St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Kaderwet LNV-subsidies

 

REGELING  LNV-SUBSIDIES

Tekst zoals deze geldt op 26 januari 2012

 

  
 

 

 
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 februari 2007, nr. TRCJZ/2007/388, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling LNV-subsidies)

     De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
     Gelet op:
- Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10);
- Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);
- Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEU L 358);
- de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1:1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

– bancair aansprakelijk vermogen:

a. het eigen vermogen van de onderneming van de aanvrager;

b. zekerheidsstelling door derden ten behoeve van de onderneming van de aanvrager, en

c. vermogensbestanddelen van de aanvrager privé, bestaande uit:

1. bij eenmanszaken, vennootschappen onder firma en maatschappen: privé-bezittingen;

2. bij besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschappen: privé-bezittingen voor zover deze door zekerheidsstelling ten behoeve van de bank zijn verbonden;

3. achtergestelde leningen.

– bank: binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde bank die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen;

– Dienst Regelingen: Dienst regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

– Europese subsidies: subsidies:

a) verstrekt op basis van of in nauwe samenhang met een bindend besluit van de Raad, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Unie;

b) verstrekt met het oog op cofinanciering van een door de Raad of de Commissie van de van de Europese Unie goedgekeurd programma, of

c) die als staatssteun als bedoeld in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn aan te merken;

– EG-maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

– lening: door een bank verstrekte geldlening, niet zijnde een rekening-courantkrediet;

– liquiditeitstoename: som van het bedrijfsresultaat, de afschrijving en de privé-toevoegingen verminderd met de aflossingen, de privé-onttrekkingen en de vervangingsinvesteringen;.

– landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;

– landbouwproducten: producten als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van de producten genoemd in hoofdstuk 3 van die bijlage;

– landbouwsector: gehele complex van landbouwondernemingen, landbouwproducten verwerkende ondernemingen en aan de landbouw gerelateerde afzet, handel, dienstverlening, logistiek, en toeleverende industrie;

– Minister: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

– plattelandsontwikkelingsprogramma: plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005, van Nederland;

– probleemgebied: gebied zoals aangewezen in bijlage 2 bij maatregelfiche 212 van het plattelandsontwikkelingsprogramma;

– project: geheel van activiteiten gericht op concrete resultaten ter verwezenlijking van de in deze regeling omschreven subsidiedoelstellingen;

– Richtlijn 2001/80/EG: Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEU L 309);

– verordening (EG) nr. 1698/2005: verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);

– verordening (EG) nr. 1857/2006: verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001;

– de-minimis verordening: verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337);

– verordening (EG) nr. 800/2008: verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L 214);

– visserijproducten: producten, genoemd in hoofdstuk 3 van bijlage I bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

– visserijsector: gehele complex van ondernemingen, gericht op de vangst of de primaire productie van visserijproducten, visserijproducten verwerkende ondernemingen en aan de visserij gerelateerde afzet, handel, dienstverlening, logistiek, en toeleverende industrie.

 

Artikel 1:2. Subsidiabele activiteiten

1.Op grond van deze regeling kan op aanvraag door de Minister subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van activiteiten in Nederland die bijdragen aan:

a. de verbetering van het concurrentievermogen van de landbouwsector, bosbouwsector of visserijsector;

b. het behoud of de verbetering van de natuur en het landelijk en cultureel erfgoed, de ontwikkeling van landschapskwaliteit dan wel bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied van de recreatie, of

c. een duurzame exploitatie van de levende aquatische rijkdommen en een duurzame aquacultuur;

d. het landbouwonderwijs en onderzoek op het terrein van de landbouw, de bosbouw, de natuur, het landschap, de visserij en de openluchtrecreatie.

2.Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die zijn aangevangen op of na de subsidieverlening.

 

Artikel 1:3. Openstelling

1. Op grond van deze regeling kan uitsluitend subsidie worden verstrekt indien de Minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of subsidieverstrekking heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag.

2. De Minister kan de openstelling beperken tot bepaalde activiteiten, categorieën van aanvragers of een bepaald aantal aanvragen.

3. De Minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers.

4. De Minister maakt een besluit als bedoeld in dit artikel bekend in de Staatscourant.

5. De Minister wijst Europese subsidies aan bij de openstelling, bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 1:4. Toebedeling beschikbaar bedrag naar geschiktheid

1.De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt naarmate de activiteit waarop deze betrekking heeft naar het oordeel van de Minister een grotere bijdrage levert aan de doelstelling van de subsidie.

2.Volgens de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.

3.De Minister kan één of meer beoordelingscommissies instellen die tot taak hebben aanvragen overeenkomstig het tweede lid te beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de Minister.

 

Artikel 1:5. Toebedeling beschikbaar bedrag door loting

1.In afwijking van artikel 1:4 is het onderhavige artikel van toepassing, ingeval dit in deze regeling van toepassing is verklaard.

2.De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend door loting.

3.Volgens de rangschikking, bedoeld in het tweede lid, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.

 

Artikel 1:6. Toebedeling beschikbaar bedrag in volgorde van ontvangst

1.In afwijking van artikel 1:4 is het onderhavige artikel van toepassing, ingeval dit in deze regeling van toepassing is verklaard.

2.De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend in volgorde van ontvangst, waarbij aanvragen met dezelfde ontvangstdatum worden gerangschikt door loting voor zover op die datum het subsidieplafond wordt overschreden.

3.Volgens de rangschikking, bedoeld in het tweede lid, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.

4.Ingeval een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvraag voor de toepassing van het tweede lid geacht te zijn ontvangen op de datum waarop de ontbrekende gegevens en bescheiden zijn ontvangen.

 

Artikel 1:7. Overige bepalingen over rangschikking

1.Indien per categorie van aanvragers een subsidieplafond is vastgesteld, vindt rangschikking als bedoeld in artikel 1:4, 1:5 of 1:6 per categorie plaats.

2.Bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, kan de Minister:

a. besluiten dat rangschikking plaatsvindt op een andere wijze dan bepaald in deze regeling;

b. toetsingscriteria vaststellen voor rangschikking als bedoeld in artikel 1:4, tweede lid, in voorkomend geval in aanvulling op toetsingscriteria die in deze regeling zijn gesteld.

 

Artikel 1:8. Indiening van een aanvraag

1. Een aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of voorschotverlening wordt ingediend bij de Directeur van de Dienst Regelingen met gebruikmaking van een daartoe door de Dienst Regelingen verstrekt formulier.

2. In aanvulling op de voorschriften, gesteld in deze regeling, kan de Minister bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, nadere voorschriften stellen over de indiening van een aanvraag.

 

Artikel 1:9. Indiening aanvraag subsidieverlening

1.Bij een aanvraag tot subsidieverlening wordt in voorkomend geval mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt of zal worden gefinancierd.

2.Een aanvraag tot subsidieverlening voor een project gaat vergezeld van een projectplan, waarin ten minste is opgenomen:

a. een beschrijving van het project, waaronder:

1°. de doelstellingen;

2°. een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering daarvan te maken kosten blijkt;

3°. de activiteiten en de wijze van uitvoering;

4°. voor zover van toepassing een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende ondernemingen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers.

b. informatie waaruit blijkt in hoeverre het project bijdraagt aan de doeleinden waarvoor de subsidie wordt verstrekt;

c. een sluitende begroting voor het project, die een meerjarenbegroting is met liquiditeitsplanning per jaar voor zover het project langer dan een jaar duurt, met toelichting daarop;

d. criteria voor het toetsen van de resultaten van het project;

e. de verwachte realisatietermijn, met een beschrijving van het tijdpad en mijlpalen indien die termijn langer dan een jaar is.

 

Artikel 1:10. Beslistermijn subsidieverlening

1. Bij toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 1:4, wordt een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven binnen 22 weken na afloop van de periode voor het aanvragen van de subsidie.

2. Bij toepassing van de procedures, bedoeld in de artikelen 1:5 en 1:6, wordt een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven binnen 13 weken na afloop van de periode voor het aanvragen van de subsidie.

 

Artikel 1:11. Subsidieverlening ten laste van niet vastgestelde begroting

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 1:12. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger voert de activiteiten waarvoor subsidie is verleend uit met inachtneming van:

a. bij of krachtens deze regeling gestelde vereisten voor of voorwaarden bij subsidieverlening;

b. overige wettelijke voorschriften die van toepassing zijn op die activiteiten.

2. De subsidieontvanger voert een administratie die te allen tijde voldoende gegevens bevat voor een juist inzicht in de realisatie van de te subsidiëren activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking.

3. In de administratie, bedoeld in het tweede lid:

a. zijn alle ontvangsten en uitgaven vastgelegd met de onderliggende bewijsstukken;

b. zijn bewijsstukken ten name van de subsidieontvanger aanwezig, waaruit de aard van geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt.

4. De administratie, bedoeld in het tweede lid, wordt ten minste gedurende vijf jaar na de datum van subsidievaststelling bewaard.

5. De subsidieontvanger verstrekt aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 6:1, desgevraagd de nodige gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de vereisten, voorwaarden of voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

6. Artikel 8 van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten is van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van opdrachten voor werken of diensten aan derden door een subsidieontvanger die geen aanbestedende dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van dat besluit is.

7. De Minister kan de subsidieontvanger bij subsidieverlening ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie, waaronder een termijn waarbinnen de activiteiten waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd.

8. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 125.000 zijn het tweede tot en met het vierde lid niet van toepassing; in dat geval levert de subsidie-ontvanger tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling desgevraagd die gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

9. In afwijking van het achtste lid zijn het tweede tot en met het vierde lid van toepassing op verleende Europese subsidies lager dan €125.000.

 

Artikel 1:13. Verplichtingen subsidieontvanger bij projecten

1. Ingeval subsidie is verleend voor de uitvoering van een project, voert de subsidieontvanger dat project uit overeenkomstig het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening.

2. Ingeval een project langer dan een jaar duurt, informeert de subsidieontvanger de Minister telkens nadat een jaar is verstreken binnen drie maanden over de voortgang van het project door middel van een verslag, dat ten minste een beschrijving bevat van:

a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht;

b. de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan.

3. De Minister kan goedkeuring verlenen aan een tussentijdse wijziging van een projectplan, tenzij de wijziging:

a. de doelstellingen, omschreven in het projectplan, betreft;

b. verhoging van het bedrag van de subsidie of het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld, tot gevolg heeft.

4. Bij een goedkeuring als bedoeld in het derde lid kan de Minister de beschikking tot subsidieverlening alsmede de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen wijzigen.

5. Verslagen als bedoeld in het tweede lid en aanvragen tot een goedkeuring als bedoeld in het derde lid worden ingediend bij de Directeur van de Dienst Regelingen.

6. Bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, kan de Minister besluiten dat een project moet zijn aangevangen of uitgevoerd binnen een andere termijn dan bepaald in deze regeling.

7. Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 is het tweede lid niet van toepassing en worden er geen tussentijdse verslagen opgevraagd.

 

Artikel 1:14. Indiening aanvraag subsidievaststelling

1. Tenzij de beschikking tot subsidieverlening tevens de subsidievaststelling inhoudt, dient de subsidie-ontvanger zijn aanvraag om subsidievaststelling in, binnen dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid, tenzij de Minister bij subsidieverlening een andere periode voor het indienen van de aanvraag heeft vastgesteld.

2. Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt in voorkomend geval mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft is gefinancierd.

3. Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten.

4. Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor de uitvoering van een project gaat vergezeld van een eindverslag, dat ten minste bevat:

a. een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht;

b. een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening;

c. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan, en

d. de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval in deze regeling is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.

5. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 125.000 is het derde lid niet van toepassing; in dat geval overlegt de subsidie-ontvanger de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

6. In afwijking van het vijfde lid is het derde lid van toepassing op Europese subsidies die minder bedragen dan €125.000.

 

Artikel 1:14a. Beslistermijn subsidievaststelling

De Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

 

Artikel 1:14b. Subsidievaststelling bij subsidies onder de €25.000

1. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt de subsidie:

a. direct vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening, of

b. ambtshalve vastgesteld, uiterlijk op een in een voorafgaande beschikking tot subsidieverlening vermelde datum, doch niet later dan tweeëntwintig weken nadat de activiteiten op grond van de beschikkingen moeten zijn verricht.

2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt gegeven, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

3. Desgevraagd overlegt de subsidie-ontvanger de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4. De artikelen betreffende subsidieverlening in dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot subsidievaststelling, als bedoeld in onderdeel a van het eerst lid.

5. Indien de subsidie direct wordt vastgesteld, vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats.

 

Artikel 1:14c. Europese subsidies onder de € 25.000

Artikel 1:14b is niet van toepassing op verleende Europese subsidies die minder bedragen dan€ 25.000.

 

Artikel 1:14d. Meldplicht

De subsidieontvanger doet onverwijld een schriftelijke melding zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

 

Artikel 1:14e. Controleverklaring accountant

1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring van een accountant indien dat in deze regeling of in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald.

2. In de beschikking tot subsidieverlening kan uitsluitend worden bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat van een controleverklaring, indien het in die beschikking vermelde subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt.

3. De controleverklaring bestaat uit een verklaring van een accountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften uit artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert en stelt de controleverklaring vast met inachtneming de voorschriften, gesteld in bijlage 1 bij deze regeling.

 

Artikel 1:15. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:

a. kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd van overheidswege;

b. kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen;

c. debetrente;

d. kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd in strijd met EG-maatregelen of nationale voorschriften die daarop van toepassing zijn.

2. Kosten voor aankoop van grond komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie tot een hoogte van 10% van de subsidiabele kosten van de investering.

3. Verschuldigde BTW komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de BTW niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting.

4. In aanvulling op de voorschriften, gesteld in deze regeling, kan de Minister bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, nadere voorschriften stellen over de voor een subsidie in aanmerking komende kosten.

5. Indien in deze regeling is bepaald dat loonkosten of kosten voor eigen arbeid in aanmerking komen voor een subsidie:

a. worden de kosten bepaald aan de hand van een uurtarief dat wordt berekend door eerst het bruto jaarloon te verminderen met de volledig winstafhankelijke uitkeringen en te verhogen met de premies voor sociale verzekeringen, VUT en pensioen, en dat bedrag vervolgens te delen door 1600, en

b. komen de kosten uitsluitend in aanmerking tot ten hoogste het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën. Hierbij wordt uitgegaan van ten hoogste de volgende salarisschalen:

1°. schaal 6 voor ondersteunend personeel;

2°. schaal 11 voor uitvoerend personeel;

3°. schaal 13 voor toezichthoudend personeel.

 

Artikel 1:16. Hoogte subsidie

1. Indien in deze regeling is bepaald dat een subsidie ten hoogste een bepaald bedrag of percentage van de subsidiabele kosten bedraagt, wordt het subsidiebedrag bepaald met inachtneming van dat bedrag of percentage, tenzij de Minister bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, een lager subsidiebedrag of lager percentage heeft vastgesteld.

2. Ingeval in deze regeling niet is bepaald welk bedrag of percentage van de subsidiabele kosten een subsidie bedraagt, bedraagt de subsidie ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

3. Ingeval een activiteit gedeeltelijk uit andere hoofde wordt gesubsidieerd, wordt op grond van deze regeling een zodanig subsidiebedrag vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor die activiteit niet hoger is dan het totale subsidiebedrag dat op grond van deze regeling kan worden verstrekt.

4. Indien subsidies worden verstrekt voor investeringen door een landbouwonderneming op grond van artikel 2:42 of artikel 2:47, of voor investeringen als bedoeld in Hoofdstuk 1, 4 of 5 van Bijlage 2, bedraagt het totaal van de subsidies die tijdens een periode van drie fiscale jaren aan de landbouwonderneming voor desbetreffende activiteiten wordt toegekend ingevolge artikel 4 van verordening (EG) nr. 1857/2006 niet meer dan € 400.000 of € 500.000 indien de landbouwonderneming is gevestigd in een probleemgebied.

 

Artikel 1:17. Voorschotverlening

1. De Minister verstrekt voor een subsidie die nog niet is vastgesteld binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ambtshalve een voorschot, tenzij de Minister deze mogelijkheid bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, heeft uitgesloten.

2. Het voorschot bedraagt 80% van het ten hoogste te verstrekken subsidiebedrag.

3. Bevoorschotting vindt plaats aan de hand van het bevoorschottingsregime dat in de beschikking tot subsidieverlening wordt vastgesteld.

4. De Minister kan bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, bepalen dat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld gaat van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.

5. In afwijking van het tweede lid, bedraagt het voorschot 100% van de maximale hoogte van de subsidie indien de verleende subsidie minder bedraagt dan €25.000.

 

Artikel 1:18. Wettelijke rente bij terugvordering

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies of artikel 1:20, derde of vijfde lid, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.

 

Artikel 1:19. Samenwerkingsverbanden

1. Indien in deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen voor de subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden die:

a. zijn gericht op het realiseren van een van de doelstellingen waarvoor de subsidie kan worden verstrekt, en

b. waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn.

2. Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband:

a. berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband;

b. kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband.

3. De Minister kan bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, in afwijking van het tweede lid bepalen dat ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband, onverschuldigde betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband voor wat betreft het door de deelnemer ontvangen deel van de onverschuldigde betaalde subsidiebedragen.

 

Artikel 1:20. Subsidies in het kader van verordening (EG) nr. 1698/2005

1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een subsidie die wordt verstrekt ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

2. De subsidie wordt verleend onder voorbehoud dat:

a. de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedkeuring als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005 verleent aan een programma als bedoeld in het eerste lid, en

b. de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft op grond van het programma, bedoeld in onderdeel a, kan worden gefinancierd.

3. Onverminderd de artikelen 4:35, 4:48 en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht weigert de Minister subsidieverlening of trekt de Minister een subsidieverlening of subsidievaststelling in, indien:

a. in het kader van de aanvraag met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. in het voorafgaande of hetzelfde jaar met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt bij een aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling met betrekking tot dezelfde activiteit;

c. de aanvrager kunstgrepen heeft uitgevoerd om aan de eisen voor subsidieverstrekking te kunnen voldoen.

4. Indien het bij de aanvraag tot subsidievaststelling gevraagde subsidiebedrag meer dan drie procent hoger is dan het bedrag dat op grond van deze regeling kan worden verstrekt, wordt een subsidiebedrag vastgesteld dat is verlaagd met het verschil tussen die twee bedragen, tenzij de aanvrager aantoont dat de aanvraag buiten zijn schuld onjuist is.

5. Indien subsidie wordt verstrekt voor een investering, wordt de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken indien de investering gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de datum van subsidievaststelling een belangrijke wijziging ondergaat die:

a. de aard van de investering of de bij of krachtens deze regeling opgelegde uitvoeringsvoorwaarden raakt;

b. een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert, of

c. het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de beëindiging of verplaatsing van productiecapaciteit.

6. Bijlage VI, onderdelen 2.2 en 3.2, van verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 368) is van toepassing.

7. In afwijking van artikel 1:17, eerste lid, kan de Minister op aanvraag uitsluitend voorschot verlenen voor:

a. kosten die door de subsidieontvanger zijn gemaakt en betaald alsmede kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, voor zover die kosten op grond van deze regeling subsidiabel zijn, waarbij het voorschot wordt berekend naar rato van gemaakte en betaalde kosten;

b. kosten van activiteiten die kunnen worden gefinancierd op grond van een programma als bedoeld in het eerste lid waarvoor een goedkeuring als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is verleend.

8. De Minister wijst subsidies als bedoeld in het eerste lid aan bij de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid.

9. Van de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

 

Hoofdstuk 2. Concurrerende landbouw

 

Titel 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 2:1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

– agro-MKB-onderneming: kleine of middelgrote onderneming die in de landbouwsector werkzaam is, met uitzondering van een landbouwonderneming;

– bosbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van bosbouwproducten plaatsvindt;

– communautaire voedselkwaliteitsregeling: een kwaliteitsschema voor een landbouwproduct dat is erkend in het kader van:

a. verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen PbEU L 93);

b. verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93);

c. verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PbEG L 198);

d. titel VI van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PbEG L 179);

– deskundige: persoon die vanuit zijn beroep deskundig is op het terrein waarvoor zijn kennis wordt ingezet en die onafhankelijk is van de subsidieontvanger;

– groep: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

– innovatieproject: project dat een samenhangend geheel van activiteiten vormt, welke zijn gericht op:

a. het creëren van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, technieken, systemen, processen, diensten of organisatievormen tot aan, maar niet met inbegrip van commerciële toepassing op praktijkschaal, en

b. het verwerven van kennis ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in onderdeel a;

– jonge landbouwer: natuurlijke persoon die ten hoogste 39 jaar oud is en sinds ten hoogste drie jaar voor het eerst voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming beheert die hij:

a. alleen in eigendom, pacht of erfpacht heeft, of

b. volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft met een andere natuurlijke persoon die niet eerder een landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad;

– kleine of middelgrote onderneming: kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van verordening (EG) nr. 800/2008;

– producentengroepering: organisatie, van welke juridische vorm dan ook, bestaande uit personen die actief opereren in een voedselkwaliteitsregeling, met uitzondering van een professionele of interprofessionele organisatie die een of meer sectoren vertegenwoordigt;

– verordening (EG) nr. 73/2009: Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30);

– vervangingsinvestering: investering voor het eenvoudige vervangen van een bestaand gebouw of een bestaande machine, of delen daarvan, door een nieuw modern gebouw of een nieuwe moderne machine, zonder dat daarbij de productiecapaciteit met meer dan 25% wordt verhoogd of de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd;

– voedselkwaliteitsregeling: een communautaire voedselkwaliteitsregeling of een door de Minister erkende kwaliteitsregeling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1698/2005.

 

Artikel 2:1a. Nadere voorschriften

Aan een onderneming, landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming wordt geen subsidie verstrekt indien:

a. de onderneming moet worden aangemerkt als een onderneming als bedoeld in paragraaf 2.1 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun (PbEU C 244);

b. overeenkomstig artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van Verordening (EG) nr. 800/2008 er ten aanzien van de onderneming een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

 

Artikel 2:2. Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1:15, komen de volgende kosten niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit hoofdstuk:

a. de aankoop van agrarische productierechten, dieren, planten en de aanplant van planten voor éénjarige gewassen;

b. vervangingsinvesteringen;

c. legeskosten;

d. reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger en kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer;

e. kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen.

 

Titel 2. Beroepsopleiding en voorlichting

 

Artikel 2:3. Subsidiabele activiteiten

1.Ter stimulering van de duurzame ontwikkeling van de land- en bosbouwsector kan de Minister aan een landbouwonderneming, agro-MKB-onderneming of bosbouwonderneming subsidie verstrekken voor de uitvoering van de volgende activiteiten:

a. een bedrijfsconsult;

b. het volgen van opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten door ondernemers of in de onderneming werkzame personen bij daartoe gespecialiseerde instellingen of organisaties.

