|
BESLUIT van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van
26 september 2008, nr. TRCJZ/2008/2625, houdende openstelling
subsidieaanvragen en vaststelling subsidieplafonds (Openstellingsbesluit
LNV-subsidies 2009)
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet
LNV-subsidies, de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en
kustvisserij en de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:13, 1:15, 1:16 en 1:17 van
de Regeling LNV-subsidies;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
– regeling: Regeling LNV-subsidies;
– verordening (EG) nr. 2200/96:
verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996
houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren
groenten en fruit (PbEG L 297);
– verordening (EG) nr. 1782/2003:
verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot
vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen
inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde
steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van
Verordening (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr.
1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999,
(EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) nr. 2358/71 en (EG) nr.
2529/2001.
Artikel 2
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van
de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van
hoofdstuk 2 van dit besluit:
– titel 1, 2, 3;
– titel 4, met uitzondering van
subsidies genoemd in paragraaf 1;
– titel 5, met uitzondering van
subsidies genoemd in paragraaf 1 en 5;
– titel 6.
Hoofdstuk 2. Concurrerende landbouw
Titel 1. Beroepsopleiding en voorlichting
Artikel 3
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid,
van de regeling kunnen worden ingediend door:
a. landbouwondernemingen die
overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het
Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, die in
omschakeling zijn of die reeds omgeschakeld zijn naar die
biologische productiemethode;
b. landbouwondernemingen werkzaam
in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-,
paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenen-, of
konijnenhouderij.
2.De aanvragen worden ingediend:
a. voor zover het aanvragen betreft
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de periode van 2
januari tot en met 30 november 2009;
b. voor zover het aanvragen betreft
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in de periode van 1
april tot en met 15 mei 2009.
Artikel 4
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, kunnen
uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid,
onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen
bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde
opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend
voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
a. de bedrijfseconomische gevolgen
van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de
biologische productiemethode;
b. de markt- en afzetperspectieven
voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of
uitbreiding van de biologische productiemethode;
c. de implementatie van de
regelgeving voor de biologische productiemethode in de
bedrijfsvoering;
d. de aanpassingen in het
bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
e. de financieringsmogelijkheden
van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de
biologische productiemethode benodigde investeringen;
f. het verwerven van technische
kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
g. het verwerven van kennis en
vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere
activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien
verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit
blijft voortzetten.
2.In afwijking van artikel 3, eerste
lid, onderdeel a, kunnen geen aanvragen worden ingediend door
landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging
als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij
door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun
wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening
voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a,
b, c, d en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel 5
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, kunnen, voor zover
deze betrekking hebben op de uitvoering van bedrijfsconsulten,
uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid,
onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen
bedrijfsconsulten.
Artikel 6
1.Onverminderd artikel 3 kunnen
aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:3,
eerste lid, onderdeel b, van de regeling worden ingediend door
landbouwondernemingen voor zover die activiteiten betrekking hebben op
het voldoen aan beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en
milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling
GLB-inkomenssteun 2006.
2.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid, kan slechts worden ingediend voor zover de activiteit door
ten minste 8 en ten hoogste 20 personen werkzaam op een
landbouwonderneming wordt gevolgd of bijgewoond.
3.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid kan slechts door één van de aan de bijeenkomst
deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 april
2009 tot en met 31 augustus 2009.
4.Bij de rangschikking van de
aanvragen, bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover van
toepassing, voorrang gegeven aan landbouwondernemingen die tevens in
2008 een aanvraag hebben ingediend die vanwege overschrijding van het
subsidieplafond van dat jaar is afgewezen.
Artikel 7
Per landbouwonderneming kan slechts één
aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend op grond van artikel 3,
eerste lid, onderdeel a of b, of artikel 6, eerste lid.
Artikel 8
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 9
1.De subsidie bedraagt 50% van de
totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien
verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en
de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
2.De aanvraag tot subsidievaststelling
voor subsidies als bedoeld in artikel 6, eerste lid, bevat de namen
van de deelnemende ondernemingen.
