkende landbouwkundige opleiding of een opleiding van
gelijkwaardig niveau, of
b. hij kan aantonen dat hij ten minste drie jaar op een
landbouwonderneming werkzaam is geweest.
2.In aanvulling op artikel 2:37, derde lid, wordt geen subsidie
verstrekt indien:
a. de subsidie in totaal € 5.000 of minder bedraagt;
b. de jonge landbouwer met het oog op de investeringen een
geldlening is aangegaan voordat de verlening van de subsidie hem
schriftelijk is bevestigd;
c. op grond van deze paragraaf of de Subsidieregeling jonge
agrariërs, zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze regeling, eerder aan de jonge landbouwer subsidie is
verstrekt of terzake van een eerdere aanvraag op grond van deze
paragraaf nog een beslissing tot vaststelling van de subsidie moet
worden genomen;
d. het eigen vermogen van de jonge landbouwer meer dan 60% van
de fiscale balanswaarde van zijn landbouwonderneming bedraagt.
Artikel 2:43. Rangschikking door loting
Artikel 1:5 is van toepassing.
Artikel 2:44. Indiening aanvraag subsidieverlening
In afwijking van artikel 2:38 gaat de aanvraag tot verlening van een
subsidie als bedoeld inartikel 2:42, eerste lid, vergezeld van een
investeringsplan, waarin de investeringen waarvoor de subsidie wordt
aangevraagd zijn opgenomen en waaruit blijkt hoe die investeringen
bijdragen aan de doelstellingen, genoemd in artikel 2:37, eerste lid.
Artikel 2:45. Verplichtingen subsidieontvanger
1. Een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, wordt
verleend onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger met het oog op
de investeringen een schriftelijke overeenkomst van geldlening met een
looptijd van ten minste drie jaar afsluit met een bank.
2. Ingeval de subsidie strekt tot verwerving van onroerende zaken,
wordt deze verleend onder de voorwaarde dat:
a. de daaraan verbonden kosten, met uitzondering van kosten van
overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van
inschrijving bij het kadaster, niet hoger zijn dan een door een
taxateur vastgestelde vrije verkoopwaarde van de onroerende zaken;
b. een taxateur heeft vastgesteld dat gebouwen voldoen aan de
nationale voorschriften die op gebouwen van toepassing zijn, voor
zover de onroerende zaken gebouwen betreffen.
3. Een taxateur als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de
vakbekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling
vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 2:46
1. De subsidiabele kosten bedragen nooit meer dan € 150.000.
2. In afwijking van artikel 1:15, tweede lid, komt niet
verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
3. De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 35% van
de subsidiabele kosten.
Titel 7. Verhoging toegevoegde waarde
Artikel 2:47. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een
project dat een samenhangend geheel van activiteiten vormt, welke de
algehele prestatie van de onderneming verbeteren en betrekking hebben
op:
a. de verwerking of de afzet van landbouwproducten of
bosbouwproducten, of
b. de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en
technologieën voor de landbouwproducten of bosbouwproducten.
2.De activiteiten zijn gericht op:
a. rationalisatie en ontwikkeling van het verkoopklaar maken,
de verduurzaming, de behandeling en de verwerking van
landbouwproducten, het hergebruik van bijproducten of
fabricageresiduen dan wel de verwijdering of zuivering van afval;
b. toepassing van nieuwe verwerkingstechnieken, waaronder de
ontwikkeling van nieuwe producten en bijproducten en het openen
van nieuwe markten, alsmede innoverende investeringen met
betrekking tot producten, procédés en processen, technologieën,
product-marktcombinaties en andere innovaties;
c. verbetering van de afzet op de markt, met inbegrip van
verbetering van de doorzichtigheid van de prijsvorming, of
d. verbetering van de kwaliteit van de producten.
3.Voor de subsidie komen in aanmerking:
a. landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen;
b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen of
bosbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen.
4.Geen subsidie wordt verstrekt:
a. voor projecten die erop zijn gericht om te voldoen aan
EG-maatregelen;
b. aan ondernemingen als bedoeld in paragraaf 2.1 van de
communautaire richtsnoeren voor reddings- en
herstructureringssteun (PbEU C 244).
Artikel 2:48. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting
van onroerende goederen;
b. kosten voor de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en
apparatuur, inclusief computersoftware tot aan de marktwaarde van
het goed;
c. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe machines of
apparatuur;
d. kosten voor de ontwikkeling en operationalisering van
processen, procédés, technologieën, marketingconcepten,
product-marktcombinaties en andere innovaties;
e. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de
onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor de architecten en
ingenieurs, honoraria van adviseurs tot een hoogte van 15% van het
totale subsidiebedrag, haalbaarheidsstudies, controleverklaring
van een accountant, verwerven van patenten en vergunningen.
2. Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten met betrekking tot een
leasecontract, zoals de marge van de leaseorganisatie,
herfinancieringskosten, overheadkosten en verzekeringspremies.
Artikel 2:49. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
Titel 8. Voedselkwaliteitsregelingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:50. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan aan een landbouwonderneming subsidie verstrekken voor
deelname aan een voedselkwaliteitsregeling.
Artikel 2:51. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 2:52. Subsidiabele kosten
Voor de subsidie komen in aanmerking de vaste kosten verbonden aan
deelname aan de voedselkwaliteitsregeling met inbegrip van de kosten
voor controles die zijn verbonden aan de deelname.
Artikel 2:53. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 3.000 per jaar dat een
landbouwonderneming deelneemt aan een voedselkwaliteitsregeling.
2. Ingeval een landbouwonderneming voor een deel van een jaar
deelneemt aan een voedselkwaliteitsregeling, wordt een subsidiebedrag
dat in verhouding staat tot dat deel vastgesteld.
3. De subsidie wordt ten hoogste voor vijf jaar verleend.
4. De subsidie wordt niet verstrekt indien de landbouwonderneming
eerder subsidie heeft ontvangen voor deelname aan een
voedselkwaliteitsregeling en daarmee in het totaal meer dan 5 jaar
subsidie zou ontvangen.
Artikel 2:54. Voorschot
De Minister verleent jaarlijks ambtshalve voorschot.
§ 2. Nadere voorschriften voor biologische landbouwers
Artikel 2:55. Subsidiabele activiteiten
1.In aanvulling op paragraaf 1 is deze paragraaf van toepassing
ingeval de subsidie, bedoeld in artikel 2:50, wordt aangevraagd ter
stimulering van de omschakeling naar of voortzetting van de
biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode.
2.Voor de subsidie komt in aanmerking een landbouwonderneming die
is aangesloten bij de Stichting Skal, statutair gevestigd te Zwolle.
Artikel 2:56. Indiening aanvraag subsidieverlening
Met de indiening van een aanvraag tot verlening van de subsidie stemt
de aanvrager ermee in dat de Stichting Skal aan de Dienst Regelingen
alle gegevens overlegt die betrekking hebben op de uitoefening van de
biologische productiemethode op zijn landbouwonderneming.
Artikel 2:57. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1.De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. de eenmalige aansluitingsbijdrage, bedoeld in artikel 2 van
het Skal-bijdragereglement, en
b. de basisbijdrage, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van het
Skal-bijdragereglement.
2.Incassokosten, administratiekosten en overige kosten die zijn
verbonden aan de inning van de in het eerste lid bedoelde bijdragen
komen niet in aanmerking voor de subsidie.
Titel 9. Voorlichting en afzetbevordering
Artikel 2:58. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan aan een producentengroepering subsidie
verstrekken voor activiteiten die bedoeld zijn om consumenten aan te
zetten tot aankoop van landbouwproducten die vallen onder een
voedselkwaliteitsregeling, al dan niet via distributeurs of verwerkers
van die producten.
2.De activiteiten vestigen de aandacht op specifieke kenmerken van
producten die voortvloeien uit voedselkwaliteitsregelingen, waaronder
met name de kwaliteit, productiemethode, het niveau van dierenwelzijn
en milieuvriendelijkheid.
3.Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten:
a. ter promotie van geregistreerde merken;
b. waarmee de consument ertoe wordt aangezet om een product te
kopen vanwege de specifieke herkomst van het product;
c. waarbij de verwijzing naar de oorsprong van een product niet
ondergeschikt is aan de hoofdboodschap van de activiteiten;
d. waarvoor reeds subsidie is verstrekt ter uitvoering van
verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van de Europese Unie
betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor
landbouwproducten op de binnenmarkt (PbEG L 328);
e. die worden uitgevoerd buiten de Europese Unie.
4.Het derde lid, aanhef in samenhang met onderdeel b, is niet van
toepassing ingeval het gaat om producten waarvoor een kwaliteitsschema
is erkend in het kader van:
a. titel VI van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van
de Europese Unie van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke
ordening van de wijnmarkt (PbEG L 179);
b. verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van de Europese
Unie van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische
aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en
levensmiddelen (PbEU L 93).
Artikel 2:59. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger:
a. zendt het materiaal dat hij voornemens is te gebruiken bij de
activiteiten aan de Directeur van de Dienst Regelingen, en
b. gebruikt het materiaal uitsluitend binnen de Europese Unie.
Artikel 2:60. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor het verspreiden van technische en
wetenschappelijke kennis over producten die het voorwerp zijn van
een voedselkwaliteitsregeling;
b. kosten voor de organisatie van of deelname aan beurzen,
tentoonstellingen of vergelijkbare public relations-evenementen die
betrekking hebben op producten die het voorwerp zijn van een
voedselkwaliteitsregeling;
c. kosten voor het adverteren via diverse media of bij
verkooppunten over producten die het voorwerp zijn van een
voedselkwaliteitsregeling;
d. kosten voor marktverkenning.
Artikel 2:61. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten.
Titel 10. Afbraak van glasopstanden
Artikel 2:62. Subsidiabele activiteiten
Ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de glastuinbouwsector
kan de Minister aan eigenaren van glasopstanden die hun onderneming
staken subsidie verstrekken voor de afbraak van verouderde glasopstanden
en daarbij behorende bedrijfsgebouwen.
Artikel 2:63. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 2:64. Verplichtingen subsidieontvanger
1.De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat binnen een jaar na
de datum van subsidieverlening:
a. de glasopstanden, de daarbij behorende bedrijfsgebouwen,
overige vaste installaties en ondergrondse voorzieningen worden
afgebroken en verwijderd, alsmede nieuwe sloten worden gegraven;
b. hij en in voorkomend geval diens echtgenoot, geregistreerde
partner of aandeelhouders, de bedrijfsmatige glastuinbouw
definitief staakt, onderscheidenlijk staken, en
c. de tot uitoefening van de betrokken glastuinbouwonderneming
bestemde gronden gebruiksvrij worden overgedragen aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een vennootschap
waarin de stakende eigenaar aandelen heeft.
2.De overdracht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vindt
plaats door middel van:
a. overdracht van eigendom;
b. vestiging van erfpacht;
c. vestiging van een recht van opstal, of
d. vestiging van een pachtrecht.
Artikel 2:65. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend binnen vier
maanden nadat de overdracht van gronden, bedoeld in artikel 2:64, eerste
lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden.
Artikel 2:66. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste:
a. € 3,50 per m2 glasoppervlak dat wordt afgebroken;
b. € 25 per m2 bedrijfsgebouw dat wordt afgebroken;
c. € 2,50 per m2 betonnen teeltvloer dat wordt afgebroken;
d. € 4 per m3 per nieuw gegraven sloot.
2.Subsidies die in de vijf jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum
van de aanvraag tot subsidieverlening door een bestuursorgaan zijn
verstrekt met betrekking tot de bouw of verbouwing van de
glasopstanden en bedrijfsgebouwen, worden in mindering gebracht op de
subsidie voor de afbraak daarvan.
Artikel 2:67. Voorschot
Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een overzicht
van liquiditeitsbehoefte.
Titel 11. Risico- en crisisbeheer
§ 1. Tegemoetkoming ongunstige weersomstandigheden
Artikel 2:68. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan een tegemoetkoming verstrekken voor door
weersomstandigheden veroorzaakte schade aan gewassen overeenkomstig
Bijlage 3 en 3a bij deze regeling.
§ 2. Tegemoetkoming premie weerschadeverzekering
Artikel 2:69. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan een tegemoetkoming verstrekken voor premies voor
weerschadeverzekeringen overeenkomstig Bijlage 4 bij deze regeling.
§ 3. Tegemoetkoming ondernemingen in moeilijkheden als gevolg van
maatregelen ter bestrijding van dierziekten en schadelijke organismen
bij planten
§ 3.1. Algemeen
Artikel 2:69a. Begripsbepaling
Voor de toepassing van paragraaf 3 van titel 11 wordt verstaan onder
communautaire richtsnoeren: Mededeling van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 1 oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren
inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in
moeilijkheden (PbEU C 244).
Artikel 2:69b. Toepassingsbereik subsidieontvangers
Artikel 2:1a, onderdeel a, is niet van toepassing.
Artikel 2:69c. Subsidiabele activiteiten
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een onderneming die
zodanig ernstig is getroffen door maatregelen ter bestrijding van:
a. een dierziekte als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 8
van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van
besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s, of
b. een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 3 van de
Regeling aanwijzing schadelijke organismen 1998,
dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan als een onderneming in
moeilijkheden als bedoeld in paragraaf 2.1 van de communautaire
richtsnoeren is aan te merken.
2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de
vorm van reddingssteun of herstructureringssteun.
3. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt:
a. aan ondernemingen waar 50 of meer personen werkzaam zijn of
waarvan de omzet of het balanstotaal meer bedraagt dan €
10.000.000,– per jaar;
b. aan andere ondernemingen dan landbouwondernemingen die niet
voldoen aan punt 10 van de communautaire richtsnoeren;
c. aan ondernemingen die korter dan drie jaar actief zijn;
d. indien er een mogelijkheid bestaat voor de onderneming zich
te verzekeren tegen de gevolgen van de maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a en b;
e. indien een onderneming deel uitmaakt van een concern of
wordt overgenomen door een concern;
f. indien een onderneming in staat is met eigen middelen, met
middelen van haar eigenaren of aandeelhouders of met op de markt
verkregen kapitaal haar herstel te verwezenlijken;
g. indien de gevraagde subsidie minder dan € 5.000,–bedraagt;
h. aan ondernemingen die actief zijn op een markt waarbij
sprake is van een structureel overschot aan productiecapaciteit,
of
i. aan ondernemingen die in aanmerking kunnen komen voor steun
op grond van titel IV, hoofdstuk I, II en III, van verordening
(EG) nr. 1198/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart
2006 inzake het Europees Visserijfonds (PbEU L 223).
Artikel 2:69d. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 2:69e. Hoogte subsidie
De subsidie, bedoeld in artikel 2:69c, eerste lid, bedraagt per
onderneming in moeilijkheden ten hoogste€ 100.000,– met inbegrip van
subsidie uit eventuele andere bronnen of op grond van andere regelingen.
§ 3.2. Reddingssteun
Artikel 2:69f. Reddingssteun
1. Subsidie zijnde reddingssteun is een subsidie die eenmalig wordt
verstrekt in de vorm van een lening of een leninggarantie die afloopt
binnen zes maanden na de uitkering van het eerste bedrag.
2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt:
a. indien de onderneming reeds eerder reddings- of
herstructureringssteun heeft ontvangen, of
b. indien deze niet wordt gerechtvaardigd door ernstige sociale
moeilijkheden of buitengewoon ongunstige spill-overeffecten als
bedoeld in de communautaire richtsnoeren heeft naar andere
lidstaten.
Artikel 2:69g. Eenmalige verstrekking
1. Artikel 2:69f is van toepassing ongeacht wijzigingen in
eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie,
of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot
gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt
gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden
aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie
voortzet.
2. Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft
overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of
herstructureringssteun ontvangen, kan overeenkomstig deze regeling
eenmalig reddingssteun aan de onderneming worden verstrekt mits:
a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen
onderneming;
b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming
tegen de marktprijs heeft verworven, en
c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of
overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen
aan de toepassing van artikel 2:69f, ingeval de overgenomen
onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een
van de in het eerste lid genoemde procedures is onderworpen.
Artikel 2:69h. Verplichtingen ontvanger reddingssteun
1. De ontvanger van subsidie zijnde reddingssteun:
a. betaalt de subsidie in de vorm van een lening binnen zes
maanden na verstrekking terug, of
b. dient binnen twee maanden na verstrekking van de subsidie
een herstructureringsplan ter goedkeuring in bij de Directeur van
de Dienst Regelingen. Op het herstructureringsplan is artikel
2:69n van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, een
herstructureringsplan heeft ingediend, zijn de artikelen 2:69m en
2:69o van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een onderneming nadat de subsidie zijnde reddingssteun is
ontvangen, binnen de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
haar bedrijfsvoering beëindigt, doet de ontvanger daarvan melding aan
de Directeur van de Dienst Regelingen en geeft de ontvanger
desgevraagd alle informatie aan de Directeur van de Dienst Regelingen.
Artikel 2:69i. Aanvraag
1. De aanvrager van subsidie zijnde reddingssteun verstrekt bij de
aanvraag in ieder geval de volgende gegevens aan de Directeur van de
Dienst Regelingen:
a. naam van de onderneming;
b. de code van de bedrijfstak waartoe zij behoort,
overeenkomstig de uit twee cijfers bestaande NACE-code;
c. het aantal werknemers van de onderneming;
d. een recente balans, de jaarrekeningen van de afgelopen 3
jaren en een recent fiscaal rapport;
e. een bankverklaring waarin de bank verklaart dat alle
gebruikelijke financieringsmogelijkheden zijn benut;
f. in voorkomend geval, gegevens over in het verleden verleende
herstructureringssteun of daarmee vergelijkbare steun.
2. In zijn aanvraag geeft de aanvrager aan wat de oorzaken zijn van
de moeilijkheden en onderbouwt hij de hoogte van de aangevraagde
subsidie.
3. De aanvrager geeft desgevraagd aan de Directeur van de Dienst
Regelingen alle informatie omtrent zijn financiële situatie.