2.Een bedrijfsconsult bevat een op de onderneming toegesneden advies omtrent de ontwikkeling of beëindiging van die onderneming en heeft betrekking op:

a. het verrichten van bedrijfsdoorlichtingen, met uitzondering van kwaliteits- en productcontroles door deskundigen;

b. het laten verrichten van onderzoek, met uitzondering van kwaliteits- en productcontroles door deskundigen, met het oog op de ontwikkeling van landbouwproducten van hoge kwaliteit;

c. het opstellen van plannen gericht op de ontwikkeling van de onderneming;

d. het opstellen van plannen gericht op de beëindiging van de onderneming;

e. het opstellen van plannen gericht op de toepassing van kwaliteitsregelgeving op de onderneming;

f. het opstellen van plannen gericht op risicobeheer, of

g. het opstellen van plannen gericht op het ontwikkelen van samenwerkingsverbanden tussen landbouwondernemingen onderling, of met agro-MKB-ondernemingen.

3.Een opleiding, training of voorlichtingsbijeenkomst heeft betrekking op:

a. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire of fytosanitaire regelgeving, aan hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan arbeidsomstandighedenregelgeving;

b. het verkrijgen of vergroten van kennis en vaardigheden waarmee nieuwe, betere of hoogwaardigere producten kunnen worden verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen worden verbeterd;

c. begeleiding bij het starten of beëindigen van de onderneming of een onderdeel daarvan.

4.Geen subsidie wordt verstrekt voor:

a. opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten die onderdeel van normale programma’s of van leergangen voor middelbaar of hoger landbouw- en bosbouwonderwijs vormen;

b. activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 250.

 

Artikel 2:4. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 2:5. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert de activiteiten waarvoor subsidie is verleend uit binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening.

 

Artikel 2:6. Indiening aanvraag subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling binnen negen maanden na de datum van subsidieverlening ingediend.

 

Artikel 2:7. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de totale kosten van een bedrijfsconsult, opleiding of training.

2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.500 per jaar per onderneming.

3.De subsidie, bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, wordt betaald aan de adviseur of instelling.

 

Titel 3. Bedrijfsadviesdiensten

 

Artikel 2:8. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan subsidie aan een landbouwonderneming of bosbouwonderneming verstrekken voor een schriftelijk advies door een bedrijfsadviesdienst omtrent de wijze waarop de onderneming kan worden ontwikkeld of voortgezet overeenkomstig ten minste:

a. de beheerseisen, bedoeld in artikel 5 en bijlage II van verordening (EG) nr. 73/2009,

b. de minimumeisen inzake goede landbouw- en milieuconditie, bedoeld in artikel 6 en bijlage III van verordening (EG) nr.73/2009, en

c. arbeidsveiligheidsstandaards die zijn gebaseerd op EG-maatregelen.

2. De bedrijfsadviesdienst:

a. heeft de beschikking over voldoende personeel dat beschikt over de voor het verstrekken van bedrijfsadviezen vereiste kwalificaties op een voor de inhoud van het advies relevant terrein;

b. beschikt over de benodigde administratieve en technische faciliteiten;

c. is ervaren in het verstrekken van adviezen met betrekking tot de in het eerste lid genoemde onderwerpen;

d. staat als betrouwbaar te boek;

e. staat ingeschreven bij een Kamer van Koophandel als organisatie die zich het geven van adviezen ten doel stelt;

f. heeft ten minste één jaar ervaring in het verstrekken van adviezen op ten minste één van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c genoemde aspecten;

g. is in het betrokken kalenderjaar ten minste 28 dagen voor de eerste mogelijkheid tot het doen van een aanvraag door de Minister is opengesteld, aangemeld als bedrijfsadviesdienst bij de Dienst Regelingen.

3. Het advies is gebaseerd op een op de betrokken landbouwonderneming of bosbouwonderneming uitgevoerd onderzoek, waarin wordt aangegeven welke eisen als bedoeld in het eerste lid op de onderneming van toepassing zijn en in hoeverre aan die eisen wordt voldaan.

4. De subsidie wordt betaald aan de bedrijfsadviesdienst.

 

Artikel 2:9. Rangschikking in categorieën

1. In afwijking van artikel 1:4 rangschikt de Minister aanvragen tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend in de navolgende volgorde van categorieën:

a. aanvragen, afkomstig van ondernemingen die in de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag geen gebruik hebben gemaakt van de subsidie;

b. overige aanvragen.

2. Binnen de categorieën, bedoeld in het eerste lid, worden aanvragen gerangschikt in volgorde van ontvangst.

3. Indien het aantal aanvragen hoger ligt dan het beschikbare budget, worden binnen de categorieën, bedoeld in het eerste lid, aanvragen door loting gerangschikt.

 

Artikel 2:9a. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger laat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend binnen zes maanden uitvoeren na de datum van subsidieverlening.

 

Artikel 2:9b. Indiening aanvraag subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling binnen negen maanden na de datum van subsidieverlening ingediend.

 

Artikel 2:10. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een bedrijfsadvies.

2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.500.

3.De subsidie wordt ten hoogste eenmaal per drie jaar verleend.

 

Titel 4. Kennisverspreiding

 

§ 1. Praktijknetwerken

 

Artikel 2:11. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen, agro-MKB-ondernemingen, bosbouwondernemingen, kennisinstellingen of verenigingen van agrariërs subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project dat is gericht op de onderlinge uitwisseling van voor elk van de aan het samenwerkingsverband deelnemende ondernemingen relevante kennis en ervaring met betrekking tot werkzaamheden in de landbouwsector of bosbouwsector.

2. Het project heeft een duur van ten hoogste vijf jaar en heeft betrekking op:

a. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire regelgeving, aan fytosanitaire, hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan arbeidsomstandighedenregelgeving,

b. het verkrijgen of vergroten van kennis en vaardigheden waarmee nieuwe, betere of hoogwaardigere producten kunnen worden verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen worden verbeterd, of

c. het verkrijgen of vergroten van kennis op het gebied van klimaatverandering, hernieuwbare energie, kwantitatief en kwalitatief waterbeheer (grond- en oppervlaktewater) dan wel biodiversiteit en innovaties op deze terreinen.

 

Artikel 2:11a. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger vangt het project aan binnen drie maanden na de datum van de subsidieverlening.

 

Artikel 2:11b [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 2:12. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

a. de kosten van een procesbegeleider of projectuitvoerder;

b. de kosten voor de organisatie en facilitering van het samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaalhuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten;

c. de kosten van het vastleggen en verspreiden van kennis, waaronder begrepen drukwerk en de kosten van de ontwikkeling en het beheer van internetapplicaties;

d. de kosten voor het inhuren van kennis van overige landbouwondernemingen, deskundigen, onderzoekers of kennisinstellingen.

2. In afwijking van artikel 1:15, derde lid, komt niet verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.

 

Artikel 2:13. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.

 

§ 2. Demonstratieprojecten

 

Artikel 2:14. Subsidiabele activiteiten

1. Ter bevordering van de concurrentiekracht van de land- en bosbouw en van productiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming en natuurbeheer kan de Minister subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project waarvan de activiteiten zijn gericht op het in de praktijk uittesten en demonstreren van de resultaten van vernieuwingen bij landbouwondernemingen, bosbouwondernemingen of agro-MKB-ondernemingen, met uitzondering van beroepsopleidingen en aan beroepsopleidingen gerelateerde cursussen.

2. Voor de subsidie komen in aanmerking:

a. landbouwondernemingen;

b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling, of van ten minste één landbouwonderneming en:

1°. agro-MKB-ondernemingen, bosbouwondernemingen of ondernemingen, werkzaam in de voedselindustrie;

2°. verenigingen of stichtingen, werkzaam op het gebied van de landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen;

3°. adviesbureaus;

4°. onderwijs- en opleidingsinstellingen;

5°. overheidsinstanties;

c. verenigingen van agrariërs.

 

Artikel 2:15. Nadere voorschriften projecten

1. Een project heeft betrekking op:

a. biologische landbouw, geïntegreerde landbouw of gesloten teeltsystemen;

b. milieuverantwoorde benutting van meststoffen;

c. beperking van de ammoniakemissies in de veehouderij;

d. verwijdering en verwerking van organische afvalstoffen voor zover betrekking hebbende op de substraatteelt;

e. beperking van milieubelasting door ondernemingen die zich richten op de be- of verwerking van, of handel in producten van de land- of bosbouw;

f. terugdringing van het gebruik of de emissie van gewasbeschermingsmiddelen;

g. duurzame energie, energiebesparing, energie-efficiency en energiemanagement;

h. toepassing van nieuwe marktgerichte productiemethoden of verwerkingstechnieken, waaronder de ontwikkeling van nieuwe landbouwproducten of bijproducten en het openen van nieuwe markten;

i. verbetering van logistieke systemen en informatietechnologie;

j. verbetering van de kwaliteit van productieprocessen of -systemen, waaronder integrale borgingssystemen;

k. verbetering van de horizontale, onderscheidenlijk verticale samenwerking in, onderscheidenlijk tussen opeenvolgende schakels in de productieketen van land- of bosbouwproducten;

l. verbetering van arbeidsomstandigheden;

m. verbetering van hygiëne;

n. verbetering van de gezondheid of het welzijn van dieren;

o. benutten en verbeteren van genetische en functionele agro-biodiversiteit om duurzame productie te bevorderen;

p. verbetering van de kwaliteit en vergroting van de variatie van het bodemleven door goede bodembewerkingsmethoden, bemestingsmethoden en –technieken waardoor het watervasthoudend vermogen van de bodem toeneemt en uitspoeling van nutriënten vermindert;

q. voorkomen van en omgaan met bodemverdichting en bestrijding van erosie;

r. behouden en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden in agrarische gebieden;

s. nemen van beheersmaatregelen die verdroging van natuurgebieden tegengaan;

t. horizontale of verticale samenwerking;

u. effectief kwantitatief en kwalitatief waterbeheer;

v. reductie van broeikasgassen.

2. Een project komt voor de subsidie in aanmerking indien:

a. het kan bijdragen aan de bevordering van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën, die verder gaat dan de wettelijke minimumnormen;

b. het betrekking heeft op vernieuwingen in de productiekolom van land- en bosbouwproducten die voldoende perspectief bieden voor toepassing op bedrijfsniveau;

c. het, gelet op de doelstelling, de inhoud en het geografisch bereik, niet gelijk is aan projecten waarvoor in het kader van deze regeling eerder een subsidie is verleend;

d. de uitvoeringstermijn ten hoogste drie jaar bedraagt, en

e. de subsidiabele kosten in totaal ten minste €25.000 bedragen.

 

Artikel 2:16. Rangschikking naar geschiktheid

De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate:

a. het project waarop de aanvraag betrekking heeft:

1°. gericht is op vernieuwingen die:

– meer perspectief bieden voor toepassing op bedrijfsniveau, en

– zich in een meer vergevorderd stadium van ontwikkeling bevinden;

2°. meer bijdraagt aan het bevorderen van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën in de gehele sector, en

3°. een groter draagvlak heeft bij relevante vaktechnische-, dienstverlenende-, branche- of standsorganisaties;

b. uit het communicatieplan, bedoeld in artikel 2:17, blijkt dat met het project de relevante doelgroepen beter worden bereikt.

 

Artikel 2:17. Indiening aanvraag subsidieverlening

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een op het project toegesneden communicatieplan waarin wordt aangegeven wie de doelgroep is.

 

Artikel 2:18. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

2. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van drie jaar.

3. De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan onmiddellijk na afloop van het project openbaar in ten minste één vakblad.

4. De Minister kan de subsidieontvanger aanvullende verplichtingen opleggen omtrent de wijze van openbaarmaking van de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan.

 

Artikel 2:19 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 2:20. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten gemoeid met het demonstreren van de producten, procedés en technologieën;

b. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van het project belaste personen;

c. kosten van leveringen van materiaal en diensten door derden;

d. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen van publiciteit;

e. kosten van huur of huurkoop van voor het project noodzakelijke bedrijfsmiddelen, waaronder onroerende zaken;

f. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel van de subsidieontvanger;

g. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, in afwijking van artikel 2:2, aanhef in samenhang met onderdeel d;

h. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur van vergaderzalen;

i. kosten van de voor de subsidievaststelling benodigde controleverklaring van een accountant.

2. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor de subsidie:

a. overheadkosten;

b. kosten voor de aankoop van bedrijfsmiddelen, met uitzondering van huurkoop;

c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van een voldoende gespecificeerde aanvraag;

d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen rente en kosten.

3. Ingeval wordt aangetoond dat een bedrijfsmiddel een noodzakelijk onderdeel is van het demonstratieproject en niet op andere wijze kan worden verkregen dan door de subsidie, is het tweede lid, aanhef in samenhang met onderdeel b, niet van toepassing, met dien verstande dat uitsluitend voor de subsidie in aanmerking komt het bij de aanvraag tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs en:

a. de gerealiseerde verkoopprijs, ingeval deze hoger is dan de getaxeerde verkoopprijs zoals deze is vastgesteld voor de datum waarop de uitvoering van het project is voltooid;

b. de getaxeerde verkoopprijs, bedoeld in onderdeel a, in andere gevallen.

 

Artikel 2:21. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

2. Indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten.

3. Ingeval aan een landbouwonderneming subsidie is verleend voor een project dat gedeeltelijk uit andere hoofde wordt gesubsidieerd, wordt in afwijking van artikel 1:16, derde lid, een zodanig subsidiebedrag vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat project niet hoger is dan 90% van de subsidiabele kosten.

4. De subsidie bedraagt voor landbouwondernemingen ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten, indien het project wordt uitgevoerd door een landbouwonderneming of een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen en het project strekt tot uitvoering van een activiteit in verband met een prioriteit als bedoeld in artikel 16 bis van Verordening (EG) 1698/2005.

 

§ 3. Vouchers ten behoeve van kennisoverdracht

 

Artikel 2:22. Vouchers

1.De Minister kan op aanvraag een voucher verstrekken aan een landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming voor de uitvoering van een activiteit die is gericht op de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag met betrekking tot voor de onderneming relevante nieuwe kennis over producten, processen of diensten door een kennisinstelling.

2.Er wordt geen voucher verstrekt aan een onderneming die in de drie jaar, voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot verstrekking van een voucher, de minimis-steun als bedoeld in artikel 3 van verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 325) heeft ontvangen.

3.Er wordt geen voucher verstrekt aan een onderneming die in het jaar, voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot verstrekking van een voucher, van een bestuursorgaan een document heeft ontvangen dat kan worden ingeleverd bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een activiteit als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 2:23. Openstelling

1.Een voucher kan uitsluitend worden aangevraagd indien de Minister heeft vastgesteld:

a. in welke periode de voucher kan worden aangevraagd;

b. hoeveel vouchers beschikbaar zijn, en

c. welke activiteiten tegen welke kosten in ruil voor de vouchers kunnen worden uitgevoerd.

2.De Minister bepaalt per aanvraagperiode tot welke datum de in die aanvraagperiode verstrekte vouchers kunnen worden ingeleverd bij een kennisinstelling.

3.De Minister maakt een besluit als bedoeld in dit artikel bekend in de Staatscourant.

 

Artikel 2:24. Rangschikking door loting

Artikel 1:5 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot verstrekking van een voucher.

 

Artikel 2:25. Vergoeding kennisinstelling

1.De Minister verstrekt op aanvraag een vergoeding aan een kennisinstelling die voor eigen rekening en risico een activiteit als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid, heeft uitgevoerd en in verband daarmee een of meer geldige vouchers overlegt.

2.Geen vergoeding wordt verstrekt voor de uitvoering van een activiteit waartoe de onderneming en de kennisinstelling reeds voor de afgiftedatum van de voucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan.

3.Voor vergoeding komen de door de kennisinstelling voor de activiteit gemaakte kosten in aanmerking, met dien verstande dat:

a. niet meer wordt vergoed dan de waarde van de door de kennisinstelling overgelegde vouchers;

b. per activiteit ten hoogste tien vouchers voor vergoeding kunnen worden overgelegd;

c. uitsluitend vouchers die op naam staan van de onderneming voor wie de activiteit is uitgevoerd voor vergoeding kunnen worden overgelegd.

 

Artikel 2:26. Indiening van een aanvraag

Een aanvraag als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid, of 2:25, eerste lid, wordt ingediend bij de Directeur van de Dienst Regelingen met gebruikmaking van een daartoe door de Minister vastgesteld formulier.

 

Titel 5. Onderzoek en ontwikkeling

 

§ 1. Innovatieprojecten

 

Artikel 2:27. Subsidiabele activiteiten

1.Ter stimulering van het innovatieve vermogen in de landbouwsector of de bosbouwsector kan de Minister subsidie verstrekken voor de uitvoering van een innovatieproject aan:

a. een landbouwonderneming, agro-MKB-onderneming of bosbouwonderneming, of

b. een samenwerkingsverband van ondernemingen als bedoeld in onderdeel a die voor gezamenlijke rekening en risico het project uitvoeren.

2.Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000.

 

Artikel 2:28. Rangschikking naar geschiktheid

De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft:

a. een meer innovatief karakter heeft;

b. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal, en

c. een groter uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door andere ondernemingen.

 

Artikel 2:29. Verplichtingen subsidieontvanger

1.De subsidieontvanger voert het project uit:

a. in Nederland, behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland, en

b. binnen drie jaar na de datum waarop de beschikking tot subsidieverlening is gegeven.

2.De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het project worden opgedaan onmiddellijk na afloop van het project openbaar, tenzij hij in de aanvraag tot subsidieverlening heeft gekozen voor vaststelling van een subsidiebedrag overeenkomstig artikel 2:31, eerste lid, onderdeel b.

 

Artikel 2:29a [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 2:30. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel van de subsidieontvanger;

b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies, onderzoeksactiviteiten, proces-en ketenmanagement, de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, met uitzondering van winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op historische aanschafprijzen of de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep, tot ten hoogste 50%.

 

Artikel 2:31. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste:

a. 50% van de subsidiabele kosten tot en met € 900.000 en 25% van de subsidiabele kosten boven € 900.000, of

b. 25% van de subsidiabele kosten, ingeval de subsidieontvanger ervoor kiest de kennis en informatie die met het project worden opgedaan niet openbaar te maken.

2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.000.000.

3.Ingeval aan een landbouwonderneming subsidie is verleend voor een project dat gedeeltelijk uit andere hoofde wordt gesubsidieerd, wordt in afwijking van artikel 1:16, derde lid, een zodanig subsidiebedrag vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat project niet hoger is dan 75% van de subsidiabele kosten.

 

§ 2. Samenwerking bij innovatieprojecten

 

Artikel 2:32. Subsidiabele activiteiten

1.Ter bevordering van de samenwerking tussen landbouwondernemingen, bosbouwondernemingen en agro-MKB-ondernemingen kan de Minister subsidie verstrekken ter dekking van de voor de samenwerking gemaakte kosten voor de uitvoering van een innovatieproject.

2.Voor de subsidie komt in aanmerking een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen onderling, dan wel met agro-MKB-ondernemingen, die voor gezamenlijke rekening en risico het project uitvoeren.

3.Geen subsidie wordt verstrekt:

a. aan ondernemingen die zijn gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding;

b. voor projecten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000;

c. voor projecten met een duur van meer dan drie jaar.

 

Artikel 2:33. Rangschikking naar geschiktheid

De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. een meer innovatief karakter heeft;

b. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal;

c. een groter uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door andere ondernemingen, en

d. een meer duurzaam karakter heeft.

 

Artikel 2:34. Verplichtingen subsidieontvanger

1.De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van drie jaar.

2.De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het project worden opgedaan onmiddellijk na afloop van het project openbaar.

 

Artikel 2:34a [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 2:35. Subsidiabele kosten

1.De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel van de subsidieontvanger;

b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies, onderzoeksactiviteiten, proces- en ketenmanagement en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, met uitzondering van winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. kosten voor de aanschaf van machines en apparatuur, nieuw of tweedehands, in geval van huurkoop gebaseerd op de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep;

d. kosten voor organisatie en facilitering van het samenwerkingsverband, waaronder begrepen verwerving van onroerende zaken, zaalhuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten;

e. kosten voor een procesbegeleider of ketenmanager;

f. kosten voor een studie naar de haalbaarheid van de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in de landbouw-, de voedsel- en bosbouwsector;

g. kosten gemoeid met het testen van de nieuwe producten, procédés en technologieën;

h. kosten voor investeringen in onroerende zaken;

i. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, in afwijking van artikel 2:2, aanhef in samenhang met onderdeel d.

2.De in het eerste lid bedoelde kosten komen uitsluitend in aanmerking voor de subsidie voor zover zij worden gemaakt vóórdat de nieuwe producten, procédés en technologieën, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, voor commerciële doeleinden toegepast worden.

 

Artikel 2:36. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten.

2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000.

 

Artikel 2:36aa. Nadere voorschriften onderzoeksactiviteiten integraal duurzame stallen

In aanvulling op deze paragraaf, zijn ten aanzien van de onderzoeksactiviteiten bij integraal duurzame stallen de voorwaarden, bedoeld in bijlage 1a, hoofdstuk 1, van toepassing.

 

§ 3. Onderzoek naar emissiearm veevoeder

 

Artikel 2:36a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

– diervoeders:

alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;

– industrieel onderzoek:

industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 30 van de verordening (EG) nr. 800/2008;

– onderzoeksproject diervoeders:

industrieel onderzoek naar diervoeders of naar de productiemethode van diervoeders met het oog op persistente reductie van de methaanvorming in de pens of dikke darm van melkvee met minimaal behoud van de melkproductie, met dien verstande dat het onderzoek zich richt op:

a. het vaststellen van de potentie van diervoeders of van de productiemethode van diervoeders, middels in vivo experimenten, of

b. het vaststellen van het werkingsmechanisme van diervoeders of van de productiemethode van diervoeders, indien de potentie van de diervoeders of van de productiemethode van diervoeders reeds is vastgesteld;

– onderneming:

iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

– onderzoeksorganisatie:

een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 30 van de verordening (EG) nr. 800/2008;

– productiemethode van diervoeders:

het fysisch, mechanisch of chemisch bewerken van diervoeders gericht op het beïnvloeden van de eigenschappen ervan.

 

Artikel 2:36b. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een onderzoeksproject diervoeders aan een onderneming of een samenwerkingsverband van ondernemingen onderling, dan wel met een onderzoeksorganisatie.

2. Geen subsidie wordt verstrekt aan een onderzoeksproject gericht op:

a. de ontwikkeling van mathematische modellen die de effectiviteit van diervoeders of van de productiemethode van diervoeders voorspellen onder uiteenlopende omstandigheden;

b. het primair verhogen van de melkproductie per eenheid nutriëntenaanbod;

c. onderzoek naar de potentie van weidegras, graskuil, snijmais, maiszetmeel, graanzetmeel of zetmeelrijke producten uit de aardappelverwerkende industrie op het vlak van de reductie van methaanemissie in de pens of dikke darm van melkvee.

3. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd.

 

Artikel 2:36c. Indiening aanvraag subsidieverlening en subsidievaststelling

Aanvragen tot subsidieverlening en subsidievaststelling voor een onderzoeksproject worden in afwijking van artikel 1:8, eerste lid, ingediend bij Agentschap NL met gebruikmaking van een daartoe door Agentschap NL verstrekt formulier en gaan vergezeld van een projectplan respectievelijk eindverslag.

