|
REGELING van de
minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 juni 2005, nr.
TRCJZ/2005/1614, houdende regels met betrekking tot de subsidiering van
het Actieplan BBI-Matra 2005-2008 en tot wijziging van de Regeling
diverse subsidieplafonds en aanvraagperioden LNV
De
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Handelende in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 2 en 4 van de Kaderwet
LNV-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van
deze regeling wordt verstaan onder:
| a. |
Dienst
Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
|
| b. |
Actieplan:
Actieplan BBI-Matra 2005–2008;
|
| c. |
kandidaat-lidstaten:
Europese staten die op grond van artikel
49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie
een verzoek hebben ingediend om lid te worden van de
Europese Unie, welk verzoek door de Raad van de Europese
Unie in behandeling is genomen;
|
| d. |
oosterbuurlanden:
Russische Federatie, Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië,
Georgië en Armenië;
|
| e. |
doellanden:
kandidaat-lidstaten, de oosterbuurlanden, Servië,
Montenegro, Kroatië en Marokko;
|
| f. |
project:
geheel van activiteiten gericht op concrete resultaten
ter verwezenlijking van de in deze regeling omschreven
subsidiedoelstellingen alsmede gericht op samenwerking,
communicatie en kennisoverdracht.
|
Artikel 2
Op de voet van deze
regeling kan de minister op aanvraag subsidie verstrekken in de
kosten van projecten die een bijdrage leveren aan de uitvoering
van het Actieplan.
Artikel 3
Voor subsidie komen in
aanmerking in Nederland gevestigde privaatrechtelijke
rechtspersonen en rechtspersonen naar Nederlands publiekrecht,
waarvan de doelstelling past binnen het doel van de
subsidieverstrekking en die naar het oordeel van de Minister
voldoende kunnen aantonen dat zij in één of meer van de
doellanden samenwerken met en ondersteuning bieden aan lokale
organisaties.
Artikel 4
Aanvragen voor
subsidie kunnen worden ingediend voor projecten met de volgende
thematische invalshoeken, bedoeld in het Actieplan:
| a. |
het bijdragen
aan de totstandkoming van een Pan-Europees ecologisch
netwerk;
|
| b. |
het versterken
van de ecologische relatie tussen Nederland en de
doellanden, in het bijzonder op het gebied van
trekvogels;
|
| c. |
het stimuleren
van ecologisch verantwoord ondernemen met inbegrip van
de integratie van biodiversiteit in economische sectoren
als landbouw, bosbouw, visserij, vervoer, recreatie en
toerisme;
|
| d. |
het bijdragen
aan maatschappelijke transformatie door het investeren
in netwerken van non-gouvermentele organisaties en
gouvermentele organisaties op het gebied van
biodiversiteit;
|
| e. |
het bijdragen
aan de Europese eenwording of het Europees Nabuurschap.
|
Artikel 5
| 1. |
Voor subsidie
komen uitsluitend in aanmerking projecten die:
| a. |
gericht
zijn op de doellanden of regio’s binnen de
doellanden;
|
| b. |
aantoonbaar
gesteund worden door de voor het project
relevante overheid in het land of de landen waar
het betreffende project wordt uitgevoerd;
|
| c. |
in
overeenstemming zijn met het algemene
buitenlands beleid, met het algemene
internationale natuur- en milieubeleid en met
het beleid dat Nederland voert ten opzichte van
de betreffende regio of het betreffende land;
|
| d. |
in de
kandidaat-lidstaten in overeenstemming zijn met
het toetredingsbeleid van de Europese Unie.
|
|
| 2. |
Een project
dat betrekking heeft op Wit-Rusland komt uitsluitend
voor subsidie in aanmerking indien in het kader van het
project niet wordt samengewerkt met de centrale overheid
van dat land.
|
Artikel 6
Geen subsidie wordt
verstrekt voor:
| a. |
projecten met
de uitvoering waarvan een aanvang is gemaakt alvorens de
ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening
schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd;
|
| b. |
projecten die
een looptijd hebben van meer dan drie jaar;
|
| c. |
de leverantie
van uitsluitend materialen of goederen;
|
| d. |
infrastructurele
of bouwactiviteiten;
|
| e. |
studiebeurzen
of louter wetenschappelijk onderzoek.