Artikel 10
Het subsidieplafond bedraagt:
a. € 500.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a;
b. € 1.600.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;
c. € 275.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 6, eerste lid.
Titel 2. Bedrijfsadviesdiensten
Artikel 11
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling
kunnen in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2009 worden
ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit
hoofde van verordening (EG) nr. 1782/2003 ontvangen.
2.Onder beheerseisen en minimumeisen
als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen
en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in
artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
3.De aanvragen kunnen uitsluitend
betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, van de regeling.
Artikel 12
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 13
De subsidie bedraagt 50% van de kosten
van een bedrijfsadvies, met dien verstande dat de subsidie ten minste
€ 250 bedraagt.
Artikel 14
Het subsidieplafond bedraagt €
1.000.000.
Titel 3. Kennisverspreiding
§ 1. Praktijknetwerken
Artikel 15
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid,
van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden
van landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-,
schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief
eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2.De aanvragen kunnen uitsluitend
worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede
lid, onderdeel b, van de regeling en welke een duur hebben van ten
hoogste twee jaar.
3.De aanvragen tot subsidieverlening
worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 30 oktober
2009.
Artikel 16
De door de Minister ingestelde
beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld
in artikel 15, advies uit aan de Minister in de vorm van een
rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a. het gekozen thema en de gekozen
aanpak inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
b. de gekozen aanpak procesmatig meer
perspectief biedt;
c. het aangetoonde gezamenlijke
belang van de deelnemers groter is;
d. de kennis en ervaring effectiever
worden verspreid, of
e. het netwerk breder is
samengesteld.
Artikel 17
De subsidie bedraagt 80 % van de
subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste €
25.000 bedraagt.
Artikel 18
Het subsidieplafond bedraagt €
1.000.000.
§ 2. Demonstratieprojecten
Artikel 19
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel
2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor
projecten die betrekking hebben op het thema biologische landbouw als
bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, en
voor zover de projecten gericht zijn op de verduurzaming en
vermaatschappelijking van de biologische landbouw of op het leggen van
verbindingen met de gangbare landbouw.
2.De aanvragen kunnen tevens worden
ingediend voor projecten die:
a. betrekking hebben op het in
artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g, van de regeling genoemde
thema;
b. betrekking hebben op alle in
artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s.
3.De aanvragen, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend door:
a. landbouwondernemingen werkzaam
in de bloembollen- of paddestoelenteelt of de glastuinbouw of
samenwerkingverbanden van de hiervoor genoemde ondernemingen;
b. samenwerkingsverbanden van ten
minste één landbouwonderneming als bedoeld in onderdeel a met in
artikel 2:14, tweede lid, van de regeling genoemde ondernemingen
of instanties.
4.De aanvragen, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, kunnen uitsluitend worden ingediend door:
a. landbouwondernemingen werkzaam
in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-,
paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of
konijnenhouderij;
b. samenwerkingsverbanden van ten
minste één landbouwonderneming als bedoeld in onderdeel a met in
artikel 2:14, tweede lid, van de regeling genoemde ondernemingen
of instanties.
Artikel 20
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. in de periode van 2 november tot
en met 15 december 2009 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld
in artikel 19, eerste lid;
b. in de periode van 2 november tot
en met 15 december 2009 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld
in artikel 19, tweede lid, onderdelen a en b.
Artikel 21
1.In aanvulling op artikel 2:16 van de
regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
hoger gerangschikt naarmate het project meer aansluit op de
doelstellingen verwoord in de Beleidsnota biologische landbouwketen
2008–2011 of de ambitie- en innovatieagenda van de biologische
sector.