Artikel 2:69j. Hoogte subsidie reddingssteun
1. Onverminderdartikel 2:69e bedraagt de subsidie per onderneming
in moeilijkheden niet meer dan het bedrag, berekend volgens de in de
bijlage bij de communautaire richtsnoeren beschreven formule.
2. De subsidie bedraagt niet meer dan het bedrag dat nodig is om de
exploitatie van de onderneming voort te zetten gedurende een periode
van ten hoogste zes maanden.
3. Het rentepercentage op de verstrekte lening is vergelijkbaar aan
het rentepercentage dat van toepassing is op leningen aan gezonde
ondernemingen en met name aan de referentiepercentages, bedoeld in
punt 25, onderdeel a, van de communautaire richtsnoeren.
§ 3.3. Herstructureringssteun
Artikel 2:69k. Herstructureringssteun
1. Subsidie zijnde herstructureringssteun is een subsidie die
eenmalig wordt verstrekt in de vorm van een gekapitaliseerde
rentesubsidie voor een lening bij een bank.
2. De lening, bedoeld in het eerste lid, heeft een looptijd van ten
hoogste 10 jaar.
3. De subsidie zijnde herstructureringssteun wordt niet verstrekt
indien de onderneming eerder reddings- of herstructureringssteun heeft
ontvangen, tenzij de subsidie is aangevraagd in vervolg op de
verstrekking van reddingssteun als bedoeld in artikel 2:69h, eerste
lid.
Artikel 2:69l. Eenmalige verstrekking herstructureringssteun
1. Artikel 2:69k is van toepassing ongeacht wijzigingen in de
eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie,
of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot
gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt
gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden
aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie
voortzet.
2. Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft
overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of
herstructureringssteun ontvangen, kan overeenkomstig deze regeling
eenmalig herstructureringssteun aan de onderneming worden verstrekt
mits:
a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen
onderneming,
b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming
tegen de marktprijs heeft verworven, en
c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of
overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen
aan de toepassing van artikel 2:69k, ingeval de overgenomen
onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een
van de in het eerste lid genoemde procedures is onderworpen.
Artikel 2:69m. Verplichtingen ontvanger herstructureringssteun
1. De onderneming ten behoeve waarvan subsidie zijnde
herstructureringsteun is ontvangen:
a. werkt volgens het door de Minister goedgekeurde
herstructureringsplan en voert het plan volledig uit;
b. neemt, indien het een landbouwonderneming betreft,
compenserende maatregelen als bedoeld in punt 38 tot en met 42 van
de communautaire richtsnoeren waarbij de levensvatbaarheid van de
onderneming niet in gevaar komt.
2. Gedurende de looptijd van het herstructureringsplan is het
ondernemingen niet toegestaan om de productiecapaciteit van de
desbetreffende onderneming te verhogen.
3. De subsidie wordt niet gebruikt voor de financiering van
activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden
of voor nieuwe investeringen die niet noodzakelijk zijn voor herstel
van de levensvatbaarheid van de onderneming.
Artikel 2:69n. Herstructureringsplan
1. De aanvrager dient bij zijn aanvraag een herstructureringsplan
in dat is gericht op herstel van de levensvatbaarheid van de
onderneming op lange termijn, als bedoeld in punt 34 tot en met 37 van
de communautaire richtsnoeren.
2. Het herstructureringsplan houdt rekening met de actuele situatie
en de verwachte ontwikkeling van vraag en aanbod aan de hand van
best-case, worst-case en neutrale scenario’s, alsmede de specifieke
sterke en zwakke punten van de onderneming en stelt de onderneming in
staat de overgang te maken naar een nieuwe structuur die uitzicht
biedt op levensvatbaarheid op lange termijn.
3. Om voor subsidie in aanmerking te komen bevat het
herstructureringsplan, bedoeld in het eerste lid, ten minste de
volgende gegevens:
a. prijzen van producten en diensten onderbouwd door een
onafhankelijke marktstudie;
b. een analyse van de oorzaken van de moeilijkheden van de
onderneming;
c. een uiteenzetting van de toekomststrategie van de
onderneming en hoe deze tot levensvatbaarheid zal leiden;
d. een overzicht en beschrijving van de voorgenomen
herstructureringsmaatregelen en de daaraan verbonden kosten;
e. de termijnen voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen en
de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan;
f. informatie over de productiecapaciteit van de onderneming,
met name over de bezetting van deze capaciteit en eventuele
capaciteitsverminderingen;
g. een beschrijving van de financiële regelingen met het oog
op de herstructurering, waarbij ingegaan wordt op:
– gebruik van eventuele beschikbare eigen middelen;
– verkoop van activa of dochterondernemingen om bij te
dragen aan de financiering van de herstructurering;
– financiële toezeggingen van aandeelhouders en derden;
– het gewenste bedrag van de overheidssteun en de
motivering van de noodzaak van deze steun;
h. de verwachte resultatenrekeningen voor de eerstkomende vijf
jaar met een raming van de rentabiliteit van het eigen vermogen en
een gevoeligheidsanalyse op basis van de in het tweede lid
bedoelde scenario’s, en
i. naam van de opsteller van het herstructureringsplan en de
datum waarop dit is opgesteld.
4. In zijn aanvraag geeft de aanvrager aan wat de oorzaken zijn van
de moeilijkheden en onderbouwt hij de hoogte van de aangevraagde
subsidie.
5. Bij zijn aanvraag verstrekt de aanvrager een bankverklaring
waarin de bank verklaart dat alle gebruikelijke
financieringsmogelijkheden zijn benut.
6. De aanvrager geeft desgevraagd aan de Directeur van de Dienst
Regelingen alle informatie omtrent zijn financiële situatie.
Artikel 2:69o. Verplichtingen subsidieontvanger en wijziging
herstructureringsplan
1. Het herstructureringsplan vormt onderdeel van de beschikking tot
subsidieverstrekking en wordt door de subsidieontvanger volledig
uitgevoerd.
2. De minister kan goedkeuring verlenen aan tussentijdse
wijzigingen van het herstructureringsplan.
3. De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, wordt uitsluitend
verleend, indien wijziging van het plan, voor zover van toepassing, in
overeenstemming is met punt 52 en 53 van de communautaire
richtsnoeren.
Artikel 2:69p. Hoogte herstructureringssteun
1. Onverminderdartikel 2:69e bedraagt de subsidie niet meer dan het
bedrag dat strikt noodzakelijk is voor uitvoering van de
herstructurering van de onderneming, in samenhang met eerder
toegekende reddingssteun en de voorhanden zijnde financiële middelen
van de onderneming of van haar aandeelhouders.
2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de onderneming
met eigen middelen of door externe financiering een financiële
bijdrage aan het herstructureringsplan levert die zo hoog mogelijk is,
minstens 25% bedraagt van de kosten die aan het herstructureringsplan
verbonden zijn, en reëel en actueel is onder uitsluiting van alle
voor de toekomst verwachte winst en kasstromen van de onderneming.
3. In aanvulling op het eerste lid wordt de subsidie op een zodanig
bedrag vastgesteld dat daarmee uitgesloten is dat de subsidie mede kan
worden gebruikt voor financiering van activiteiten die met het
herstructureringsproces geen verband houden of voor nieuwe
investeringen die voor het herstel van de levensvatbaarheid van de
onderneming niet onmisbaar zijn.
Titel 12. Garantstelling
§ 1. Investeringen
Artikel 2:70. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan subsidie in de vorm van een garantstelling
verstrekken voor de terugbetaling van een lening, voor zover deze
strekt tot financiering van investeringen in de stichting, overname,
instandhouding of verbetering van een kleine of middelgrote
landbouwonderneming.
2.Investeringen als bedoeld in het eerste lid zijn gericht op:
a. verlaging van de productiekosten van landbouwproducten;
b. verbetering en omschakeling van de productie van
landbouwproducten;
c. verhoging van de kwaliteit van landbouwproducten;
d. instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu of
de verbetering van de hygiëneomstandigheden of de normen inzake
dierenwelzijn.
Artikel 2:71. Uitzonderingen en weigeringsgronden
Geen garantstelling wordt verstrekt:
a. voor de terugbetaling van leningen die zijn gericht op de
herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door een
bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om
kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire
vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens
ingeval van overmacht;
b. indien ten aanzien van de investeringen reeds een krediet is
verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd;
c. aan andere landbouwondernemingen dan kleine of middelgrote
ondernemingen;
d. indien de landbouwonderneming een bruto-jaaromzet heeft of zal
hebben die voor de helft of minder wordt verkregen uit de primaire
productie van landbouwproducten;
e. indien aan de aanvrager reeds een garantstelling is verstrekt
door:
1°. de Minister of het bestuur van de Stichting
Borgstellingsfonds voor de Landbouw, en:
– die garantstelling is verleend in het tijdvak van
twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de
aanvraag, of
– met de garantstelling waarop de aanvraag betrekking
heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de
landbouwonderneming, € 2.500.000 of hoger wordt, of
2°. een ander bestuursorgaan dan bedoeld onder 1°;
f. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een
landbouwonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire
vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst
blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode,
overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag
wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan
worden opgezegd;
g. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager
minder dan 15% bedraagt van het balanstotaal;
h. indien de verstrekking van de garantstelling de
landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende
liquiditeitstoename oplevert;
i. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het
oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om eventuele
exploitatietekorten van de landbouwonderneming op te vangen;
j. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het
oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om in de toekomst
noodzakelijke investeringen te kunnen verrichten in de
landbouwonderneming;
k. ingeval de garantstelling in totaal minder dan € 50.000
bedraagt.
Artikel 2:72. Eisen aan subsidie-ontvangers
1. De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt aan aanvragers
die:
a. wegens het ontbreken van de daartoe benodigde zekerheden
volgens normaal bankgebruik onvoldoende financiering voor de
landbouwonderneming kunnen krijgen;
b. voor zover rechtens is toegestaan, op alle hen toebehorende
zaken goederenrechtelijke zekerheid verlenen voor alle door de
bank te verstrekken financieringen, waaronder de lening waarop de
aanvraag betrekking heeft;
c. beschikken over de wettelijk vereiste bescheiden ter zake
van de vestiging en uitoefening van de landbouwonderneming waarop
de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft, en
d. de Dienst Regelingen machtigen tot gebruik van de door hen
op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet verstrekte
gegevens voor de controle van de te verlenen garantstelling.
2. Voor de garantstelling komen natuurlijke personen in aanmerking
indien:
a. zij de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot
garantstelling betrekking heeft voor eigen rekening en risico
beheren;
b. zij aan ten minste één van de volgende voorwaarden
voldoen:
1°. zij beschikken over een getuigschrift van afronding
van een erkende landbouwkundige opleiding of opleiding van
gelijkwaardig niveau, of
2°. zij kunnen aantonen dat zij ten minste drie jaar op
een landbouwonderneming werkzaam zijn geweest, en
c. elk van hen aan de vereisten uit het eerste lid voldoet, en
een van hen aan de voorwaarden uit onderdeel b voldoet, ingeval
meer dan een persoon voor gezamenlijke rekening en risico de
landbouwonderneming beheren.
3. Voor de garantstelling komen rechtspersonen in aanmerking
indien:
a. zij blijkens de statuten de exploitatie van een of meer
landbouwondernemingen ten doel hebben;
b. zij de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot
garantstelling betrekking heeft onder leiding van een
bedrijfsleider hebben gesteld die voldoet aan één van de
voorwaarden, gesteld in het tweede lid, onderdeel b, en
c. de bestuurders zich hoofdelijk verbinden tot de volledige
terugbetaling van de lening waarop de aanvraag betrekking heeft,
alsmede hun hele vermogen tot zekerheid terzake stellen.
4. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
derde lid, onderdeel c.
Artikel 2:73. Nadere voorschriften
1. De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van
een lening die:
a. is verstrekt door een bank waarmee de Minister een
raamovereenkomst, waarin de rechten en plichten van de Minister en
de bank zijn vastgelegd, heeft gesloten;
b. een looptijd heeft van ten hoogste twintig jaar, met dien
verstande dat de bank de looptijd met ten hoogste twee jaar kan
verlengen in geval van betalingsmoeilijkheden, en
c. lineair wordt afgelost.
2. Uiterlijk één jaar na de datum van de beschikking tot
verlening van de garantstelling neemt de subsidie-ontvanger de lening
waarop de garantstelling betrekking heeft volledig op.
3. Bij de bepaling of de landbouwonderneming naar het oordeel van
de Minister voldoende liquiditeitstoename oplevert, wordt uitgegaan
van een, zo nodig door de Minister gewijzigde, begroting die op de
ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder
meer blijkt dat:
a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige
bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake
is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten
de landbouwonderneming waaruit deze kunnen worden bestreden,
gezinsbestedingen kunnen worden betaald;
b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden
gerealiseerd;
c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om
tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan
toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg
van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen
voldoen.
Artikel 2:73a. extra verlenging looptijd
1. In zoverre in afwijking van artikel 2:73, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, kan de bank de looptijd van de lening, waarvoor de
Minister onder de voorwaarden van deze paragraaf een garantstelling
heeft verstrekt, met ten hoogste drie jaar verlengen, mits:
a. de totale looptijd van de lening daarmee niet meer dan twee
en twintig jaar bedraagt, en
b. verlenging noodzakelijk is in verband met
betalingsmoeilijkheden van de landbouwonderneming die zijn
opgetreden als gevolg van de recente uitbraak van de EHEC-bacterie
in Noord-Duitsland.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op garantstellingen als
bedoeld inartikel 2:80, vierde lid.
3. De kredietinstelling kan de verlenging van de looptijd, bedoeld
in het eerste lid, onder de in dat lid in de onderdelen a en b
gestelde voorwaarden, overeenkomstig toepassen op leningen met een
looptijd van maximaal 20 jaar, niet zijnde achtergestelde leningen,
waarvoor garantie is verstrekt op grond van het Besluit
Borgstellingsfonds of het Besluit BF bijzondere borgstellingen.
Artikel 2:74. Rangschikking
Aanvragen tot garantstelling worden overeenkomstig artikel 1:6
gerangschikt.
Artikel 2:75. Indiening aanvraag subsidieverlening
1. De aanvraag tot garantstelling gaat vergezeld van de volgende
documenten:
a. een investerings- en financieringsplan;
b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor
uitvoering van het investeringsplan;
c. een specificatie van de zekerheden voor alle door de bank te
verstrekken financieringen aan de landbouwonderneming, vergezeld
van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de
roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, alsmede
een specificatie van de totale financiering inclusief de daaraan
verbonden voorwaarden na uitvoering van het investeringsplan;
d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;
e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten
van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat de
landbouwonderneming:
1. een bruto-jaaromzet heeft die voor meer dan de helft
wordt verkregen uit de primaire productie van
landbouwproducten, en
2. voldoende liquiditeitstoename oplevert;
f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over
de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;
g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens, en
h. de statuten van de landbouwonderneming, indien de aanvraag
betrekking heeft op een rechtspersoon.
2. In aanvulling op het eerste lid verstrekt de aanvrager op
verzoek van de Minister:
a. een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de
roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, dat:
1. niet ouder is dan zes maanden rekenend vanaf de dag van
indiening van de aanvraag, en
2. is opgesteld door een ter zake deskundig en
onafhankelijk taxateur;
b. alle bescheiden en informatie die de Minister noodzakelijk
acht.
Artikel 2:76. Beschikking
De Minister verstrekt de bank, bedoeld in artikel 2:73, eerste lid,
een afschrift van de beschikking tot verlening van de garantstelling.
Artikel 2:77. Subsidiabele kosten
In aanvulling op, onderscheidenlijk afwijking van artikel 1:15 komen
de volgende kosten in aanmerking voor de garantstelling:
a. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende
zaken;
b. kosten voor de koop of huurkoop van machines en materieel, met
inbegrip van computerprogrammatuur, tot ten hoogste de marktwaarde
van de activa;
c. algemene kosten in verband met uitgaven als bedoeld in
onderdelen a of b, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en
adviseurs, haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en
licenties;
d. kosten voor de aankoop van tweedehands materieel, voor zover
het gaat om landbouwondernemingen met een zeer beperkte technische
startbasis en weinig kapitaal en zij dankzij de lagere kosten van
dergelijk materieel met moderniseringswerkzaamheden kunnen beginnen.
Artikel 2:78. Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op de artikelen 1:15 en 2:2 komen de volgende kosten
niet in aanmerking voor de garantstelling:
a. bedrijfskosten die de begunstigde normaal zou moeten dragen;
b. kosten voor activiteiten die verband houden met de uitvoer als
bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 1857/2006;
c. kosten voor investeringen waarvoor productiebeperkingen of
beperkingen op communautaire steunverlening in het kader van de
gemeenschappelijke marktordeningen zijn vastgesteld, zoals
toeslagrechten en quota;
d. kosten voor investeringen die tot doel hebben de financiële
situatie van producenten te verbeteren, maar in geen enkel opzicht
bijdragen aan de ontwikkeling van de sector;
e. kosten voor landbouwproducten waarvoor geen normale
afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden;
f. kosten voor activiteiten die de landbouwonderneming ook onder
marktvoorwaarden alleen zou kunnen uitvoeren;
g. kosten voor de aankoop van bouwgrond;
h. andere dan de in artikel 2:77, onderdeel b, genoemde kosten in
verband met een huurkoopcontract, waaronder belastingen, marge voor
de verhuurder, kosten voor de herfinanciering van rente,
overheadkosten en verzekeringspremies;
i. kosten voor investeringen in verband met de naleving van
bestaande nationale maatregelen of EG-maatregelen.
Artikel 2:79. Hoogte garantstelling
1. De garantstelling bedraagt ten hoogste € 600.000.
2. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de garantstelling ten
hoogste€ 1.200.000 ingeval een aanvraag tot garantstelling is
ingediend door een natuurlijke persoon die op het tijdstip van
ontvangst van de aanvraag ten hoogste 39 jaar oud is, en die tot doel
heeft voor het eerst voor eigen rekening en risico een
landbouwonderneming te stichten of over te nemen die hij:
a. alleen in eigendom, pacht of erfpacht krijgt, of
b. volledig in eigendom, pacht of erfpacht krijgt met een
andere natuurlijke persoon die op het tijdstip van ontvangst van
de aanvraag ten hoogste 39 jaar oud is en die niet eerder een
landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft
gehad.