|
Artikel 7
| 1. |
Subsidie kan
worden verstrekt voor de volgende met het project
verband houdende kosten:
| a. |
kosten
van materialen of hulpmiddelen;
|
| b. |
kosten
voor de verwerving en inrichting van terreinen;
|
| c. |
loonkosten
van het betrokken personeel in dienst van de
subsidieontvanger;
|
| d. |
kosten
voor de uitvoering door derden;
|
| e. |
plankosten
en andere voorbereidingskosten tot een maximum
van 25% van de subsidiabele kosten;
|
| f. |
reis-
en verblijfkosten;
|
| g. |
kosten
voor tolken en vertalers;
|
| h. |
kosten
voor de voor de vaststelling van de subsidie
benodigde accountantsverklaring tot een maximum
van € 2500,–.
|
|
| 2. |
De subsidie
kan worden verhoogd met een opslag voor algemene kosten,
van ten hoogste 7,5% van de in het eerste lid genoemde
kosten.
|
Artikel 8
- 1.
- In afwijking van
artikel 7, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt op
basis van een door de minister goed te keuren dagtarief.
- 2.
- Ingeval subsidie
wordt verleend op basis van een dagtarief, is artikel 7,
tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 9
De subsidie bedraagt
100% van de overeenkomstig artikel 7 dan wel 8 berekende kosten.
Artikel 10
| 1. |
Indien voor
een project uit anderen hoofde ten laste van ’s Rijks
kas subsidies worden verstrekt, wordt slechts een
zodanig bedrag op grond van deze regeling verstrekt, dat
de som van de subsidies het in artikel 9 genoemde
percentage niet overschrijdt.
|
| 2. |
Indien voor
een project subsidies door een ander bestuursorgaan dan
de minister of financiële middelen door
niet-bestuursorganen worden verstrekt, wordt slechts een
zodanig bedrag op grond van deze regeling verstrekt, dat
de som van de subsidies of de financiële middelen niet
meer bedraagt dan 100% van de totale kosten van het
project.
|
Artikel 11
| 1. |
Het
subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2008: € 2.550.500,–.
|
| 2. |
In het jaar
2008 komen projecten waarvan de aangevraagde subsidie
meer bedraagt dan € 220.000 niet voor subsidie in
aanmerking.
|
§ 2.
Subsidieverlening
Artikel 12
De aanvraagperiode
wordt voor het jaar 2008 vastgesteld op de periode 4 februari
tot en met 17 maart 2008.
Artikel 13
| 1. |
Een aanvraag
tot subsidieverlening wordt in de Nederlandse of de
Engelse taal gericht aan de minister en ingediend bij
Dienst Regelingen op een daartoe door de directeur van
Dienst Regelingen vastgesteld formulier.
|
| 2. |
Een aanvraag
tot subsidieverlening gaat vergezeld van:
| a. |
een
verklaring, afgegeven door de overheid, bedoeld
in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, waaruit
blijkt dat het project door haar wordt
ondersteund; en
|
| b. |
een
projectplan.
|
|
| 3. |
Het
projectplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
bevat in ieder geval het volgende:
| a. |
de
thematische invalshoeken, genoemd in artikel 4,
waarop het project betrekking heeft;
|
| b. |
een
beschrijving van het project, waarin is
opgenomen een probleemanalyse, het doel en de
noodzaak van het project, alsmede de noodzaak
van de kosten;
|
| c. |
een
sluitende begroting voor het project, alsmede
een toelichting daarop; indien het een meerjarig
project betreft dient de begroting een
meerjarenbegroting te zijn met een
liquiditeitsplanning per jaar;
|
| d. |
een
overzicht van door derden toegezegde bijdragen
aan het project;
|
| e. |
de
realisatietermijn;
|
| f. |
de
criteria die gehanteerd worden om de resultaten
van het project te toetsen;
|
| g. |
een
communicatieplan waarin wordt aangegeven:
| – |
op
welke wijze met de belanghebbenden bij
het project wordt gecommuniceerd over de
inhoud, de voortgang en de resultaten,
en
|
| – |
op
welke wijze een breder publiek wordt geïnformeerd
over de resultaten en mogelijke gevolgen
van het project.
|
|
|
| 4. |
Het
projectplan wordt in de Nederlandse of de Engelse taal
opgesteld.