2.In aanvulling op artikel 2:16 van de
regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 19, tweede lid,
onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate:
a. het project in potentie tot een
grotere energiebesparing leidt;
b. de energiebesparing toepasbaar
is op een groter aantal bedrijven of een groter aantal hectares;
c. voor zover het een project
betreft aangevraagd door een glastuinbouwonderneming, het project
relevant is voor meerdere gewassen of gewasgroepen, of
d. het project beter aansluit bij
de doelstellingen van het werkprogramma Kas als Energiebron.
3.Aanvragen als bedoeld in artikel 19,
tweede lid, onderdeel b, hebben een groter draagvlak als bedoeld in
artikel 2:16, onderdeel a, onder 3°, van de regeling naarmate het
project:
a. meer aansluit bij de
programmalijnen van de sectorale innovatieagenda’s, of
b. meer aansluit bij de
doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal
of het houderijsysteem.
Artikel 22
De door de Minister ingestelde
beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld
in artikel 19, eerste lid, en artikel 19, tweede lid, advies uit in de
vorm van een rangschikking.
Artikel 23
De subsidie bedraagt 50% van de
subsidiabele kosten.
Artikel 24
Het subsidieplafond bedraagt:
1.€ 500.000 voor projecten als
bedoeld in artikel 19, eerste lid;
2.voor projecten als bedoeld in
artikel 19, tweede lid, onderdeel a, € 103.000 voor zover het
projecten betreft die worden aangevraagd door ondernemingen werkzaam
in de bloembollen of paddestoelenteelt en € 849.000 voor projecten
aangevraagd voor ondernemingen werkzaam in de glastuinbouw;
3.€ 1.500.000 voor projecten als
bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b.
Titel 4. Onderzoek en ontwikkeling
§ 1. Innovatieprojecten
Artikel 25
Aanvragen tot verlening van een subsidie
voor een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van
de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en
met 27 februari 2009 door landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-,
vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-,
inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij, of door
samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen.
Artikel 26
1.Aanvragen als bedoeld in artikel 25
hebben meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:28, onderdeel
a, van de regeling naarmate het project:
a. meer aansluit bij de
programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s,
of
b. een meer duurzaam karakter
heeft.
2.De door de Minister ingestelde
beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen,
bedoeld in artikel 25, advies uit aan de Minister in de vorm van een
rangschikking.
Artikel 27
Het subsidieplafond bedraagt €
2.000.000.
Artikel 28
Per landbouwonderneming kan slechts een
aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
§ 2. Samenwerking bij Innovatieprojecten
Artikel 29
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling
kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van
landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met
dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de
melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-,
pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling
kunnen tevens worden ingediend door samenwerkingsverbanden van
landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met
dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de
bijenhouderij, glastuinbouw, paddestoelenteelt, akkerbouw,
opengrondstuinbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
3.De aanvragen, bedoeld in het eerste
en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot
met 15 juli 2009.
Artikel 30
1.De door de Minister ingestelde
beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen,
bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, advies uit aan de
Minister in de vorm van een rangschikking.
2.Projecten als bedoeld in artikel 29,
eerste en tweede lid, hebben een meer innovatief karakter als bedoeld
in artikel 2:33, onderdeel a, van de regeling naarmate het project
meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale
innovatieagenda’s.
3.Projecten als bedoeld in artikel 29,
eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel
2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer aansluit
bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke
stal of het houderijsysteem.
Artikel 31
Per samenwerkingsverband kan slechts een
aanvraag worden ingediend.
Artikel 32
De subsidie bedraagt 35% van de
subsidieabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het
innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in
artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie
ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Artikel 33
Het subsidieplafond bedraagt:
a. voor aanvragen om subsidie als
bedoeld in artikel 29, eerste lid, € 3.250.000;
b. voor aanvragen om subsidie als
bedoeld in artikel 29, tweede lid, € 3.750.000.