3. De garantstelling bedraagt ten hoogste twee derde van de
financieringen die benodigd zijn voor de investeringen, opgenomen in
het investeringsplan, bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, onderdeel
a, verminderd met de eigen beschikbare middelen, rekening houdende met
de financieringsmogelijkheden op basis van beschikbare zekerheden en
de wijze waarop de beschikbare eigen middelen optimaal kunnen worden
aangewend.
4. De hoogte van de garantstelling vermindert naar rato van de
aflossingen die worden gedaan op de lening waarop de garantstelling
betrekking heeft, volgens het aflossingsschema dat is vastgesteld bij
verlening van de garantstelling.
5. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt
ten hoogste vier vijfde van de restantschuld van de lening waarop de
garantstelling betrekking heeft uitbetaald.
Artikel 2:80. Garantstelling ‘plus’
1. In afwijking van artikel 2:79, eerste lid, bedraagt de
garantstelling ten hoogste € 2.500.000 ingeval aan de bepalingen van
dit artikel is voldaan.
2. De aanvraag tot garantstelling is gericht op de terugbetaling
van een lening die strekt tot financiering van de volgende
investeringen:
a. investeringen in een duurzame melkveestal, varkensstal of
pluimveestal die:
1. voldoet aan de eisen van het certificatieschema Maatlat
Duurzame Veehouderij, hetgeen blijkt uit een voorlopig
certificaat dat is afgegeven door een door de Raad voor
Accreditatie hiervoor geaccrediteerde organisatie, en waarvoor
geldt dat:
– binnen twee jaar na afgifte van het voorlopig
certificaat een definitief certificaat wordt overgelegd,
dan wel
– binnen drie jaar een definitief certificaat wordt
overgelegd volgens de dan vigerende Maatlat Duurzame
Veehouderij, en
2. bestaat uit ruimten waarin dieren worden gehuisvest,
stalinrichting, klimaattechnische en voertechnische systemen,
ammoniakemissiereducerende systemen, mestafvoer en mestopslag;
b. investeringen in een Groen Label Kas, die is bestemd voor
het bedrijfsmatig telen van gewassen, en is aangewezen op grond
van de artikelen 3.31, eerste lid, of 3.42a, tweede lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001;
c. aankoop van grond voor de uitoefening van de glastuinbouw,
mits de betrokken kavel ten minste 80 meter breed is met een
lengte-breedte-verhouding van ten hoogste 2:1.
3. De garantstelling wordt verstrekt ter zake van een
investeringsplan, waarbij ten minste de helft van de investeringen
betrekking heeft op investeringen als bedoeld in het tweede lid.
4. Een garantstelling als bedoeld in dit artikel kan tevens worden
verstrekt voor de terugbetaling van leningen die zijn achtergesteld
ten opzichte van andere vorderingen van de bank, waarbij geldt dat:
a. slechts garantstelling wordt verstrekt voor zover de omvang
van de achtergestelde lening kleiner is dan het eigen vermogen van
de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling
betrekking heeft;
b. artikel 2:72, eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing
is, en
c. achtergestelde leningen een looptijd hebben van ten hoogste
tien jaar en niet lineair hoeven te worden afgelost, in afwijking
van artikel 2:73, eerste lid, onderdelen b en c.
§ 2. Werkkapitaal
Artikel 2:81. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. werkkapitaal: kapitaal ter dekking van uitgaven die moeten
worden gemaakt om de lopende bedrijfsvoering van de
landbouwonderneming doorgang te doen vinden, niet zijnde kosten als
bedoeld in artikel 2:77;
b. Verordening (EG) nr. 1535/2007: Verordening (EG) nr. 1535/2007
van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van
de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de
landbouwproductiesector (PbEU L 337);
c. de-minimissteun: de-minimissteun als bedoeld in artikel 3 van
Verordening (EG) nr. 1535/2007;
d. Commissie: Commissie van de Europese Gemeenschappen;
e. Tijdelijke communautaire kaderregeling: Mededeling van de
Commissie– Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake
staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de
huidige financiële en economische crisis (PbEU C 16);
f. Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011: mededeling van de
Commissie – Tijdelijke kaderregeling van de Unie inzake
staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de
huidige financiële en economische crisis (PbEU 2011 C 6);
g. subsidie-equivalent: subsidie-equivalent als bedoeld in punt
4.4. van de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing
van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de
vorm van garanties (PbEU C 155).
Artikel 2:82. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan tot en met 31 december 2011 subsidie in de vorm van
een garantstelling verstrekken aan een landbouwonderneming voor de
terugbetaling van een lening, voor zover deze strekt tot financiering
van werkkapitaal.
Artikel 2:83. Nadere voorschriften
1. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel
2:82, zijn van toepassing:
a. artikel 2:71, aanhef en onderdelen a, c, d, f en h;
b. artikel 2:72, eerste tot en met derde lid;
c. artikel 2:73, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
d. artikel 2:74;
e. artikel 2:76.
2. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel
2:82, is van overeenkomstige toepassing artikel 2:71, aanhef en
onderdeel b.
3. De garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, wordt uitsluitend
verstrekt:
a. aan een landbouwonderneming die:
1° na 1 juli 2008 in liquiditeitsproblemen is gekomen, of
2° in zoverre in afwijking van artikel 2:1a, op 1 juli
2008 niet in moeilijkheden verkeerde, doch vervolgens in
moeilijkheden is gekomen als bedoeld in punt 2.2, onderdeel d,
van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011,
en de betreffende landbouwonderneming daardoor op het tijdstip
van de aanvraag de benodigde zekerheden ontbeert om volgens
normaal bankgebruik financiering voor werkkapitaal te krijgen;
b. ten behoeve van een lening van ten hoogste € 850.000 die
een looptijd heeft van maximaal drie jaar en uitsluitend bestemd
is voor financiering van werkkapitaal dat de onderneming de
eerstkomende 12 maanden na indiening van de aanvraag tot
garantstelling nodig heeft;
c. indien aan de landbouwonderneming na 1 juli 2008 ten minste
twee jaar uitstel van betaling is verleend op alle door de
landbouwonderneming met banken afgesloten leningen.
4. Artikel 2:2, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op de
verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, voor
zover het kosten voor dieren, planten en de aanplant van planten voor
niet-permanente gewassen betreft.
5. Per onderneming kan slechts één garantstelling worden
verstrekt.
6. Onder landbouwonderneming in moeilijkheden als bedoeld in het
derde lid, wordt verstaan een landbouwonderneming in moeilijkheden
zoals gedefinieerd in punt 2.1 van de communautaire richtsnoeren
inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in
moeilijkheden (PbEU C 244).
Artikel 2:84. Indiening aanvraag garantstelling
1. De aanvraag tot garantstelling wordt namens de natuurlijke
persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:72 ingediend door de
bank die de lening verstrekt.
2. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten:
a. een verklaring van de bank dat de landbouwonderneming
voldoet aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden om de
garantstelling te kunnen verstrekken en waarin de bank met name
aangeeft dat inzichtelijk is dat de landbouwonderneming in
liquiditeitsproblemen als bedoeld in artikel 2:83, derde lid,
verkeert;
b. een door de landbouwonderneming opgemaakte verklaring,
waarin opgave wordt gedaan van alle vanaf 1 januari 2008
verstrekte de-minimissteun, steun verstrekt op grond van punt
4.2.2 van de Tijdelijke communautaire kaderregeling en steun
verstrekt op grond van punt 2.2 van de Tijdelijke communautaire
kaderregeling 2011.
3. De aanvrager of de bank verstrekt op verzoek van de Minister
alle bescheiden en informatie die de Minister noodzakelijk acht,
waaronder:
a. een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de
landbouwonderneming;
b. een overzicht van de stand van de leningen en kredieten van
de landbouwonderneming;
c. een specificatie van de zekerheden voor alle door de bank te
verstrekken financieringen aan de landbouwonderneming, vergezeld
van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de
roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, alsmede
een specificatie van de totale financiering die onder de
garantstelling zal vallen inclusief de daaraan door de bank
verbonden voorwaarden;
d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;
e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten
van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat de
landbouwonderneming een bruto-jaaromzet heeft die voor meer dan de
helft wordt verkregen uit de primaire productie van
landbouwproducten en voldoende liquiditeitstoename oplevert;
f. de boekhoudverslagen en aangiften inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien
beschikbaar;
g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens;
h. voor zover van toepassing, maatschapovereenkomsten,
overeenkomsten inzake vennootschappen onder firma of commanditaire
vennootschappen, of statuten van de landbouwonderneming indien de
aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon;
i. een verklaring van de bank dat aan de landbouwonderneming na
1 juli 2008 voor ten minste twee jaar uitstel van betaling is
verleend, of verleend zal worden, op alle door banken aan de
onderneming verstrekte leningen.
4. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt
deze uitsluitend uitgekeerd indien op grond van de bescheiden en de
informatie, bedoeld in het tweede lid en derde lid, wordt vastgesteld
dat de landbouwonderneming ten tijde van de aanvraag voldeed aan de in
deze paragraaf gestelde voorwaarden om voor garantstelling in
aanmerking te komen.
Artikel 2:85. Hoogte en looptijd garantstelling
1. De garantstelling bedraagt ten hoogste de helft van het bedrag
van de lening die met de bank is aangegaanvoor de financiering van het
werkkapitaal, met dien verstande dat de garantstelling ten minste €
25.000 en ten hoogste € 425.000 bedraagt.
2. De hoogte van de garantstelling wordt verminderd naar rato van
de extra aflossingen die worden gedaan op leningen waarvoor de
garantstelling is verstrekt.
3. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt
ten hoogste de helft van de restantschuld van de lening waarop de
garantstelling betrekking heeft uitbetaald.
Artikel 2:86 [Vervallen per 18-02-2011]
Artikel 2:87. Beslistermijn subsidieverlening
De Minister verleent de subsidie, bedoelt in artikel 2:82, binnen
twee weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:84, indien
aan de in dat artikelgestelde voorwaarden is voldaan.
Artikel 2:88. Provisie
1. De subsidieontvanger betaalt aan de bank eenmalig 4,5% provisie
over het totale bedrag van de lening die onder garantstelling wordt
verstrekt.
2. De bank betaalt de provisie aan de Minister.
Artikel 2:89. Cumulatie
Gedurende de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011
bedraagt het totaal aan de-minimissteun, steun verstrekt op grond van
punt 4.2.2 van de Tijdelijke kaderregeling en steun verstrekt op grond
van punt 2.2 van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011, met in
begrip van steun die in de vorm van een garantstelling aan een
landbouwonderneming op grond van deze paragraaf is toegekend, niet meer
dan het subsidie-equivalent van ten hoogste € 15.000.
Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en recreatie
Titel 1. Begripsbepalingen
Artikel 3:1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
– beheer: al hetgeen in een terrein wordt verricht ten behoeve
van instandhouding en ontwikkeling van de in dat terrein aanwezige
waarden van natuurwetenschappelijke, landschappelijke of
cultuurhistorische betekenis of vanwege de bosbouwkundige waarden,
alsmede de daarmee verbonden administratie;
– bos: aaneengesloten terrein, waarop de meldings- en
herplantplicht, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Boswet, van
toepassing is;
– bosgroep: coöperatieve vereniging van bos-, natuur en
landgoedeigenaren die bos-, natuur en landgoedeigenaren ondersteunt
bij het beheer van hun bos, natuur en landschap;
– inrichting: het geschikt maken van een terrein voor de
instandhouding, het herstel of de ontwikkeling van de natuurwaarden,
landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden of
bosbouwkundige waarden en het daarmee samenhangende beheer;
– landschapsontwikkelingsplan: plan voor het grondgebied van
één of meer gemeenten ter verbetering van de landschapskwaliteit
in het desbetreffende gebied;
– Landschappen: Stichting Unie van provinciale landschappen,
statutair gevestigd te de Bilt;
– natuurgebied: natuurgebied dat als zodanig is begrensd in een
natuurgebiedsplan:
a. als bedoeld in artikel 13 van de Subsidieregeling
natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, of
b. dat is vastgesteld op grond van een ingevolge artikel 11,
derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied door
provinciale staten van de onderscheiden provincies vastgestelde
verordening inzake subsidies voor natuurbeheer;
– natuurontwikkeling: het scheppen van de abiotische en
biotische omstandigheden voor de ontwikkeling van natuurwaarden van
nationale of internationale betekenis door middel van daarop
toegesneden eenmalige maatregelen voor inrichting en beheer;
– natuurterrein: terrein, met uitzondering van bos, dat:
a. bestaat uit hoogveen, zandverstuiving, droge heide of
droog schraal grasland, natte heide of nat schraal grasland,
vennen, plassen of andere wateren, en
b. aaneengesloten is dan wel over meer dan 100 meter niet is
onderbroken door een spoordijk, kanaal, rivier, rijksweg of op
andere wijze;
– terreinen: gronden, daaronder begrepen natuurterreinen,
wateren, landgoederen, bossen en andere houtopstanden, alsmede de op
die gronden gelegen objecten, die van belang of van potentieel
belang zijn om hun natuurwetenschappelijke, landschappelijke of
cultuur-historische betekenis of vanwege bosbouwkundige waarden;
– Unie van Bosgroepen: Unie van Bosgroepen, u.a., statutair
gevestigd te Ede;
– Vereniging Natuurmonumenten: Vereniging tot Behoud van
Natuurmonumenten in Nederland, statutair gevestigd te ’s-Graveland;
– Vereniging Platform Soortenbeschermende Organisaties:
Vereniging Platform Soortenbeschermende Organisaties, statutair
gevestigd te Wageningen;
– verwerving: verwerving van het recht van eigendom of het
recht van erfpacht.
Artikel 3:2. Verplichtingen subsidieontvanger bij projecten
1. Artikel 1:13, tweede lid, aanhef in samenhang met onderdeel b,
is niet van toepassing op de ontvanger van een subsidie voor de
uitvoering een project op grond van dit hoofdstuk.
2. Artikel 1:13, derde lid, is niet van toepassing op de ontvanger
van een subsidie voor de uitvoering van een project op grond van Titel
2avan dit hoofdstuk.
Titel 2 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:3 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:4 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:5 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:6 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:7 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:8 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:9 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 3:10 [Vervallen per 01-07-2011]
Titel 2a. Draagvlak duurzaam voedsel
Artikel 3:10a. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder duurzaam voedsel: voedsel
geproduceerd om te voorzien in de behoefte van de huidige generatie
zonder dat daarbij de mogelijkheden van toekomstige generaties worden
verminderd om in hun behoeften te voorzien.
Artikel 3:10b. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan stichtingen en verenigingen zonder
winstoogmerk, of samenwerkingsverbanden daarvan, subsidie verstrekken
voor de uitvoering van een project dat een geheel van afgebakende en
eenmalige activiteiten vormt, en:
a. is gericht op het in de Nederlandse samenleving vergroten
van de aandacht voor duurzaam voedsel of het draagvlak voor
duurzaam voedsel, en
b. aansluit op het beleid zoals beschreven in speerpunt 2 van
de nota Duurzaam voedsel (Kamerstukken II 2008/2009, 31 532,
nr.18).
2. Voor subsidie komen in ieder geval in aanmerking projecten die
op doelmatige wijze bijdragen aan de doelstelling van het eerste lid
door:
a. het vergroten van kennis van duurzaam voedsel door het
ontwikkelen van modelprogramma’s en bijbehorende trainingen voor
intermediairs en leerkrachten, voor gebruik bij binnen- en
buitenschoolse educatie;
b. het vergroten van kennis van duurzaam voedsel bij groepen in
de samenleving die een bijdrage kunnen leveren aan de realisering
van de doelstellingen uit de nota Duurzaam voedsel, door het geven
van voorlichting of het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal;
c. het vergroten van de aandacht voor duurzaam voedsel door het
ontwikkelen van een visie op het belang van duurzaam voedsel, het
inbrengen van deze visie in overlegsituaties en het vragen van de
publieke aandacht voor deze visie;
d. het verhogen van de organisatiegraad en verbeteren van
onderlinge contacten door het stimuleren van samenwerking tussen
organisaties op het gebied van duurzaam voedsel en het bevorderen
van informatie-uitwisseling tussen die organisaties.
3. Geen subsidie wordt verstrekt indien:
a. het project niet uitsluitend een publieksgericht of openbaar
karaker heeft;
b. het project een looptijd heeft van meer dan één jaar;
c. de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan€
15.000;
d. de subsidie geheel of gedeeltelijk ten goede komt aan
instellingen of instanties die opereren met winstoogmerk of aan
ondernemingen;
e. het project tevens wordt bekostigd door instellingen of
instanties die opereren met winstoogmerk of door ondernemingen;
f. het project geheel of gedeeltelijk uit andere hoofde op
grond van deze regeling kan worden gesubsidieerd, ongeacht of de
mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening
is opengesteld.
Artikel 3:10c. Rangschikking naar geschiktheid
De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger
naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft:
a. doelmatiger kan worden uitgevoerd als gevolg van de kennis, de
kunde, de capaciteit, het netwerk en het maatschappelijk draagvlak
van de uitvoerende organisatie of organisaties;
b. meer aansluit bij het beleid zoals beschreven in speerpunt 2
van de nota Duurzaam voedsel.
Artikel 3:10d. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger vangt het project waarvoor de subsidie is
verleend aan binnen één jaar na de datum van subsidieverlening.