 

Artikel 2:36d. Nadere voorschriften projectplan en eindverslag

1. In het projectplan is ten minste opgenomen:

a. een onderbouwde hypothese of in vitro onderzoeksgegevens van de potentie van de te onderzoeken diervoeders of productiemethode van diervoeders of een onderbouwde hypothese of in vitro onderzoeksgegevens van het werkingsmechanisme van de te onderzoeken diervoeders of productiemethode van diervoeders;

b. verwachte gegevens omtrent de afwenteling naar andere (milieu)effecten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie;

c. verwachte netto-effect op de broeikasgasemissies.

2. In aanvulling op artikel 1:14, vierde lid, moet in het eindverslag worden opgenomen:

a. een wetenschappelijke rapportage van de gegevens gegenereerd in het onderzoeksproject;

b. gegevens over het werkingsmechanisme of hypotheses over het werkingsmechanisme van het onderzochte diervoeder of productiemethode van diervoeder;

c. gegevens over de afwenteling naar andere (milieu) effecten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie;

d. een analyse van het netto-effect op de broeikasgasemissies.

 

Artikel 2:36e. Subsidiabele kosten

1. In aanvulling, onderscheidenlijk afwijking van artikel 1:15 zijn de subsidiabele kosten van een onderzoeksproject de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoeksproject toe te rekenen kosten:

a. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel;

b. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

c. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;

d. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;

e. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten.

2. Voor subsidie komen alleen de kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van de verordening (EG) nr. 800/2008.

 

Artikel 2:36f. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt per onderzoeksproject 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van€ 250.000.

2. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 250.000 per onderzoeksproject.

 

Artikel 2:36g. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject in Nederland uit, behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

2. De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject uit binnen een periode van twee jaar na datum van subsidieverlening.

3. De Minister kan de subsidieontvanger verplichten de gegevens genoemd inartikel 2:36d, tweede lid, onderdelen a en b te verstrekken aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor de Nederlandse emissieregistratie.

 

Artikel 2:36h. Adviescommissie Onderzoek naar emissiearm veevoeder

1. Er is een Adviescommissie Onderzoek naar emissiearm veevoeder die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van artikel 2:36b, eerste lid.

2. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van één jaar.

 

Artikel 2:36i. Rangschikking naar geschiktheid

1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het onderzoeksproject waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. meer bijdraagt aan de doelstelling van deze subsidiemodule;

b. van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project groter is;

c. wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband dat beter gericht is op het behalen van de doelstelling van deze subsidiemodule;

d. een hogere kosteneffectiviteit kent;

e. meer internationale uitwisseling van ervaringen, kennis en resultaten genereert.

2. Voor de rangschikking weegt het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde criterium, waarbij maximaal 35 punten te behalen zijn, mee voor 35/100, het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde criterium, waarbij maximaal 30 punten te behalen zijn, mee voor 30/100, het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde criterium, waarbij maximaal 15 punten te behalen zijn, mee voor 15/100, het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde criterium, waarbij maximaal 15 punten te behalen zijn, mee voor 15/100, het in het tweede lid, onderdeel e, genoemde criterium, waarbij maximaal 5 punten te behalen zijn, mee voor 5/100. Er geldt een drempel van 60 punten.

3. Aanvragen voor onderzoeksprojecten met minder dan 60 punten komen niet in aanmerking voor subsidie en zullen door de Minister worden afgewezen.

 

Artikel 2:36j. Aanwijzing toezichthouders

In afwijking van artikel 6:1 worden de ambtenaren van Agentschap NL voor deze paragraaf aangewezen als personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kaderwet LNV-subsidies.

 

Titel 6. Bedrijfsmodernisering

 

§ 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 2:37. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan voor een investering als bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling subsidie verstrekken aan landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden, genoemd bij die investering, voor zover die investering leidt tot:

a. een hoger niveau van diergezondheid in Nederland en daardoor tot een beter technisch en economisch perspectief van en continuïteit binnen landbouwondernemingen;

b. verlaging van de productiekosten;

c. de verbetering en omschakeling van de productie;

d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid of duurzaam gebruik van energiebronnen;

e. herstructurering en ontwikkeling;

f. verhoging van de kwaliteit en toegevoegde waarde van producten;

g. verbetering van de arbeidsomstandigheden in de onderneming;

h. behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen;

i. verhoging van de doelmatigheid bij inzet en gebruik van middelen, machines en menskracht, of

j. het tot waarde brengen van bij-, rest- en afvalproducten;

k. verbetering van de leefkwaliteit op het platteland.

2. Een landbouwonderneming komt voor de subsidie in aanmerking indien:

a. door de investering de algehele prestatie van de landbouwonderneming wordt verbeterd, en

b. de investering voldoet aan de daarvoor geldende EG-maatregelen en nationale voorschriften.

3. Aan een landbouwonderneming wordt geen subsidie verstrekt indien:

a. daardoor zou worden gehandeld in strijd met verordeningen als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, houdende een gemeenschappelijke marktordening;

b. de subsidie betrekking heeft op vervangingsinvesteringen.

 

Artikel 2:38. Indiening van een aanvraag

Een aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of voorschotverlening gaat vergezeld van de documenten die in bijlage 2 bij deze regeling zijn genoemd bij de investering waarop de subsidie betrekking heeft.

 

Artikel 2:39. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voldoet in voorkomend geval aan de verplichtingen die in bijlage 2 bij deze regeling zijn genoemd bij de investering waarop de subsidie betrekking heeft.

 

Artikel 2:40. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de bouw, verwerving, inrichting of verbetering van onroerende zaken;

b. kosten voor de aanschaf van nieuwe machines en apparatuur, waarvan de aanvrager eerste gebruiker is;

c. kosten voor de aanschaf van plantmateriaal en de kosten van derden voor het planten van blijvende teelten, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van verordening 1120/2009.

2. Bij de kosten voor de verwerving van onroerende zaken zijn inbegrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster.

3. Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de verwerving van onroerende zaken met uitzondering van grond, ten behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening.

4. In bijlage 2 bij deze regeling kan bij de investering waarop de subsidie betrekking heeft zijn bepaald dat kosten in aanmerking komen voor de subsidie, in aanvulling of in afwijking van het eerste tot en met derde lid.

 

Artikel 2:41. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste:

a. 60% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door jonge landbouwers in:

1°. de door Nederland ter uitvoering van artikel 50, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1998/2005 aangewezen gebieden;

2°. de door Nederland ter uitvoering van artikel 4 van richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) op de lijst van beschermde gebieden opgenomen gebieden, of

3°. de door Nederland ter uitvoering van artikel 6 van richtlijn nr. 60/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327) in het register van beschermde gebieden aangewezen gebieden;

b. 50% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door andere landbouwers dan jonge landbouwers in de gebieden, bedoeld in onderdeel a;

c. 50% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door jonge landbouwers in andere gebieden dan de gebieden, bedoeld in onderdeel a;

d. 40% van de subsidiabele kosten voor de investeringen door andere landbouwers dan jonge landbouwers in andere gebieden dan de gebieden, bedoeld in onderdeel a;

e. 60% van de subsidiabele kosten voor investeringen voor zover het de noodzakelijke extra in aanmerking komende kosten betreft van investeringen die verder gaan dan volgens communautaire minimumeisen noodzakelijk is, dan wel 60% van de subsidiabele kosten voor investeringen voor zover het de noodzakelijke extra in aanmerking komende kosten betreft van investeringen die verder gaan dan bij of krachtens wet vastgelegde minimumeisen noodzakelijk is indien deze minimumeisen verder gaan dan communautaire minimumeisen, en voor zover de extra in aanmerking komende kosten niet leiden tot investeringen die een stijging van de productiecapaciteit tot gevolg hebben.

 

§ 2. Jonge landbouwers

 

Artikel 2:42. Subsidiabele activiteiten

1.In aanvulling op artikel 2:37, eerste lid, kan de Minister voor andere investeringen dan de investeringen, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling, subsidie als bedoeld in dat artikel verstrekken aan een persoon die op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening een jonge landbouwer is en aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:

a. hij beschikt over een getuigschrift van afronding van een erkende landbouwkundige opleiding of een opleiding van gelijkwaardig niveau, of

b. hij kan aantonen dat hij ten minste drie jaar op een landbouwonderneming werkzaam is geweest.

2.In aanvulling op artikel 2:37, derde lid, wordt geen subsidie verstrekt indien:

a. de subsidie in totaal € 5.000 of minder bedraagt;

b. de jonge landbouwer met het oog op de investeringen een geldlening is aangegaan voordat de verlening van de subsidie hem schriftelijk is bevestigd;

c. op grond van deze paragraaf of de Subsidieregeling jonge agrariërs, zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, eerder aan de jonge landbouwer subsidie is verstrekt of terzake van een eerdere aanvraag op grond van deze paragraaf nog een beslissing tot vaststelling van de subsidie moet worden genomen;

d. het eigen vermogen van de jonge landbouwer meer dan 60% van de fiscale balanswaarde van zijn landbouwonderneming bedraagt.

 

Artikel 2:43. Rangschikking door loting

Artikel 1:5 is van toepassing.

 

Artikel 2:44. Indiening aanvraag subsidieverlening

In afwijking van artikel 2:38 gaat de aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld inartikel 2:42, eerste lid, vergezeld van een investeringsplan, waarin de investeringen waarvoor de subsidie wordt aangevraagd zijn opgenomen en waaruit blijkt hoe die investeringen bijdragen aan de doelstellingen, genoemd in artikel 2:37, eerste lid.

 

Artikel 2:45. Verplichtingen subsidieontvanger

1. Een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, wordt verleend onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger met het oog op de investeringen een schriftelijke overeenkomst van geldlening met een looptijd van ten minste drie jaar afsluit met een bank.

2. Ingeval de subsidie strekt tot verwerving van onroerende zaken, wordt deze verleend onder de voorwaarde dat:

a. de daaraan verbonden kosten, met uitzondering van kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster, niet hoger zijn dan een door een taxateur vastgestelde vrije verkoopwaarde van de onroerende zaken;

b. een taxateur heeft vastgesteld dat gebouwen voldoen aan de nationale voorschriften die op gebouwen van toepassing zijn, voor zover de onroerende zaken gebouwen betreffen.

3. Een taxateur als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de vakbekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken.

 

Artikel 2:46

1. De subsidiabele kosten bedragen nooit meer dan € 150.000.

2. In afwijking van artikel 1:15, tweede lid, komt niet verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.

3. De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten.

 

Titel 7. Verhoging toegevoegde waarde

 

Artikel 2:47. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project dat een samenhangend geheel van activiteiten vormt, welke de algehele prestatie van de onderneming verbeteren en betrekking hebben op:

a. de verwerking of de afzet van landbouwproducten of bosbouwproducten, of

b. de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën voor de landbouwproducten of bosbouwproducten.

2.De activiteiten zijn gericht op:

a. rationalisatie en ontwikkeling van het verkoopklaar maken, de verduurzaming, de behandeling en de verwerking van landbouwproducten, het hergebruik van bijproducten of fabricageresiduen dan wel de verwijdering of zuivering van afval;

b. toepassing van nieuwe verwerkingstechnieken, waaronder de ontwikkeling van nieuwe producten en bijproducten en het openen van nieuwe markten, alsmede innoverende investeringen met betrekking tot producten, procédés en processen, technologieën, product-marktcombinaties en andere innovaties;

c. verbetering van de afzet op de markt, met inbegrip van verbetering van de doorzichtigheid van de prijsvorming, of

d. verbetering van de kwaliteit van de producten.

3.Voor de subsidie komen in aanmerking:

a. landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen;

b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen of bosbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen.

4.Geen subsidie wordt verstrekt:

a. voor projecten die erop zijn gericht om te voldoen aan EG-maatregelen;

b. aan ondernemingen als bedoeld in paragraaf 2.1 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun (PbEU C 244).

 

Artikel 2:48. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting van onroerende goederen;

b. kosten voor de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en apparatuur, inclusief computersoftware tot aan de marktwaarde van het goed;

c. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe machines of apparatuur;

d. kosten voor de ontwikkeling en operationalisering van processen, procédés, technologieën, marketingconcepten, product-marktcombinaties en andere innovaties;

e. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor de architecten en ingenieurs, honoraria van adviseurs tot een hoogte van 15% van het totale subsidiebedrag, haalbaarheidsstudies, controleverklaring van een accountant, verwerven van patenten en vergunningen.

2. Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten met betrekking tot een leasecontract, zoals de marge van de leaseorganisatie, herfinancieringskosten, overheadkosten en verzekeringspremies.

 

Artikel 2:49. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.

 

Titel 8. Voedselkwaliteitsregelingen

 

§ 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 2:50. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan aan een landbouwonderneming subsidie verstrekken voor deelname aan een voedselkwaliteitsregeling.

 

Artikel 2:51. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 2:52. Subsidiabele kosten

Voor de subsidie komen in aanmerking de vaste kosten verbonden aan deelname aan de voedselkwaliteitsregeling met inbegrip van de kosten voor controles die zijn verbonden aan de deelname.

 

Artikel 2:53. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 3.000 per jaar dat een landbouwonderneming deelneemt aan een voedselkwaliteitsregeling.

2. Ingeval een landbouwonderneming voor een deel van een jaar deelneemt aan een voedselkwaliteitsregeling, wordt een subsidiebedrag dat in verhouding staat tot dat deel vastgesteld.

3. De subsidie wordt ten hoogste voor vijf jaar verleend.

4. De subsidie wordt niet verstrekt indien de landbouwonderneming eerder subsidie heeft ontvangen voor deelname aan een voedselkwaliteitsregeling en daarmee in het totaal meer dan 5 jaar subsidie zou ontvangen.

 

Artikel 2:54. Voorschot

De Minister verleent jaarlijks ambtshalve voorschot.

 

§ 2. Nadere voorschriften voor biologische landbouwers

 

Artikel 2:55. Subsidiabele activiteiten

1.In aanvulling op paragraaf 1 is deze paragraaf van toepassing ingeval de subsidie, bedoeld in artikel 2:50, wordt aangevraagd ter stimulering van de omschakeling naar of voortzetting van de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode.

2.Voor de subsidie komt in aanmerking een landbouwonderneming die is aangesloten bij de Stichting Skal, statutair gevestigd te Zwolle.

 

Artikel 2:56. Indiening aanvraag subsidieverlening

Met de indiening van een aanvraag tot verlening van de subsidie stemt de aanvrager ermee in dat de Stichting Skal aan de Dienst Regelingen alle gegevens overlegt die betrekking hebben op de uitoefening van de biologische productiemethode op zijn landbouwonderneming.

 

Artikel 2:57. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1.De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. de eenmalige aansluitingsbijdrage, bedoeld in artikel 2 van het Skal-bijdragereglement, en

b. de basisbijdrage, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van het Skal-bijdragereglement.

2.Incassokosten, administratiekosten en overige kosten die zijn verbonden aan de inning van de in het eerste lid bedoelde bijdragen komen niet in aanmerking voor de subsidie.

 

Titel 9. Voorlichting en afzetbevordering

 

Artikel 2:58. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan aan een producentengroepering subsidie verstrekken voor activiteiten die bedoeld zijn om consumenten aan te zetten tot aankoop van landbouwproducten die vallen onder een voedselkwaliteitsregeling, al dan niet via distributeurs of verwerkers van die producten.

2.De activiteiten vestigen de aandacht op specifieke kenmerken van producten die voortvloeien uit voedselkwaliteitsregelingen, waaronder met name de kwaliteit, productiemethode, het niveau van dierenwelzijn en milieuvriendelijkheid.

3.Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten:

a. ter promotie van geregistreerde merken;

b. waarmee de consument ertoe wordt aangezet om een product te kopen vanwege de specifieke herkomst van het product;

c. waarbij de verwijzing naar de oorsprong van een product niet ondergeschikt is aan de hoofdboodschap van de activiteiten;

d. waarvoor reeds subsidie is verstrekt ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van de Europese Unie betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt (PbEG L 328);

e. die worden uitgevoerd buiten de Europese Unie.

4.Het derde lid, aanhef in samenhang met onderdeel b, is niet van toepassing ingeval het gaat om producten waarvoor een kwaliteitsschema is erkend in het kader van:

a. titel VI van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PbEG L 179);

b. verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93).

 

Artikel 2:59. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger:

a. zendt het materiaal dat hij voornemens is te gebruiken bij de activiteiten aan de Directeur van de Dienst Regelingen, en

b. gebruikt het materiaal uitsluitend binnen de Europese Unie.

 

Artikel 2:60. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor het verspreiden van technische en wetenschappelijke kennis over producten die het voorwerp zijn van een voedselkwaliteitsregeling;

b. kosten voor de organisatie van of deelname aan beurzen, tentoonstellingen of vergelijkbare public relations-evenementen die betrekking hebben op producten die het voorwerp zijn van een voedselkwaliteitsregeling;

c. kosten voor het adverteren via diverse media of bij verkooppunten over producten die het voorwerp zijn van een voedselkwaliteitsregeling;

d. kosten voor marktverkenning.

 

Artikel 2:61. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten.

 

Titel 10. Afbraak van glasopstanden

 

Artikel 2:62. Subsidiabele activiteiten

Ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de glastuinbouwsector kan de Minister aan eigenaren van glasopstanden die hun onderneming staken subsidie verstrekken voor de afbraak van verouderde glasopstanden en daarbij behorende bedrijfsgebouwen.

 

Artikel 2:63. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 2:64. Verplichtingen subsidieontvanger

1.De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat binnen een jaar na de datum van subsidieverlening:

a. de glasopstanden, de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, overige vaste installaties en ondergrondse voorzieningen worden afgebroken en verwijderd, alsmede nieuwe sloten worden gegraven;

b. hij en in voorkomend geval diens echtgenoot, geregistreerde partner of aandeelhouders, de bedrijfsmatige glastuinbouw definitief staakt, onderscheidenlijk staken, en

c. de tot uitoefening van de betrokken glastuinbouwonderneming bestemde gronden gebruiksvrij worden overgedragen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een vennootschap waarin de stakende eigenaar aandelen heeft.

2.De overdracht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vindt plaats door middel van:

a. overdracht van eigendom;

b. vestiging van erfpacht;

c. vestiging van een recht van opstal, of

d. vestiging van een pachtrecht.

 

Artikel 2:65. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend binnen vier maanden nadat de overdracht van gronden, bedoeld in artikel 2:64, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 2:66. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste:

a. € 3,50 per m2 glasoppervlak dat wordt afgebroken;

b. € 25 per m2 bedrijfsgebouw dat wordt afgebroken;

c. € 2,50 per m2 betonnen teeltvloer dat wordt afgebroken;

d. € 4 per m3 per nieuw gegraven sloot.

2.Subsidies die in de vijf jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening door een bestuursorgaan zijn verstrekt met betrekking tot de bouw of verbouwing van de glasopstanden en bedrijfsgebouwen, worden in mindering gebracht op de subsidie voor de afbraak daarvan.

 

Artikel 2:67. Voorschot

Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.

 

Titel 11. Risico- en crisisbeheer

 

§ 1. Tegemoetkoming ongunstige weersomstandigheden

 

Artikel 2:68. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan een tegemoetkoming verstrekken voor door weersomstandigheden veroorzaakte schade aan gewassen overeenkomstig Bijlage 3 en 3a bij deze regeling.

 

§ 2. Tegemoetkoming premie weerschadeverzekering

 

Artikel 2:69. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan een tegemoetkoming verstrekken voor premies voor weerschadeverzekeringen overeenkomstig Bijlage 4 bij deze regeling.

 

§ 3. Tegemoetkoming ondernemingen in moeilijkheden als gevolg van maatregelen ter bestrijding van dierziekten en schadelijke organismen bij planten

 

§ 3.1. Algemeen

 

Artikel 2:69a. Begripsbepaling

Voor de toepassing van paragraaf 3 van titel 11 wordt verstaan onder communautaire richtsnoeren: Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).

 

Artikel 2:69b. Toepassingsbereik subsidieontvangers

Artikel 2:1a, onderdeel a, is niet van toepassing.

 

Artikel 2:69c. Subsidiabele activiteiten

1. De minister kan subsidie verstrekken aan een onderneming die zodanig ernstig is getroffen door maatregelen ter bestrijding van:

a. een dierziekte als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 8 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s, of

b. een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 3 van de Regeling aanwijzing schadelijke organismen 1998,

dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan als een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in paragraaf 2.1 van de communautaire richtsnoeren is aan te merken.

2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van reddingssteun of herstructureringssteun.

3. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt:

a. aan ondernemingen waar 50 of meer personen werkzaam zijn of waarvan de omzet of het balanstotaal meer bedraagt dan € 10.000.000,– per jaar;

b. aan andere ondernemingen dan landbouwondernemingen die niet voldoen aan punt 10 van de communautaire richtsnoeren;

c. aan ondernemingen die korter dan drie jaar actief zijn;

d. indien er een mogelijkheid bestaat voor de onderneming zich te verzekeren tegen de gevolgen van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b;

e. indien een onderneming deel uitmaakt van een concern of wordt overgenomen door een concern;

f. indien een onderneming in staat is met eigen middelen, met middelen van haar eigenaren of aandeelhouders of met op de markt verkregen kapitaal haar herstel te verwezenlijken;

g. indien de gevraagde subsidie minder dan € 5.000,–bedraagt;

h. aan ondernemingen die actief zijn op een markt waarbij sprake is van een structureel overschot aan productiecapaciteit, of

i. aan ondernemingen die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van titel IV, hoofdstuk I, II en III, van verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PbEU L 223).

 

Artikel 2:69d. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 2:69e. Hoogte subsidie

De subsidie, bedoeld in artikel 2:69c, eerste lid, bedraagt per onderneming in moeilijkheden ten hoogste€ 100.000,– met inbegrip van subsidie uit eventuele andere bronnen of op grond van andere regelingen.

 

§ 3.2. Reddingssteun

 

Artikel 2:69f. Reddingssteun

1. Subsidie zijnde reddingssteun is een subsidie die eenmalig wordt verstrekt in de vorm van een lening of een leninggarantie die afloopt binnen zes maanden na de uitkering van het eerste bedrag.

2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt:

a. indien de onderneming reeds eerder reddings- of herstructureringssteun heeft ontvangen, of

b. indien deze niet wordt gerechtvaardigd door ernstige sociale moeilijkheden of buitengewoon ongunstige spill-overeffecten als bedoeld in de communautaire richtsnoeren heeft naar andere lidstaten.

 

Artikel 2:69g. Eenmalige verstrekking

1. Artikel 2:69f is van toepassing ongeacht wijzigingen in eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie, of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie voortzet.

2. Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of herstructureringssteun ontvangen, kan overeenkomstig deze regeling eenmalig reddingssteun aan de onderneming worden verstrekt mits:

a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen onderneming;

b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming tegen de marktprijs heeft verworven, en

c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen aan de toepassing van artikel 2:69f, ingeval de overgenomen onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een van de in het eerste lid genoemde procedures is onderworpen.

 

Artikel 2:69h. Verplichtingen ontvanger reddingssteun

1. De ontvanger van subsidie zijnde reddingssteun:

a. betaalt de subsidie in de vorm van een lening binnen zes maanden na verstrekking terug, of

b. dient binnen twee maanden na verstrekking van de subsidie een herstructureringsplan ter goedkeuring in bij de Directeur van de Dienst Regelingen. Op het herstructureringsplan is artikel 2:69n van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, een herstructureringsplan heeft ingediend, zijn de artikelen 2:69m en 2:69o van overeenkomstige toepassing.