Titel 5. Bedrijfsmodernisering
§ 1. Investeringen op het terrein van
energiebesparing
Artikel 34
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie voor een investering in:
a. een eerste energiescherm als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van
de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen
als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B,
van de regeling;
b. een tweede energiescherm als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van
de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen
als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B,
van de regeling;
c. een klimaatcomputer als bedoeld
in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel A, van de
regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen
als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel B,
van de regeling;
d. een kasdek met antireflectie als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel A, van
de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen
als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel B,
van de regeling;
e. een warmtebuffersysteem als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van
de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen
als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B,
van de regeling;
f. energieclusters als bedoeld in
bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling
kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden als bedoeld in
bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling;
g. een hogedruk vernevelingssysteem
ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1,
paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend
door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in
bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
h. een gevelscherm als bedoeld in
bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling
kunnen worden ingediend door energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in
bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling,
of
i. ventilatoren of
lucht-luchtwamtewisselaars als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1,
paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend
door energie-extensieve en energie-intensieve
glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1,
paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling.
2.De aanvragen worden ingediend in de
periode van 1 april tot en met 15 mei 2009.
3.De Minister rangschikt de aanvragen
overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Artikel 35
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 36
1.De subsidie voor de in artikel 34,
eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig
hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met
betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of
samenwerkingsverbanden.
2.De volledige aanvraag tot
subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening
ingediend.
Artikel 37
Het subsidieplafond bedraagt €
5.100.000.
§ 2. Marktintroductie energieinnovaties
Artikel 38
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2,
hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden
ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met
uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde
energieinnovatie op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en
innovatie worden gesubsidieerd.
2.De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. in de periode van 2 februari tot
en met 13 maart 2009, of
b. in de periode van 15 september
tot en met 30 oktober 2009.
Artikel 39
De subsidie voor de in artikel 38, eerste
lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en
ten hoogste € 1.500.000.
Artikel 40
Het subsidieplafond voor subsidies voor
investeringen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt:
a. € 14.480.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a;
b. € 4.000.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 41
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2,
hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden
ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met
uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde
energieinnovatie op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en
innovatie worden gesubsidieerd.
2.De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. in de periode van 2 februari tot
en met 13 maart 2009, of
b. in de periode van 15 september
tot en met 30 oktober 2009.
Artikel 42
De subsidie voor de in artikel 41, eerste
lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en
ten hoogste € 2.000.000.
Artikel 43
Het subsidieplafond voor subsidies voor
investeringen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, bedraagt:
a. € 10.000.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 41, tweede lid, onderdeel a;
b. € 10.000.000 voor aanvragen als
bedoeld in artikel 41, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 44
In zoverre in afwijking van artikel 38,
eerste lid, en artikel 41, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden
ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden
daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende
telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr.
2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als
bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit
hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden
gesubsidieerd.
Artikel 45
Indien subsidie wordt verleend aan een
samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of
meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de
investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of
-ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of
glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de
energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden
opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 39 vastgestelde subsidie naar
rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel 46
De door de Minister ingestelde
beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld
in artikel 38, eerste lid, en 41, eerste lid, advies uit aan de Minister
in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn
gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de
commissie:
– meer bijdraagt aan
klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van
primaire energie en een zolaag mogelijke CO2-uitstoot;
– meer teelttechnisch en economisch
perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door
andere ondernemingen, of
– een hoger niveau van
doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of
economisch inpasbare systemen.
§ 3. Gecombineerde luchtwassystemen
Artikel 47
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in
bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden
ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2,
hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van
landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in
artikel 1 van de Reconstructiewet.
2.De aanvragen kunnen worden ingediend
in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2009.
Artikel 48
1.Overeenkomstig artikel 1:4 van de
regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
a. bij de landbouwonderneming een
in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor
zwevende deeltjes (PM10) op of na het bijbehorende tijdstip wordt
overschreden of dreigt te worden overschreden en, deze onderneming
als prioritaire landbouwonderneming is genoemd of aangeduid in een
programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van die wet (4
punten);
b. de landbouwonderneming ten
hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in
bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en
c. de aanvrager een vergunning als
bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd
voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
2.Aanvragen tot subsidieverlening die
op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en
daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van
het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Artikel 49
1.Aanvragen tot subsidievaststelling
kunnen worden ingediend tot 30 september 2011.