Artikel 3:10e. Beslistermijn subsidievaststelling
Een beschikking omtrent subsidievaststelling wordt gegeven binnen
vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
Artikel 3:10f. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:
a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project
betrokken personeel in dienst van de subsidieontvanger;
b. kosten van verbruikte materialen of hulpmiddelen;
c. kosten van vrijwilligers, voor zover deze een
vrijwilligersvergoeding ontvangen, per kalenderjaar tot ten hoogste
het bedrag dat jaarlijks belastingvrij als vrijwilligersvergoeding
kan worden verstrekt, met dien verstande dat het maximum evenredig
wordt aangepast indien een vrijwilliger dat kalenderjaar niet
volledig werkzaam is geweest;
d. aan derden verschuldigde kosten ter zake van planvormings- en
uitvoeringsactiviteiten tot ten hoogste 35% van de in de onderdelen
a, b en c genoemde kosten;
e. reis- en verblijfkosten;
f. kosten voor overhead tot ten hoogste een bedrag dat gelijk is
aan 10% van de ingevolge onderdeel a voor subsidie in aanmerking
komende loonkosten;
g. kosten als bedoeld in de onderdelen b tot en met e die
onvoorzien zijn, tot ten hoogste 15% van het bedrag dat wel is
voorzien.
Artikel 3:10g. Hoogte subsidie en voorschotten
1. De subsidie bedraagt ten hoogste €75.000.
2. Een voorschot van ten hoogtse 40% van het subsidiebedrag wordt
uitsluitend verleend indien het project binnen 3 maanden na
subsidieverlening van start gaat.
Titel 3 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:11 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:12 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:13 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:14 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:15 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:16 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:17 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:18 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:19 [Vervallen per 01-01-2010]
Titel 4 [Vervallen per 01-01-2011]
§ 1 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:20 [Vervallen per 01-01-2011]
§ 2 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:21 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:21a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:22 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:23 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:24 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:25 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:25a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:26 [Vervallen per 01-01-2011]
§ 3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:27 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:28 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:29 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:30 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:31 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:32 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3:33 [Vervallen per 01-01-2011]
Titel 5. Nationale en grensoverschrijdende parken
Artikel 3:34. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan op aanvraag aan de IVN Vereniging voor natuur- en
milieueducatie, statutair gevestigd te Amsterdam, en de Stichting
Samenwerkingsverband Nationale Parken, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage,
subsidie verstrekken voor projecten gericht op kwaliteitsverbetering,
samenwerking, educatie, voorlichting en onderzoek van:
a. een door de Minister aangewezen nationaal park dan wel
nationaal park in oprichting,
b. een door het Rijk gezamenlijk met het Koninkrijk België of de
Bondsrepubliek Duitsland als grensoverschrijdende park aangewezen of
aan te wijzen gebied, waarvoor afspraken gelden met betrekking tot
het beheer en de inrichting daarvan, of
c. het particuliere nationale park De Hoge Veluwe of Veluwezoom.
Artikel 3:35. Indiening van een aanvraag
1. In afwijking van de artikelen 1:8, eerste lid, en 1:13, vijfde
lid, wordt de aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling,
onderscheidenlijk tot goedkeuring als bedoeld in artikel 1:13, derde
lid, ingediend bij de Directeur Natuur, Landschap en Platteland van
het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
2. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot
subsidievaststelling ingediend voor 31 december van het kalenderjaar
volgend op het jaar waarvoor de subsidie is verleend.
Artikel 3:36. Beslistermijn subsidieverlening
In afwijking van artikel 1:10, eerste lid, wordt een beschikking
omtrent subsidieverlening gegeven voor 15 februari van het jaar waarin
het project wordt uitgevoerd.
Artikel 3:37. Verplichtingen subsidieontvanger
Artikel 1:13, tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel 3:38 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:39. Betaling subsidiebedragen en voorschotten
1. De Minister betaalt subsidiebedragen en voorschotten aan de IVN
Vereniging voor natuur- en milieueducatie via het Groenfonds.
2. In afwijking van artikel 1:17, tweede lid, kan de Minister aan
de Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken voorschotten
verlenen tot ten hoogste 95% van het te verstrekken subsidiebedrag.
Titel 6 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:40 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:40a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:41 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:42 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:43 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:44 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:45 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:46 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3:47 [Vervallen per 01-01-2010]
Titel 7 [Vervallen per 25-11-2007]
Artikel 3:48 [Vervallen per 25-11-2007]
Artikel 3:49 [Vervallen per 25-11-2007]
Artikel 3:50 [Vervallen per 25-11-2007]
Titel 8. Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en
landgoedeigenaren
Artikel 3:51. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan subsidie verstrekken aan de Unie van Bosgroepen
voor projecten die een bijdrage leveren aan rendementsverbetering
binnen de bos- en natuursector alsmede aan verbetering van de
kwaliteit van het bos en de natuur.
2.De volgende activiteiten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. het verbeteren van de advisering en opleiding aan bos- en
natuureigenaren met een bezit kleiner dan 250 hectare over het
beheer van bos- en natuurterreinen;
b. het verzamelen van natuurgegevens;
c. het opstellen van aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in:
a. artikel 20a van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000,
zoals die luidde tot 1 januari 2007, of
b. een met de subsidie, bedoeld onder 1, overeenkomende
subsidie die door provinciale staten kan worden verstrekt op
grond van een ingevolge artikel 11, derde lid, van de Wet
inrichting landelijk gebied door hen vastgestelde verordening,
of
c. artikel 3:11 van deze regeling.
Artikel 3:52. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. loonkosten;
b. aan derden verschuldigde kosten;
c. en kosten van de voor de subsidievaststelling benodigde
controleverklaring van een accountant.
Titel 8a. Versterking recreatie
Artikel 3:53. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan het Kenniscentrum Recreatie subsidie
verstrekken voor de uitvoering van programma’s die een bijdrage
leveren aan de bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied
van de recreatie.
2. De programma’s hebben betrekking op een kalenderjaar.
Artikel 3:54. Indiening van een aanvraag
In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt de aanvraag tot
subsidieverlening of subsidievaststelling ingediend bij de Directeur
Natuur, Landschap en Platteland van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie.
Artikel 3:55. Indiening aanvraag subsidieverlening
1.Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een
werkprogramma.
2.Het werkprogramma bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de werkzaamheden en activiteiten van de
instelling voor het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking
heeft;
b. een beschrijving van de financiële gevolgen van de
werkzaamheden en de activiteiten;
c. een meerjarenperspectief;
d. een plan voor de uitvoering van een evaluatie waarin wordt
aangegeven in hoeverre de beoogde doelen bereikt zijn.
Artikel 3:56. Beslistermijn subsidieverlening
In afwijking van artikel 1:10, eerste lid, wordt een beschikking
omtrent subsidieverlening gegeven binnen drie maanden na afloop van de
periode voor het aanvragen van subsidieverlening.
Artikel 3:57. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voert het programma uit overeenkomstig het
werkprogramma waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking
heeft.
Artikel 3:58. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van:
a. een financiële verantwoording van het programma;
b. de eindrapportage van het programma.
Artikel 3:59. Beslistermijn subsidievaststelling
Een beschikking omtrent subsidievaststelling wordt gegeven binnen
vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
Artikel 3:60. Voorschot
1. In afwijking van artikel 1:17, tweede lid, kan de Minister
voorschotten verlenen tot ten hoogste 95% van het te verstrekken
subsidiebedrag.
2. De aanvraag tot subsidieverlening gaat in verband met het
vaststellen van een voorschot vergezeld van de liquiditeitsbehoefte.
Titel 9. Behoud zeldzame landbouwhuisdierenrassen
Artikel 3:61. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan aan de Stichting Zeldzame Huisdieren subsidie
verstrekken voor de begeleiding van stamboek-, ras- en fokverenigingen:
a. bij het opstellen van strategische meerjarenplannen en van
project- en subsidieaanvragen;
b. bij het bevorderen van de relaties met regionale en landelijke
organisaties met (potentiële) interesse voor de instandhouding van
zeldzame landbouwhuisdierenrassen.
Artikel 3:62. Indienen van een aanvraag
In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt de aanvraag tot
subsidieverlening ingediend bij de Directeur Agroketens en Visserij van
het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Artikel 3:63. Indiening aanvraag subsidieverlening
1.Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een
werkprogramma.
2.Het werkprogramma bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de werkzaamheden en activiteiten van de
instelling voor het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking
heeft;
b. een beschrijving van de financiële gevolgen van de
werkzaamheden en de activiteiten;
c. een meerjarenperspectief; en
d. een plan voor de uitvoering van een evaluatie waarin wordt
aangegeven in hoeverre de beoogde doelen bereikt zijn.
Artikel 3:64. Indiening aanvraag subsidievaststelling
Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van:
a. een financiële verantwoording van het programma;
b. de eindrapportage van het programma.
Artikel 3:65. Beslistermijn subsidievaststelling
Een beschikking omtrent subsidievaststelling wordt gegeven binnen
vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
Hoofdstuk 4. Visserij
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 4:1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
– verordening nr. 1198/2006: Verordening (EG) nr. 1198/2006
van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europese Visserijfonds (PbEU
L 223);
– verordening nr. 510/2006: Verordening (EG) nr. 510/2006 van
de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische
aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en
levensmiddelen (PbEU L 93);
– verordening nr. 1077/2008: Verordening (EG) nr. 1077/2008
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 november
2008 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor Verordening
(EG) 06/1966 van de Raad betreffende de elektronische registratie
en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor
teledetectie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 07/1566;
– Besluit: Besluit registratie vissersvaartuigen 1998;
– kleine, middelgrote en micro-ondernemingen: kleine,
middelgrote en micro-onderneming in de zin van Aanbeveling
2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de
definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L
124);
– visserijonderneming: onderneming die actief is binnen de
visserijsector;
– visser: natuurlijk persoon die zijn hoofdberoep uitoefent
aan boord van een in bedrijf zijnd vissersvaartuig;
– vissersvaartuig: vaartuig dat gebruikt wordt voor de
uitoefening van de bedrijfsmatige visserij, dat overeenkomstig
artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967
als Nederlands geldt en dat overeenkomstig het bij of krachtens
het besluit bepaalde staat geregistreerd;
– binnenvisserij: visserij voor commerciële doeleinden met
vaartuigen die uitsluitend actief zijn in de binnenwateren en die
niet in het communautaire register van vissersvaartuigen zijn
opgenomen;
– aquacultuur: de kweek of teelt van aquatische organismen,
waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken
organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van
het milieu;
– gangbare praktijk in de aquacultuursector:
aquacultuuractiviteiten die worden uitgevoerd overeenkomstig de
bindende gezondheids-, veterinaire of milieuwetgeving;
– visvergunning: aan een ondernemer ten aanzien van een
vissersvaartuig toegekende visvergunning als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij;
– garnalenvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 11
van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren
verleend voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen
van garnalen (Crangon, crangon) in de visserijzone, het zeegebied
of de kustwateren;
– contingent: contingent als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij;
– meetbrief: document als bedoeld in artikel 4 van de
Meetbrievenwet 1981;
– brutoton: maat ter bepaling van de scheepsinhoud
overeenkomstig bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot
stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van
schepen (Trb. 1970, 122 en 194);
– innovatieproject: project dat een samenhangend geheel van
activiteiten vormt, welke zijn gericht op het verwerven en
verspreiden van nieuwe technische kennis die wordt verkregen door:
a. het ontwikkelen van een innoverende technologie en het
onder realistische omstandigheden in de productiesector testen
van de technische en economische levensvatbaarheid van deze
technologie;
b. testen uit te voeren in verband met beheersplannen en
plannen voor het toewijzen van visserij-inspanningen,
waaronder desnoods het sluiten van gebieden voor de visserij
om de biologische en financiële gevolgen te kunnen evalueren,
en het experimenteel uitzetten van vis;
c. methoden te ontwikkelen en te testen om de selectiviteit
van het vistuig te verbeteren of om de bijvangsten, de
overboord gezette hoeveelheden of de gevolgen voor het milieu
te beperken, of
d. alternatieve soorten visserijbeheerstechnieken te
testen;
– Visserij Innovatie Platform: door de Minister van LNV
ingesteld platform dat adviseert over kansrijke innovaties in de
visserij, zoals meegedeeld bij brief aan de Tweede Kamer van 27
juni 2006 (Kamerstukken II 2005-06, 29675, nr. 19);
– experimentele visserij; het gebruik van vistuig en andere
apparatuur voor de detectie van vis om vast te stellen welke
vissoorten in welke hoeveelheden aanwezig zijn, teneinde een
indruk te krijgen van de omvang van de bestanden in dat gebied en
van de economische perspectieven van commerciële exploitatie van
deze bestanden;
– maatschappelijke organisatie: rechtspersoon zonder
winstoogmerk, niet zijnde een overheidsorganisatie of onderneming
in Europeesrechtelijke zin;
– ondernemer: natuurlijk persoon of rechtspersoon te wiens
naam het vissersvaartuig in het visserijregister staat
geregistreerd;
– vissoorten: alle soorten van vis, schaal-, schelp- en
weekdieren.
2. In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, komen kosten voor
huisvesting niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit
hoofdstuk.
3. In aanvulling op artikel 1:15, vijfde lid, onder a, is het
uurtarief voor eigen arbeid € 35,– per uur voor subsidie op grond
van dit hoofdstuk.
4. De Minister kan tot 5 jaar na de subsidievaststelling de
subsidie op grond van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk intrekken
indien naar de mening van de Minister het resultaat van het project of
de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt, wordt gewijzigd:
a. waardoor de aard van het resultaat van het project of de
activiteit is veranderd;
b. waardoor in strijd met de uitvoeringsvoorwaarden van de
subsidie wordt gehandeld;
c. waardoor de subsidieontvanger een onrechtmatig voordeel
heeft;
d. tengevolge van een verandering in de eigendom van een
infrastructuurvoorziening, of
e. tengevolge van de beëindiging of verplaatsing van een
productieve activiteit.
5. De Minister kan in het besluit op grond van artikel 1:3 bepalen
dat artikel 1:2, tweede lid, niet van toepassing is op subsidies
verleend op grond van dit hoofdstuk.
6. Onverminderdartikel 1:12, vierde lid, bewaart de ontvanger van
een subsidie, verstrekt op grond van dit hoofdstuk, de in dat lid
bedoelde administratie tot en met 31 december 2020.
Artikel 4:1a. Aanwijzing van instanties
1. Als beheersautoriteit als bedoeld in artikel 58, eerste lid,
onderdeel a, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de
Minister.
2. Als certificeringsautoriteit als bedoeld in artikel 58, eerste
lid, onderdeel b, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de
Afdeling CA van de Dienst Regelingen.
3. Als auditautoriteit als bedoeld in artikel 58, eerste lid,
onderdeel c, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de
Rijksauditdienst van het Ministerie van Financiën.
4. Als bemiddelende instantie als bedoeld in artikel 58, tweede
lid, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de Dienst
Regelingen.
Artikel 4:1b. Voorschotten
1. Artikel 1:17 is niet van toepassing op subsidie op grond van dit
hoofdstuk.
2. De Minister kan voor subsidie op grond van dit hoofdstuk op
aanvraag een voorschot verlenen voor subsidiabele kosten:
a. tot een maximum van 80% van het ten hoogste te verstrekken
subsidiebedrag voor zover de kosten door de subsidieontvanger zijn
gemaakt en betaald, alsmede voor kosten van eigen arbeid, of
b. tot een maximum van 50% van het ten hoogste te verstrekken
subsidiebedrag voor kosten die nog niet door de subsidieontvanger
zijn gemaakt, indien de Minister in de openstelling, bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, heeft bepaald dat de aanvraag tot
voorschotverlening vergezeld gaat van een liquiditeitsoverzicht.
Titel 2. Capaciteit visserijvloot
§ 1. Beëindigen visserijactiviteiten
Artikel 4:2. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan op aanvraag aan de eigenaar van een
vissersvaartuig overeenkomstig het bepaalde in deze regeling subsidie
verlenen ter zake van:
a. de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten met
dat vissersvaartuig, of
b. de eigendomsoverdracht van het vissersvaartuig in het kader
van de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten.
2.Onder definitieve beëindiging als bedoeld in het eerste lid
wordt verstaan:
a. sloop van het vissersvaartuig;
b. het definitieve gebruik van het vissersvaartuig voor andere
doeleinden dan visserij, onder de vlag van een lidstaat van de
Europese Unie en voor dat gebruik geregistreerd in de Europese
Unie.
Artikel 4:3. Rangschikking naar geschiktheid
1.De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4
hoger naarmate het aangevraagde subsidiebedrag een lager percentage is
van het maximale subsidiebedrag dat voor het betrokken vaartuig kan
worden betaald op grond van artikel 4:7.
2.Indien bij de toepassing van het eerste lid aanvragen op dezelfde
hoogte worden gerangschikt, wordt de onderlinge rangorde tussen deze
aanvragen bepaald in volgorde van ontvangst overeenkomstig artikel
1:6.
Artikel 4:4. Vereisten aanvraag subsidieverlening
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een kopie van de
meetbrief.
Artikel 4:5. Verplichtingen subsidieontvanger
1.De subsidieontvanger is verplicht om binnen drie maanden, te
rekenen vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening,
ervoor zorg te dragen dat:
a. hetzij de sloop van het vissersvaartuig, hetzij de
definitieve bestemming van het vissersvaartuig voor andere
doeleinden dan de visserij heeft plaatsgevonden, waarbij in het
laatstbedoelde geval de op het vissersvaartuig aanwezige vistuigen
en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de
visserij zijn verwijderd;
b. het registratienummer van het vissersvaartuig, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de Regeling eisen, administratie en
registratie inzake uitoefening visserij is verwijderd;
c. de inschrijving van het vissersvaartuig in het register,
bedoeld in artikel 4 van het besluit, is doorgehaald;
d. de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek, ongedaan is gemaakt;
e. het vaartuig wordt ingeschreven in het register van de
lidstaat van de Europese Unie onder de vlag van welke het vaartuig
wordt gebracht, indien de visserijactiviteit wordt beëindigd
overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b.
2.De Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn op een met
redenen omkleed verzoek van de subsidieontvanger eenmalig met ten
hoogste vier weken verlengen.
3.In geval van definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 4:2,
tweede lid, onderdeel b, is de subsidieontvanger verplicht om ervoor
zorg te dragen dat het vaartuig niet op enig tijdstip terugkeert in de
hoedanigheid van vissersvaartuig.