3. Indien een onderneming nadat de subsidie zijnde reddingssteun is ontvangen, binnen de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, haar bedrijfsvoering beëindigt, doet de ontvanger daarvan melding aan de Directeur van de Dienst Regelingen en geeft de ontvanger desgevraagd alle informatie aan de Directeur van de Dienst Regelingen.

 

Artikel 2:69i. Aanvraag

1. De aanvrager van subsidie zijnde reddingssteun verstrekt bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens aan de Directeur van de Dienst Regelingen:

a. naam van de onderneming;

b. de code van de bedrijfstak waartoe zij behoort, overeenkomstig de uit twee cijfers bestaande NACE-code;

c. het aantal werknemers van de onderneming;

d. een recente balans, de jaarrekeningen van de afgelopen 3 jaren en een recent fiscaal rapport;

e. een bankverklaring waarin de bank verklaart dat alle gebruikelijke financieringsmogelijkheden zijn benut;

f. in voorkomend geval, gegevens over in het verleden verleende herstructureringssteun of daarmee vergelijkbare steun.

2. In zijn aanvraag geeft de aanvrager aan wat de oorzaken zijn van de moeilijkheden en onderbouwt hij de hoogte van de aangevraagde subsidie.

3. De aanvrager geeft desgevraagd aan de Directeur van de Dienst Regelingen alle informatie omtrent zijn financiële situatie.

 

Artikel 2:69j. Hoogte subsidie reddingssteun

1. Onverminderdartikel 2:69e bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden niet meer dan het bedrag, berekend volgens de in de bijlage bij de communautaire richtsnoeren beschreven formule.

2. De subsidie bedraagt niet meer dan het bedrag dat nodig is om de exploitatie van de onderneming voort te zetten gedurende een periode van ten hoogste zes maanden.

3. Het rentepercentage op de verstrekte lening is vergelijkbaar aan het rentepercentage dat van toepassing is op leningen aan gezonde ondernemingen en met name aan de referentiepercentages, bedoeld in punt 25, onderdeel a, van de communautaire richtsnoeren.

 

§ 3.3. Herstructureringssteun

 

Artikel 2:69k. Herstructureringssteun

1. Subsidie zijnde herstructureringssteun is een subsidie die eenmalig wordt verstrekt in de vorm van een gekapitaliseerde rentesubsidie voor een lening bij een bank.

2. De lening, bedoeld in het eerste lid, heeft een looptijd van ten hoogste 10 jaar.

3. De subsidie zijnde herstructureringssteun wordt niet verstrekt indien de onderneming eerder reddings- of herstructureringssteun heeft ontvangen, tenzij de subsidie is aangevraagd in vervolg op de verstrekking van reddingssteun als bedoeld in artikel 2:69h, eerste lid.

 

Artikel 2:69l. Eenmalige verstrekking herstructureringssteun

1. Artikel 2:69k is van toepassing ongeacht wijzigingen in de eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie, of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie voortzet.

2. Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of herstructureringssteun ontvangen, kan overeenkomstig deze regeling eenmalig herstructureringssteun aan de onderneming worden verstrekt mits:

a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen onderneming,

b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming tegen de marktprijs heeft verworven, en

c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen aan de toepassing van artikel 2:69k, ingeval de overgenomen onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een van de in het eerste lid genoemde procedures is onderworpen.

 

Artikel 2:69m. Verplichtingen ontvanger herstructureringssteun

1. De onderneming ten behoeve waarvan subsidie zijnde herstructureringsteun is ontvangen:

a. werkt volgens het door de Minister goedgekeurde herstructureringsplan en voert het plan volledig uit;

b. neemt, indien het een landbouwonderneming betreft, compenserende maatregelen als bedoeld in punt 38 tot en met 42 van de communautaire richtsnoeren waarbij de levensvatbaarheid van de onderneming niet in gevaar komt.

2. Gedurende de looptijd van het herstructureringsplan is het ondernemingen niet toegestaan om de productiecapaciteit van de desbetreffende onderneming te verhogen.

3. De subsidie wordt niet gebruikt voor de financiering van activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden of voor nieuwe investeringen die niet noodzakelijk zijn voor herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming.

 

Artikel 2:69n. Herstructureringsplan

1. De aanvrager dient bij zijn aanvraag een herstructureringsplan in dat is gericht op herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn, als bedoeld in punt 34 tot en met 37 van de communautaire richtsnoeren.

2. Het herstructureringsplan houdt rekening met de actuele situatie en de verwachte ontwikkeling van vraag en aanbod aan de hand van best-case, worst-case en neutrale scenario’s, alsmede de specifieke sterke en zwakke punten van de onderneming en stelt de onderneming in staat de overgang te maken naar een nieuwe structuur die uitzicht biedt op levensvatbaarheid op lange termijn.

3. Om voor subsidie in aanmerking te komen bevat het herstructureringsplan, bedoeld in het eerste lid, ten minste de volgende gegevens:

a. prijzen van producten en diensten onderbouwd door een onafhankelijke marktstudie;

b. een analyse van de oorzaken van de moeilijkheden van de onderneming;

c. een uiteenzetting van de toekomststrategie van de onderneming en hoe deze tot levensvatbaarheid zal leiden;

d. een overzicht en beschrijving van de voorgenomen herstructureringsmaatregelen en de daaraan verbonden kosten;

e. de termijnen voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen en de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan;

f. informatie over de productiecapaciteit van de onderneming, met name over de bezetting van deze capaciteit en eventuele capaciteitsverminderingen;

g. een beschrijving van de financiële regelingen met het oog op de herstructurering, waarbij ingegaan wordt op:

– gebruik van eventuele beschikbare eigen middelen;

– verkoop van activa of dochterondernemingen om bij te dragen aan de financiering van de herstructurering;

– financiële toezeggingen van aandeelhouders en derden;

– het gewenste bedrag van de overheidssteun en de motivering van de noodzaak van deze steun;

h. de verwachte resultatenrekeningen voor de eerstkomende vijf jaar met een raming van de rentabiliteit van het eigen vermogen en een gevoeligheidsanalyse op basis van de in het tweede lid bedoelde scenario’s, en

i. naam van de opsteller van het herstructureringsplan en de datum waarop dit is opgesteld.

4. In zijn aanvraag geeft de aanvrager aan wat de oorzaken zijn van de moeilijkheden en onderbouwt hij de hoogte van de aangevraagde subsidie.

5. Bij zijn aanvraag verstrekt de aanvrager een bankverklaring waarin de bank verklaart dat alle gebruikelijke financieringsmogelijkheden zijn benut.

6. De aanvrager geeft desgevraagd aan de Directeur van de Dienst Regelingen alle informatie omtrent zijn financiële situatie.

 

Artikel 2:69o. Verplichtingen subsidieontvanger en wijziging herstructureringsplan

1. Het herstructureringsplan vormt onderdeel van de beschikking tot subsidieverstrekking en wordt door de subsidieontvanger volledig uitgevoerd.

2. De minister kan goedkeuring verlenen aan tussentijdse wijzigingen van het herstructureringsplan.

3. De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, wordt uitsluitend verleend, indien wijziging van het plan, voor zover van toepassing, in overeenstemming is met punt 52 en 53 van de communautaire richtsnoeren.

 

Artikel 2:69p. Hoogte herstructureringssteun

1. Onverminderdartikel 2:69e bedraagt de subsidie niet meer dan het bedrag dat strikt noodzakelijk is voor uitvoering van de herstructurering van de onderneming, in samenhang met eerder toegekende reddingssteun en de voorhanden zijnde financiële middelen van de onderneming of van haar aandeelhouders.

2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de onderneming met eigen middelen of door externe financiering een financiële bijdrage aan het herstructureringsplan levert die zo hoog mogelijk is, minstens 25% bedraagt van de kosten die aan het herstructureringsplan verbonden zijn, en reëel en actueel is onder uitsluiting van alle voor de toekomst verwachte winst en kasstromen van de onderneming.

3. In aanvulling op het eerste lid wordt de subsidie op een zodanig bedrag vastgesteld dat daarmee uitgesloten is dat de subsidie mede kan worden gebruikt voor financiering van activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden of voor nieuwe investeringen die voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming niet onmisbaar zijn.

 

Titel 12. Garantstelling

 

§ 1. Investeringen

 

Artikel 2:70. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken voor de terugbetaling van een lening, voor zover deze strekt tot financiering van investeringen in de stichting, overname, instandhouding of verbetering van een kleine of middelgrote landbouwonderneming.

2.Investeringen als bedoeld in het eerste lid zijn gericht op:

a. verlaging van de productiekosten van landbouwproducten;

b. verbetering en omschakeling van de productie van landbouwproducten;

c. verhoging van de kwaliteit van landbouwproducten;

d. instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu of de verbetering van de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn.

 

Artikel 2:71. Uitzonderingen en weigeringsgronden

Geen garantstelling wordt verstrekt:

a. voor de terugbetaling van leningen die zijn gericht op de herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door een bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens ingeval van overmacht;

b. indien ten aanzien van de investeringen reeds een krediet is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd;

c. aan andere landbouwondernemingen dan kleine of middelgrote ondernemingen;

d. indien de landbouwonderneming een bruto-jaaromzet heeft of zal hebben die voor de helft of minder wordt verkregen uit de primaire productie van landbouwproducten;

e. indien aan de aanvrager reeds een garantstelling is verstrekt door:

1°. de Minister of het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw, en:

– die garantstelling is verleend in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, of

– met de garantstelling waarop de aanvraag betrekking heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de landbouwonderneming, € 2.500.000 of hoger wordt, of

2°. een ander bestuursorgaan dan bedoeld onder 1°;

f. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een landbouwonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode, overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan worden opgezegd;

g. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager minder dan 15% bedraagt van het balanstotaal;

h. indien de verstrekking van de garantstelling de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende liquiditeitstoename oplevert;

i. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om eventuele exploitatietekorten van de landbouwonderneming op te vangen;

j. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om in de toekomst noodzakelijke investeringen te kunnen verrichten in de landbouwonderneming;

k. ingeval de garantstelling in totaal minder dan € 50.000 bedraagt.

 

Artikel 2:72. Eisen aan subsidie-ontvangers

1. De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt aan aanvragers die:

a. wegens het ontbreken van de daartoe benodigde zekerheden volgens normaal bankgebruik onvoldoende financiering voor de landbouwonderneming kunnen krijgen;

b. voor zover rechtens is toegestaan, op alle hen toebehorende zaken goederenrechtelijke zekerheid verlenen voor alle door de bank te verstrekken financieringen, waaronder de lening waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. beschikken over de wettelijk vereiste bescheiden ter zake van de vestiging en uitoefening van de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft, en

d. de Dienst Regelingen machtigen tot gebruik van de door hen op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet verstrekte gegevens voor de controle van de te verlenen garantstelling.

2. Voor de garantstelling komen natuurlijke personen in aanmerking indien:

a. zij de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft voor eigen rekening en risico beheren;

b. zij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:

1°. zij beschikken over een getuigschrift van afronding van een erkende landbouwkundige opleiding of opleiding van gelijkwaardig niveau, of

2°. zij kunnen aantonen dat zij ten minste drie jaar op een landbouwonderneming werkzaam zijn geweest, en

c. elk van hen aan de vereisten uit het eerste lid voldoet, en een van hen aan de voorwaarden uit onderdeel b voldoet, ingeval meer dan een persoon voor gezamenlijke rekening en risico de landbouwonderneming beheren.

3. Voor de garantstelling komen rechtspersonen in aanmerking indien:

a. zij blijkens de statuten de exploitatie van een of meer landbouwondernemingen ten doel hebben;

b. zij de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft onder leiding van een bedrijfsleider hebben gesteld die voldoet aan één van de voorwaarden, gesteld in het tweede lid, onderdeel b, en

c. de bestuurders zich hoofdelijk verbinden tot de volledige terugbetaling van de lening waarop de aanvraag betrekking heeft, alsmede hun hele vermogen tot zekerheid terzake stellen.

4. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, onderdeel c.

 

Artikel 2:73. Nadere voorschriften

1. De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een lening die:

a. is verstrekt door een bank waarmee de Minister een raamovereenkomst, waarin de rechten en plichten van de Minister en de bank zijn vastgelegd, heeft gesloten;

b. een looptijd heeft van ten hoogste twintig jaar, met dien verstande dat de bank de looptijd met ten hoogste twee jaar kan verlengen in geval van betalingsmoeilijkheden, en

c. lineair wordt afgelost.

2. Uiterlijk één jaar na de datum van de beschikking tot verlening van de garantstelling neemt de subsidie-ontvanger de lening waarop de garantstelling betrekking heeft volledig op.

3. Bij de bepaling of de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister voldoende liquiditeitstoename oplevert, wordt uitgegaan van een, zo nodig door de Minister gewijzigde, begroting die op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder meer blijkt dat:

a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten de landbouwonderneming waaruit deze kunnen worden bestreden, gezinsbestedingen kunnen worden betaald;

b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden gerealiseerd;

c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen voldoen.

 

Artikel 2:73a. extra verlenging looptijd

1. In zoverre in afwijking van artikel 2:73, eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan de bank de looptijd van de lening, waarvoor de Minister onder de voorwaarden van deze paragraaf een garantstelling heeft verstrekt, met ten hoogste drie jaar verlengen, mits:

a. de totale looptijd van de lening daarmee niet meer dan twee en twintig jaar bedraagt, en

b. verlenging noodzakelijk is in verband met betalingsmoeilijkheden van de landbouwonderneming die zijn opgetreden als gevolg van de recente uitbraak van de EHEC-bacterie in Noord-Duitsland.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op garantstellingen als bedoeld inartikel 2:80, vierde lid.

3. De kredietinstelling kan de verlenging van de looptijd, bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid in de onderdelen a en b gestelde voorwaarden, overeenkomstig toepassen op leningen met een looptijd van maximaal 20 jaar, niet zijnde achtergestelde leningen, waarvoor garantie is verstrekt op grond van het Besluit Borgstellingsfonds of het Besluit BF bijzondere borgstellingen.

 

Artikel 2:74. Rangschikking

Aanvragen tot garantstelling worden overeenkomstig artikel 1:6 gerangschikt.

 

Artikel 2:75. Indiening aanvraag subsidieverlening

1. De aanvraag tot garantstelling gaat vergezeld van de volgende documenten:

a. een investerings- en financieringsplan;

b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor uitvoering van het investeringsplan;

c. een specificatie van de zekerheden voor alle door de bank te verstrekken financieringen aan de landbouwonderneming, vergezeld van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, alsmede een specificatie van de totale financiering inclusief de daaraan verbonden voorwaarden na uitvoering van het investeringsplan;

d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;

e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat de landbouwonderneming:

1. een bruto-jaaromzet heeft die voor meer dan de helft wordt verkregen uit de primaire productie van landbouwproducten, en

2. voldoende liquiditeitstoename oplevert;

f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;

g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens, en

h. de statuten van de landbouwonderneming, indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon.

2. In aanvulling op het eerste lid verstrekt de aanvrager op verzoek van de Minister:

a. een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, dat:

1. niet ouder is dan zes maanden rekenend vanaf de dag van indiening van de aanvraag, en

2. is opgesteld door een ter zake deskundig en onafhankelijk taxateur;

b. alle bescheiden en informatie die de Minister noodzakelijk acht.

 

Artikel 2:76. Beschikking

De Minister verstrekt de bank, bedoeld in artikel 2:73, eerste lid, een afschrift van de beschikking tot verlening van de garantstelling.

 

Artikel 2:77. Subsidiabele kosten

In aanvulling op, onderscheidenlijk afwijking van artikel 1:15 komen de volgende kosten in aanmerking voor de garantstelling:

a. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken;

b. kosten voor de koop of huurkoop van machines en materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot ten hoogste de marktwaarde van de activa;

c. algemene kosten in verband met uitgaven als bedoeld in onderdelen a of b, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en licenties;

d. kosten voor de aankoop van tweedehands materieel, voor zover het gaat om landbouwondernemingen met een zeer beperkte technische startbasis en weinig kapitaal en zij dankzij de lagere kosten van dergelijk materieel met moderniseringswerkzaamheden kunnen beginnen.

 

Artikel 2:78. Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op de artikelen 1:15 en 2:2 komen de volgende kosten niet in aanmerking voor de garantstelling:

a. bedrijfskosten die de begunstigde normaal zou moeten dragen;

b. kosten voor activiteiten die verband houden met de uitvoer als bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 1857/2006;

c. kosten voor investeringen waarvoor productiebeperkingen of beperkingen op communautaire steunverlening in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen zijn vastgesteld, zoals toeslagrechten en quota;

d. kosten voor investeringen die tot doel hebben de financiële situatie van producenten te verbeteren, maar in geen enkel opzicht bijdragen aan de ontwikkeling van de sector;

e. kosten voor landbouwproducten waarvoor geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden;

f. kosten voor activiteiten die de landbouwonderneming ook onder marktvoorwaarden alleen zou kunnen uitvoeren;

g. kosten voor de aankoop van bouwgrond;

h. andere dan de in artikel 2:77, onderdeel b, genoemde kosten in verband met een huurkoopcontract, waaronder belastingen, marge voor de verhuurder, kosten voor de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies;

i. kosten voor investeringen in verband met de naleving van bestaande nationale maatregelen of EG-maatregelen.

 

Artikel 2:79. Hoogte garantstelling

1. De garantstelling bedraagt ten hoogste € 600.000.

2. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de garantstelling ten hoogste€ 1.200.000 ingeval een aanvraag tot garantstelling is ingediend door een natuurlijke persoon die op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag ten hoogste 39 jaar oud is, en die tot doel heeft voor het eerst voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming te stichten of over te nemen die hij:

a. alleen in eigendom, pacht of erfpacht krijgt, of

b. volledig in eigendom, pacht of erfpacht krijgt met een andere natuurlijke persoon die op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag ten hoogste 39 jaar oud is en die niet eerder een landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad.

3. De garantstelling bedraagt ten hoogste twee derde van de financieringen die benodigd zijn voor de investeringen, opgenomen in het investeringsplan, bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, onderdeel a, verminderd met de eigen beschikbare middelen, rekening houdende met de financieringsmogelijkheden op basis van beschikbare zekerheden en de wijze waarop de beschikbare eigen middelen optimaal kunnen worden aangewend.

4. De hoogte van de garantstelling vermindert naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de lening waarop de garantstelling betrekking heeft, volgens het aflossingsschema dat is vastgesteld bij verlening van de garantstelling.

5. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt ten hoogste vier vijfde van de restantschuld van de lening waarop de garantstelling betrekking heeft uitbetaald.

 

Artikel 2:80. Garantstelling ‘plus’

1. In afwijking van artikel 2:79, eerste lid, bedraagt de garantstelling ten hoogste € 2.500.000 ingeval aan de bepalingen van dit artikel is voldaan.

2. De aanvraag tot garantstelling is gericht op de terugbetaling van een lening die strekt tot financiering van de volgende investeringen:

a. investeringen in een duurzame melkveestal, varkensstal of pluimveestal die:

1. voldoet aan de eisen van het certificatieschema Maatlat Duurzame Veehouderij, hetgeen blijkt uit een voorlopig certificaat dat is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie hiervoor geaccrediteerde organisatie, en waarvoor geldt dat:

– binnen twee jaar na afgifte van het voorlopig certificaat een definitief certificaat wordt overgelegd, dan wel

– binnen drie jaar een definitief certificaat wordt overgelegd volgens de dan vigerende Maatlat Duurzame Veehouderij, en

2. bestaat uit ruimten waarin dieren worden gehuisvest, stalinrichting, klimaattechnische en voertechnische systemen, ammoniakemissiereducerende systemen, mestafvoer en mestopslag;

b. investeringen in een Groen Label Kas, die is bestemd voor het bedrijfsmatig telen van gewassen, en is aangewezen op grond van de artikelen 3.31, eerste lid, of 3.42a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. aankoop van grond voor de uitoefening van de glastuinbouw, mits de betrokken kavel ten minste 80 meter breed is met een lengte-breedte-verhouding van ten hoogste 2:1.

3. De garantstelling wordt verstrekt ter zake van een investeringsplan, waarbij ten minste de helft van de investeringen betrekking heeft op investeringen als bedoeld in het tweede lid.

4. Een garantstelling als bedoeld in dit artikel kan tevens worden verstrekt voor de terugbetaling van leningen die zijn achtergesteld ten opzichte van andere vorderingen van de bank, waarbij geldt dat:

a. slechts garantstelling wordt verstrekt voor zover de omvang van de achtergestelde lening kleiner is dan het eigen vermogen van de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft;

b. artikel 2:72, eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing is, en

c. achtergestelde leningen een looptijd hebben van ten hoogste tien jaar en niet lineair hoeven te worden afgelost, in afwijking van artikel 2:73, eerste lid, onderdelen b en c.

 

§ 2. Werkkapitaal

 

Artikel 2:81. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. werkkapitaal: kapitaal ter dekking van uitgaven die moeten worden gemaakt om de lopende bedrijfsvoering van de landbouwonderneming doorgang te doen vinden, niet zijnde kosten als bedoeld in artikel 2:77;

b. Verordening (EG) nr. 1535/2007: Verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337);

c. de-minimissteun: de-minimissteun als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1535/2007;

d. Commissie: Commissie van de Europese Gemeenschappen;

e. Tijdelijke communautaire kaderregeling: Mededeling van de Commissie– Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU C 16);

f. Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011: mededeling van de Commissie – Tijdelijke kaderregeling van de Unie inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU 2011 C 6);

g. subsidie-equivalent: subsidie-equivalent als bedoeld in punt 4.4. van de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PbEU C 155).

 

Artikel 2:82. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan tot en met 31 december 2011 subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken aan een landbouwonderneming voor de terugbetaling van een lening, voor zover deze strekt tot financiering van werkkapitaal.

 

Artikel 2:83. Nadere voorschriften

1. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, zijn van toepassing:

a. artikel 2:71, aanhef en onderdelen a, c, d, f en h;

b. artikel 2:72, eerste tot en met derde lid;

c. artikel 2:73, eerste lid, aanhef en onderdeel a;

d. artikel 2:74;

e. artikel 2:76.

2. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, is van overeenkomstige toepassing artikel 2:71, aanhef en onderdeel b.

3. De garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, wordt uitsluitend verstrekt:

a. aan een landbouwonderneming die:

1° na 1 juli 2008 in liquiditeitsproblemen is gekomen, of

2° in zoverre in afwijking van artikel 2:1a, op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden verkeerde, doch vervolgens in moeilijkheden is gekomen als bedoeld in punt 2.2, onderdeel d, van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011,

en de betreffende landbouwonderneming daardoor op het tijdstip van de aanvraag de benodigde zekerheden ontbeert om volgens normaal bankgebruik financiering voor werkkapitaal te krijgen;

b. ten behoeve van een lening van ten hoogste € 850.000 die een looptijd heeft van maximaal drie jaar en uitsluitend bestemd is voor financiering van werkkapitaal dat de onderneming de eerstkomende 12 maanden na indiening van de aanvraag tot garantstelling nodig heeft;

c. indien aan de landbouwonderneming na 1 juli 2008 ten minste twee jaar uitstel van betaling is verleend op alle door de landbouwonderneming met banken afgesloten leningen.

4. Artikel 2:2, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, voor zover het kosten voor dieren, planten en de aanplant van planten voor niet-permanente gewassen betreft.