2.Er kan slechts één aanvraag worden
ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de
Wet Milieubeheer.
Artikel 50
In afwijking van artikel 1:15, derde lid,
van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in
aanmerking.
Artikel 51
De subsidie bedraagt 35% van de
subsidiabele kosten.
Artikel 52
Het subsidieplafond bedraagt €
20.000.000.
§ 4. Jonge landbouwers
Artikel 53
1.Aanvragen tot subsidieverlening als
bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden
ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2009.
2.Een jonge landbouwer kan slechts
één aanvraag indienen.
Artikel 54
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen
worden ingediend tot 30 september 2011.
Artikel 55
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 56
In aanvulling op artikel 2:40, derde lid,
van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in
aanmerking.
Artikel 57
1.Het subsidieplafond bedraagt €
7.200.000.
2.In aanvulling op het subsidieplafond,
bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten
bedrage van:
a. € 167.442 voor jonge
landbouwers gevestigd in Drenthe;
b. € 186.047 voor jonge
landbouwers gevestigd in Overijssel;
c. € 558.140 voor jonge
landbouwers gevestigd in Gelderland;
d. € 57.433 voor jonge
landbouwers gevestigd in Utrecht;
e. € 93.023 voor jonge
landbouwers gevestigd in Zeeland;
f. € 465.116 voor jonge
landbouwers gevestigd in Noord-Brabant;
g. € 232.558 voor jonge
landbouwers gevestigd in Noord-Holland;
h. € 93.023 voor jonge
landbouwers gevestigd in Limburg.
Artikel 58
1.De Minister rangschikt de aanvragen
voor subsidies als bedoeld in artikel 53, eerste lid, overeenkomstig
artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie
voorrang wordt gegeven aan jonge landbouwers die op grond van de
regeling ook in 2007 of 2008 aanvragen hebben ingediend en:
a. vanwege overschrijding van de
subsidieplafonds in die jaren niet voor subsidieverlening in
aanmerking kwamen en in 2009 opnieuw voor subsidie in aanmerking
willen komen op grond van de regeling, en
b. voldoen aan de voorwaarden van
de regeling.
2.Na verlening van de aanvragen
overeenkomstig het eerste lid, geschiedt, voor zover van toepassing,
de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn
hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel
subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
§ 5. Investeringen op het terrein van
integraal duurzame stallen en houderijsystemen
Artikel 59
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
een investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen als
bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen
worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2,
hoofdstuk 4, punt B, van de regeling, voor zover het betreft
landbouwondernemingen op het gebied van de melkvee-, vleesvee-,
schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, pluimvee-, inclusief eenden-
en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2.De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. in de periode van 2 februari tot
en met 27 februari 2009, of
b. in de periode van 18 augustus
tot en met 18 september 2009.
Artikel 60
1.De door de Minister ingestelde
beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen,
bedoeld in artikel 59, advies uit aan de Minister in de vorm van een
rangschikking.
2.Een aanvraag wordt hoger gerangschikt
naarmate:
a. de integraal duurzame stal of
houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van
marktintroductie verkeert;
b. de investering in de integraal
duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch
perspectief heeft;
c. er voor de investering in de
integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding
tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde
subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en
d. er voor de investering in de
integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding
tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde
subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of
arbeidsomstandigheden.
Artikel 61
De subsidie bedraagt 35% van de
subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste €
200.000 bedraagt.
Artikel 62
Het subsidieplafond bedraagt:
a. € 3.500.000 voor aanvragen die
zijn ingediend in de periode, bedoeld in artikel 59, tweede lid,
onderdeel a;
b. € 2.500.000 voor aanvragen die
zijn ingediend in de periode, bedoeld in artikel 59, tweede lid,
onderdeel b.