Artikel 4:6. Indiening aanvraag subsidievaststelling
1. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, dient de
subsidieontvanger binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld
in artikel 4:5, eerste lid, een aanvraag tot subsidievaststelling in.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van een ambtenaar van de Algemene
Inspectiedienst dat is voldaan aan:
1°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, voor zover het
betreft de sloop van het vissersvaartuig of het verwijderen
van de aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek
bestemd en geschikt voor de visserij, en
2°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel b;
b. overige bescheiden waarmee naar het oordeel van de Minister
wordt aangetoond dat aan de in artikel 4:5, eerste lid, bedoelde
verplichtingen is voldaan;
c. het originele exemplaar van de ten aanzien van het
betreffende vissersvaartuig toegekende visvergunning;
d. het originele exemplaar van de garnalenvergunning en van de
vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde,
voor zover deze vergunningen ten aanzien van het betreffende
vissersvaartuig zijn toegekend;
e. het originele exemplaar van de vismachtiging, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringregeling zeevisserij, voor
zover ten aanzien van het desbetreffende vissersvaartuig een
vismachtiging is toegekend;
f. een taxatierapport van het vaartuig van een beëdigd
taxateur, indien de visserijactiviteit beëindigd wordt
overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 4:7. hoogte subsidie
1.De Minister bepaalt de maximale hoogte van de subsidie volgens de
formule: forfaitair subsidiebedrag per brutoton maal brutotonnage van
het vissersvaartuig plus een aanvullend bedrag.
2.De Minister bepaalt de hoogte van het forfaitaire subsidiebedrag
per brutoton en van het aanvullende bedrag, waarbij een
klasse-indeling in brutotonnage kan worden aangehouden.
3.De formule ter bepaling van de maximale hoogte van de subsidie
kan uitgebreid worden om rekening te houden met de leeftijd van het
vaartuig.
4.Indien de visserijactiviteit beëindigd wordt overeenkomstig
artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b, wordt de subsidie verminderd met
de marktwaarde van het vaartuig, die is bepaald in het taxatierapport,
bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, onderdeel f.
5.Indien het vaartuig verloren gaat op een tijdstip tussen het
moment van subsidieverlening en de subsidievaststelling, wordt de
subsidie verminderd met het bedrag van de door de verzekering
uitgekeerde vergoeding.
Artikel 4:8
Ten aanzien van contingenten die zijn toegekend ten behoeve van
vaartuigen waarvoor subsidie wordt verleend, wordt de periode van
aanhouden van een contingent als bedoeld in artikel 14 van de Regeling
contingentering zeevis vastgesteld op ten hoogste 36 maanden.
§ 2. Sociaal-economische maatregelen
Artikel 4:9. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan op aanvraag aan een visser subsidie verstrekken:
a. voor de verbetering van de beroepsvaardigheden, met name van
jonge vissers;
b. voor de omscholing naar een beroep buiten de zeevisserij;
c. als eenmalige compensatie indien de visserijactiviteit van
het vaartuig waarop de visser ten minste twaalf maanden heeft
gewerkt, definitief is beëindigd in de zin van artikel 4:2;
d. voor het vroegtijdig uittreden uit de visserij
2.De aanvraag voor subsidie wordt afgewezen indien de aanvrager
reeds eerder een subsidie voor een activiteit als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b en d, heeft ontvangen op grond van deze
paragraaf, de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de
visserij, de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de
visserij 2002, de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit
de visserij 2003 of in de twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag
op grond van paragraaf 1 van hoofdstuk 4 een aanvraag tot
subsidieverlening heeft gedaan.
Artikel 4:10. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 4:11. Verplichtingen subsidieontvanger
1.Artikel 1:2, tweede lid, is niet van toepassing op
subsidieverlening op grond van artikel 4:9, met dien verstande dat
activiteiten verricht voor 1 januari 2007 niet in aanmerking komen
voor subsidie.
2.Binnen een termijn van drie maanden na de beschikking tot
verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid,
onderdeel d, toont de subsidieontvanger ten genoegen van de Minister
aan dat hij zijn werkzaamheden als visser definitief heeft beëindigd.
3.Na uitkering van de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid,
onderdeel b, is het de subsidieontvanger verboden binnen vijf jaar
zijn beroepsactiviteit als visser te hervatten.
4.Na uitkering van de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid,
onderdeel c, is het de subsidieontvanger verboden binnen twaalf
maanden zijn beroepsactiviteit als visser te hervatten.
Artikel 4:12. Indiening aanvraag subsidievaststelling
1.In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, dient de
subsidieontvanger 24 maanden na de beschikking tot subsidieverlening
op grond van artikel 4:9, onderdeel a of b, een aanvraag tot
subsidievaststelling in.
2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een
afschrift van het certificaat of diploma van de gevolgde cursus.
Artikel 4:13. Subsidievaststelling
Binnen acht weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel
4:11, tweede lid, stelt de Minister de subsidie, bedoeld in artikel 4:9,
eerste lid, onderdeel d, vast.
Artikel 4:14. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste:
voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel
a: 100% van de totale kosten van deelname aan de cursus;
voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel
b: 100% van de totale kosten van deelname aan de cursus;
voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel
c: € 6.000,– .
voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel
d: € 600,– voor iedere kalendermaand gedurende de periode die
aanvangt op de eerste dag van de maand waarin de arbeids- of
maatschapsovereenkomst is of wordt beëindigd en die eindigt op de
eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
2.Indien de subsidieontvanger niet langer voldoet aan artikel 4:11,
vierde lid, betaalt hij een door de Minister te bepalen evenredig deel
van de subsidie bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel c,
terug.
Titel 3. Maatregelen van gemeenschappelijk belang
§ 1. Innovatieprojecten
Artikel 4:15. Subsidiabele activiteiten
1.Ter stimulering van het innovatieve vermogen in de
visserijsector, kan de Minister subsidie verstrekken voor de
uitvoering van een innovatieproject aan
a. een visserijonderneming of een erkende beroepsorganisatie;
b. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in
onderdeel a, of
c. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in
onderdeel a met een maatschappelijke organisatie op het gebied van
visserij.
2.Het innovatieproject wordt uitgevoerd in partnerschap met een
wetenschappelijke of technische instantie.
3.Geen subsidie wordt verstrekt voor:
a. projecten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder
bedragen dan € 10.000,–;
b. projecten waarbinnen nieuwe technische kennis direct op
praktijkschaal commercieel toegepast wordt.
c. experimentele visserij.
Artikel 4:16. vereisten aanvraag subsidieverlening
De aanvraag gaat vergezeld van een beschrijving van het partnerschap
met de wetenschappelijke of technische instantie, waarin in elk geval de
taakverdeling en de aard van de wetenschappelijke begeleiding worden
beschreven.
Artikel 4:17. Rangschikking naar geschiktheid
1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4
hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar
het oordeel van de Minister:
a. een meer innovatief karakter heeft;
b. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing
op praktijkschaal;
c. een groter uitstralingseffect heeft voor toepassing door
andere ondernemingen;
d. een meer duurzaam karakter heeft waaronder tevens wordt
verstaan het bijdragen aan dierenwelzijn;
e. minder effecten heeft op de natuur;
f. meer bijdraagt aan de selectiviteit van vismethoden;
g. meer bijdraagt aan de toegevoegde waarde van
visserijproducten;
h. bij toepassing in de praktijk leidt tot meer
energiebesparing in de visserijsector;
i. bij toepassing in de praktijk leidt tot meer
kostenbesparingen voor de visserijsector, en
j. wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband als bedoel in
artikel 4:15, eerste lid.
2. Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als
bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de
rangschikking van aanvragen.
3. De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke
categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.
Artikel 4:18. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van ten hoogste drie jaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de
uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar
vaststellen.
3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste
lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten
Nederland.
4. Het project gaat gepaard met naar het oordeel van de Minister
adequate wetenschappelijke begeleiding.
5. De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het
project worden opgedaan onmiddellijk na afloop van het project
openbaar in een verslag dat naar het oordeel van de Minister van
afdoende kwaliteit is.
6. De Minister kan de subsidieontvanger aanvullende verplichtingen
opleggen omtrent de wijze waarop de openbaarmaking, bedoeld in het
vierde lid, plaatsvindt.
Artikel 4:19. Subsidiabele kosten
1. volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze
betrekking hebben op de uitvoering van het project;
b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies,
onderzoeksactiviteiten, proces- en ketenmanagement,
wetenschappelijke begeleiding van het project en ter zake van de
verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede
ter zake van de bescherming van die rechten, met uitzondering van
winstopslagen bij transacties binnen een groep;
c. kosten voor de aanschaf van machines en apparatuur, nieuw of
tweedehands, in geval van huurkoop gebaseerd op de aan het project
toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van
financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een
groep;
d. kosten voor een studie naar de haalbaarheid van de
ontwikkeling van nieuwe technologieën, technieken en methoden;
e. kosten gemoeid met het testen van de nieuwe technologieën,
technieken en methoden;
f. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor
zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–.
2. In aanvulling op het eerste lid komen voor aanvragen ingediend
door een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid,
tevens de volgende kosten in aanmerking voor subsidie:
a. kosten voor organisatie en facilitering van het
samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal- en locatiehuur,
vergaderfaciliteiten en bureaukosten;
b. kosten voor een procesbegeleider of ketenmanager.
Artikel 4:20. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
controleverklaring van een accountant.
Artikel 4:21. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 100 % van de subsidiabele
kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.
3. Innovatieprojecten mogen geen direct commercieel doel hebben.
Inkomsten gerelateerd aan het innovatieproject, die ontstaan tijdens
de uitvoering daarvan, worden afgetrokken van de subsidiabele kosten
voor het project.
§ 2. Collectieve acties
Artikel 4:22. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een
project ter bevordering van samenwerkingsvormen in de visserij of ter
versterking van praktijknetwerken die samenwerking of innovatie
ondersteunen en dat met name gericht is op:
a. beter beheer van visbestanden;
b. duurzame vismethoden;
c. ketensamenwerking;
d. samenwerking tussen onderzoekers en vissers of
visserijondernemingen;
e. uitwisseling van kennis;
f. internationale samenwerking;
g. ontwikkeling van de aquacultuursector.
2.Voor de subsidie komen in aanmerking:
a. een visserijonderneming of een erkende beroepsorganisatie;
b. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in
onderdeel a, of
c. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in
onderdeel a met een maatschappelijke organisatie op het gebied van
visserij.
3.Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten die zijn gericht op
experimentele visserij.
Artikel 4:23. Rangschikking naar geschiktheid
1.De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4
hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar
het oordeel van de Minister:
a. meer bijdraagt aan de samenwerking tussen verschillende
partijen in de visserij;
b. een groter uitstralingseffect heeft naar andere partijen in
de visserijsector ten aanzien van de voordelen en mogelijkheden
van samenwerking;
c. een meer duurzaam karakter heeft;
d. een resultaat zal opleveren dat ten goede komt van andere
visserijondernemingen;
e. meer bijdraagt aan de verbetering van kwaliteit van
visserijproducten en de toevoeging van waarde aan een
visserijproduct in de keten, en
f. meer bijdraagt aan de traceerbaarheid van visserijproducten.
2.Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als
bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de
rangschikking van aanvragen.
3.De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke
categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.
Artikel 4:24. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van ten hoogste drie jaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de
uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar
vaststellen.
3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste
lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten
Nederland.
4. De subsidieontvanger staat toe dat de Minister de kennis en
informatie die met het project worden opgedaan openbaar maakt ten
behoeve van de visserijsector.
Artikel 4:25. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project
betrokken personeel van de subsidieontvanger;
b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies,
onderzoeksactiviteiten, proces- en ketenmanagement en ter zake van
de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten, met
uitzondering van winstopslagen bij transacties binnen een groep;
c. kosten voor de aanschaf van machines en apparatuur, nieuw of
tweedehands, in geval van huurkoop gebaseerd op de aan het project
toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van
financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een
groep;
d. kosten voor een studie naar de haalbaarheid van de
ontwikkeling van nieuwe technologieën, technieken en methoden;
e. kosten gemoeid met het testen van de nieuwe technologieën,
technieken en methoden;
f. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer;
g. kosten voor organisatie en facilitering van het
samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal- en locatiehuur,
vergaderfaciliteiten en bureaukosten;
h. kosten voor een procesbegeleider of ketenmanager;
i. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor
zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–.
Artikel 4:26. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.
§ 3. Kwaliteit, rendement en nieuwe markten
Artikel 4:27. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een
project dat is gericht op de algemene bevordering van kwaliteit en
rendement of op de ontwikkeling van nieuwe markten voor
visserijproducten en dat met name één van de volgende activiteiten
omvat:
a. het voorzien van de markt met soorten waarvan er een
overschot is of die onderbevist zijn, die normaliter worden
teruggegooid of die geen handelswaarde hebben;
b. de uitvoering van een kwaliteitsbeleid voor
visserijproducten;
c. de bevordering van de afzet van producten die zijn verkregen
met methoden met een gering milieueffect;
d. de bevordering van de afzet van producten die zijn erkend op
grond van verordening nr. 510/2006;
e. kwaliteitscertificering, met inbegrip van het creëren van
etiketten en de certificering van producten die zijn gevangen of
gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden;
f. de bevordering van traceerbaarheid van visserijproducten;
g. de uitvoering van marktonderzoeken.
2.Voor de subsidie komen in aanmerking:
a. een visserijonderneming of een erkende beroepsorganisatie;
b. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in
onderdeel a, of
c. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in
onderdeel a met een maatschappelijke organisatie op het gebied van
visserij.
3.Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten:
a. die zijn gericht op handelsmerken;
b. waarin wordt verwezen naar specifieke landen of geografische
gebieden, tenzij het producten betreft die zijn erkend op grond
van verordening nr. 510/2006.
Artikel 4:28. vereisten aanvraag subsidieverlening
In het projectplan, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, is de
geografische locatie opgenomen waar het project wordt uitgevoerd.
Artikel 4:29. Rangschikking naar geschiktheid
1.De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4
hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar
het oordeel van de Minister:
a. de kwaliteit en rendement van visserijproducten meer
bevordert;
b. een grotere betekenis heeft voor de ontwikkeling van nieuwe
markten voor visserijproducten;
c. een meer duurzaam karakter heeft, en
d. een groter uitstralingseffect heeft voor toepassing door
andere ondernemingen.
2.Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als
bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de
rangschikking van aanvragen.
3.De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke
categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.
Artikel 4:30. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van ten hoogste drie jaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de
uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar
vaststellen.
3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste
lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten
Nederland.
4. De subsidieontvanger staat toe dat de Minister de kennis en
informatie die met het project worden opgedaan openbaar maakt ten
behoeve van de visserijsector.
Artikel 4:31. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. de kosten van reclamebureaus en andere dienstverleners die
betrokken zijn bij de voorbereiding en uitvoering van de in artikel
4:27, eerste lid, bedoelde activiteiten;
b. de kosten van het ontwerpen en introduceren van een
kwaliteitscertificaat;
c. de uitgaven voor publicaties en het voor campagnes benodigde
extern personeel;
d. de organisatie van en deelname aan vakbeurzen en
tentoonstellingen;
e. de aankoop of huur van advertentieruimte en het bedenken van
slagzinnen en labels voor de duur van een promotiecampagne;
f. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze
betrekking hebben op de uitvoering van het project;
g. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor
zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–.
Artikel 4:32. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 250.000,–.
Artikel 4:33. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
controleverklaring van een accountant.
§ 4. Duurzame ontwikkeling visserijgebieden
Artikel 4:33a. Aanwijzing visserijgebieden
Als visserijgebieden als bedoeld in artikel 43 van verordening nr.
1198/2006, worden aangewezen de gebieden zoals opgenomen in bijlage 5,
onderdeel A, bij deze regeling.
Artikel 4:33b. Aanwijzing lokale groepen
Als lokale groepen als bedoeld in artikel 45 van verordening nr.
1198/2006, worden aangewezen de groepen zoals opgenomen in bijlage 5,
onderdeel B, bij deze regeling.
Artikel 4:33c. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan subsidie verstrekken ter stimulering van
duurzame ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit in
visserijgebieden als bedoeld in artikel 4:33a.
2. Voor subsidie komen in aanmerking projecten die bijdragen aan de
doelstelling, bedoeld in het eerste lid, en gericht zijn op:
a. de versterking van het concurrentievermogen van een
visserijgebied;
b. de herstructurering en heroriëntering van economische
activiteiten, met name door stimulering van het ecotoerisme, mits
deze activiteiten niet leiden tot een verhoging van de
visserij-inspanning;
c. de diversificatie van activiteiten, door een gecombineerde
beroepsactiviteit voor vissers te bevorderen, via het scheppen van
extra werkgelegenheid buiten de visserijsector;
d. het bieden van meerwaarde aan visserijproducten;
e. de ondersteuning van infrastructuurvoorzieningen voor
kleinschalige visserij en toerisme, alsmede van diensten ten
voordele van kleine vissersgemeenschappen;
f. de bescherming van het milieu in een visserijgebied zodat
deze hun aantrekkelijkheid behoudt, het rehabiliteren en
ontwikkelen van kustdorpjes en -dorpen met visserijactiviteiten,
en de bescherming en verbetering van het natuurlijke en
architecturale erfgoed.
3. Voor subsidie op grond van het tweede lid, onderdelen b en c,
komen slechts in aanmerking aanvragers die werkzaam zijn in de
visserijsector of een met deze sector verbonden beroep uitoefenen.
Artikel 4:33d. Rangschikking
1. De lokale groepen, bedoeld in artikel 4:33b, worden aangewezen
als beoordelingscommissies als bedoeld in artikel 1:4, derde lid.
2. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4,
eerste lid, op grond van een advies van de betreffende
beoordelingscommissie.
3. De beoordelingscommissie rangschikt een project hoger naarmate
het project beter aansluit bij de doelstellingen, bedoeld in artikel
4:33c, en de doelstellingen, bedoeld in de betreffende
ontwikkelingsstrategie als bedoeld in bijlage 5, onderdeel c.
Artikel 4:33e. Indiening aanvraag subsidieverlening
In het projectplan, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, wordt de
geografische locatie opgenomen waarop het project zal worden uitgevoerd.