|
Artikel 14
| 1. |
De minister
rangschikt de aanvragen die voor subsidie in aanmerking
komen zodanig dat een project of een programma hoger
gerangschikt wordt naarmate het:
| a. |
meer
bijdraagt aan de verwezenlijking van de
doelstelling, genoemd in artikel 2;
|
| b. |
meer
aansluit bij de in artikel 4 genoemde
thematische invalshoeken;
|
| c. |
meerdere
van de volgende kenmerken heeft:
| – |
het
hebben van doorwerking in die zin dat
het project breed kan worden toegepast
en een blijvend effect heeft in de
ontvangende regio;
|
| – |
het
hebben van brede bestuurlijke steun in
de ontvangende regio;
|
| – |
het
bijdragen aan de formulering of aan de
uitvoering van biodiversiteitsbeleid in
de betreffende regio;
|
| – |
het
maximaal ten goede komen aan het
ontvangende land en daarbij tevens
rekening houden met de inbreng en de
belangen van Nederland;
|
| – |
het
hebben van een gunstige kosten-baten
verhouding;
|
| – |
het
ontvangen van medefinanciering door
andere organisaties dan LNV;
|
| – |
het
project verschilt van projecten waaraan
in een voorafgaande aanvraagperiode
reeds subsidie is verleend;
|
| – |
ingeval
het een project betreft in de Russische
Federatie of Oekraïne, het bijdragen
aan de gezamenlijke door Nederland en de
Russische Federatie respectievelijk
Oekraïne opgestelde werkplannen in het
kader van de Memoranda of Understanding
op het gebied van respectievelijk milieu
bescherming en natuur, met uitzondering
van het onderwerp waterkwaliteitsbeheer
in het gezamenlijke werkplan met de
Russische Federatie.
|
|
|
| 2. |
De minister
houdt bij de rangschikking van de aanvragen rekening met
een evenwichtige verdeling van de middelen over de
thematische invalshoeken, genoemd in artikel 4, over de
doellanden en over projecten.
|
| 3. |
Voor de
aanvraagperioden in de jaren 2007 en 2008 worden
projecten met de volgende thematische invalhoeken of in
de volgende doellanden hoger gerangschikt:
| a. |
projecten
ter ondersteuning van nationale
beleidsontwikkeling op het gebied van
ecologische netwerken;
|
| b. |
projecten
ter ondersteuning van de totstandkoming van
mariene beschermde gebieden;
|
| c. |
projecten
ter stimulering van de integratie van
biodiversiteit in de sectoren landbouw, bosbouw,
visserij en recreatie en toerisme.
|
|
| 4. |
De minister
maakt het in het derde lid genoemde besluit bekend in de
Staatscourant.
|
Artikel 15
| 1. |
De minister
geeft een beschikking omtrent subsidieverlening binnen
vijf maanden na afloop van de desbetreffende
aanvraagperiode.
|
| 2. |
De beschikking
tot subsidieverlening vermeldt het bedrag waarop de
subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.
|
Artikel 16
Subsidie ten laste van
een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder
de voorwaarde, bedoeld in artikel
4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 3.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 17
De subsidieontvanger
voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te
allen tijde op een eenvoudige wijze alle kosten van het project
kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in
artikel 7 onderscheiden kostenposten.
Artikel 18
| 1. |
De
subsidieontvanger voert het project of programma uit
overeenkomstig het projectplan, behoudens door de
minister goedgekeurde wijzigingen.
|
| 2. |
Ter
verkrijging van goedkeuring, als bedoeld in het eerste
lid, wordt een daartoe strekkend verzoek gericht aan de
minister en ingediend bij Dienst Regelingen.
|
| 3. |
Goedkeuring,
als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet
verleend voor zover het wijzigingen ten aanzien van de
doelstelling betreft.
|
| 4. |
De minister
deelt de subsidieontvanger mede of en in welke mate de
wijzigingen van het project of programma gevolgen heeft
voor de verleende subsidie of voor de bij de verlening
van de subsidie vastgestelde verplichtingen. De
wijzigingen hebben geen verhoging tot gevolg van het
bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking
tot subsidieverlening ten hoogste kan worden
vastgesteld.