5. Per onderneming kan slechts één garantstelling worden verstrekt.

6. Onder landbouwonderneming in moeilijkheden als bedoeld in het derde lid, wordt verstaan een landbouwonderneming in moeilijkheden zoals gedefinieerd in punt 2.1 van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).

 

Artikel 2:84. Indiening aanvraag garantstelling

1. De aanvraag tot garantstelling wordt namens de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:72 ingediend door de bank die de lening verstrekt.

2. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten:

a. een verklaring van de bank dat de landbouwonderneming voldoet aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden om de garantstelling te kunnen verstrekken en waarin de bank met name aangeeft dat inzichtelijk is dat de landbouwonderneming in liquiditeitsproblemen als bedoeld in artikel 2:83, derde lid, verkeert;

b. een door de landbouwonderneming opgemaakte verklaring, waarin opgave wordt gedaan van alle vanaf 1 januari 2008 verstrekte de-minimissteun, steun verstrekt op grond van punt 4.2.2 van de Tijdelijke communautaire kaderregeling en steun verstrekt op grond van punt 2.2 van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011.

3. De aanvrager of de bank verstrekt op verzoek van de Minister alle bescheiden en informatie die de Minister noodzakelijk acht, waaronder:

a. een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de landbouwonderneming;

b. een overzicht van de stand van de leningen en kredieten van de landbouwonderneming;

c. een specificatie van de zekerheden voor alle door de bank te verstrekken financieringen aan de landbouwonderneming, vergezeld van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, alsmede een specificatie van de totale financiering die onder de garantstelling zal vallen inclusief de daaraan door de bank verbonden voorwaarden;

d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;

e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat de landbouwonderneming een bruto-jaaromzet heeft die voor meer dan de helft wordt verkregen uit de primaire productie van landbouwproducten en voldoende liquiditeitstoename oplevert;

f. de boekhoudverslagen en aangiften inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;

g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens;

h. voor zover van toepassing, maatschapovereenkomsten, overeenkomsten inzake vennootschappen onder firma of commanditaire vennootschappen, of statuten van de landbouwonderneming indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon;

i. een verklaring van de bank dat aan de landbouwonderneming na 1 juli 2008 voor ten minste twee jaar uitstel van betaling is verleend, of verleend zal worden, op alle door banken aan de onderneming verstrekte leningen.

4. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt deze uitsluitend uitgekeerd indien op grond van de bescheiden en de informatie, bedoeld in het tweede lid en derde lid, wordt vastgesteld dat de landbouwonderneming ten tijde van de aanvraag voldeed aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden om voor garantstelling in aanmerking te komen.

 

Artikel 2:85. Hoogte en looptijd garantstelling

1. De garantstelling bedraagt ten hoogste de helft van het bedrag van de lening die met de bank is aangegaanvoor de financiering van het werkkapitaal, met dien verstande dat de garantstelling ten minste € 25.000 en ten hoogste € 425.000 bedraagt.

2. De hoogte van de garantstelling wordt verminderd naar rato van de extra aflossingen die worden gedaan op leningen waarvoor de garantstelling is verstrekt.

3. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt ten hoogste de helft van de restantschuld van de lening waarop de garantstelling betrekking heeft uitbetaald.

 

Artikel 2:86 [Vervallen per 18-02-2011]

 

Artikel 2:87. Beslistermijn subsidieverlening

De Minister verleent de subsidie, bedoelt in artikel 2:82, binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:84, indien aan de in dat artikelgestelde voorwaarden is voldaan.

 

Artikel 2:88. Provisie

1. De subsidieontvanger betaalt aan de bank eenmalig 4,5% provisie over het totale bedrag van de lening die onder garantstelling wordt verstrekt.

2. De bank betaalt de provisie aan de Minister.

 

Artikel 2:89. Cumulatie

Gedurende de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011 bedraagt het totaal aan de-minimissteun, steun verstrekt op grond van punt 4.2.2 van de Tijdelijke kaderregeling en steun verstrekt op grond van punt 2.2 van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011, met in begrip van steun die in de vorm van een garantstelling aan een landbouwonderneming op grond van deze paragraaf is toegekend, niet meer dan het subsidie-equivalent van ten hoogste € 15.000.

 

Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en recreatie

 

Titel 1. Begripsbepalingen

 

Artikel 3:1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

– beheer: al hetgeen in een terrein wordt verricht ten behoeve van instandhouding en ontwikkeling van de in dat terrein aanwezige waarden van natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische betekenis of vanwege de bosbouwkundige waarden, alsmede de daarmee verbonden administratie;

– bos: aaneengesloten terrein, waarop de meldings- en herplantplicht, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Boswet, van toepassing is;

– bosgroep: coöperatieve vereniging van bos-, natuur en landgoedeigenaren die bos-, natuur en landgoedeigenaren ondersteunt bij het beheer van hun bos, natuur en landschap;

– inrichting: het geschikt maken van een terrein voor de instandhouding, het herstel of de ontwikkeling van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden en het daarmee samenhangende beheer;

– landschapsontwikkelingsplan: plan voor het grondgebied van één of meer gemeenten ter verbetering van de landschapskwaliteit in het desbetreffende gebied;

– Landschappen: Stichting Unie van provinciale landschappen, statutair gevestigd te de Bilt;

– natuurgebied: natuurgebied dat als zodanig is begrensd in een natuurgebiedsplan:

a. als bedoeld in artikel 13 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, of

b. dat is vastgesteld op grond van een ingevolge artikel 11, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied door provinciale staten van de onderscheiden provincies vastgestelde verordening inzake subsidies voor natuurbeheer;

– natuurontwikkeling: het scheppen van de abiotische en biotische omstandigheden voor de ontwikkeling van natuurwaarden van nationale of internationale betekenis door middel van daarop toegesneden eenmalige maatregelen voor inrichting en beheer;

– natuurterrein: terrein, met uitzondering van bos, dat:

a. bestaat uit hoogveen, zandverstuiving, droge heide of droog schraal grasland, natte heide of nat schraal grasland, vennen, plassen of andere wateren, en

b. aaneengesloten is dan wel over meer dan 100 meter niet is onderbroken door een spoordijk, kanaal, rivier, rijksweg of op andere wijze;

– terreinen: gronden, daaronder begrepen natuurterreinen, wateren, landgoederen, bossen en andere houtopstanden, alsmede de op die gronden gelegen objecten, die van belang of van potentieel belang zijn om hun natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuur-historische betekenis of vanwege bosbouwkundige waarden;

– Unie van Bosgroepen: Unie van Bosgroepen, u.a., statutair gevestigd te Ede;

– Vereniging Natuurmonumenten: Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, statutair gevestigd te ’s-Graveland;

– Vereniging Platform Soortenbeschermende Organisaties: Vereniging Platform Soortenbeschermende Organisaties, statutair gevestigd te Wageningen;

– verwerving: verwerving van het recht van eigendom of het recht van erfpacht.

 

Artikel 3:2. Verplichtingen subsidieontvanger bij projecten

1. Artikel 1:13, tweede lid, aanhef in samenhang met onderdeel b, is niet van toepassing op de ontvanger van een subsidie voor de uitvoering een project op grond van dit hoofdstuk.

2. Artikel 1:13, derde lid, is niet van toepassing op de ontvanger van een subsidie voor de uitvoering van een project op grond van Titel 2avan dit hoofdstuk.

 

Titel 2 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:3 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:4 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:5 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:6 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:7 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:8 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:9 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Artikel 3:10 [Vervallen per 01-07-2011]

 

Titel 2a. Draagvlak duurzaam voedsel

 

Artikel 3:10a. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder duurzaam voedsel: voedsel geproduceerd om te voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat daarbij de mogelijkheden van toekomstige generaties worden verminderd om in hun behoeften te voorzien.

 

Artikel 3:10b. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan stichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk, of samenwerkingsverbanden daarvan, subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project dat een geheel van afgebakende en eenmalige activiteiten vormt, en:

a. is gericht op het in de Nederlandse samenleving vergroten van de aandacht voor duurzaam voedsel of het draagvlak voor duurzaam voedsel, en

b. aansluit op het beleid zoals beschreven in speerpunt 2 van de nota Duurzaam voedsel (Kamerstukken II 2008/2009, 31 532, nr.18).

2. Voor subsidie komen in ieder geval in aanmerking projecten die op doelmatige wijze bijdragen aan de doelstelling van het eerste lid door:

a. het vergroten van kennis van duurzaam voedsel door het ontwikkelen van modelprogramma’s en bijbehorende trainingen voor intermediairs en leerkrachten, voor gebruik bij binnen- en buitenschoolse educatie;

b. het vergroten van kennis van duurzaam voedsel bij groepen in de samenleving die een bijdrage kunnen leveren aan de realisering van de doelstellingen uit de nota Duurzaam voedsel, door het geven van voorlichting of het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal;

c. het vergroten van de aandacht voor duurzaam voedsel door het ontwikkelen van een visie op het belang van duurzaam voedsel, het inbrengen van deze visie in overlegsituaties en het vragen van de publieke aandacht voor deze visie;

d. het verhogen van de organisatiegraad en verbeteren van onderlinge contacten door het stimuleren van samenwerking tussen organisaties op het gebied van duurzaam voedsel en het bevorderen van informatie-uitwisseling tussen die organisaties.

3. Geen subsidie wordt verstrekt indien:

a. het project niet uitsluitend een publieksgericht of openbaar karaker heeft;

b. het project een looptijd heeft van meer dan één jaar;

c. de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan€ 15.000;

d. de subsidie geheel of gedeeltelijk ten goede komt aan instellingen of instanties die opereren met winstoogmerk of aan ondernemingen;

e. het project tevens wordt bekostigd door instellingen of instanties die opereren met winstoogmerk of door ondernemingen;

f. het project geheel of gedeeltelijk uit andere hoofde op grond van deze regeling kan worden gesubsidieerd, ongeacht of de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening is opengesteld.

 

Artikel 3:10c. Rangschikking naar geschiktheid

De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. doelmatiger kan worden uitgevoerd als gevolg van de kennis, de kunde, de capaciteit, het netwerk en het maatschappelijk draagvlak van de uitvoerende organisatie of organisaties;

b. meer aansluit bij het beleid zoals beschreven in speerpunt 2 van de nota Duurzaam voedsel.

 

Artikel 3:10d. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger vangt het project waarvoor de subsidie is verleend aan binnen één jaar na de datum van subsidieverlening.

 

Artikel 3:10e. Beslistermijn subsidievaststelling

Een beschikking omtrent subsidievaststelling wordt gegeven binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

 

Artikel 3:10f. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel in dienst van de subsidieontvanger;

b. kosten van verbruikte materialen of hulpmiddelen;

c. kosten van vrijwilligers, voor zover deze een vrijwilligersvergoeding ontvangen, per kalenderjaar tot ten hoogste het bedrag dat jaarlijks belastingvrij als vrijwilligersvergoeding kan worden verstrekt, met dien verstande dat het maximum evenredig wordt aangepast indien een vrijwilliger dat kalenderjaar niet volledig werkzaam is geweest;

d. aan derden verschuldigde kosten ter zake van planvormings- en uitvoeringsactiviteiten tot ten hoogste 35% van de in de onderdelen a, b en c genoemde kosten;

e. reis- en verblijfkosten;

f. kosten voor overhead tot ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan 10% van de ingevolge onderdeel a voor subsidie in aanmerking komende loonkosten;

g. kosten als bedoeld in de onderdelen b tot en met e die onvoorzien zijn, tot ten hoogste 15% van het bedrag dat wel is voorzien.

 

Artikel 3:10g. Hoogte subsidie en voorschotten

1. De subsidie bedraagt ten hoogste €75.000.

2. Een voorschot van ten hoogtse 40% van het subsidiebedrag wordt uitsluitend verleend indien het project binnen 3 maanden na subsidieverlening van start gaat.

 

Titel 3 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:11 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:12 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:13 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:14 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:15 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:16 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:17 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:18 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:19 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Titel 4 [Vervallen per 01-01-2011]

 

§ 1 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:20 [Vervallen per 01-01-2011]

 

§ 2 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:21 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:21a [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:22 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:23 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:24 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:25 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:25a [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:26 [Vervallen per 01-01-2011]

 

§ 3 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:27 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:28 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:29 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:30 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:31 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:32 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 3:33 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Titel 5. Nationale en grensoverschrijdende parken

 

Artikel 3:34. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan op aanvraag aan de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie, statutair gevestigd te Amsterdam, en de Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, subsidie verstrekken voor projecten gericht op kwaliteitsverbetering, samenwerking, educatie, voorlichting en onderzoek van:

a. een door de Minister aangewezen nationaal park dan wel nationaal park in oprichting,

b. een door het Rijk gezamenlijk met het Koninkrijk België of de Bondsrepubliek Duitsland als grensoverschrijdende park aangewezen of aan te wijzen gebied, waarvoor afspraken gelden met betrekking tot het beheer en de inrichting daarvan, of

c. het particuliere nationale park De Hoge Veluwe of Veluwezoom.

 

Artikel 3:35. Indiening van een aanvraag

1. In afwijking van de artikelen 1:8, eerste lid, en 1:13, vijfde lid, wordt de aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling, onderscheidenlijk tot goedkeuring als bedoeld in artikel 1:13, derde lid, ingediend bij de Directeur Natuur, Landschap en Platteland van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

2. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend voor 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie is verleend.

 

Artikel 3:36. Beslistermijn subsidieverlening

In afwijking van artikel 1:10, eerste lid, wordt een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven voor 15 februari van het jaar waarin het project wordt uitgevoerd.

 

Artikel 3:37. Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 1:13, tweede lid, is niet van toepassing.

 

Artikel 3:38 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:39. Betaling subsidiebedragen en voorschotten

1. De Minister betaalt subsidiebedragen en voorschotten aan de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie via het Groenfonds.

2. In afwijking van artikel 1:17, tweede lid, kan de Minister aan de Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken voorschotten verlenen tot ten hoogste 95% van het te verstrekken subsidiebedrag.

 

Titel 6 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:40 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:40a [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:41 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:42 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:43 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:44 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:45 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:46 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 3:47 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Titel 7 [Vervallen per 25-11-2007]

 

Artikel 3:48 [Vervallen per 25-11-2007]

 

Artikel 3:49 [Vervallen per 25-11-2007]

 

Artikel 3:50 [Vervallen per 25-11-2007]

 

Titel 8. Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren

 

Artikel 3:51. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan subsidie verstrekken aan de Unie van Bosgroepen voor projecten die een bijdrage leveren aan rendementsverbetering binnen de bos- en natuursector alsmede aan verbetering van de kwaliteit van het bos en de natuur.

2.De volgende activiteiten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. het verbeteren van de advisering en opleiding aan bos- en natuureigenaren met een bezit kleiner dan 250 hectare over het beheer van bos- en natuurterreinen;

b. het verzamelen van natuurgegevens;

c. het opstellen van aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in:

a. artikel 20a van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, of

b. een met de subsidie, bedoeld onder 1, overeenkomende subsidie die door provinciale staten kan worden verstrekt op grond van een ingevolge artikel 11, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied door hen vastgestelde verordening, of

c. artikel 3:11 van deze regeling.

 

Artikel 3:52. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. loonkosten;

b. aan derden verschuldigde kosten;

c. en kosten van de voor de subsidievaststelling benodigde controleverklaring van een accountant.

 

Titel 8a. Versterking recreatie

 

Artikel 3:53. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan het Kenniscentrum Recreatie subsidie verstrekken voor de uitvoering van programma’s die een bijdrage leveren aan de bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied van de recreatie.

2. De programma’s hebben betrekking op een kalenderjaar.

 

Artikel 3:54. Indiening van een aanvraag

In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling ingediend bij de Directeur Natuur, Landschap en Platteland van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

 

Artikel 3:55. Indiening aanvraag subsidieverlening

1.Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een werkprogramma.

2.Het werkprogramma bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de werkzaamheden en activiteiten van de instelling voor het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. een beschrijving van de financiële gevolgen van de werkzaamheden en de activiteiten;

c. een meerjarenperspectief;

d. een plan voor de uitvoering van een evaluatie waarin wordt aangegeven in hoeverre de beoogde doelen bereikt zijn.

 

Artikel 3:56. Beslistermijn subsidieverlening

In afwijking van artikel 1:10, eerste lid, wordt een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven binnen drie maanden na afloop van de periode voor het aanvragen van subsidieverlening.

 

Artikel 3:57. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert het programma uit overeenkomstig het werkprogramma waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft.

 

Artikel 3:58. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van:

a. een financiële verantwoording van het programma;

b. de eindrapportage van het programma.

 

Artikel 3:59. Beslistermijn subsidievaststelling

Een beschikking omtrent subsidievaststelling wordt gegeven binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

 

Artikel 3:60. Voorschot

1. In afwijking van artikel 1:17, tweede lid, kan de Minister voorschotten verlenen tot ten hoogste 95% van het te verstrekken subsidiebedrag.

2. De aanvraag tot subsidieverlening gaat in verband met het vaststellen van een voorschot vergezeld van de liquiditeitsbehoefte.

 

Titel 9. Behoud zeldzame landbouwhuisdierenrassen

 

Artikel 3:61. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan aan de Stichting Zeldzame Huisdieren subsidie verstrekken voor de begeleiding van stamboek-, ras- en fokverenigingen:

a. bij het opstellen van strategische meerjarenplannen en van project- en subsidieaanvragen;

b. bij het bevorderen van de relaties met regionale en landelijke organisaties met (potentiële) interesse voor de instandhouding van zeldzame landbouwhuisdierenrassen.

 

Artikel 3:62. Indienen van een aanvraag

In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidieverlening ingediend bij de Directeur Agroketens en Visserij van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

 

Artikel 3:63. Indiening aanvraag subsidieverlening

1.Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een werkprogramma.

2.Het werkprogramma bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de werkzaamheden en activiteiten van de instelling voor het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. een beschrijving van de financiële gevolgen van de werkzaamheden en de activiteiten;

c. een meerjarenperspectief; en

d. een plan voor de uitvoering van een evaluatie waarin wordt aangegeven in hoeverre de beoogde doelen bereikt zijn.

 

Artikel 3:64. Indiening aanvraag subsidievaststelling

Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van:

a. een financiële verantwoording van het programma;

b. de eindrapportage van het programma.

 

Artikel 3:65. Beslistermijn subsidievaststelling

Een beschikking omtrent subsidievaststelling wordt gegeven binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

 

Hoofdstuk 4. Visserij

 

Titel 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 4:1

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

– verordening nr. 1198/2006: Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europese Visserijfonds (PbEU L 223);

– verordening nr. 510/2006: Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93);

– verordening nr. 1077/2008: Verordening (EG) nr. 1077/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 november 2008 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor Verordening (EG) 06/1966 van de Raad betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 07/1566;

– Besluit: Besluit registratie vissersvaartuigen 1998;

– kleine, middelgrote en micro-ondernemingen: kleine, middelgrote en micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124);

– visserijonderneming: onderneming die actief is binnen de visserijsector;

– visser: natuurlijk persoon die zijn hoofdberoep uitoefent aan boord van een in bedrijf zijnd vissersvaartuig;

– vissersvaartuig: vaartuig dat gebruikt wordt voor de uitoefening van de bedrijfsmatige visserij, dat overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967 als Nederlands geldt en dat overeenkomstig het bij of krachtens het besluit bepaalde staat geregistreerd;

– binnenvisserij: visserij voor commerciële doeleinden met vaartuigen die uitsluitend actief zijn in de binnenwateren en die niet in het communautaire register van vissersvaartuigen zijn opgenomen;

– aquacultuur: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu;

– gangbare praktijk in de aquacultuursector: aquacultuuractiviteiten die worden uitgevoerd overeenkomstig de bindende gezondheids-, veterinaire of milieuwetgeving;

– visvergunning: aan een ondernemer ten aanzien van een vissersvaartuig toegekende visvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij;

– garnalenvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren verleend voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen (Crangon, crangon) in de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren;

– contingent: contingent als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij;

– meetbrief: document als bedoeld in artikel 4 van de Meetbrievenwet 1981;

– brutoton: maat ter bepaling van de scheepsinhoud overeenkomstig bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122 en 194);

– innovatieproject: project dat een samenhangend geheel van activiteiten vormt, welke zijn gericht op het verwerven en verspreiden van nieuwe technische kennis die wordt verkregen door:

a. het ontwikkelen van een innoverende technologie en het onder realistische omstandigheden in de productiesector testen van de technische en economische levensvatbaarheid van deze technologie;

b. testen uit te voeren in verband met beheersplannen en plannen voor het toewijzen van visserij-inspanningen, waaronder desnoods het sluiten van gebieden voor de visserij om de biologische en financiële gevolgen te kunnen evalueren, en het experimenteel uitzetten van vis;

c. methoden te ontwikkelen en te testen om de selectiviteit van het vistuig te verbeteren of om de bijvangsten, de overboord gezette hoeveelheden of de gevolgen voor het milieu te beperken, of

d. alternatieve soorten visserijbeheerstechnieken te testen;

– Visserij Innovatie Platform: door de Minister van LNV ingesteld platform dat adviseert over kansrijke innovaties in de visserij, zoals meegedeeld bij brief aan de Tweede Kamer van 27 juni 2006 (Kamerstukken II 2005-06, 29675, nr. 19);

– experimentele visserij; het gebruik van vistuig en andere apparatuur voor de detectie van vis om vast te stellen welke vissoorten in welke hoeveelheden aanwezig zijn, teneinde een indruk te krijgen van de omvang van de bestanden in dat gebied en van de economische perspectieven van commerciële exploitatie van deze bestanden;

– maatschappelijke organisatie: rechtspersoon zonder winstoogmerk, niet zijnde een overheidsorganisatie of onderneming in Europeesrechtelijke zin;

– ondernemer: natuurlijk persoon of rechtspersoon te wiens naam het vissersvaartuig in het visserijregister staat geregistreerd;

– vissoorten: alle soorten van vis, schaal-, schelp- en weekdieren.

2. In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, komen kosten voor huisvesting niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit hoofdstuk.

3. In aanvulling op artikel 1:15, vijfde lid, onder a, is het uurtarief voor eigen arbeid € 35,– per uur voor subsidie op grond van dit hoofdstuk.

4. De Minister kan tot 5 jaar na de subsidievaststelling de subsidie op grond van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk intrekken indien naar de mening van de Minister het resultaat van het project of de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt, wordt gewijzigd:

a. waardoor de aard van het resultaat van het project of de activiteit is veranderd;

b. waardoor in strijd met de uitvoeringsvoorwaarden van de subsidie wordt gehandeld;

c. waardoor de subsidieontvanger een onrechtmatig voordeel heeft;

d. tengevolge van een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening, of

e. tengevolge van de beëindiging of verplaatsing van een productieve activiteit.

5. De Minister kan in het besluit op grond van artikel 1:3 bepalen dat artikel 1:2, tweede lid, niet van toepassing is op subsidies verleend op grond van dit hoofdstuk.

6. Onverminderdartikel 1:12, vierde lid, bewaart de ontvanger van een subsidie, verstrekt op grond van dit hoofdstuk, de in dat lid bedoelde administratie tot en met 31 december 2020.