Artikel 4:33f. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van ten hoogste drie jaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de
uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar
vaststellen.
3. De subsidieontvanger voert het project uit in het
visserijgebied, bedoeld in de beschikking tot subsidieverlening,
behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering
buiten dat visserijgebied.
Artikel 4:33g. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze
betrekking hebben op de uitvoering van het project;
b. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor
zover deze kosten niet meer bedragen dan€ 2500;
c. kosten verbonden aan ontwikkeling, aanschaf of het testen van
nieuwe apparaten, diensten, technologieën of andere innovaties;
d. kosten verbonden aan de uitvoering van promotie, voorlichting
of publicaties;
e. kosten voor organisatie en facilitering van een
samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal-en locatiehuur,
vergaderfaciliteiten en bureaukosten;
f. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting van
onroerende goederen;
g. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de
onderdelen a tot en met f, zoals kosten voor adviseurs, architecten
of ingenieurs, tot een hoogte van 25% van de totale subsidiabele
kosten en haalbaarheidsstudies, verwerven van patenten en
vergunning.
Artikel 4:33h. Indiening aanvraag subsidievaststelling
Indien het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde
subsidiebedrag€ 125.000 of meer bedraagt, kan in de beschikking tot
subsidieverlening worden bepaald dat de aanvraag tot
subsidievaststelling vergezeld gaat van een controleverklaring van een
accountant.
Artikel 4:33i. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie ten hoogste
40% van de subsidiabele kosten van projecten als bedoeld in groep 2 en
groep 4 van bijlage II bij verordening nr. 1198/2006.
3. De subsidie bedraagt ten hoogste €300.000.
Titel 4. Investeringen
§ 1. Investeringen in vissersvaartuigen
Artikel 4:34. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie
verstrekken voor het moderniseren van vissersvaartuigen en het
aanbrengen van voorzieningen aan boord van vissersvaartuigen ter
verbetering van de veiligheid aan boord, de arbeidsomstandigheden, de
hygiëne, de productkwaliteit en met name energie-efficiëntie en
selectiviteit.
2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt geen subsidie
verstrekt:
a. indien het betrokken vissersvaartuig op het moment van het
indienen van de aanvraag nog geen vijf jaar oud is;
b. indien de voorziening of modernisering waarvoor de subsidie
wordt aangevraagd, naar het oordeel van de Minister zou leiden tot
een toename van de vangstcapaciteit van het vaartuig;
c. voor de bouw van een vissersvaartuig en de vergroting van
een visruim.
3. Per vissersvaartuig wordt op grond van deze paragraaf gedurende
de programmaperiode van het Europees visserijfonds 2007–2013 niet
meer financiële steun toegekend dan een kwart van de nieuwwaarde van
het betreffende vissersvaartuig.
Artikel 4:35. Nadere voorschriften subsidiabele activiteiten
1. Investeringen ter verbetering van de selectiviteit van
vistuigen, inclusief maximaal twee vervangingen van vistuig in de
periode 2007–2013, zijn subsidiabel indien:
a. het betrokken vissersvaartuig in het bezit is van een
speciaal visdocument voor een herstelplan als bedoeld in artikel 5
van verordening nr. 2371/2002 en de eigenaar met dat vaartuig na
de aanvraag overschakelt op een andere visserijmethode en de
visserij uitoefent op een andere doelsoort, waarvan de toestand
van het bestand nog toelaat te vissen, of
b. het nieuwe tuig selectiever is en beantwoordt aan de erkende
milieucriteria en praktijken die verder reiken dan de bestaande
wettelijke verplichtingen.
2. In afwijking van en onverminderd het eerste lid kan de Minister
aan een aanvrager in de periode 2007 – 2013 eenmaal subsidie als
bedoeld in artikel 4:34 verlenen voor het vervangen van vistuig
indien:
a. de subsidieontvanger overeenkomstig artikel 25, achtste lid,
van verordening nr. 1198/2006 met het vervangen van het oude
vistuig voldoet aan de nieuwe technische eisen inzake
selectiviteit uit hoofde van het communautaire recht en deze eisen
nog niet verplicht zijn gesteld of de Europese verordening waarin
de eisen zijn opgenomen een periode bepaalt waarin subsidiëring
is toegestaan, of
b. de visserij met het nieuwe vistuig aantoonbaar minder effect
heeft op niet-commerciële aquatische soorten dan visserij met het
vervangen vistuig.
3. De Minister kan per vissersvaartuig in de periode 2007 – 2013
eenmaal subsidie als bedoeld in artikel 4:34 verlenen voor het
vervangen van de hoofdmotor, indien:
a. het vaartuig een lengte van ten hoogste 24 meter heeft;
b. het vaartuig bij de visserij gebruik maakt van gesleept
vistuig, en
c. de nieuwe motor ten minste 20% minder vermogen heeft dan het
vermogen vermeld op de visvergunning.
Artikel 4:36. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 4:37. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend binnen twaalf maanden na de datum van
subsidieverlening zijn uitgevoerd.
2. De Minister kan een andere termijn dan de termijn, bedoeld in
het eerste lid, vaststellen.
3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste
lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten
Nederland.
Artikel 4:38. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de aanschaf van nieuwe apparatuur of nieuwe
voorzieningen waarvan de aanvrager de eerste gebruiker is;
b. kosten voor de installatie van nieuwe apparatuur of
voorzieningen;
c. kosten voor de aanpassing van het vissersvaartuig ten behoeve
van de installatie van nieuwe apparatuur of het toepassen van nieuwe
voorzieningen;
d. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze
betrekking hebben op de uitvoering van het project.
Artikel 4:39. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
2.In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor
activiteiten als bedoel in artikel 4:35, derde lid, ten hoogste 20%
van de subsidiabele kosten.
3.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.
§ 1a. Investeringen in weegapparatuur aan boord van
vissersvaartuigen
Artikel 4:39a. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie
verstrekken voor de aanschaf en installatie aan boord van een
vissersvaartuig met een lengte over alles van tenminste 12 meter van
deiningsgecompenseerde elektronische weegapparatuur ten behoeve van de
weging, bedoeld in artikel 60, derde lid, van verordening (EG) nr.
1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een
communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het
gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PBEU L 343).
2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt slechts subsidie
verstrekt indien:
a. de elektronische weegapparatuur gekoppeld wordt aan een
systeem van elektronische registratie- en meldapparatuur, bedoeld
in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van
20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire
controleregeling die de naleving van de regels van het
gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PBEU L 343);
b. de elektronische weegapparatuur voldoet aan de voorschriften
van richtlijn nr. 2009/23/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 23 april 2009 betreffende niet-automatische weegwerktuigen (PBEU
L 122) voor een weegwerktuig van ten hoogste klasse IIII, en
c. de aanschaf en installatie van de elektronische
weegapparatuur aan boord van een vissersvaartuig plaatsvinden na 1
juni 2011 doch uiterlijk 1 april 2012.
3. Artikel 4:34, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4:39b. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 4:39c. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van nota’s en
betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van de elektronische
weegapparatuur en de koppeling daarvan aan het systeem van elektronische
registratie- en meldapparatuur waarop de gemaakte kosten zijn
gespecificeerd.
Artikel 4:39d. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voert de activiteiten, bedoeld in artikel 4:39a,
eerste lid, uit vóór 1 januari 2012.
Artikel 4:39e. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de aanschaf van de apparatuur, bedoeld in
artikel 4:39a, eerste lid, en
b. kosten voor de installatie van die apparatuur.
2. Niet in aanmerking voor subsidie komen:
a. verschuldigde BTW, en
b. eigen arbeid.
Artikel 4:39f. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste €4.000,–.
§ 1b. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur
en in satellietvolgapparatuur aan boord van vissersvaartuigen
Artikel 4:39g. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie
verstrekken voor de aanschaf en installatie aan boord van een
vissersvaartuig met een lengte over alles van 12 tot 15 meter van:
a. elektronische registratie- en meldapparatuur bedoeld in
artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20
november 2009 tot vaststelling van een communautaire
controleregeling die de naleving van de regels van het
gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PBEU L 343);
b. satellietvolgapparatuur bedoeld in artikel 9 van de in
onderdaal a genoemde verordening, of
c. een gëintegreerde combinatie van de onder a en b bedoelde
apparatuur.
2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt slechts subsidie
verstrekt indien de aanschaf en installatie van de in het eerste lid
bedoelde apparatuur aan boord van een vissersvaartuig plaatsvinden na
1 juni 2011 doch uiterlijk 31 december 2011.
Artikel 4:39h. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 4:39i. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling
1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van nota’s
en betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van apparatuur,
bedoeld in artikel 4:39g, eerste lid, waarop de gemaakte kosten zijn
gespecificeerd.
2. In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt een aanvraag tot
subsidievaststelling ingediend bij de Directeur Agroketens en Visserij
met gebruikmaking van een daartoe door de Directie Agroketens en
Visserij verstrekt formulier.
3. De subsidie voor satellietvolgapparatuur wordt vastgesteld onder
voorbehoud van de totstandkoming van een besluit van de Commissie van
de Europese Gemeenschappen inzake een financiële bijdrage van de Unie
aan de door de lidstaten gedane uitgaven voor bepaalde projecten op
het gebied van de controle, inspectie en bewaking van
visserijactiviteiten waarin daarvoor aan Nederland een bijdrage wordt
toegekend.
Artikel 4:39j. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voert de activiteiten, bedoeld in artikel 4:39g,
eerste lid, uit vóór 1 januari 2012.
Artikel 4:39k. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de aanschaf van de apparatuur, bedoeld in
artikel 4:39g, eerste lid, en
b. kosten voor de installatie van die apparatuur.
2. Niet in aanmerking voor subsidie komen:
a. verschuldigde BTW, en
b. eigen arbeid.
Artikel 4:39l. Hoogte subsidies
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste:
a. €3.000,– voor elektronische registratie- en
meldapparatuur;
b. €1.500,– voor satellietvolgapparatuur, en
c. € 4.500,– voor een geïntegreerde combinatie van de
onder a en b bedoelde apparatuur.
§ 2. Investeringen in aquacultuur
Artikel 4:40. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan aan een visserijonderneming of
samenwerkingsverband van deze ondernemingen subsidie verstrekken voor
de uitvoering van een project betreffende de bouw, de uitbreiding, de
uitrusting en de modernisering van productie-installaties voor
aquacultuur, voorzover het project is gericht op:
a. invoering van aquacultuurmethoden die de negatieve gevolgen
voor het milieu aanzienlijk terugdringen of de positieve gevolgen
voor het milieu ten opzichte van de gangbare praktijk in de
aquacultuursector vergroten;
b. op nieuwe vissoorten gerichte diversificatie van het
productieproces of productie van vissoorten met goede
afzetvooruitzichten.
2.Subsidie wordt enkel verleend aan kleine, middelgrote en
micro-ondernemingen en aan ondernemingen die minder dan 750 werknemers
hebben of een omzet van minder dan 200 miljoen euro hebben.
3.Geen subsidie wordt verstrekt voor een project dat:
a. er op gericht is om te voldoen aan verplichte EG-normen
inzake het milieu, de gezondheid van mens en dier, de hygiëne of
het dierenwelzijn;
b. bijdraagt aan een vergroting van de productie van forel,
paling, meerval, zeebaars en zeebrasem;
c. betrekking heeft op siervissen;
d. betrekking heeft op aquacultuur van dieren die niet mogen
worden gehouden op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren of in strijd is met overige wet- of regelgeving;
e. in vergelijking met de gangbare praktijk in de
aquacultuursector leidt tot een zwaardere belasting van het
milieu;
f. ziet op een experimentele toepassing van een nieuwe
aquacultuurmethode, techniek of proces, zonder commerciële
toepassing op praktijkschaal.
4.Geen subsidie wordt verstrekt aan projecten waarvan de
subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000,–.
Artikel 4:41. Rangschikking aanvragen
1. De Minister rangschikt aanvragen overeenkomstig artikel 1:4,
waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt indien het wordt
uitgevoerd door een kleine of micro-onderneming en naarmate het
project waarop de subsidie betrekking heeft:
a. meer economisch of technisch perspectief heeft in de
toepassing op praktijkschaal;
b. meer wordt uitgevoerd in ketenverband;
c. eveneens toepasbaar is bij andere aquacultuurbedrijven;
d. leidt tot een verhoging in productkwaliteit en kwantiteit;
e. bijdraagt aan verbetering van het dierenwelzijn.
2. Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als
bedoeld inartikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de
rangschikking van aanvragen.
3. De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke
categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.
Artikel 4:42. Indiening aanvraag subsidieverlening
1.In het projectplan, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, is de
geografische locatie van het project opgenomen.
2.De aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel
4:40, eerste lid, onderdeel b, gaat vergezeld van een marktanalyse
waaruit naar het oordeel van de Minister blijkt dat er op de
middellange termijn voor de geproduceerde soort op de markt
waarschijnlijk meer vraag dan aanbod zal zijn.
3.Indien de subsidie wordt aangevraagd door een rechtspersoon dan
wel een samenwerkingsverband waaraan één of meer rechtspersonen
deelnemen, gaat de aanvraag tevens vergezeld van de statuten van de
betrokken rechtspersoon of rechtspersonen
Artikel 4:43. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van drie jaar na de datum van subsidieverlening.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de
uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar
vaststellen.
3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste
lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten
Nederland.
Artikel 4:44. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
controleverklaring van een accountant.
Artikel 4:45. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten van apparatuur of voorzieningen;
b. kosten van aankoop, bouw of modernisering van gebouwen voor
zover deze kosten niet meer dan 50% van de totale subsidiabele
kosten bedragen;
c. kosten van modernisering van vaartuigen die worden ingezet
voor de aquacultuur en die niet zijn uitgerust voor de
commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen;
d. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor
zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–;
e. kosten voor architecten, ingenieurs en overige deskundigen,
die uit hoofde van hun beroep adviezen verstrekken, voor zover
deze kosten niet meer dan 12% van de totale subsidiabele kosten
bedragen;
f. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze
betrekking hebben op de uitvoering van het project.
2. Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:
a. de overdracht van de eigendom van een onderneming;
b. de aankoop van broed en onvolwassen dieren ten behoeve van
de kweek.
Artikel 4:46. Hoogte subsidie
1. Voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen bedraagt de
subsidie ten hoogste 30% van de subsidiabele kosten.
2. Voor andere ondernemingen dan bedoeld in het eerste lid,
bedraagt de subsidie ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten.
3. De subsidie bedraagt ten hoogste € 800.000,–.
§ 3. Investeringen in verwerking en afzet
Artikel 4:47. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan aan een visserijonderneming of
samenwerkingsverband van deze ondernemingen subsidie verstrekken voor
de uitvoering van een project betreffende nieuwe voorzieningen aan de
wal ten behoeve van de verwerking en afzet van visserijproducten met
het doel het productieproces duurzamer te maken en de kwaliteit van
visserijproducten te verbeteren.
2.De nieuwe voorzieningen aan de wal, bedoeld in het eerste lid,
zijn met name gericht op:
a. productie van kwalitatief hoogwaardige producten voor
nichemarkten;
b. een beter gebruik van weinig benutte soorten, bijproducten
en afval;
c. productie of afzet van nieuwe producten, toepassing van
nieuwe technologieën of ontwikkeling van innovatieve
productiemethoden.
3.Subsidie wordt enkel verleend aan kleine, middelgrote en
micro-ondernemingen en aan ondernemingen die minder dan 750 werknemers
hebben of een omzet van minder dan 200 miljoen euro hebben en die
investeringen doen ten behoeve van een project als bedoeld in het
eerste lid.
4.Geen subsidie wordt verstrekt voor investeringen:
a. die betrekking hebben op visserijproducten die bestemd zijn
om te worden gebruikt en te worden verwerkt voor andere doeleinden
dan menselijke consumptie, behalve indien het gaat om
investeringen die uitsluitend zijn bestemd voor de behandeling, de
verwerking en de afzet van afval van visserijproducten;
b. die er op gericht zijn om te voldoen aan verplichte
EG-normen inzake het milieu, de gezondheid van mens en dier, de
hygiëne of het dierenwelzijn;
c. ten behoeve van de kleinhandel.
Artikel 4:48. Rangschikking naar geschiktheid
1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4
hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar
het oordeel van de Minister:
a. meer bijdraagt aan de duurzaamheid van het productieproces
in de keten;
b. meer bijdraagt aan de kwaliteit van het product;
c. is gericht op bevordering van duurzame werkgelegenheid in de
visserijsector;
d. wordt uitgevoerd door kleine en micro-ondernemingen;
e. wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van
visserijondernemingen;
f. een innovatief karakter heeft;
g. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing
op praktijkschaal;
h. een groter uitstralingseffect heeft voor toepassing door
andere ondernemingen.
2. Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als
bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de
rangschikking van aanvragen.
3. De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke
categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.
Artikel 4:49. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na
de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een
periode van ten hoogste drie jaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de
uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar
vaststellen.
3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste
lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten
Nederland.
Artikel 4:50. Subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting
van onroerende goederen, voor zover deze kosten niet meer dan 50%
van de totale subsidiabele kosten bedragen;
b. kosten voor de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en
apparatuur, inclusief computersoftware tot aan de marktwaarde van
het goed;
c. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe machines of
apparatuur;
d. kosten voor de ontwikkeling en operationalisering van
processen, procédés, technologieën, product-marktcombinaties en
andere innovaties;
e. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de
onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor adviseurs, zoals
architecten en ingenieurs, tot een hoogte van 25% van de totale
subsidiabele kosten;
f. overige algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in
de onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor een
controleverklaring van een accountant tot een hoogte van € 2500,
haalbaarheidsstudies, verwerven van patenten en vergunningen.
2. Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten:
a. met betrekking tot een leasecontract, zoals de marge van de
leaseorganisatie, herfinancieringskosten, overheadkosten en
verzekeringspremies;
b. voor de overname van de eigendom van een onderneming;
c. voor de aankoop van grond.