Artikel 63
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2,
hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden
gemaakt naast de norminvesteringen in een gangbare stal, als bedoeld in
de kwantitatieve informatie veehouderij.
Artikel 64
De aanvraag tot subsidieverlening gaat
vergezeld van informatie waaruit blijkt in hoeverre een stal of
houderijsysteem voldoet aan de definitie van integraal duurzame stal of
houderijsysteem, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de
regeling.
Artikel 65
Er worden geen voorschotten verleend.
Titel 5a. Risico- en crisisbeheer
Artikel 65a
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld artikel 2:68 van de regeling, kunnen worden ingediend in de
periode van 1 juli 2009 tot en met 31 juli 2009.
Artikel 65b
Het subsidieplafond bedraagt €
3.500.000.
Titel 6. Voedselkwaliteitsregelingen
Artikel 66
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden
ingediend in de periode van 15 september tot en met 31 december 2009.
Artikel 67
Het subsidieplafond bedraagt € 500.000.
Artikel 68
Een landbouwonderneming kan per
Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Titel 6a. Overige bepalingen
Artikel 68a
Het subsidieplafond, bedoeld in artikel
42, tweede lid, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 is
opgehoogd met € 3.700.000.
Titel 7. Garantstelling
Artikel 68Aa
Aanvragen voor garantstellingen als
bedoeld in Hoofdstuk 2, Titel 12, van de regeling kunnen worden
ingediend met ingang van de inwerkingtreding van deze regeling tot en
met 31 december 2009.
Artikel 68Ab
Het subsidieplafond bedraagt:
a. € 41.500.000 voor
garantstellingen als bedoeld in artikel 2:79 van de regeling;
b. € 112.500.000 voor
garantstellingen als bedoeld in artikel 2:80 van de regeling.
Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en
recreatie
Titel 1. Draagvlak natuur
Artikel 68b
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden
ingediend van 1 juli tot en met 31 juli 2009.
Artikel 68c
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in
artikel 68a, bedraagt het subsidieplafond:
a. voor projecten als bedoeld in
artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 800.000;
b. voor programma’s als bedoeld in
artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.700.000.
Artikel 68d
1. Voor zover na de periode voor
indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 68a het subsidieplafond
bedoeld in artikel 68b, aanhef en onderdeel a, niet wordt bereikt,
wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, genoemd
in artikel 68b, aanhef en onderdeel b.
2. Voor zover na de periode voor
indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 68a het subsidieplafond
bedoeld in artikel 68b, aanhef en onderdeel b, niet wordt bereikt,
wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, genoemd
in artikel 68b, aanhef en onderdeel a.
Titel 1a. Effectgerichte maatregelen
Artikel 69
Aanvragen tot verleningen van een
subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3, van de regeling kunnen
worden ingediend tot en met 9 februari 2009.
Artikel 70
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in
artikel 69, bedraagt het subsidieplafond ten aanzien van aanvragen door:
a. de Unie van Bosgroepen: €
1.576.706,65;
b. de Landschappen: € 1.383.137,75;
c. de Vereniging Natuurmonumenten:
€ 1.126.219,03;
d. overige aanvragers: €
313.229,67.
Titel 2. Behoud en herstel historische
buitenplaatsen
Artikel 71
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 2, van de
regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 januari 2009.
2.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 3, kunnen
worden ingediend in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 mei
2009.
Artikel 72
1.Voor de aanvraagperiode, bedoeld in
artikel 71, eerste lid, bedraagt het subsidieplafond € 2.250.000.
2.Voor de aanvraagperiode, bedoeld in
artikel 71, tweede lid, bedraagt het subsidieplafond € 215.000.
Titel 3. Nationale en
grensoverschrijdende parken
Artikel 73
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 5, van de regeling kunnen worden
ingediend tot en met 31 januari 2009.
Artikel 74
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien
van aanvragen door:
a. de IVN Vereniging voor natuur- en
milieueducatie: € 1.444.684,70;
b. Stichting Samenwerkingsverband
Nationale Parken: € 300.000.