 

Artikel 4:1a. Aanwijzing van instanties

1. Als beheersautoriteit als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de Minister.

2. Als certificeringsautoriteit als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel b, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de Afdeling CA van de Dienst Regelingen.

3. Als auditautoriteit als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel c, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de Rijksauditdienst van het Ministerie van Financiën.

4. Als bemiddelende instantie als bedoeld in artikel 58, tweede lid, van verordening nr. 1198/2006 wordt aangewezen de Dienst Regelingen.

 

Artikel 4:1b. Voorschotten

1. Artikel 1:17 is niet van toepassing op subsidie op grond van dit hoofdstuk.

2. De Minister kan voor subsidie op grond van dit hoofdstuk op aanvraag een voorschot verlenen voor subsidiabele kosten:

a. tot een maximum van 80% van het ten hoogste te verstrekken subsidiebedrag voor zover de kosten door de subsidieontvanger zijn gemaakt en betaald, alsmede voor kosten van eigen arbeid, of

b. tot een maximum van 50% van het ten hoogste te verstrekken subsidiebedrag voor kosten die nog niet door de subsidieontvanger zijn gemaakt, indien de Minister in de openstelling, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, heeft bepaald dat de aanvraag tot voorschotverlening vergezeld gaat van een liquiditeitsoverzicht.

 

Titel 2. Capaciteit visserijvloot

 

§ 1. Beëindigen visserijactiviteiten

 

Artikel 4:2. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan op aanvraag aan de eigenaar van een vissersvaartuig overeenkomstig het bepaalde in deze regeling subsidie verlenen ter zake van:

a. de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig, of

b. de eigendomsoverdracht van het vissersvaartuig in het kader van de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten.

2.Onder definitieve beëindiging als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a. sloop van het vissersvaartuig;

b. het definitieve gebruik van het vissersvaartuig voor andere doeleinden dan visserij, onder de vlag van een lidstaat van de Europese Unie en voor dat gebruik geregistreerd in de Europese Unie.

 

Artikel 4:3. Rangschikking naar geschiktheid

1.De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het aangevraagde subsidiebedrag een lager percentage is van het maximale subsidiebedrag dat voor het betrokken vaartuig kan worden betaald op grond van artikel 4:7.

2.Indien bij de toepassing van het eerste lid aanvragen op dezelfde hoogte worden gerangschikt, wordt de onderlinge rangorde tussen deze aanvragen bepaald in volgorde van ontvangst overeenkomstig artikel 1:6.

 

Artikel 4:4. Vereisten aanvraag subsidieverlening

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een kopie van de meetbrief.

 

Artikel 4:5. Verplichtingen subsidieontvanger

1.De subsidieontvanger is verplicht om binnen drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening, ervoor zorg te dragen dat:

a. hetzij de sloop van het vissersvaartuig, hetzij de definitieve bestemming van het vissersvaartuig voor andere doeleinden dan de visserij heeft plaatsgevonden, waarbij in het laatstbedoelde geval de op het vissersvaartuig aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de visserij zijn verwijderd;

b. het registratienummer van het vissersvaartuig, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Regeling eisen, administratie en registratie inzake uitoefening visserij is verwijderd;

c. de inschrijving van het vissersvaartuig in het register, bedoeld in artikel 4 van het besluit, is doorgehaald;

d. de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, ongedaan is gemaakt;

e. het vaartuig wordt ingeschreven in het register van de lidstaat van de Europese Unie onder de vlag van welke het vaartuig wordt gebracht, indien de visserijactiviteit wordt beëindigd overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b.

2.De Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn op een met redenen omkleed verzoek van de subsidieontvanger eenmalig met ten hoogste vier weken verlengen.

3.In geval van definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b, is de subsidieontvanger verplicht om ervoor zorg te dragen dat het vaartuig niet op enig tijdstip terugkeert in de hoedanigheid van vissersvaartuig.

 

Artikel 4:6. Indiening aanvraag subsidievaststelling

1. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, dient de subsidieontvanger binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, een aanvraag tot subsidievaststelling in.

2. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een verklaring van een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst dat is voldaan aan:

1°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft de sloop van het vissersvaartuig of het verwijderen van de aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de visserij, en

2°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel b;

b. overige bescheiden waarmee naar het oordeel van de Minister wordt aangetoond dat aan de in artikel 4:5, eerste lid, bedoelde verplichtingen is voldaan;

c. het originele exemplaar van de ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig toegekende visvergunning;

d. het originele exemplaar van de garnalenvergunning en van de vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde, voor zover deze vergunningen ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig zijn toegekend;

e. het originele exemplaar van de vismachtiging, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringregeling zeevisserij, voor zover ten aanzien van het desbetreffende vissersvaartuig een vismachtiging is toegekend;

f. een taxatierapport van het vaartuig van een beëdigd taxateur, indien de visserijactiviteit beëindigd wordt overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b.

 

Artikel 4:7. hoogte subsidie

1.De Minister bepaalt de maximale hoogte van de subsidie volgens de formule: forfaitair subsidiebedrag per brutoton maal brutotonnage van het vissersvaartuig plus een aanvullend bedrag.

2.De Minister bepaalt de hoogte van het forfaitaire subsidiebedrag per brutoton en van het aanvullende bedrag, waarbij een klasse-indeling in brutotonnage kan worden aangehouden.

3.De formule ter bepaling van de maximale hoogte van de subsidie kan uitgebreid worden om rekening te houden met de leeftijd van het vaartuig.

4.Indien de visserijactiviteit beëindigd wordt overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b, wordt de subsidie verminderd met de marktwaarde van het vaartuig, die is bepaald in het taxatierapport, bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, onderdeel f.

5.Indien het vaartuig verloren gaat op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en de subsidievaststelling, wordt de subsidie verminderd met het bedrag van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding.

 

Artikel 4:8

Ten aanzien van contingenten die zijn toegekend ten behoeve van vaartuigen waarvoor subsidie wordt verleend, wordt de periode van aanhouden van een contingent als bedoeld in artikel 14 van de Regeling contingentering zeevis vastgesteld op ten hoogste 36 maanden.

 

§ 2. Sociaal-economische maatregelen

 

Artikel 4:9. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan op aanvraag aan een visser subsidie verstrekken:

a. voor de verbetering van de beroepsvaardigheden, met name van jonge vissers;

b. voor de omscholing naar een beroep buiten de zeevisserij;

c. als eenmalige compensatie indien de visserijactiviteit van het vaartuig waarop de visser ten minste twaalf maanden heeft gewerkt, definitief is beëindigd in de zin van artikel 4:2;

d. voor het vroegtijdig uittreden uit de visserij

2.De aanvraag voor subsidie wordt afgewezen indien de aanvrager reeds eerder een subsidie voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en d, heeft ontvangen op grond van deze paragraaf, de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserij, de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserij 2002, de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserij 2003 of in de twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag op grond van paragraaf 1 van hoofdstuk 4 een aanvraag tot subsidieverlening heeft gedaan.

 

Artikel 4:10. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 4:11. Verplichtingen subsidieontvanger

1.Artikel 1:2, tweede lid, is niet van toepassing op subsidieverlening op grond van artikel 4:9, met dien verstande dat activiteiten verricht voor 1 januari 2007 niet in aanmerking komen voor subsidie.

2.Binnen een termijn van drie maanden na de beschikking tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, toont de subsidieontvanger ten genoegen van de Minister aan dat hij zijn werkzaamheden als visser definitief heeft beëindigd.

3.Na uitkering van de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel b, is het de subsidieontvanger verboden binnen vijf jaar zijn beroepsactiviteit als visser te hervatten.

4.Na uitkering van de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel c, is het de subsidieontvanger verboden binnen twaalf maanden zijn beroepsactiviteit als visser te hervatten.

 

Artikel 4:12. Indiening aanvraag subsidievaststelling

1.In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, dient de subsidieontvanger 24 maanden na de beschikking tot subsidieverlening op grond van artikel 4:9, onderdeel a of b, een aanvraag tot subsidievaststelling in.

2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een afschrift van het certificaat of diploma van de gevolgde cursus.

 

Artikel 4:13. Subsidievaststelling

Binnen acht weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 4:11, tweede lid, stelt de Minister de subsidie, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, vast.

 

Artikel 4:14. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste:

voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel a: 100% van de totale kosten van deelname aan de cursus;

voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel b: 100% van de totale kosten van deelname aan de cursus;

voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel c: € 6.000,– .

voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d: € 600,– voor iedere kalendermaand gedurende de periode die aanvangt op de eerste dag van de maand waarin de arbeids- of maatschapsovereenkomst is of wordt beëindigd en die eindigt op de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.

2.Indien de subsidieontvanger niet langer voldoet aan artikel 4:11, vierde lid, betaalt hij een door de Minister te bepalen evenredig deel van de subsidie bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel c, terug.

 

Titel 3. Maatregelen van gemeenschappelijk belang

 

§ 1. Innovatieprojecten

 

Artikel 4:15. Subsidiabele activiteiten

1.Ter stimulering van het innovatieve vermogen in de visserijsector, kan de Minister subsidie verstrekken voor de uitvoering van een innovatieproject aan

a. een visserijonderneming of een erkende beroepsorganisatie;

b. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in onderdeel a, of

c. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in onderdeel a met een maatschappelijke organisatie op het gebied van visserij.

2.Het innovatieproject wordt uitgevoerd in partnerschap met een wetenschappelijke of technische instantie.

3.Geen subsidie wordt verstrekt voor:

a. projecten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000,–;

b. projecten waarbinnen nieuwe technische kennis direct op praktijkschaal commercieel toegepast wordt.

c. experimentele visserij.

 

Artikel 4:16. vereisten aanvraag subsidieverlening

De aanvraag gaat vergezeld van een beschrijving van het partnerschap met de wetenschappelijke of technische instantie, waarin in elk geval de taakverdeling en de aard van de wetenschappelijke begeleiding worden beschreven.

 

Artikel 4:17. Rangschikking naar geschiktheid

1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar het oordeel van de Minister:

a. een meer innovatief karakter heeft;

b. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal;

c. een groter uitstralingseffect heeft voor toepassing door andere ondernemingen;

d. een meer duurzaam karakter heeft waaronder tevens wordt verstaan het bijdragen aan dierenwelzijn;

e. minder effecten heeft op de natuur;

f. meer bijdraagt aan de selectiviteit van vismethoden;

g. meer bijdraagt aan de toegevoegde waarde van visserijproducten;

h. bij toepassing in de praktijk leidt tot meer energiebesparing in de visserijsector;

i. bij toepassing in de praktijk leidt tot meer kostenbesparingen voor de visserijsector, en

j. wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband als bedoel in artikel 4:15, eerste lid.

2. Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de rangschikking van aanvragen.

3. De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.

 

Artikel 4:18. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van ten hoogste drie jaar.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar vaststellen.

3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten Nederland.

4. Het project gaat gepaard met naar het oordeel van de Minister adequate wetenschappelijke begeleiding.

5. De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het project worden opgedaan onmiddellijk na afloop van het project openbaar in een verslag dat naar het oordeel van de Minister van afdoende kwaliteit is.

6. De Minister kan de subsidieontvanger aanvullende verplichtingen opleggen omtrent de wijze waarop de openbaarmaking, bedoeld in het vierde lid, plaatsvindt.

 

Artikel 4:19. Subsidiabele kosten

1. volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze betrekking hebben op de uitvoering van het project;

b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies, onderzoeksactiviteiten, proces- en ketenmanagement, wetenschappelijke begeleiding van het project en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, met uitzondering van winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. kosten voor de aanschaf van machines en apparatuur, nieuw of tweedehands, in geval van huurkoop gebaseerd op de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep;

d. kosten voor een studie naar de haalbaarheid van de ontwikkeling van nieuwe technologieën, technieken en methoden;

e. kosten gemoeid met het testen van de nieuwe technologieën, technieken en methoden;

f. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–.

2. In aanvulling op het eerste lid komen voor aanvragen ingediend door een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, tevens de volgende kosten in aanmerking voor subsidie:

a. kosten voor organisatie en facilitering van het samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal- en locatiehuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten;

b. kosten voor een procesbegeleider of ketenmanager.

 

Artikel 4:20. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring van een accountant.

 

Artikel 4:21. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 100 % van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.

3. Innovatieprojecten mogen geen direct commercieel doel hebben. Inkomsten gerelateerd aan het innovatieproject, die ontstaan tijdens de uitvoering daarvan, worden afgetrokken van de subsidiabele kosten voor het project.

 

§ 2. Collectieve acties

 

Artikel 4:22. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project ter bevordering van samenwerkingsvormen in de visserij of ter versterking van praktijknetwerken die samenwerking of innovatie ondersteunen en dat met name gericht is op:

a. beter beheer van visbestanden;

b. duurzame vismethoden;

c. ketensamenwerking;

d. samenwerking tussen onderzoekers en vissers of visserijondernemingen;

e. uitwisseling van kennis;

f. internationale samenwerking;

g. ontwikkeling van de aquacultuursector.

2.Voor de subsidie komen in aanmerking:

a. een visserijonderneming of een erkende beroepsorganisatie;

b. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in onderdeel a, of

c. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in onderdeel a met een maatschappelijke organisatie op het gebied van visserij.

3.Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten die zijn gericht op experimentele visserij.

 

Artikel 4:23. Rangschikking naar geschiktheid

1.De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar het oordeel van de Minister:

a. meer bijdraagt aan de samenwerking tussen verschillende partijen in de visserij;

b. een groter uitstralingseffect heeft naar andere partijen in de visserijsector ten aanzien van de voordelen en mogelijkheden van samenwerking;

c. een meer duurzaam karakter heeft;

d. een resultaat zal opleveren dat ten goede komt van andere visserijondernemingen;

e. meer bijdraagt aan de verbetering van kwaliteit van visserijproducten en de toevoeging van waarde aan een visserijproduct in de keten, en

f. meer bijdraagt aan de traceerbaarheid van visserijproducten.

2.Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de rangschikking van aanvragen.

3.De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.

 

Artikel 4:24. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van ten hoogste drie jaar.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar vaststellen.

3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten Nederland.

4. De subsidieontvanger staat toe dat de Minister de kennis en informatie die met het project worden opgedaan openbaar maakt ten behoeve van de visserijsector.

 

Artikel 4:25. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel van de subsidieontvanger;

b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies, onderzoeksactiviteiten, proces- en ketenmanagement en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten, met uitzondering van winstopslagen bij transacties binnen een groep;

c. kosten voor de aanschaf van machines en apparatuur, nieuw of tweedehands, in geval van huurkoop gebaseerd op de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep;

d. kosten voor een studie naar de haalbaarheid van de ontwikkeling van nieuwe technologieën, technieken en methoden;

e. kosten gemoeid met het testen van de nieuwe technologieën, technieken en methoden;

f. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer;

g. kosten voor organisatie en facilitering van het samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal- en locatiehuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten;

h. kosten voor een procesbegeleider of ketenmanager;

i. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–.

 

Artikel 4:26. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.

 

§ 3. Kwaliteit, rendement en nieuwe markten

 

Artikel 4:27. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project dat is gericht op de algemene bevordering van kwaliteit en rendement of op de ontwikkeling van nieuwe markten voor visserijproducten en dat met name één van de volgende activiteiten omvat:

a. het voorzien van de markt met soorten waarvan er een overschot is of die onderbevist zijn, die normaliter worden teruggegooid of die geen handelswaarde hebben;

b. de uitvoering van een kwaliteitsbeleid voor visserijproducten;

c. de bevordering van de afzet van producten die zijn verkregen met methoden met een gering milieueffect;

d. de bevordering van de afzet van producten die zijn erkend op grond van verordening nr. 510/2006;

e. kwaliteitscertificering, met inbegrip van het creëren van etiketten en de certificering van producten die zijn gevangen of gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden;

f. de bevordering van traceerbaarheid van visserijproducten;

g. de uitvoering van marktonderzoeken.

2.Voor de subsidie komen in aanmerking:

a. een visserijonderneming of een erkende beroepsorganisatie;

b. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in onderdeel a, of

c. een samenwerkingsverband van aanvragers als bedoeld in onderdeel a met een maatschappelijke organisatie op het gebied van visserij.

3.Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten:

a. die zijn gericht op handelsmerken;

b. waarin wordt verwezen naar specifieke landen of geografische gebieden, tenzij het producten betreft die zijn erkend op grond van verordening nr. 510/2006.

 

Artikel 4:28. vereisten aanvraag subsidieverlening

In het projectplan, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, is de geografische locatie opgenomen waar het project wordt uitgevoerd.

 

Artikel 4:29. Rangschikking naar geschiktheid

1.De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar het oordeel van de Minister:

a. de kwaliteit en rendement van visserijproducten meer bevordert;

b. een grotere betekenis heeft voor de ontwikkeling van nieuwe markten voor visserijproducten;

c. een meer duurzaam karakter heeft, en

d. een groter uitstralingseffect heeft voor toepassing door andere ondernemingen.

2.Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de rangschikking van aanvragen.

3.De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.

 

Artikel 4:30. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van ten hoogste drie jaar.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar vaststellen.

3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten Nederland.

4. De subsidieontvanger staat toe dat de Minister de kennis en informatie die met het project worden opgedaan openbaar maakt ten behoeve van de visserijsector.

 

Artikel 4:31. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. de kosten van reclamebureaus en andere dienstverleners die betrokken zijn bij de voorbereiding en uitvoering van de in artikel 4:27, eerste lid, bedoelde activiteiten;

b. de kosten van het ontwerpen en introduceren van een kwaliteitscertificaat;

c. de uitgaven voor publicaties en het voor campagnes benodigde extern personeel;

d. de organisatie van en deelname aan vakbeurzen en tentoonstellingen;

e. de aankoop of huur van advertentieruimte en het bedenken van slagzinnen en labels voor de duur van een promotiecampagne;

f. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze betrekking hebben op de uitvoering van het project;

g. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–.

 

Artikel 4:32. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

2.De subsidie bedraagt ten hoogste € 250.000,–.

 

Artikel 4:33. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring van een accountant.

 

§ 4. Duurzame ontwikkeling visserijgebieden

 

Artikel 4:33a. Aanwijzing visserijgebieden

Als visserijgebieden als bedoeld in artikel 43 van verordening nr. 1198/2006, worden aangewezen de gebieden zoals opgenomen in bijlage 5, onderdeel A, bij deze regeling.

 

Artikel 4:33b. Aanwijzing lokale groepen

Als lokale groepen als bedoeld in artikel 45 van verordening nr. 1198/2006, worden aangewezen de groepen zoals opgenomen in bijlage 5, onderdeel B, bij deze regeling.

 

Artikel 4:33c. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan subsidie verstrekken ter stimulering van duurzame ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit in visserijgebieden als bedoeld in artikel 4:33a.

2. Voor subsidie komen in aanmerking projecten die bijdragen aan de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, en gericht zijn op:

a. de versterking van het concurrentievermogen van een visserijgebied;

b. de herstructurering en heroriëntering van economische activiteiten, met name door stimulering van het ecotoerisme, mits deze activiteiten niet leiden tot een verhoging van de visserij-inspanning;

c. de diversificatie van activiteiten, door een gecombineerde beroepsactiviteit voor vissers te bevorderen, via het scheppen van extra werkgelegenheid buiten de visserijsector;

d. het bieden van meerwaarde aan visserijproducten;

e. de ondersteuning van infrastructuurvoorzieningen voor kleinschalige visserij en toerisme, alsmede van diensten ten voordele van kleine vissersgemeenschappen;

f. de bescherming van het milieu in een visserijgebied zodat deze hun aantrekkelijkheid behoudt, het rehabiliteren en ontwikkelen van kustdorpjes en -dorpen met visserijactiviteiten, en de bescherming en verbetering van het natuurlijke en architecturale erfgoed.

3. Voor subsidie op grond van het tweede lid, onderdelen b en c, komen slechts in aanmerking aanvragers die werkzaam zijn in de visserijsector of een met deze sector verbonden beroep uitoefenen.

 

Artikel 4:33d. Rangschikking

1. De lokale groepen, bedoeld in artikel 4:33b, worden aangewezen als beoordelingscommissies als bedoeld in artikel 1:4, derde lid.

2. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4, eerste lid, op grond van een advies van de betreffende beoordelingscommissie.

3. De beoordelingscommissie rangschikt een project hoger naarmate het project beter aansluit bij de doelstellingen, bedoeld in artikel 4:33c, en de doelstellingen, bedoeld in de betreffende ontwikkelingsstrategie als bedoeld in bijlage 5, onderdeel c.

 

Artikel 4:33e. Indiening aanvraag subsidieverlening

In het projectplan, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, wordt de geografische locatie opgenomen waarop het project zal worden uitgevoerd.

 

Artikel 4:33f. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van ten hoogste drie jaar.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar vaststellen.

3. De subsidieontvanger voert het project uit in het visserijgebied, bedoeld in de beschikking tot subsidieverlening, behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten dat visserijgebied.

 

Artikel 4:33g. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze betrekking hebben op de uitvoering van het project;

b. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor zover deze kosten niet meer bedragen dan€ 2500;

c. kosten verbonden aan ontwikkeling, aanschaf of het testen van nieuwe apparaten, diensten, technologieën of andere innovaties;

d. kosten verbonden aan de uitvoering van promotie, voorlichting of publicaties;

e. kosten voor organisatie en facilitering van een samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal-en locatiehuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten;

f. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting van onroerende goederen;

g. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de onderdelen a tot en met f, zoals kosten voor adviseurs, architecten of ingenieurs, tot een hoogte van 25% van de totale subsidiabele kosten en haalbaarheidsstudies, verwerven van patenten en vergunning.

 

Artikel 4:33h. Indiening aanvraag subsidievaststelling

Indien het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag€ 125.000 of meer bedraagt, kan in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat van een controleverklaring van een accountant.

 

Artikel 4:33i. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten van projecten als bedoeld in groep 2 en groep 4 van bijlage II bij verordening nr. 1198/2006.

3. De subsidie bedraagt ten hoogste €300.000.

 

Titel 4. Investeringen

 

§ 1. Investeringen in vissersvaartuigen

 

Artikel 4:34. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie verstrekken voor het moderniseren van vissersvaartuigen en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van vissersvaartuigen ter verbetering van de veiligheid aan boord, de arbeidsomstandigheden, de hygiëne, de productkwaliteit en met name energie-efficiëntie en selectiviteit.

2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt geen subsidie verstrekt:

a. indien het betrokken vissersvaartuig op het moment van het indienen van de aanvraag nog geen vijf jaar oud is;

b. indien de voorziening of modernisering waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, naar het oordeel van de Minister zou leiden tot een toename van de vangstcapaciteit van het vaartuig;

c. voor de bouw van een vissersvaartuig en de vergroting van een visruim.

3. Per vissersvaartuig wordt op grond van deze paragraaf gedurende de programmaperiode van het Europees visserijfonds 2007–2013 niet meer financiële steun toegekend dan een kwart van de nieuwwaarde van het betreffende vissersvaartuig.