Artikel 4:51. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
controleverklaring van een accountant.
Artikel 4:52. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt voor kleine, middelgrote en
micro-ondernemingen ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
2.Voor andere ondernemingen dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt
de subsidie ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten.
3.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.
§ 4. Garantstelling
Artikel 4:53. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken in de vorm van
een garantstelling voor de terugbetaling van leningen die naar het
oordeel van de Minister gericht zijn op investeringen als bedoeld in
de artikelen 25 en 35 van verordening nr. 1198/2006, met inachtneming
van de bepalingen van deze paragraaf, de bepalingen van verordening
nr. 1198/2006 en de relevante Europese richtsnoeren.
2. De garantstelling kan worden verstrekt aan een ondernemer die
eigenaar of reder is van een vissersvaartuig dat behoort tot het
segment MFL 1 of MFL 2, een tonnage heeft van minder dan 1.200 BT en
waarvoor een garnalenvergunning is verleend of een contingent is
toegekend.
3. Geen garantstelling wordt verstrekt:
a. aan ondernemingen, bedoeld in punt 2.1 van de Mededeling van
de Commissie aangaande Communautaire richtsnoeren inzake reddings-
en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (OJ C
244, 1.10.2004, p. 2);
b. voor de terugbetaling van leningen die gericht zijn op de
herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door
een bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden
aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een
commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap te
dekken, behoudens ingeval van overmacht;
c. voor de terugbetaling van leningen indien ten aanzien van de
investeringen door de aanvrager reeds verplichtingen zijn
aangegaan voordat de ontvangst van de aanvraag door de Minister
schriftelijk is bevestigd;
d. voor de terugbetaling van leningen indien ten aanzien van de
investeringen door een bank reeds een lening is verstrekt of
onvoorwaardelijk is toegezegd voordat de ontvangst van de aanvraag
door de Minister schriftelijk is bevestigd;
e. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een
visserijonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire
vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst
blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode,
overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag
wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan
worden opgezegd;
f. indien reeds een krediet is verstrekt voor dezelfde
investering op basis van andere garantstellingen door de overheid;
g. indien aan de aanvrager in het tijdvak van twee jaren
voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag reeds een
garantstelling op grond van deze regeling is verstrekt;
h. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager
minder dan 5 % bedraagt van het balanstotaal.
4. Artikel 1:2, tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel 4:54. Nadere voorschriften
1. Een garantstelling wordt verstrekt voor een lening met een
minimumbedrag van € 50.000 en een maximumbedrag van€ 450.000.
2. De lening waarvoor garantstelling wordt verstrekt bedraagt ten
hoogste twee derde van de voor de investeringen benodigde
financieringen, minus de eigen beschikbare middelen, rekening houdende
met de financieringsmogelijkheden op basis van de beschikbare
zekerheden en de wijze waarop de beschikbare eigen middelen optimaal
kunnen worden aangewend.
3. De looptijd van de lening waarvoor garantstelling wordt
verstrekt kan ten hoogste 10 jaar bedragen en de lening wordt lineair
afgelost.
4. De uiterste datum waarop de lening volledig moet zijn opgenomen,
mag niet later liggen dan een jaar na de datum van de beschikking tot
verstrekking van garantstelling.
5. De garantstelling kan slechts worden verstrekt ten behoeve van
een lening verstrekt door een bank waarmee de Minister een
raamovereenkomst heeft gesloten, waarin de rechten en plichten van de
Minister en de bank zijn vastgelegd.
6. Artikel 4:1, derde lid, is niet van toepassing op een
beschikking tot verstrekking van garantstelling op grond van artikel
4:53.
7. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt
ten hoogste viervijfde van de restantschuld van de lening waarop de
garantstelling betrekking heeft uitbetaald.
Artikel 4:55. Voorwaarden subsidie-ontvangers
1. De garantstelling kan worden verstrekt ten behoeve van leningen
aangegaan door natuurlijke personen indien:
a. deze een visserijonderneming in stand houden;
b. de bruto-jaaromzet van de in onderdeel a bedoelde
onderneming voor meer dan de helft uit visserij is verkregen;
c. de in onderdeel a bedoelde onderneming naar het oordeel van
de Minister een positieve liquiditeitstoename oplevert;
d. deze wegens het ontbreken van de daartoe benodigde
zekerheden volgens normaal bankgebruik onvoldoende financiering
voor de visserijonderneming kunnen verkrijgen;
e. deze voor zover rechtens is toegestaan, op alle toebehorende
goederen goederenrechtelijke zekerheid verlenen voor alle door de
bank te verstrekken financieringen, waaronder de lening waarop de
aanvraag betrekking heeft;
f. deze beschikt over een visvergunning.
2. Indien meer dan een natuurlijke persoon voor gezamenlijke
rekening een visserijonderneming in stand houdt, voldoet elk van hen
aan het eerste lid, onderdelen d en e.
3. De garantstelling kan worden verstrekt ten behoeve van leningen
aangegaan door rechtspersonen indien:
a. zij blijkens de statuten de exploitatie van een of meer
visserijondernemingen ten doel hebben
b. de bruto-jaaromzet van de onderneming waarvoor een aanvraag
wordt ingediend voor meer dan de helft uit visserij is verkregen;
c. de in onderdeel b bedoelde onderneming naar het oordeel van
de Minister een voldoende liquiditeitstoename oplevert;
d. zij voldoen aan het eerste lid, d, e, en f.
4. Bij de bepaling of wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste
lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, wordt uitgegaan van een,
zo nodig door de Minister gewijzigde, begroting die op de
ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder
meer moet blijken dat:
a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige
bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake
is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten
de visserij waaruit deze kunnen worden bestreden,
gezinsbestedingen kunnen worden betaald;
b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden
gerealiseerd;
c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om
tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan
toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg
van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen
voldoen.
Artikel 4:56. Verplichtingen subsidieontvanger
1.Indien de aanvraag wordt ingediend door een rechtspersoon
verbinden de bestuurders zich hoofdelijk tot de volledige
terugbetaling van de lening waarop de aanvraag betrekking heeft,
alsmede verbinden zij ter zake hun hele vermogen tot zekerheid.
2.De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
eerste lid.
Artikel 4:57. Budget en rangschikking
1.Jaarlijks kan de Minister overeenkomstig artikel 1:3 een
aanvraagperiode en een maximumbedrag vaststellen voor het totaal van
de leningen waarvoor in het betrokken jaar garantstellingen kunnen
worden verstrekt.
2.Een garantstelling wordt niet verstrekt indien door verstrekking
daarvan het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt
overschreden.
3.Aanvragen voor garantstellingen worden overeenkomstig artikel 1:6
gerangschikt, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft
gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag volledig
is, als datum van ontvangst geldt.
4.De Minister kan besluiten dat indien het krachtens het eerste lid
vastgestelde maximumbedrag is bereikt, de mogelijkheid tot het
indienen van aanvragen tot verstrekking van garantstellingen uit
hoofde van deze regeling voor de rest van het betrokken begrotingsjaar
wordt geschorst.
5.De Minister maakt een besluit als bedoeld in het vierde lid
bekend in de Staatscourant
Artikel 4:58. Vereisten aanvraag garantstelling
1. De aanvraag gaat vergezeld van een rapportage omvattende:
a. een investerings- en financieringsplan, met een gedegen
onderbouwing van de verenigbaarheid van de investeringen met de
artikelen 25 en 35 van verordening nr. 1198/2006;
b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor
uitvoering van het investeringsplan;
c. een specificatie van de zekerheden, vergezeld van een
taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden
roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken,
alsmede een specificatie van de totale financiering inclusief de
daaraan verbonden voorwaarden na uitvoering van het
investeringsplan;
d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;
e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten
van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat
aanvrager voldoet aan het gestelde in artikel 4:55, eerste lid,
onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c;
f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over
de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;
g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens;
h. de statuten, indien de aanvraag betrekking heeft op een
rechtspersoon.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de Minister
besluiten dat de aanvrager zijn aanvraag aanvult met een
taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden
roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, dat niet
ouder is dan zes maanden op de dag van indiening van de aanvraag, en
is opgesteld door een ter zake kundig en onafhankelijk taxateur.
3. De aanvrager is voorts verplicht alle bescheiden en informatie
te verstrekken die door de Minister noodzakelijk worden geacht.
4. De artikelen 1:8 en 1:9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:59. Beschikking tot verlening van de garantstelling
1.De Minister beslist binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag
2.De beschikking tot verlening van de garantstelling bevat de
volgende gegevens:
a. de hoogte van de lening die onder garantstelling kan worden
verstrekt;
b. de uiterste datum waarop de lening onder garantstelling kan
worden verstrekt;
c. het schema volgens welke de lening dient te worden afgelost;
d. het investerings- en financieringsplan op grond waarvan de
garantstelling wordt verleend;
e. de natuurlijke personen of rechtspersonen die zich
hoofdelijk aansprakelijk dienen te stellen voor de terugbetaling
van de lening onder garantstelling.
Artikel 4:60. Overgangsbepaling
1. Na inwerkingtreding van deze regeling berust het Besluit
maximumbedrag garantstelling visserij 2007 op artikel 4:57 van deze
regeling en geldt het als een besluit op grond van artikel 1:3 van
deze regeling.
2. De Regeling garantstelling visserij blijft van kracht voor zover
dat nodig is voor een juiste toepassing van de raamovereenkomst,
bedoeld in artikel 4:54, die is gesloten tussen de banken en de
Minister.
§ 5. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur
Artikel 4:61. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie
verstrekken voor de aanschaf en installatie van elektronische
registratie- en meldapparatuur aan boord van:
a. een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan
24 meter, of
b. een vissersvaartuig met een lengte over alles van 15 tot en
met 24 meter.
2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt slechts subsidie
verstrekt indien:
a. de elektronische registratie- en meldapparatuur voldoet aan
de vereisten, bedoeld in verordening nr. 1077/2008;
b. de kosten voor de aanschaf en installatie van elektronische
registratie- en meldapparatuur aan boord van een vissersvaartuig
zijn gemaakt na 1 januari 2009, en
c. de elektronische registratie- en meldapparatuur
geïnstalleerd wordt op een vissersvaartuig als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdelen a en b, van verordening nr. 1077/2008.
Artikel 4:62. Rangschikking in volgorde van ontvangst
Artikel 1:6 is van toepassing.
Artikel 4:63. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling
1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van nota’s
en betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van de elektronische
registratie- en meldapparatuur waarop de gemaakte kosten zijn
gespecificeerd.
2. In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt een aanvraag tot
subsidievaststelling ingediend bij de Directeur Agroketens en Visserij
met gebruikmaking van een daartoe door de Directie Agroketens en
Visserij verstrekt formulier.
3. De subsidie wordt vastgesteld onder voorbehoud van geen bezwaar
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen de melding,
bedoeld in artikel 9 van verordening (EG) 2007/391 van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 11 april 2007 tot vaststelling van
de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de
Raad, wat beteft de uitgaven die de lidstaten doen bij de
tenuitvoerlegging van de in het kader van het gemeenschappelijk
visserijbeleid geldende toezicht- en controleregelingen.
Artikel 4:64. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger heeft de activiteiten, bedoeld in artikel 4:61,
eerste lid, uitgevoerd respectievelijk voert die activiteiten, uit:
a. voor 1 januari 2010 indien de subsidie verstrekt wordt voor de
aanschaf en installatie van elektronische registratie- en
meldapparatuur aan boord van een vissersvaartuig als bedoeld in
artikel 4:61, eerste lid, onderdeel a;
b. voor 1 juli 2010 indien de subsidie verstrekt wordt voor de
aanschaf en installatie van elektronische registratie- en
meldapparatuur aan boord van een vissersvaartuig als bedoeld in
artikel 4:61, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 4:65. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten voor de aanschaf van apparatuur als bedoeld in
artikel 4:61;
b. kosten voor de installatie van apparatuur als bedoeld in
artikel 4:61; en
c. kosten voor de aanpassing van het vissersvaartuig ten
behoeve van de installatie van apparatuur als bedoeld in artikel
4:61.
2. Verschuldigde BTW komt niet in aanmerking voor subsidie.
Artikel 4:66. Hoogte subsidie
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste€ 4500,–.
Titel 5. Maatregelen voor de kust- en binnenvisserij
§ 1. Tegemoetkoming tijdelijk aalvisverbod 2011
Artikel 4:67. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. kustwateren: wateren als bedoeld in artikel 2 van het Besluit
aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970;
b. binnenwateren: overige wateren als bedoeld in artikel 1,
vierde lid, onderdeel d, van de Visserijwet 1963;
c. referentieperiode: maanden september, oktober en november van
de jaren 2006, 2007 en 2008.
Artikel 4:68. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan op aanvraag een tegemoetkoming verstrekken aan
beroepsvissers die vissen in de kust- en binnenwateren en die als
gevolg van het visverbod op aal, bedoeld in artikel 32a van de
Uitvoeringsregeling visserij, in de maanden september, oktober en
november 2011 schade lijden en aan beroepsvissers die deelnemen aan
een pilot in het kader van decentraal aalbeheer, waarvoor op grond van
artikel 11 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 ontheffing is
verleend.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan door de Friese
Bond van Binnenvissers worden ingediend voor de beroepsvissers die
zich onder haar leden bevinden.
Artikel 4:69. Subsidiabele kosten
1. Een tegemoetkoming wordt alleen verstrekt voor schade die
betrekking heeft op de vissoort aal.
2. De Minister verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan
beroepsvissers die in de referentieperiode jaarlijks gemiddeld
minstens € 3.000 hebben verdiend aan de verkoop van door de
betreffende aanvrager gevangen aal.
Artikel 4:70. Hoogte tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming wordt berekend naar rato van de gemiddelde
inkomsten per jaar uit de verkoop van door de aanvrager gevangen aal
in de referentieperiode.
2. De tegemoetkoming bedraagt maximaal 100% van de totale inkomsten
in de referentieperiode.
Artikel 4:71. Verplichte documenten bij een aanvraag van een
tegemoetkoming
1. Een aanvraag tot verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld
in artikel 4:68 gaat vergezeld van een overzicht van de opbrengsten
uit de verkoop van door de betreffende aanvrager gevangen aal in de
referentieperiode met de daarbij behorende:
a. kopieën van verkoopbonnen;
b. kopieën van kasboekoverzichten;
c. kopieën van veilingbonnen van visafslagen als genoemd in
artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegde afslagen voor inning
productschapsheffingen, of
d. een combinatie van a, b en c.
2. Indien de aanvrager een aanvraag heeft ingediend op grond van de
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van
4 januari 2010, nr 79904, houdende wijziging van de Regeling
LNV-subsidies en het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010, en deze
geleid heeft tot verstrekking van de in die regeling bedoelde
tegemoetkomingen, wordt, voor zover het de maanden september, oktober
en november uit de jaren van de referentieperiode betreft, uitgegaan
van de opbrengsten uit de verkoop van door de betreffende aanvrager
gevangen aal zoals deze in het kader van die regeling in aanmerking
zijn genomen voor de verstrekking van de daar bedoelde
tegemoetkomingen en behoeft de aanvrager in afwijking van het eerste
lid de gegevens over de maanden september, oktober en november niet te
verstrekken.
Artikel 4:72. Afwijzen aanvraag
1. Een aanvraag tot een verstrekking van een tegemoetkoming van een
beroepsvisser die zich niet voor het einde van de openstellingperiode
waarin hij zijn aanvraag heeft gedaan, heeft geregistreerd bij het
Productschap Vis overeenkomstig de op grond van artikel 93, tweede
lid, onderdeel a, van de Wet op de bedrijfsorganisaties geldende
registratieplicht, wordt afgewezen.
2. Een aanvraag tot verstrekking van een tegemoetkoming van een
beroepsvisser met visrechten op de binnenwateren, uitgezonderd het
IJsselmeer, die zich niet voor het einde van de openstellingsperiode
waarin de aanvraag is gedaan overeenkomstig artikel 55 of 56 van de
Uitvoeringsregeling visserij heeft gemeld bij de Minister, of die vist
in dienst van een rechtspersoon en deze rechtspersoon zich niet
overeenkomstig artikel 55 of 56 van de Uitvoeringsregeling visserij
heeft gemeld bij de Minister, wordt afgewezen.
Artikel 4:73
Een beschikking omtrent verstrekking van de tegemoetkoming wordt
gegeven binnen drie maanden na afloop van de openstellingsperiode in
enig jaar waarin de aanvraag kon worden gedaan.
Artikel 4:74. Betaling collectieve aanvraag door Friese Bond van
Binnenvissers
Een tegemoetkoming, die wordt verstrekt naar aanleiding van een
aanvraag als bedoeld in artikel 4:68, tweede lid, wordt betaald aan de
Friese Bond van Binnenvissers.
Artikel 4:75 [Vervallen per 22-07-2010]
Artikel 4:76 [Vervallen per 22-07-2010]
Hoofdstuk 4a. Onderwijs
Titel 1. Algemene bepalingen
[gereserveerd]
Titel 2. Groene-plus lectoraten
Artikel 4a:2. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
− HBO: Hoger beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel d, van de Wet op Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk
onderzoek;
– agrarische HBO-instelling: instelling voor hoger onderwijs,
als bedoeld in artikel 1.2., onderdeel a, van de Wet op het Hoger
Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, op het gebied van landbouw
en natuurlijke omgeving;
– lector: hoog gekwalificeerde professional die ruime ervaring
heeft met onderwijs en onderzoek op een bepaald vakgebied en die
door zijn prestaties een groot gezag geniet als deskundige;
– lectoraat: samenwerkingsverband dat onder leiding staat van
een lector;
– groene-plus lectoraat: lectoraat dat zich op basis van deze
regeling bezighoudt met thema’s op het gebied van landbouw en
natuurlijke omgeving;
– kenniskring: samenwerkingsverband van een lectoraat, docenten
en anderen waarbinnen inhoudelijke expertise op een bepaald gebied
gebundeld en verder ontwikkeld wordt.