|
Artikel 18a
Ingeval een project
langer dan een jaar duurt, informeert de subsidieontvanger de
Minister telkens nadat een jaar is verstreken binnen drie
maanden over de voortgang van het project door middel van een
verslag, dat ten minste bevat:
| a. |
een
beschrijving van de activiteiten die tot dan toe in het
kader van het project zijn verricht en de activiteiten
die gepland staan voor het komende jaar;
|
| b. |
een
beschrijving van de mate waarin de activiteiten hebben
bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het
projectplan;
|
| c. |
een financiële
rapportage over de betalingen en kosten die tot dan toe
in het kader van het project zijn verricht
respectievelijk gemaakt en een financiële planning voor
het resterende termijn van het project.
|
Artikel 19
De subsidieontvanger
is verplicht om binnen een periode van twaalf maanden na
dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening te beginnen
met de uitvoering van het project en het project uiterlijk 1 juli
2011 af te ronden.
Artikel 20
| 1. |
In de
gevallen, bedoeld in artikel
4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
is de subsidieontvanger een vergoeding voor
vermogensvorming verschuldigd.
|
| 2. |
Bij de
bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het
eerste lid, wordt uitgegaan van de waarde van de met de
subsidie verkregen eigendommen en andere
vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële
vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat, in
geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of
beschadiging van eigendommen, wordt uitgegaan van het
bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt.
Indien het een onroerend goed betreft, geschiedt de
waardebepaling door een door de minister aan te wijzen
onafhankelijke deskundige.
|
| 3. |
Toepassing van
het eerste lid blijft achterwege, indien het project, na
toestemming door de minister, door een andere
rechtspersoon wordt voortgezet en de activa om niet aan
die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
|
| 4. |
Toepassing van
het eerste lid blijft eveneens achterwege, indien bij de
subsidievaststelling ten genoegen van de minister wordt
aangetoond dat de met het project ontwikkelde
activiteiten na de subsidievaststelling tenminste drie
jaar worden voortgezet door de subsidieontvanger of, na
toestemming door de minister, door een andere
rechtspersoon en de activa om niet aan die andere
rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
|
| 5. |
Ter
verkrijging van de toestemming, bedoeld in het derde en
vierde lid, wordt een daartoe strekkend verzoek gericht
aan de minister en ingediend bij Dienst Regelingen.
|
§ 4.
Bevoorschotting
Artikel 21
| 1. |
De minister
kan de subsidieontvanger voorschotten verstrekken van
ten hoogste 80% van het bedrag vermeld in de beschikking
tot subsidieverlening.
|
| 2. |
Ingeval
subsidie is verleend voor meerdere aaneengesloten jaren,
kan per jaar één voorschot worden verstrekt, met dien
verstande dat het in het eerste lid genoemde percentage
naar rato wordt verdeeld over de onderscheiden jaren.
|
| 3. |
Een verzoek om
een voorschot wordt uiterlijk 30 juni van het
desbetreffende jaar ingediend.
|
| 4. |
De minister
kan de subsidieontvanger verzoeken een overzicht van de
liquiditeitsbehoefte te overleggen.
|
§ 5.
Subsidievaststelling
Artikel 22
| 1. |
Een aanvraag
tot subsidievaststelling wordt in de Nederlandse of de
Engelse taal gericht aan de minister en binnen vier
maanden na afloop van het project ingediend bij Dienst
Regelingen op een daartoe door de directeur van Dienst
Regelingen vastgesteld formulier.
|
| 2. |
De in het
eerste lid bedoelde aanvraag vergezeld van een
eindrapportage. Deze rapportage, opgesteld in de
Nederlandse of de Engelse taal, bestaat ten minste uit
een beschrijving van:
| a. |
de
activiteiten die in het kader van het project
zijn verricht;
|
| b. |
de
mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen
aan de in het projectplan omschreven
doelstellingen; en
|
| c. |
het
financiële verloop van het project.
|
|
| 3. |
Indien de
totale subsidiabele kosten meer bedragen dan € 22.500,–
gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van
een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
waaruit blijkt dat voldaan is aan de bij of krachtens
deze regeling gestelde voorwaarden en verplichtingen.
|
| 4. |
De accountant,
bedoeld in het derde lid, controleert de aanvraag tot
subsidievaststelling met inachtneming van het in bijlage
2 bij deze regeling opgenomen controleprotocol.
|
| 5. |
De
goedkeurende accountantsverklaring wordt opgesteld
overeenkomstig de in bijlage 1 bij deze regeling
opgenomen modelaccountantsverklaring.
|
| 6. |
De minister
kan de Accountantsdienst van het Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een review laten
uitvoeren op de door de accountant van de
subsidieontvanger verrichte werkzaamheden.
|
§ 6.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23
Binnen vijf jaar na
inwerkingtreding van deze regeling publiceert de minister een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie
in de praktijk.