 

Artikel 4:35. Nadere voorschriften subsidiabele activiteiten

1. Investeringen ter verbetering van de selectiviteit van vistuigen, inclusief maximaal twee vervangingen van vistuig in de periode 2007–2013, zijn subsidiabel indien:

a. het betrokken vissersvaartuig in het bezit is van een speciaal visdocument voor een herstelplan als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 2371/2002 en de eigenaar met dat vaartuig na de aanvraag overschakelt op een andere visserijmethode en de visserij uitoefent op een andere doelsoort, waarvan de toestand van het bestand nog toelaat te vissen, of

b. het nieuwe tuig selectiever is en beantwoordt aan de erkende milieucriteria en praktijken die verder reiken dan de bestaande wettelijke verplichtingen.

2. In afwijking van en onverminderd het eerste lid kan de Minister aan een aanvrager in de periode 2007 – 2013 eenmaal subsidie als bedoeld in artikel 4:34 verlenen voor het vervangen van vistuig indien:

a. de subsidieontvanger overeenkomstig artikel 25, achtste lid, van verordening nr. 1198/2006 met het vervangen van het oude vistuig voldoet aan de nieuwe technische eisen inzake selectiviteit uit hoofde van het communautaire recht en deze eisen nog niet verplicht zijn gesteld of de Europese verordening waarin de eisen zijn opgenomen een periode bepaalt waarin subsidiëring is toegestaan, of

b. de visserij met het nieuwe vistuig aantoonbaar minder effect heeft op niet-commerciële aquatische soorten dan visserij met het vervangen vistuig.

3. De Minister kan per vissersvaartuig in de periode 2007 – 2013 eenmaal subsidie als bedoeld in artikel 4:34 verlenen voor het vervangen van de hoofdmotor, indien:

a. het vaartuig een lengte van ten hoogste 24 meter heeft;

b. het vaartuig bij de visserij gebruik maakt van gesleept vistuig, en

c. de nieuwe motor ten minste 20% minder vermogen heeft dan het vermogen vermeld op de visvergunning.

 

Artikel 4:36. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 4:37. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen twaalf maanden na de datum van subsidieverlening zijn uitgevoerd.

2. De Minister kan een andere termijn dan de termijn, bedoeld in het eerste lid, vaststellen.

3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten Nederland.

 

Artikel 4:38. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de aanschaf van nieuwe apparatuur of nieuwe voorzieningen waarvan de aanvrager de eerste gebruiker is;

b. kosten voor de installatie van nieuwe apparatuur of voorzieningen;

c. kosten voor de aanpassing van het vissersvaartuig ten behoeve van de installatie van nieuwe apparatuur of het toepassen van nieuwe voorzieningen;

d. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze betrekking hebben op de uitvoering van het project.

 

Artikel 4:39. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.

2.In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor activiteiten als bedoel in artikel 4:35, derde lid, ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten.

3.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.

 

§ 1a. Investeringen in weegapparatuur aan boord van vissersvaartuigen

 

Artikel 4:39a. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie verstrekken voor de aanschaf en installatie aan boord van een vissersvaartuig met een lengte over alles van tenminste 12 meter van deiningsgecompenseerde elektronische weegapparatuur ten behoeve van de weging, bedoeld in artikel 60, derde lid, van verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PBEU L 343).

2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt slechts subsidie verstrekt indien:

a. de elektronische weegapparatuur gekoppeld wordt aan een systeem van elektronische registratie- en meldapparatuur, bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PBEU L 343);

b. de elektronische weegapparatuur voldoet aan de voorschriften van richtlijn nr. 2009/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende niet-automatische weegwerktuigen (PBEU L 122) voor een weegwerktuig van ten hoogste klasse IIII, en

c. de aanschaf en installatie van de elektronische weegapparatuur aan boord van een vissersvaartuig plaatsvinden na 1 juni 2011 doch uiterlijk 1 april 2012.

3. Artikel 4:34, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 4:39b. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 4:39c. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van nota’s en betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van de elektronische weegapparatuur en de koppeling daarvan aan het systeem van elektronische registratie- en meldapparatuur waarop de gemaakte kosten zijn gespecificeerd.

 

Artikel 4:39d. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert de activiteiten, bedoeld in artikel 4:39a, eerste lid, uit vóór 1 januari 2012.

 

Artikel 4:39e. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de aanschaf van de apparatuur, bedoeld in artikel 4:39a, eerste lid, en

b. kosten voor de installatie van die apparatuur.

2. Niet in aanmerking voor subsidie komen:

a. verschuldigde BTW, en

b. eigen arbeid.

 

Artikel 4:39f. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste €4.000,–.

 

§ 1b. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur en in satellietvolgapparatuur aan boord van vissersvaartuigen

 

Artikel 4:39g. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie verstrekken voor de aanschaf en installatie aan boord van een vissersvaartuig met een lengte over alles van 12 tot 15 meter van:

a. elektronische registratie- en meldapparatuur bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PBEU L 343);

b. satellietvolgapparatuur bedoeld in artikel 9 van de in onderdaal a genoemde verordening, of

c. een gëintegreerde combinatie van de onder a en b bedoelde apparatuur.

2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt slechts subsidie verstrekt indien de aanschaf en installatie van de in het eerste lid bedoelde apparatuur aan boord van een vissersvaartuig plaatsvinden na 1 juni 2011 doch uiterlijk 31 december 2011.

 

Artikel 4:39h. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 4:39i. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling

1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van nota’s en betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van apparatuur, bedoeld in artikel 4:39g, eerste lid, waarop de gemaakte kosten zijn gespecificeerd.

2. In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend bij de Directeur Agroketens en Visserij met gebruikmaking van een daartoe door de Directie Agroketens en Visserij verstrekt formulier.

3. De subsidie voor satellietvolgapparatuur wordt vastgesteld onder voorbehoud van de totstandkoming van een besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen inzake een financiële bijdrage van de Unie aan de door de lidstaten gedane uitgaven voor bepaalde projecten op het gebied van de controle, inspectie en bewaking van visserijactiviteiten waarin daarvoor aan Nederland een bijdrage wordt toegekend.

 

Artikel 4:39j. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert de activiteiten, bedoeld in artikel 4:39g, eerste lid, uit vóór 1 januari 2012.

 

Artikel 4:39k. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de aanschaf van de apparatuur, bedoeld in artikel 4:39g, eerste lid, en

b. kosten voor de installatie van die apparatuur.

2. Niet in aanmerking voor subsidie komen:

a. verschuldigde BTW, en

b. eigen arbeid.

 

Artikel 4:39l. Hoogte subsidies

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste:

a. €3.000,– voor elektronische registratie- en meldapparatuur;

b. €1.500,– voor satellietvolgapparatuur, en

c. € 4.500,– voor een geïntegreerde combinatie van de onder a en b bedoelde apparatuur.

 

§ 2. Investeringen in aquacultuur

 

Artikel 4:40. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan aan een visserijonderneming of samenwerkingsverband van deze ondernemingen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project betreffende de bouw, de uitbreiding, de uitrusting en de modernisering van productie-installaties voor aquacultuur, voorzover het project is gericht op:

a. invoering van aquacultuurmethoden die de negatieve gevolgen voor het milieu aanzienlijk terugdringen of de positieve gevolgen voor het milieu ten opzichte van de gangbare praktijk in de aquacultuursector vergroten;

b. op nieuwe vissoorten gerichte diversificatie van het productieproces of productie van vissoorten met goede afzetvooruitzichten.

2.Subsidie wordt enkel verleend aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen en aan ondernemingen die minder dan 750 werknemers hebben of een omzet van minder dan 200 miljoen euro hebben.

3.Geen subsidie wordt verstrekt voor een project dat:

a. er op gericht is om te voldoen aan verplichte EG-normen inzake het milieu, de gezondheid van mens en dier, de hygiëne of het dierenwelzijn;

b. bijdraagt aan een vergroting van de productie van forel, paling, meerval, zeebaars en zeebrasem;

c. betrekking heeft op siervissen;

d. betrekking heeft op aquacultuur van dieren die niet mogen worden gehouden op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren of in strijd is met overige wet- of regelgeving;

e. in vergelijking met de gangbare praktijk in de aquacultuursector leidt tot een zwaardere belasting van het milieu;

f. ziet op een experimentele toepassing van een nieuwe aquacultuurmethode, techniek of proces, zonder commerciële toepassing op praktijkschaal.

4.Geen subsidie wordt verstrekt aan projecten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000,–.

 

Artikel 4:41. Rangschikking aanvragen

1. De Minister rangschikt aanvragen overeenkomstig artikel 1:4, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt indien het wordt uitgevoerd door een kleine of micro-onderneming en naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft:

a. meer economisch of technisch perspectief heeft in de toepassing op praktijkschaal;

b. meer wordt uitgevoerd in ketenverband;

c. eveneens toepasbaar is bij andere aquacultuurbedrijven;

d. leidt tot een verhoging in productkwaliteit en kwantiteit;

e. bijdraagt aan verbetering van het dierenwelzijn.

2. Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als bedoeld inartikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de rangschikking van aanvragen.

3. De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.

 

Artikel 4:42. Indiening aanvraag subsidieverlening

1.In het projectplan, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, is de geografische locatie van het project opgenomen.

2.De aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:40, eerste lid, onderdeel b, gaat vergezeld van een marktanalyse waaruit naar het oordeel van de Minister blijkt dat er op de middellange termijn voor de geproduceerde soort op de markt waarschijnlijk meer vraag dan aanbod zal zijn.

3.Indien de subsidie wordt aangevraagd door een rechtspersoon dan wel een samenwerkingsverband waaraan één of meer rechtspersonen deelnemen, gaat de aanvraag tevens vergezeld van de statuten van de betrokken rechtspersoon of rechtspersonen

 

Artikel 4:43. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van drie jaar na de datum van subsidieverlening.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar vaststellen.

3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten Nederland.

 

Artikel 4:44. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring van een accountant.

 

Artikel 4:45. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten van apparatuur of voorzieningen;

b. kosten van aankoop, bouw of modernisering van gebouwen voor zover deze kosten niet meer dan 50% van de totale subsidiabele kosten bedragen;

c. kosten van modernisering van vaartuigen die worden ingezet voor de aquacultuur en die niet zijn uitgerust voor de commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen;

d. kosten van een controleverklaring van een accountant, voor zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2500,–;

e. kosten voor architecten, ingenieurs en overige deskundigen, die uit hoofde van hun beroep adviezen verstrekken, voor zover deze kosten niet meer dan 12% van de totale subsidiabele kosten bedragen;

f. loonkosten en kosten voor eigen arbeid voor zover ze betrekking hebben op de uitvoering van het project.

2. Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:

a. de overdracht van de eigendom van een onderneming;

b. de aankoop van broed en onvolwassen dieren ten behoeve van de kweek.

 

Artikel 4:46. Hoogte subsidie

1. Voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen bedraagt de subsidie ten hoogste 30% van de subsidiabele kosten.

2. Voor andere ondernemingen dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt de subsidie ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten.

3. De subsidie bedraagt ten hoogste € 800.000,–.

 

§ 3. Investeringen in verwerking en afzet

 

Artikel 4:47. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan aan een visserijonderneming of samenwerkingsverband van deze ondernemingen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project betreffende nieuwe voorzieningen aan de wal ten behoeve van de verwerking en afzet van visserijproducten met het doel het productieproces duurzamer te maken en de kwaliteit van visserijproducten te verbeteren.

2.De nieuwe voorzieningen aan de wal, bedoeld in het eerste lid, zijn met name gericht op:

a. productie van kwalitatief hoogwaardige producten voor nichemarkten;

b. een beter gebruik van weinig benutte soorten, bijproducten en afval;

c. productie of afzet van nieuwe producten, toepassing van nieuwe technologieën of ontwikkeling van innovatieve productiemethoden.

3.Subsidie wordt enkel verleend aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen en aan ondernemingen die minder dan 750 werknemers hebben of een omzet van minder dan 200 miljoen euro hebben en die investeringen doen ten behoeve van een project als bedoeld in het eerste lid.

4.Geen subsidie wordt verstrekt voor investeringen:

a. die betrekking hebben op visserijproducten die bestemd zijn om te worden gebruikt en te worden verwerkt voor andere doeleinden dan menselijke consumptie, behalve indien het gaat om investeringen die uitsluitend zijn bestemd voor de behandeling, de verwerking en de afzet van afval van visserijproducten;

b. die er op gericht zijn om te voldoen aan verplichte EG-normen inzake het milieu, de gezondheid van mens en dier, de hygiëne of het dierenwelzijn;

c. ten behoeve van de kleinhandel.

 

Artikel 4:48. Rangschikking naar geschiktheid

1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het project waarop de subsidie betrekking heeft, naar het oordeel van de Minister:

a. meer bijdraagt aan de duurzaamheid van het productieproces in de keten;

b. meer bijdraagt aan de kwaliteit van het product;

c. is gericht op bevordering van duurzame werkgelegenheid in de visserijsector;

d. wordt uitgevoerd door kleine en micro-ondernemingen;

e. wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van visserijondernemingen;

f. een innovatief karakter heeft;

g. meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal;

h. een groter uitstralingseffect heeft voor toepassing door andere ondernemingen.

2. Het Visserij Innovatie Platform is een beoordelingscommissie als bedoeld in artikel 1:4, derde lid, en adviseert de Minister over de rangschikking van aanvragen.

3. De Minister kan in afwijking van het tweede lid voor specifieke categorieën aanvragen een andere beoordelingscommissie instellen.

 

Artikel 4:49. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van ten hoogste drie jaar.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de uitvoering van het project een andere termijn dan drie jaar vaststellen.

3. De Minister kan, in afwijking van artikel 1:2, aanhef en eerste lid, toestemming geven voor de uitvoering van het project buiten Nederland.

 

Artikel 4:50. Subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting van onroerende goederen, voor zover deze kosten niet meer dan 50% van de totale subsidiabele kosten bedragen;

b. kosten voor de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en apparatuur, inclusief computersoftware tot aan de marktwaarde van het goed;

c. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe machines of apparatuur;

d. kosten voor de ontwikkeling en operationalisering van processen, procédés, technologieën, product-marktcombinaties en andere innovaties;

e. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor adviseurs, zoals architecten en ingenieurs, tot een hoogte van 25% van de totale subsidiabele kosten;

f. overige algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor een controleverklaring van een accountant tot een hoogte van € 2500, haalbaarheidsstudies, verwerven van patenten en vergunningen.

2. Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten:

a. met betrekking tot een leasecontract, zoals de marge van de leaseorganisatie, herfinancieringskosten, overheadkosten en verzekeringspremies;

b. voor de overname van de eigendom van een onderneming;

c. voor de aankoop van grond.

 

Artikel 4:51. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring van een accountant.

 

Artikel 4:52. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.

2.Voor andere ondernemingen dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt de subsidie ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten.

3.De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,–.

 

§ 4. Garantstelling

 

Artikel 4:53. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken in de vorm van een garantstelling voor de terugbetaling van leningen die naar het oordeel van de Minister gericht zijn op investeringen als bedoeld in de artikelen 25 en 35 van verordening nr. 1198/2006, met inachtneming van de bepalingen van deze paragraaf, de bepalingen van verordening nr. 1198/2006 en de relevante Europese richtsnoeren.

2. De garantstelling kan worden verstrekt aan een ondernemer die eigenaar of reder is van een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL 1 of MFL 2, een tonnage heeft van minder dan 1.200 BT en waarvoor een garnalenvergunning is verleend of een contingent is toegekend.

3. Geen garantstelling wordt verstrekt:

a. aan ondernemingen, bedoeld in punt 2.1 van de Mededeling van de Commissie aangaande Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (OJ C 244, 1.10.2004, p. 2);

b. voor de terugbetaling van leningen die gericht zijn op de herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door een bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap te dekken, behoudens ingeval van overmacht;

c. voor de terugbetaling van leningen indien ten aanzien van de investeringen door de aanvrager reeds verplichtingen zijn aangegaan voordat de ontvangst van de aanvraag door de Minister schriftelijk is bevestigd;

d. voor de terugbetaling van leningen indien ten aanzien van de investeringen door een bank reeds een lening is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd voordat de ontvangst van de aanvraag door de Minister schriftelijk is bevestigd;

e. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een visserijonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode, overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan worden opgezegd;

f. indien reeds een krediet is verstrekt voor dezelfde investering op basis van andere garantstellingen door de overheid;

g. indien aan de aanvrager in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag reeds een garantstelling op grond van deze regeling is verstrekt;

h. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager minder dan 5 % bedraagt van het balanstotaal.

4. Artikel 1:2, tweede lid, is niet van toepassing.

 

Artikel 4:54. Nadere voorschriften

1. Een garantstelling wordt verstrekt voor een lening met een minimumbedrag van € 50.000 en een maximumbedrag van€ 450.000.

2. De lening waarvoor garantstelling wordt verstrekt bedraagt ten hoogste twee derde van de voor de investeringen benodigde financieringen, minus de eigen beschikbare middelen, rekening houdende met de financieringsmogelijkheden op basis van de beschikbare zekerheden en de wijze waarop de beschikbare eigen middelen optimaal kunnen worden aangewend.

3. De looptijd van de lening waarvoor garantstelling wordt verstrekt kan ten hoogste 10 jaar bedragen en de lening wordt lineair afgelost.

4. De uiterste datum waarop de lening volledig moet zijn opgenomen, mag niet later liggen dan een jaar na de datum van de beschikking tot verstrekking van garantstelling.

5. De garantstelling kan slechts worden verstrekt ten behoeve van een lening verstrekt door een bank waarmee de Minister een raamovereenkomst heeft gesloten, waarin de rechten en plichten van de Minister en de bank zijn vastgelegd.

6. Artikel 4:1, derde lid, is niet van toepassing op een beschikking tot verstrekking van garantstelling op grond van artikel 4:53.

7. Ingeval de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt ten hoogste viervijfde van de restantschuld van de lening waarop de garantstelling betrekking heeft uitbetaald.

 

Artikel 4:55. Voorwaarden subsidie-ontvangers

1. De garantstelling kan worden verstrekt ten behoeve van leningen aangegaan door natuurlijke personen indien:

a. deze een visserijonderneming in stand houden;

b. de bruto-jaaromzet van de in onderdeel a bedoelde onderneming voor meer dan de helft uit visserij is verkregen;

c. de in onderdeel a bedoelde onderneming naar het oordeel van de Minister een positieve liquiditeitstoename oplevert;

d. deze wegens het ontbreken van de daartoe benodigde zekerheden volgens normaal bankgebruik onvoldoende financiering voor de visserijonderneming kunnen verkrijgen;

e. deze voor zover rechtens is toegestaan, op alle toebehorende goederen goederenrechtelijke zekerheid verlenen voor alle door de bank te verstrekken financieringen, waaronder de lening waarop de aanvraag betrekking heeft;

f. deze beschikt over een visvergunning.

2. Indien meer dan een natuurlijke persoon voor gezamenlijke rekening een visserijonderneming in stand houdt, voldoet elk van hen aan het eerste lid, onderdelen d en e.

3. De garantstelling kan worden verstrekt ten behoeve van leningen aangegaan door rechtspersonen indien:

a. zij blijkens de statuten de exploitatie van een of meer visserijondernemingen ten doel hebben

b. de bruto-jaaromzet van de onderneming waarvoor een aanvraag wordt ingediend voor meer dan de helft uit visserij is verkregen;

c. de in onderdeel b bedoelde onderneming naar het oordeel van de Minister een voldoende liquiditeitstoename oplevert;

d. zij voldoen aan het eerste lid, d, e, en f.

4. Bij de bepaling of wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, wordt uitgegaan van een, zo nodig door de Minister gewijzigde, begroting die op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder meer moet blijken dat:

a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten de visserij waaruit deze kunnen worden bestreden, gezinsbestedingen kunnen worden betaald;

b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden gerealiseerd;

c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen voldoen.

 

Artikel 4:56. Verplichtingen subsidieontvanger

1.Indien de aanvraag wordt ingediend door een rechtspersoon verbinden de bestuurders zich hoofdelijk tot de volledige terugbetaling van de lening waarop de aanvraag betrekking heeft, alsmede verbinden zij ter zake hun hele vermogen tot zekerheid.

2.De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

 

Artikel 4:57. Budget en rangschikking

1.Jaarlijks kan de Minister overeenkomstig artikel 1:3 een aanvraagperiode en een maximumbedrag vaststellen voor het totaal van de leningen waarvoor in het betrokken jaar garantstellingen kunnen worden verstrekt.

2.Een garantstelling wordt niet verstrekt indien door verstrekking daarvan het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt overschreden.

3.Aanvragen voor garantstellingen worden overeenkomstig artikel 1:6 gerangschikt, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag volledig is, als datum van ontvangst geldt.

4.De Minister kan besluiten dat indien het krachtens het eerste lid vastgestelde maximumbedrag is bereikt, de mogelijkheid tot het indienen van aanvragen tot verstrekking van garantstellingen uit hoofde van deze regeling voor de rest van het betrokken begrotingsjaar wordt geschorst.

5.De Minister maakt een besluit als bedoeld in het vierde lid bekend in de Staatscourant

 

Artikel 4:58. Vereisten aanvraag garantstelling

1. De aanvraag gaat vergezeld van een rapportage omvattende:

a. een investerings- en financieringsplan, met een gedegen onderbouwing van de verenigbaarheid van de investeringen met de artikelen 25 en 35 van verordening nr. 1198/2006;

b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor uitvoering van het investeringsplan;

c. een specificatie van de zekerheden, vergezeld van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, alsmede een specificatie van de totale financiering inclusief de daaraan verbonden voorwaarden na uitvoering van het investeringsplan;

d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;

e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat aanvrager voldoet aan het gestelde in artikel 4:55, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c;

f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;

g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens;

h. de statuten, indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de Minister besluiten dat de aanvrager zijn aanvraag aanvult met een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, dat niet ouder is dan zes maanden op de dag van indiening van de aanvraag, en is opgesteld door een ter zake kundig en onafhankelijk taxateur.

3. De aanvrager is voorts verplicht alle bescheiden en informatie te verstrekken die door de Minister noodzakelijk worden geacht.

4. De artikelen 1:8 en 1:9 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 4:59. Beschikking tot verlening van de garantstelling

1.De Minister beslist binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag

2.De beschikking tot verlening van de garantstelling bevat de volgende gegevens:

a. de hoogte van de lening die onder garantstelling kan worden verstrekt;

b. de uiterste datum waarop de lening onder garantstelling kan worden verstrekt;

c. het schema volgens welke de lening dient te worden afgelost;

d. het investerings- en financieringsplan op grond waarvan de garantstelling wordt verleend;

e. de natuurlijke personen of rechtspersonen die zich hoofdelijk aansprakelijk dienen te stellen voor de terugbetaling van de lening onder garantstelling.

 

Artikel 4:60. Overgangsbepaling

1. Na inwerkingtreding van deze regeling berust het Besluit maximumbedrag garantstelling visserij 2007 op artikel 4:57 van deze regeling en geldt het als een besluit op grond van artikel 1:3 van deze regeling.

2. De Regeling garantstelling visserij blijft van kracht voor zover dat nodig is voor een juiste toepassing van de raamovereenkomst, bedoeld in artikel 4:54, die is gesloten tussen de banken en de Minister.

 

§ 5. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur

 

Artikel 4:61. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan aan de eigenaar van een vissersvaartuig subsidie verstrekken voor de aanschaf en installatie van elektronische registratie- en meldapparatuur aan boord van:

a. een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 24 meter, of

b. een vissersvaartuig met een lengte over alles van 15 tot en met 24 meter.