Artikel 4a:3. Subsidiabele activiteiten
1. Ter versterking van de lectoraten op het gebied van landbouw en
natuurlijke omgeving, kan de Minister subsidie aan het bevoegd gezag
van een agrarische HBO-instelling verstrekken voor activiteiten die
leiden tot het vergroten van kennisinnovatie en de daarmee
samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs en de externe
oriëntatie naar bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op:
a. het uitvoeren van vraaggestuurd praktijkgericht onderzoek;
b. de doorvertaling van de kennisontwikkeling in het onderwijs;
c. het professionaliseren van docenten en kenniskringleden;
d. een landelijke doorwerking, het versterken van de
kenniscirculatie tussen onderwijs, onderzoek en praktijk via
kenniskringen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;
e. het op waarde schatten van elders ontwikkelde nieuwe kennis
en het benutten en overdragen van deze kennis aan docenten,
studenten en andere kenniskringleden.
Artikel 4a:4. Rangschikking naar geschiktheid
De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger
naarmate de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft:
a. qua thema waarop het groene-plus lectoraat betrekking heeft,
beter aansluiten bij de strategische beleidsprioriteiten van het
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van de
beleidsagenda in de begroting van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie in het domein Landbouw en Natuurlijke
omgeving;
b. qua werkveld meer vernieuwend zijn ten opzichte van de
werkvelden van bestaande lectoraten op het gebied van landbouw en
natuurlijke omgeving;
c. een grotere bijdrage leveren aan de doelstelling en
subsidiabele activiteiten, bedoeld inartikel 4a:3;
d. meer kwaliteitswinst in de groene kennisinfrastructuur
opleveren en een betere borging van een landelijke doorwerking van
verworven kennis;
e. een goede benutting van eerder gedane investeringen in de
groene kennisinfrastructuur bewerkstelligen;
f. beter uitvoerbaar zijn;
g. een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven of
maatschappelijke organisaties in de regio van de subsidieaanvrager
bewerkstelligen;
h. meer vertrouwen geven dat na afloop van de subsidieperiode een
structurele verankering van de resultaten plaatsvindt binnen de
instelling.
Artikel 4a:5 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 4a:6. Indiening van een aanvraag subsidieverlening
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een beschrijving
van de doelen en van de activiteiten die ondernomen worden, welke
bijdrage aan innovatie en duurzaamheid gerealiseerd wordt, welke
partijen, doelgroepen en bestaande kennisnetwerken betrokken worden en
welke instrumenten ingezet worden om het doel te bereiken.
Artikel 4a:7. Verplichtingen subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger draagt zorg voor een functionerend
kwaliteitszorg-mechanisme dat zorgt voor een samenhang tussen de
doelstelling en activiteiten van de groene-plus lectoraten.
2. De subsidieontvanger vangt met de activiteiten aan binnen zes
maanden na de datum van subsidieverlening.
3. De subsidieontvanger moet in elk geval meer dan 40% van de
kosten, bedoeld in artikel 4a:9, onderdeel a, gebruiken voor docenten
van de aanvragende instelling.
4. De subsidieontvanger en de deelnemers aan de groene-plus
lectoraten werken mee aan door of namens de Minister ingestelde
activiteiten die gericht zijn op het monitoren en verspreiden van
kennis.
5. De subsidieontvanger brengt uiterlijk op 1 oktober van elk jaar
een tussenrapportage uit van de voortgang van het groene-plus
electoraat voor wat betreft de doelstelling en de subsidiabele
activiteiten, bedoeld in artikel 4a:3.
6. De tussenrapportages bedoeld in het vijfde lid worden ingediend
bij de Directeur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie volgens een daartoe
vastgesteld format en bevatten een beschrijving van
a. de activiteiten die tot dan toe zijn verricht;
b. de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de in
de aanvraag omschreven doelstelling;
c. de stand van zaken en planning ter zake van de financiën.
7. In de administratie, bedoeld in artikel 1:12, tweede lid, zijn
de loonkosten en de kosten voor door het personeel van de
subsidieontvanger verrichte arbeid door middel van een sluitende
urenregistratie vastgelegd.
8. De subsidieontvanger legt jaarlijks in het jaarverslag
verantwoording af over de inzet van de op basis van deze titel
verstrekte subsidie.
Artikel 4a:8. Indiening aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:
a. een rapport over de activiteiten waarvoor subsidie is verleend
en het eindresultaat daarvan;
b. een financiële verantwoording van de activiteiten waarvoor
subsidie is verleend.
Artikel 4a:9. Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. de loonkosten van het bij de uitvoering van de in artikel 4a:3
bedoelde activiteiten betrokken personeel van de subsidieontvanger,
waarbij de loonkosten van docenten uitsluitend in aanmerking komen
tot ten hoogste het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de
Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën,
behorende bij salarisschaal 11, en de loonkosten van de lectoren
uitsluitend in aanmerking komen tot ten hoogste het bedrag dat als
normbedrag is opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het
Ministerie van Financiën, behorende bij ten hoogste salarisschaal
16;
b. de kosten, die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk
door de subsidieontvanger zijn betaald voor het inhuren van
ondersteuningsinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties
en onderzoeksinstellingen vanwege hun expertise of specifieke
voorzieningen tot ten hoogste 10% van de subsidiabele kosten,
bedoeld in onderdeel a;
c. materiële kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn en
daadwerkelijk door de subsidieontvanger zijn betaald voor de
uitvoering van de activiteiten tot ten hoogste 15% van de
subsidiabele kosten, bedoeld in onderdeel a.
Artikel 4a:10. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.
Hoofdstuk 5. Overige subsidies
Titel 1. Algemene bepalingen
[gereserveerd]
Titel 2. Diversificatie in de suikersector
Artikel 5:2. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
– diversificatie: geheel van maatregelen die gericht zijn op de
duurzame ontwikkeling van de suikerbietenteelt, versterking van de
suikersector of het ontwikkelen van alternatieven voor de
suikerbietenteelt en suikerproductie;
– suikersector: gehele complex van ondernemingen, gericht op de
productie van suiker, suikerproducten verwerkende ondernemingen en
aan de suiker gerelateerde afzet, handel, dienstverlening, logistiek
en toeleverende industrie.
Artikel 5:3. Subsidiabele activiteiten
1.De Minister kan subsidie verstrekken aan telers van suikerbieten
en samenwerkingsverbanden uit regio’s die betrokken zijn bij de
herstructurering van de suikersector op grond van Verordening (EG) nr.
320/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 februari 2006 tot
instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de
suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 58).
2.Voor subsidie komen de volgende activiteiten in aanmerking:
a. het doen van investeringen door suikerbietentelers gericht
op diversificatie;
b. het vormen van samenwerkingsverbanden gericht op innovatieve
vormen van productie, verwerking en afzet voor suikerbieten;
c. het ontwikkelen van initiatieven gericht op vakmanschap en
management.
3.De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, leiden
tot:
a. een hoger niveau van diergezondheid in Nederland en daardoor
tot een beter technisch en economisch perspectief van en
continuïteit binnen landbouwondernemingen;
b. verlaging van de productiekosten;
c. de verbetering en omschakeling van de productie;
d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu,
de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid
of duurzaam gebruik van energiebronnen;
e. herstructurering en ontwikkeling;
f. verhoging van de kwaliteit en toegevoegde waarde van
producten;
g. verbetering van de arbeidsomstandigheden in de onderneming;
h. behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke
hulpbronnen;
i. verhoging van de doelmatigheid bij inzet en gebruik van
middelen, machines en menskracht, of
j. het tot waarde brengen van bij-, rest- en afvalproducten.
4.De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, hebben
betrekking op:
a. de verwerking of de afzet van suikerbieten, of
b. de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en
technologieën voor suikerbieten.
5.De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zien op
een bedrijfsconsult of het volgen van opleidingen, trainingen of
voorlichtingsbijeenkomsten en hebben betrekking op:
a. de verbetering van de bedrijfsvoering en de verduurzaming
daarvan;
b. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of
waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire of fytosanitaire
regelgeving, aan hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan
arbeidsomstandighedenregelgeving;
c. het verkrijgen of vergroten van kennis waarmee nieuwe of
hoogwaardigere producten kunnen worden verkregen of deze
productiewijzen of productieprocessen kunnen worden verbeterd;
d. begeleiding bij het starten of beëindigen van de
onderneming of een onderdeel daarvan.
6.Geen subsidie wordt verstrekt voor:
a. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en
onderdeel b, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder
bedragen dan € 10.000;
b. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan €
250;
c. aan ondernemingen als bedoeld in paragraaf 2.1 van de
Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1
oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren inzake reddings-
en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU
C 244).
Artikel 5:4. Subsidiabele en niet subsidiabele kosten
1. De volgende kosten voor de uitvoering van de activiteiten,
bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, komen in aanmerking
voor de subsidie:
a. kosten voor de bouw, inrichting of verbetering van
onroerende zaken;
b. kosten voor verwerving van onroerende zaken, met
uitzondering van grond, waarin zijn begrepen de daaraan verbonden
kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten
van inschrijving bij het kadaster;
c. kosten voor de aanschaf van nieuwe machines en apparatuur,
waarvan de aanvrager eerste gebruiker is;
d. kosten voor de aanschaf van plantmateriaal en de kosten van
derden voor het planten van blijvende teelten, bedoeld in artikel
2, onderdeel b, van verordening 1120/2009.
2. De volgende kosten voor de uitvoering van de activiteiten,
bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, komen in aanmerking
voor de subsidie:
a. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting
van onroerende goederen, met uitzondering van de verwerving van
grond;
b. kosten voor de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en
apparatuur, inclusief computersoftware tot aan de marktwaarde van
het goed;
c. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe machines of
apparatuur;
d. kosten voor de ontwikkeling en operationalisering van
processen, procédés, technologieën, marketingconcepten,
product-marktcombinaties en andere innovaties;
e. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de
onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor de architecten en
ingenieurs, honoraria van adviseurs tot een hoogte van 15% van het
totale subsidiebedrag, haalbaarheidsstudies, controleverklaring
van een accountant, verwerven van patenten en vergunningen.
3. Voor de subsidie voor de uitvoering van activiteiten bedoeld in
artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking kosten
voor de verwerving van onroerende zaken, ten behoeve waarvan subsidie
door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar
voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot
subsidieverlening.
4. Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten voor de uitvoering van
de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, met
betrekking tot een leasecontract, zoals de marge van de
leaseorganisatie, herfinancieringskosten, overheadkosten en
verzekeringspremies.
5. Indien subsidie wordt verstrekt voor een investering, wordt de
beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de
Algemene wet bestuursrecht ingetrokken indien de investering gedurende
vijf jaar te rekenen vanaf de datum van subsidievaststelling een
belangrijke wijziging ondergaat die:
a. de aard van de investering of de bij of krachtens deze
regeling opgelegde uitvoeringsvoorwaarden raakt;
b. een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel
oplevert, of
c. het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de
eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de
beëindiging of verplaatsing van productiecapaciteit.
Artikel 5:5. Rangschikking naar geschiktheid en in volgorde van
ontvangst
1.De Minister rangschikt een aanvraag tot subsidieverlening voor
activiteiten, als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b,
overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate de maatregelen waarop de
aanvraag betrekking heeft meer bijdragen aan een duurzame
diversificatie in de suikersector.
2.Op aanvragen tot subsidieverlening voor activiteiten als bedoeld
in artikel 5:3, tweede lid, onderdelen a en c, is artikel 1:6 van
toepassing.
Artikel 5:6. Indiening aanvraag subsidieverlening
1. Een aanvraag tot verlening van een subsidie voor de uitvoering
van activiteiten als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a,
gaat vergezeld van:
a. een plan, waarin de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
aangevraagd zijn opgenomen en waaruit blijkt hoe die activiteiten
bijdragen aan de doelstelling, bedoeld in artikel 5:3, eerste lid;
b. een op naam van de aanvrager gestelde offerte van de bouwers
of leveranciers van de investeringen waarvoor subsidie wordt
aangevraagd.
2. Een aanvraag tot verlening van een subsidie voor de uitvoering
van activiteiten als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b,
gaat vergezeld van:
a. een projectplan dat helder onderbouwt dat uitvoering van het
plan en van de daarin opgenomen investeringen waarvoor subsidie
wordt aangevraagd, bijdraagt aan het verbeteren van de algehele
prestaties van de betrokken ondernemingen;
b. een analyse van vraag- en aanbod in de betreffende markt;
c. een uitvoerige beschrijving van de geplande activiteiten;
d. de bijdrage van die activiteiten aan het verhogen van de
toegevoegde waarde;
e. melding van een beslismoment ten aanzien van de overgang van
ontwikkel- naar uitvoeringsfase;
f. een investerings- en indien relevant een
exploitatiebegroting met een dekkingsvoorstel.
Artikel 5:7. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voert de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3,
tweede lid, onderdelen a en c, vóór 30 september 2010 uit, en de
activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, vóór 30
september 2011.
Artikel 5:8. Indiening aanvraag subsidievaststelling
1.In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot
subsidievaststelling ingediend binnen één maand na afloop van de
activiteit waarvoor subsidie is verleend.
2.De aanvraag tot subsidievaststelling voor de activiteiten,
bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, gaat
vergezeld van:
a. facturen of andere schriftelijke bewijsstukken, waarop
prijzen inclusief en exclusief BTW worden opgevoerd, waaruit
blijkt dat de investering(en) volgens de offerte is of zijn gedaan
en waarop in ieder geval de typering van het product en het
onderscheid tussen kostenonderdelen is aangegeven, en
b. bankafschriften waaruit de betaling van de facturen blijkt.
3.De aanvraag tot subsidievaststelling voor de activiteiten,
bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, gaat vergezeld van:
a. facturen of andere schriftelijke bewijsstukken, waarop
prijzen inclusief en exclusief BTW worden opgevoerd;
b. bankafschriften waaruit de betaling van de facturen blijkt,
en
c. een bewijs van deelname aan de opleiding, training of
voorlichtingsbijeenkomst of in het geval van een bedrijfsconsult
een op schrift gesteld advies aan de begunstigde.
Artikel 5:9. Hoogte subsidie
1.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten,
met dien verstande dat de subsidie voor de activiteiten bedoeld in
artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, ten hoogste € 20.000 bedraagt.
2.Indien het gaat om subsidie verleend voor de activiteit, bedoeld
in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, is het subsidiebedrag niet
hoger dan 50% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de
subsidie ten hoogste € 1.500 bedraagt.
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
Artikel 6:1. Aanwijzing toezichthouders
Als personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kaderwet
LNV-subsidies worden aangewezen de ambtenaren van:
a. de Dienst Regelingen;
b. de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie;
c. de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie;
d. de Auditdienst van het Ministerie van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie.
Artikel 6:2. Intrekking bestaande regelingen
De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken:
a. Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS;
b. Besluit aanwijzing toezichthouders Kaderwet LNV-subsidies;
c. Investeringsregeling biologische varkenshouderij;
d. Investeringsregeling energiebesparing;
e. Investeringsregeling markt en concurrentiekracht;
f. Kaderregeling kennis en advies;
g. Kaderregeling subsidiëring natuurprojecten;
h. Regeling beëindiging veehouderijtakken;
i. Regeling delegatie Stichting Fonds MKZ-AI;
j. Regeling diverse subsidieplafonds en aanvraagperioden LNV;
k. Regeling draagvlak natuur;
l. Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en
natuurterreinen;
m. Regeling handelwijze bij vervreemding;
n. Regeling herstel historische buitenplaatsen;
o. Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen
in de veehouderij;
p. Regeling kennisontwikkeling en regionale samenwerking
culturele diversiteit;
q. Regeling stimulering biologische productiemethode;
r. Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002;
s. Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende parken;
t. Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma
provincies;
u. Regeling versterking recreatie;
v. Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten
duurzame landbouw;
w. Subsidieregeling jonge agrariërs;
x. Subsidieregeling sanering verzamelcentra varkens;
y. Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen;
z. Stimuleringsregeling innovatie markt en concurrentiekracht;
aa. Stimuleringsregeling vernieuwing landelijk gebied;
ab. Vaststelling aanvraagperiode 2005 Subsidieregeling nieuwe
agrarische schadeverzekeringen;
ac. Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied.
ad. Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de
visserij 2002;
ae. Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de
visserij 2003;
af. Subsidieregeling capaciteitsvermindering IJsselmeervisserij
en innovatie aquacultuur;
ag. Regeling garantstelling visserij;
ah. Subsidieregeling duurzame ontwikkeling cacao- en
chocoladesector.
Artikel 6:3. Overgangsbepalingen
1.Het recht zoals dat gold voorafgaand aan de tijdstippen van
intrekking van de regelingen, genoemd in artikel 6:2, blijft van
toepassing:
a. op een aanvraag tot subsidieverlening die is ingediend
voorafgaand aan dat tijdstip;
b. met betrekking tot een subsidie die is of wordt verleend op
een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in onderdeel a,
alsmede de uit die subsidieverlening voortvloeiende rechten,
aanspraken en verplichtingen.
2.Bij intrekking van de door het bestuur van de Stichting
Borgstellingsfonds voor de Landbouw vastgestelde Besluit
Borgstellingsfonds en Besluit BF bijzondere borgstellingen:
a. blijft het recht zoals dat gold voorafgaand aan de
tijdstippen van intrekking van die besluiten van toepassing:
1. op een aanvraag tot subsidieverlening die op grond van
die besluiten is ingediend;
2. met betrekking tot een subsidie die is verleend op een
aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld onder 1°, alsmede
de uit die subsidieverleningen voortvloeiende rechten,
aanspraken en verplichtingen;
b. gaan de rechten, aanspraken en verplichtingen van het
bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw die
zijn aangegaan op grond of ter uitvoering van die besluiten, over
op de Minister.
3.Na ontbinding van de Stichting fonds MKZ-AI gaan de rechten,
aanspraken of verplichtingen van het bestuur van de Stichting fonds
MKZ-AI die zijn aangegaan op grond of ter uitvoering van de
regelingen, bedoeld in het eerste lid, over op de Minister.
Artikel 6:4. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2007.
Artikel 6:5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling LNV-subsidies.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|