Artikel 24
- 1.
- Het Besluit
natuurbeheer Midden- en Oost-Europa 2001 wordt
ingetrokken.
- 2.
- Het in het eerste
lid bedoelde besluit
blijft van toepassing op op grond daarvan verstrekte
subsidies.
Artikel 25
Op projecten en
programma’s waarvoor voor 23 februari 2007 subsidie is
verleend, zijn niet van toepassing de wijzigingen van de regeling
van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 februari
2007, nr. TRCJZ/2007/502, houdende wijziging van de Regeling
subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005-2008 in verband met
wijziging ten aanzien van de doellanden alsmede wijziging
van de Regeling diverse
subsidieplafonds en aanvraagperioden LNV.
Artikel 26
[Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 27
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005-2008.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
Bijlage 1.
Model-accountantsverklaring, als bedoeld in artikel 22, vijfde lid,
van de Regeling subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005-2008
Wij hebben de bijgevoegde
financiële verantwoording van <naam instelling> te
<plaats> inzake het project <naam project> over de
periode van ... t/m ... in het kader van de Regeling subsidiëring
Actieplan BBI-Matra 2005-2008 gecontroleerd. De financiële
verantwoording is opgesteld onder de verantwoording van <de
leiding van naam instelling / naam persoon>.
Het is onze
verantwoordelijkheid om een accountantsverklaring inzake de financiële
verantwoording te verstrekken. Voor het onderhavige project is bij
beschikking van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, kenmerk <nummer> d.d. <datum> een
subsidie verleend tot een maximum van € <bedrag>.
Onze controle is verricht
overeenkomstig de richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten.
Volgens de richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland
en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen
dat de financiële verantwoording geen onjuistheden van materieel
belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door
middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de
bedragen in de financiële verantwoording.
Wij zijn van mening dat
onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel. Wij
zijn van oordeel dat de financiële verantwoording voldoet aan de
voor dit doel eraan te stellen eisen.
<plaats
en datum>
<handtekening>
<naam
accountant>
<naam
accountantskantoor>
<adres>
<postcode
en woonplaats>
<telefoon>
Bijlage 2.
Controleprotocol, als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de
Regeling subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005-2008
Bij de controle, op basis
waarvan de eindrapportage, als bedoeld in artikel 22, tweede lid,
van de Regeling subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005-2008
plaatsvindt, dient aan de naleving van de volgende artikelen op de
daarbij aangegeven wijze aandacht te worden besteed.
|
Artikel
|
Soort aandacht
|
|
artikel 3
|
speciale aandacht
|
|
artikel 6
|
speciale aandacht
|
|
artikel 7
|
speciale aandacht
|
|
artikel 8
|
speciale aandacht
|
|
artikel 10, eerste
lid
|
speciale aandacht
|
|
artikel 10, tweede
lid
|
speciale aandacht
|
|
artikel 17
|
speciale aandacht
|
|
artikel 18, eerste
lid
|
speciale aandacht
|
|
artikel 18, tweede
lid
|
speciale aandacht
|
|
artikel 19
|
speciale aandacht
|
|
artikel 20
|
speciale aandacht
|
|
artikel 22, tweede
lid
|
normale aandacht
|
Toelichting op het
controleprotocol
| – |
artikel 3:
vaststellen dat de subsidieontvanger een in Nederland
gevestigde privaatrechtelijke rechtspersoon is of een
rechtspersoon naar Nederlands publiekrecht.
|
| – |
artikel 6:
vaststellen dat geen aanvang is gemaakt met de uitvoering
van het project alvorens de ontvangst van de aanvraag tot
subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is
bevestigd, de in de financiële verantwoording van het
project of pro ramma opgenomen kosten voor een periode van
maximaal 3 jaar aan toonbaar zijn gemaakt en betaald en
dat in de financiële verantwoording opgenomen
subsidiabele kosten geen betrekking hebben op de in de
onderdelen e en f, genoemde kosten en niet uitsluitend
betrekking hebben op de in onderdeel d, genoemde kosten.