2. Aan een eigenaar van een vissersvaartuig wordt slechts subsidie verstrekt indien:

a. de elektronische registratie- en meldapparatuur voldoet aan de vereisten, bedoeld in verordening nr. 1077/2008;

b. de kosten voor de aanschaf en installatie van elektronische registratie- en meldapparatuur aan boord van een vissersvaartuig zijn gemaakt na 1 januari 2009, en

c. de elektronische registratie- en meldapparatuur geïnstalleerd wordt op een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b, van verordening nr. 1077/2008.

 

Artikel 4:62. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

 

Artikel 4:63. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling

1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van nota’s en betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van de elektronische registratie- en meldapparatuur waarop de gemaakte kosten zijn gespecificeerd.

2. In afwijking van artikel 1:8, eerste lid, wordt een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend bij de Directeur Agroketens en Visserij met gebruikmaking van een daartoe door de Directie Agroketens en Visserij verstrekt formulier.

3. De subsidie wordt vastgesteld onder voorbehoud van geen bezwaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen de melding, bedoeld in artikel 9 van verordening (EG) 2007/391 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 april 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, wat beteft de uitgaven die de lidstaten doen bij de tenuitvoerlegging van de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid geldende toezicht- en controleregelingen.

 

Artikel 4:64. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft de activiteiten, bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, uitgevoerd respectievelijk voert die activiteiten, uit:

a. voor 1 januari 2010 indien de subsidie verstrekt wordt voor de aanschaf en installatie van elektronische registratie- en meldapparatuur aan boord van een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel a;

b. voor 1 juli 2010 indien de subsidie verstrekt wordt voor de aanschaf en installatie van elektronische registratie- en meldapparatuur aan boord van een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel b.

 

Artikel 4:65. Subsidiabele en niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de aanschaf van apparatuur als bedoeld in artikel 4:61;

b. kosten voor de installatie van apparatuur als bedoeld in artikel 4:61; en

c. kosten voor de aanpassing van het vissersvaartuig ten behoeve van de installatie van apparatuur als bedoeld in artikel 4:61.

2. Verschuldigde BTW komt niet in aanmerking voor subsidie.

 

Artikel 4:66. Hoogte subsidie

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste€ 4500,–.

 

Titel 5. Maatregelen voor de kust- en binnenvisserij

 

§ 1. Tegemoetkoming tijdelijk aalvisverbod 2011

 

Artikel 4:67. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. kustwateren: wateren als bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970;

b. binnenwateren: overige wateren als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, van de Visserijwet 1963;

c. referentieperiode: maanden september, oktober en november van de jaren 2006, 2007 en 2008.

 

Artikel 4:68. Subsidiabele activiteiten

1. De Minister kan op aanvraag een tegemoetkoming verstrekken aan beroepsvissers die vissen in de kust- en binnenwateren en die als gevolg van het visverbod op aal, bedoeld in artikel 32a van de Uitvoeringsregeling visserij, in de maanden september, oktober en november 2011 schade lijden en aan beroepsvissers die deelnemen aan een pilot in het kader van decentraal aalbeheer, waarvoor op grond van artikel 11 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 ontheffing is verleend.

2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan door de Friese Bond van Binnenvissers worden ingediend voor de beroepsvissers die zich onder haar leden bevinden.

 

Artikel 4:69. Subsidiabele kosten

1. Een tegemoetkoming wordt alleen verstrekt voor schade die betrekking heeft op de vissoort aal.

2. De Minister verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan beroepsvissers die in de referentieperiode jaarlijks gemiddeld minstens € 3.000 hebben verdiend aan de verkoop van door de betreffende aanvrager gevangen aal.

 

Artikel 4:70. Hoogte tegemoetkoming

1. De tegemoetkoming wordt berekend naar rato van de gemiddelde inkomsten per jaar uit de verkoop van door de aanvrager gevangen aal in de referentieperiode.

2. De tegemoetkoming bedraagt maximaal 100% van de totale inkomsten in de referentieperiode.

 

Artikel 4:71. Verplichte documenten bij een aanvraag van een tegemoetkoming

1. Een aanvraag tot verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:68 gaat vergezeld van een overzicht van de opbrengsten uit de verkoop van door de betreffende aanvrager gevangen aal in de referentieperiode met de daarbij behorende:

a. kopieën van verkoopbonnen;

b. kopieën van kasboekoverzichten;

c. kopieën van veilingbonnen van visafslagen als genoemd in artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegde afslagen voor inning productschapsheffingen, of

d. een combinatie van a, b en c.

2. Indien de aanvrager een aanvraag heeft ingediend op grond van de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 januari 2010, nr 79904, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies en het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010, en deze geleid heeft tot verstrekking van de in die regeling bedoelde tegemoetkomingen, wordt, voor zover het de maanden september, oktober en november uit de jaren van de referentieperiode betreft, uitgegaan van de opbrengsten uit de verkoop van door de betreffende aanvrager gevangen aal zoals deze in het kader van die regeling in aanmerking zijn genomen voor de verstrekking van de daar bedoelde tegemoetkomingen en behoeft de aanvrager in afwijking van het eerste lid de gegevens over de maanden september, oktober en november niet te verstrekken.

 

Artikel 4:72. Afwijzen aanvraag

1. Een aanvraag tot een verstrekking van een tegemoetkoming van een beroepsvisser die zich niet voor het einde van de openstellingperiode waarin hij zijn aanvraag heeft gedaan, heeft geregistreerd bij het Productschap Vis overeenkomstig de op grond van artikel 93, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de bedrijfsorganisaties geldende registratieplicht, wordt afgewezen.

2. Een aanvraag tot verstrekking van een tegemoetkoming van een beroepsvisser met visrechten op de binnenwateren, uitgezonderd het IJsselmeer, die zich niet voor het einde van de openstellingsperiode waarin de aanvraag is gedaan overeenkomstig artikel 55 of 56 van de Uitvoeringsregeling visserij heeft gemeld bij de Minister, of die vist in dienst van een rechtspersoon en deze rechtspersoon zich niet overeenkomstig artikel 55 of 56 van de Uitvoeringsregeling visserij heeft gemeld bij de Minister, wordt afgewezen.

 

Artikel 4:73

Een beschikking omtrent verstrekking van de tegemoetkoming wordt gegeven binnen drie maanden na afloop van de openstellingsperiode in enig jaar waarin de aanvraag kon worden gedaan.

 

Artikel 4:74. Betaling collectieve aanvraag door Friese Bond van Binnenvissers

Een tegemoetkoming, die wordt verstrekt naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:68, tweede lid, wordt betaald aan de Friese Bond van Binnenvissers.

 

Artikel 4:75 [Vervallen per 22-07-2010]

 

Artikel 4:76 [Vervallen per 22-07-2010]

 

Hoofdstuk 4a. Onderwijs

 

Titel 1. Algemene bepalingen

[gereserveerd]

Titel 2. Groene-plus lectoraten

 

Artikel 4a:2. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

− HBO: Hoger beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van de Wet op Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek;

– agrarische HBO-instelling: instelling voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.2., onderdeel a, van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

– lector: hoog gekwalificeerde professional die ruime ervaring heeft met onderwijs en onderzoek op een bepaald vakgebied en die door zijn prestaties een groot gezag geniet als deskundige;

– lectoraat: samenwerkingsverband dat onder leiding staat van een lector;

– groene-plus lectoraat: lectoraat dat zich op basis van deze regeling bezighoudt met thema’s op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

– kenniskring: samenwerkingsverband van een lectoraat, docenten en anderen waarbinnen inhoudelijke expertise op een bepaald gebied gebundeld en verder ontwikkeld wordt.

 

Artikel 4a:3. Subsidiabele activiteiten

1. Ter versterking van de lectoraten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, kan de Minister subsidie aan het bevoegd gezag van een agrarische HBO-instelling verstrekken voor activiteiten die leiden tot het vergroten van kennisinnovatie en de daarmee samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs en de externe oriëntatie naar bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op:

a. het uitvoeren van vraaggestuurd praktijkgericht onderzoek;

b. de doorvertaling van de kennisontwikkeling in het onderwijs;

c. het professionaliseren van docenten en kenniskringleden;

d. een landelijke doorwerking, het versterken van de kenniscirculatie tussen onderwijs, onderzoek en praktijk via kenniskringen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

e. het op waarde schatten van elders ontwikkelde nieuwe kennis en het benutten en overdragen van deze kennis aan docenten, studenten en andere kenniskringleden.

 

Artikel 4a:4. Rangschikking naar geschiktheid

De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. qua thema waarop het groene-plus lectoraat betrekking heeft, beter aansluiten bij de strategische beleidsprioriteiten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van de beleidsagenda in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in het domein Landbouw en Natuurlijke omgeving;

b. qua werkveld meer vernieuwend zijn ten opzichte van de werkvelden van bestaande lectoraten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

c. een grotere bijdrage leveren aan de doelstelling en subsidiabele activiteiten, bedoeld inartikel 4a:3;

d. meer kwaliteitswinst in de groene kennisinfrastructuur opleveren en een betere borging van een landelijke doorwerking van verworven kennis;

e. een goede benutting van eerder gedane investeringen in de groene kennisinfrastructuur bewerkstelligen;

f. beter uitvoerbaar zijn;

g. een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties in de regio van de subsidieaanvrager bewerkstelligen;

h. meer vertrouwen geven dat na afloop van de subsidieperiode een structurele verankering van de resultaten plaatsvindt binnen de instelling.

 

Artikel 4a:5 [Vervallen per 01-07-2010]

 

Artikel 4a:6. Indiening van een aanvraag subsidieverlening

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een beschrijving van de doelen en van de activiteiten die ondernomen worden, welke bijdrage aan innovatie en duurzaamheid gerealiseerd wordt, welke partijen, doelgroepen en bestaande kennisnetwerken betrokken worden en welke instrumenten ingezet worden om het doel te bereiken.

 

Artikel 4a:7. Verplichtingen subsidieontvanger

1. De subsidieontvanger draagt zorg voor een functionerend kwaliteitszorg-mechanisme dat zorgt voor een samenhang tussen de doelstelling en activiteiten van de groene-plus lectoraten.

2. De subsidieontvanger vangt met de activiteiten aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening.

3. De subsidieontvanger moet in elk geval meer dan 40% van de kosten, bedoeld in artikel 4a:9, onderdeel a, gebruiken voor docenten van de aanvragende instelling.

4. De subsidieontvanger en de deelnemers aan de groene-plus lectoraten werken mee aan door of namens de Minister ingestelde activiteiten die gericht zijn op het monitoren en verspreiden van kennis.

5. De subsidieontvanger brengt uiterlijk op 1 oktober van elk jaar een tussenrapportage uit van de voortgang van het groene-plus electoraat voor wat betreft de doelstelling en de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4a:3.

6. De tussenrapportages bedoeld in het vijfde lid worden ingediend bij de Directeur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie volgens een daartoe vastgesteld format en bevatten een beschrijving van

a. de activiteiten die tot dan toe zijn verricht;

b. de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de in de aanvraag omschreven doelstelling;

c. de stand van zaken en planning ter zake van de financiën.

7. In de administratie, bedoeld in artikel 1:12, tweede lid, zijn de loonkosten en de kosten voor door het personeel van de subsidieontvanger verrichte arbeid door middel van een sluitende urenregistratie vastgelegd.

8. De subsidieontvanger legt jaarlijks in het jaarverslag verantwoording af over de inzet van de op basis van deze titel verstrekte subsidie.

 

Artikel 4a:8. Indiening aanvraag subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

a. een rapport over de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en het eindresultaat daarvan;

b. een financiële verantwoording van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

 

Artikel 4a:9. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

a. de loonkosten van het bij de uitvoering van de in artikel 4a:3 bedoelde activiteiten betrokken personeel van de subsidieontvanger, waarbij de loonkosten van docenten uitsluitend in aanmerking komen tot ten hoogste het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën, behorende bij salarisschaal 11, en de loonkosten van de lectoren uitsluitend in aanmerking komen tot ten hoogste het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën, behorende bij ten hoogste salarisschaal 16;

b. de kosten, die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk door de subsidieontvanger zijn betaald voor het inhuren van ondersteuningsinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstellingen vanwege hun expertise of specifieke voorzieningen tot ten hoogste 10% van de subsidiabele kosten, bedoeld in onderdeel a;

c. materiële kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk door de subsidieontvanger zijn betaald voor de uitvoering van de activiteiten tot ten hoogste 15% van de subsidiabele kosten, bedoeld in onderdeel a.

 

Artikel 4a:10. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.

 

Hoofdstuk 5. Overige subsidies

 

Titel 1. Algemene bepalingen

[gereserveerd]

Titel 2. Diversificatie in de suikersector

 

Artikel 5:2. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

– diversificatie: geheel van maatregelen die gericht zijn op de duurzame ontwikkeling van de suikerbietenteelt, versterking van de suikersector of het ontwikkelen van alternatieven voor de suikerbietenteelt en suikerproductie;

– suikersector: gehele complex van ondernemingen, gericht op de productie van suiker, suikerproducten verwerkende ondernemingen en aan de suiker gerelateerde afzet, handel, dienstverlening, logistiek en toeleverende industrie.

 

Artikel 5:3. Subsidiabele activiteiten

1.De Minister kan subsidie verstrekken aan telers van suikerbieten en samenwerkingsverbanden uit regio’s die betrokken zijn bij de herstructurering van de suikersector op grond van Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 58).

2.Voor subsidie komen de volgende activiteiten in aanmerking:

a. het doen van investeringen door suikerbietentelers gericht op diversificatie;

b. het vormen van samenwerkingsverbanden gericht op innovatieve vormen van productie, verwerking en afzet voor suikerbieten;

c. het ontwikkelen van initiatieven gericht op vakmanschap en management.

3.De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, leiden tot:

a. een hoger niveau van diergezondheid in Nederland en daardoor tot een beter technisch en economisch perspectief van en continuïteit binnen landbouwondernemingen;

b. verlaging van de productiekosten;

c. de verbetering en omschakeling van de productie;

d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid of duurzaam gebruik van energiebronnen;

e. herstructurering en ontwikkeling;

f. verhoging van de kwaliteit en toegevoegde waarde van producten;

g. verbetering van de arbeidsomstandigheden in de onderneming;

h. behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen;

i. verhoging van de doelmatigheid bij inzet en gebruik van middelen, machines en menskracht, of

j. het tot waarde brengen van bij-, rest- en afvalproducten.

4.De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, hebben betrekking op:

a. de verwerking of de afzet van suikerbieten, of

b. de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën voor suikerbieten.

5.De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zien op een bedrijfsconsult of het volgen van opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten en hebben betrekking op:

a. de verbetering van de bedrijfsvoering en de verduurzaming daarvan;

b. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire of fytosanitaire regelgeving, aan hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan arbeidsomstandighedenregelgeving;

c. het verkrijgen of vergroten van kennis waarmee nieuwe of hoogwaardigere producten kunnen worden verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen worden verbeterd;

d. begeleiding bij het starten of beëindigen van de onderneming of een onderdeel daarvan.

6.Geen subsidie wordt verstrekt voor:

a. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000;

b. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 250;

c. aan ondernemingen als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).

 

Artikel 5:4. Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

1. De volgende kosten voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de bouw, inrichting of verbetering van onroerende zaken;

b. kosten voor verwerving van onroerende zaken, met uitzondering van grond, waarin zijn begrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster;

c. kosten voor de aanschaf van nieuwe machines en apparatuur, waarvan de aanvrager eerste gebruiker is;

d. kosten voor de aanschaf van plantmateriaal en de kosten van derden voor het planten van blijvende teelten, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van verordening 1120/2009.

2. De volgende kosten voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, komen in aanmerking voor de subsidie:

a. kosten voor de bouw, verwerving, verbetering of inrichting van onroerende goederen, met uitzondering van de verwerving van grond;

b. kosten voor de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en apparatuur, inclusief computersoftware tot aan de marktwaarde van het goed;

c. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe machines of apparatuur;

d. kosten voor de ontwikkeling en operationalisering van processen, procédés, technologieën, marketingconcepten, product-marktcombinaties en andere innovaties;

e. algemene kosten verbonden aan de kosten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, zoals kosten voor de architecten en ingenieurs, honoraria van adviseurs tot een hoogte van 15% van het totale subsidiebedrag, haalbaarheidsstudies, controleverklaring van een accountant, verwerven van patenten en vergunningen.

3. Voor de subsidie voor de uitvoering van activiteiten bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking kosten voor de verwerving van onroerende zaken, ten behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening.

4. Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, met betrekking tot een leasecontract, zoals de marge van de leaseorganisatie, herfinancieringskosten, overheadkosten en verzekeringspremies.

5. Indien subsidie wordt verstrekt voor een investering, wordt de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken indien de investering gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de datum van subsidievaststelling een belangrijke wijziging ondergaat die:

a. de aard van de investering of de bij of krachtens deze regeling opgelegde uitvoeringsvoorwaarden raakt;

b. een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert, of

c. het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de beëindiging of verplaatsing van productiecapaciteit.

 

Artikel 5:5. Rangschikking naar geschiktheid en in volgorde van ontvangst

1.De Minister rangschikt een aanvraag tot subsidieverlening voor activiteiten, als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate de maatregelen waarop de aanvraag betrekking heeft meer bijdragen aan een duurzame diversificatie in de suikersector.

2.Op aanvragen tot subsidieverlening voor activiteiten als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdelen a en c, is artikel 1:6 van toepassing.

 

Artikel 5:6. Indiening aanvraag subsidieverlening

1. Een aanvraag tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, gaat vergezeld van:

a. een plan, waarin de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd zijn opgenomen en waaruit blijkt hoe die activiteiten bijdragen aan de doelstelling, bedoeld in artikel 5:3, eerste lid;

b. een op naam van de aanvrager gestelde offerte van de bouwers of leveranciers van de investeringen waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

2. Een aanvraag tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, gaat vergezeld van:

a. een projectplan dat helder onderbouwt dat uitvoering van het plan en van de daarin opgenomen investeringen waarvoor subsidie wordt aangevraagd, bijdraagt aan het verbeteren van de algehele prestaties van de betrokken ondernemingen;

b. een analyse van vraag- en aanbod in de betreffende markt;

c. een uitvoerige beschrijving van de geplande activiteiten;

d. de bijdrage van die activiteiten aan het verhogen van de toegevoegde waarde;

e. melding van een beslismoment ten aanzien van de overgang van ontwikkel- naar uitvoeringsfase;

f. een investerings- en indien relevant een exploitatiebegroting met een dekkingsvoorstel.

 

Artikel 5:7. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdelen a en c, vóór 30 september 2010 uit, en de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, vóór 30 september 2011.

 

Artikel 5:8. Indiening aanvraag subsidievaststelling

1.In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen één maand na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is verleend.

2.De aanvraag tot subsidievaststelling voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, gaat vergezeld van:

a. facturen of andere schriftelijke bewijsstukken, waarop prijzen inclusief en exclusief BTW worden opgevoerd, waaruit blijkt dat de investering(en) volgens de offerte is of zijn gedaan en waarop in ieder geval de typering van het product en het onderscheid tussen kostenonderdelen is aangegeven, en

b. bankafschriften waaruit de betaling van de facturen blijkt.

3.De aanvraag tot subsidievaststelling voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, gaat vergezeld van:

a. facturen of andere schriftelijke bewijsstukken, waarop prijzen inclusief en exclusief BTW worden opgevoerd;

b. bankafschriften waaruit de betaling van de facturen blijkt, en

c. een bewijs van deelname aan de opleiding, training of voorlichtingsbijeenkomst of in het geval van een bedrijfsconsult een op schrift gesteld advies aan de begunstigde.

 

Artikel 5:9. Hoogte subsidie

1.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie voor de activiteiten bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, ten hoogste € 20.000 bedraagt.

2.Indien het gaat om subsidie verleend voor de activiteit, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, is het subsidiebedrag niet hoger dan 50% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 1.500 bedraagt.

 

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen

 

Artikel 6:1. Aanwijzing toezichthouders

Als personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kaderwet LNV-subsidies worden aangewezen de ambtenaren van:

a. de Dienst Regelingen;

b. de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

c. de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

d. de Auditdienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

 

Artikel 6:2. Intrekking bestaande regelingen

De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken:

a. Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS;

b. Besluit aanwijzing toezichthouders Kaderwet LNV-subsidies;

c. Investeringsregeling biologische varkenshouderij;

d. Investeringsregeling energiebesparing;

e. Investeringsregeling markt en concurrentiekracht;

f. Kaderregeling kennis en advies;

g. Kaderregeling subsidiëring natuurprojecten;

h. Regeling beëindiging veehouderijtakken;

i. Regeling delegatie Stichting Fonds MKZ-AI;

j. Regeling diverse subsidieplafonds en aanvraagperioden LNV;

k. Regeling draagvlak natuur;

l. Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuurterreinen;

m. Regeling handelwijze bij vervreemding;

n. Regeling herstel historische buitenplaatsen;

o. Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij;

p. Regeling kennisontwikkeling en regionale samenwerking culturele diversiteit;

q. Regeling stimulering biologische productiemethode;

r. Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002;

s. Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende parken;

t. Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies;

u. Regeling versterking recreatie;

v. Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw;

w. Subsidieregeling jonge agrariërs;

x. Subsidieregeling sanering verzamelcentra varkens;

y. Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen;

z. Stimuleringsregeling innovatie markt en concurrentiekracht;

aa. Stimuleringsregeling vernieuwing landelijk gebied;

ab. Vaststelling aanvraagperiode 2005 Subsidieregeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen;

ac. Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied.

ad. Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserij 2002;

ae. Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserij 2003;

af. Subsidieregeling capaciteitsvermindering IJsselmeervisserij en innovatie aquacultuur;

ag. Regeling garantstelling visserij;

ah. Subsidieregeling duurzame ontwikkeling cacao- en chocoladesector.

 

Artikel 6:3. Overgangsbepalingen

1.Het recht zoals dat gold voorafgaand aan de tijdstippen van intrekking van de regelingen, genoemd in artikel 6:2, blijft van toepassing:

a. op een aanvraag tot subsidieverlening die is ingediend voorafgaand aan dat tijdstip;

b. met betrekking tot een subsidie die is of wordt verleend op een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in onderdeel a, alsmede de uit die subsidieverlening voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen.

2.Bij intrekking van de door het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw vastgestelde Besluit Borgstellingsfonds en Besluit BF bijzondere borgstellingen:

a. blijft het recht zoals dat gold voorafgaand aan de tijdstippen van intrekking van die besluiten van toepassing:

1. op een aanvraag tot subsidieverlening die op grond van die besluiten is ingediend;

2. met betrekking tot een subsidie die is verleend op een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld onder 1°, alsmede de uit die subsidieverleningen voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen;

b. gaan de rechten, aanspraken en verplichtingen van het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw die zijn aangegaan op grond of ter uitvoering van die besluiten, over op de Minister.

3.Na ontbinding van de Stichting fonds MKZ-AI gaan de rechten, aanspraken of verplichtingen van het bestuur van de Stichting fonds MKZ-AI die zijn aangegaan op grond of ter uitvoering van de regelingen, bedoeld in het eerste lid, over op de Minister.

 

Artikel 6:4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2007.

 

Artikel 6:5. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling LNV-subsidies.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
.

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x