|
| – |
artikel 7:
vaststellen dat in de financiële verantwoording
uitsluitend als subsidiabele kos ten zijn opgenomen de in
artikel 7 genoemde kosten.
|
| – |
artikel 8:
vaststellen dat het dagtarief uitsluitend is samengesteld
uit de bij artikel 7, eer ste lid, genoemde subsidiabele
kosten.
|
| – |
artikel 10,
eerste lid: vaststellen dat, indien voor het project of
het programma waarvoor op grond van deze regeling subsidie
is verleend andere subsidies door de Rijksoverheid worden
verstrekt, de som van de subsidies het in artikel 9
genoemde percentage niet overschrijdt.
|
| – |
artikel 10,
tweede lid: vaststellen dat, indien voor het project of
het programma waarvoor op grond van deze regeling subsidie
is verleend subsidies door anderen dan de Rijksoverheid of
financiële middelen door niet-bestuursorganen worden
verstrekt, de som van de subsidies dan wel de financiële
middelen niet meer bedraagt dan 100% van de totale kosten
van het project.
|
| – |
artikel 17:
vaststellen dat de subsidieontvanger een administratie
voert die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde
op eenvoudige en duidelijke wijze alle kosten van het
project kunnen worden afgelezen, gespecificeerd de in
artikel 7 onder scheiden kostenposten, met dien verstande
dat ter zake van de loonkosten van het personeel in dienst
van de subsidieontvanger een door middel van sluitende
tijdsbeschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig
is
|
| – |
artikel 18,
eerste lid: vaststellen dat de subsidieontvanger het
project overeenkomstig het projectplan heeft uitgevoerd.
|
| – |
artikel 18,
tweede lid: vaststellen dat gedurende de looptijd van het
project de in het projectplan aangebrachte wijzigingen
vooraf zijn gemeld aan Dienst Regelingen en zijn
goedgekeurd door de minister.
|
| – |
artikel 19:
vaststellen dat de subsidieontvanger binnen twaalf maanden
na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening is
begonnen met de uitvoering van het project en het project
binnen drie jaar na aanvang van de uitvoering heeft
voltooid, met dien verstande dat het project uiterlijk op
1 juli 2011 gereed was.
|
| – |
artikel 20,
eerste lid: vaststellen dat, in de gevallen genoemd in artikel
4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
de subsidieontvanger een vergoeding voor vermogensvorming
heeft betaald waarvan de hoogte wordt bepaald
overeenkomstig het tweede lid van artikel 20, tenzij het
derde of vierde lid van toepassing is.
|
| – |
artikel 20,
derde lid: vaststellen dat, indien het project door een
andere rechtspersoon werd voortgezet, dit na toestemming
door de minister is gebeurd en de activa om niet aan die
andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
|
| – |
artikel 20
vierde lid: vaststellen dat, indien de met het project
ontwikkelde activiteiten na de subsidievaststelling
tenminste drie jaar worden voortgezet door de
subsidieontvanger of door een andere rechtspersoon, dit
ten genoegen van de minister wordt aangetoond en indien de
met het project ontwikkelde activiteiten na de
subsidievaststelling worden voortgezet door een andere
rechtspersoon, dit na toestemming door de minister is
gebeurd en de activa om niet aan die andere rechtspersoon
in eigendom zijn overgedragen.
|
| – |
artikel 22:
vaststellen dat de eindrapportage voldoet aan de voor dit
doel gestelde eisen.
|
Onder normale aandacht
wordt verstaan: controle met een diepgang die gebruikelijk is voor
het afgeven van een accountantsverklaring bij een verantwoording.
Onder speciale aandacht
wordt verstaan: controle waarbij nadrukkelijk wordt bezien of de
desbetreffende voorschriften zijn nageleefd. In dit geval moet dus
verder worden gegaan dan normaal bij een controle van een
verantwoording.
Aan de niet genoemde
artikelen behoeft bij de controle geen aandacht te worden besteed,
met dien verstande dat, teneinde de controle op de hierboven
genoemde artikelen goed te kunnen verrichten, kennisneming van
deze overige artikelen noodzakelijk is.
De minister kan de
Accountantsdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit een review laten uitvoeren op de door de
accountant van de aanvrager, aan wie de subsidie ingevolge de
Regeling subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005–2008 is
verleend, verrichte werkzaamheden.
|