Titel 3a. Ontwikkeling van het landschap
Artikel 74a
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 6, van de regeling kunnen worden
ingediend tot en met 31 oktober 2009.
Artikel 74b
Het subsidieplafond bedraagt € 792.000.
Titel 4. Versterking natuur- en bosbeheer
bij bos- en landgoedeigenaren
Artikel 75
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 8, kunnen worden ingediend tot en met
1 juli 2009.
Artikel 76
Het subsidieplafond bedraagt:
a. voor activiteiten, als bedoeld in
artikel 3:51, tweede lid, sub a, van de regeling: € 190.000;
b. voor activiteiten, als bedoeld in
artikel 3:51, tweede lid, sub c, van de regeling € 167.000.
Titel 5. Behoud zeldzame
landbouwhuisdierrassen
Artikel 77
Aanvragen tot verlening van een subsidie
als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 10, kunnen worden ingediend in de
periode van 2 februari 2009 tot en met 27 februari 2009.
Artikel 78
Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Hoofdstuk 4. Visserij
Titel 1. Maatregelen van
gemeenschappelijk belang
§ 1. Innovatieprojecten
Artikel 79
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste
lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 maart
2009 tot en met 30 maart 2009.
2.Het subsidieplafond bedraagt €
2.500.000.
Artikel 80
1.De subsidie bedraagt 60% van de
subsidiabele kosten.
2.De subsidie bedraagt ten hoogste €
350.000.
Artikel 81
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat
vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten
van eigen arbeid.
§ 2. Collectieve acties
Artikel 82
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel
4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de
periode van 2 maart tot en met 30 maart 2009.
2.Het subsidieplafond bedraagt €
2.500.000.
Artikel 83
1.De subsidie bedraagt 80% van de
subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22,
tweede lid, onderdelen a en b, van de regeling.
2.De subsidie bedraagt 100% van de
subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22,
tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
3.De subsidie voor activiteiten als
bedoeld in artikel 82, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 350.000.
Artikel 84
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat
vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten
van eigen arbeid.
§ 3. Kwaliteit, rendement en nieuwe
markten
Artikel 85
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel
4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de
periode van 1 juni tot en met 29 juni 2009.
2.Het subsidieplafond bedraagt €
700.000.
Artikel 86
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat
vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten
van eigen arbeid.
§ 4. Certificering
Artikel 86a
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling
kunnen worden ingediend voor het volledig doorlopen van een
beoordeling door onafhankelijke deskundigen in het kader van een
traject ter certificering van visserijproducten die zijn gevangen of
gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden, voor zover die
beoordeling van gemeenschappelijk belang is voor een unieke vorm van
visserij en schelpdierkweek, gedefinieerd aan de hand van:
a. de doelsoort;
b. de vis- of kweekmethode, en
c. het vis- of kweekgebied.
2.Een traject ter certificering als
bedoeld in het eerste lid voldoet aan de ‘Guidelines for the
ecolabelling of fish and fishery products from marine capture
fisheries’ van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde
Naties.
3.Het gemeenschappelijke belang,
bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het voor de eerste maal
doorlopen van de beoordeling door onafhankelijke deskundigen, bedoeld
in het eerste lid, dat een toegevoegde waarde heeft voor de
betreffende unieke vorm van visserij en schelpdierkweek.
4.Het vis- of kweekgebied, bedoeld in
het eerste lid, kan bestaan uit:
a. het IJsselmeer, bedoeld in
artikel 1, onderdeel t, van de Uitvoeringsregeling visserij;
b. de binnenwateren, bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling visserij, met
uitzondering van het IJsselmeer;
c. één van de kustwateren,
bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en
kustwateren 1970;
d. de exclusieve 12-mijlszone,
bedoeld in artikel 3 van de Regeling eisen, administratie en
registratie inzake uitoefening visserij, met inbegrip van het
zeegebied, bedoeld in artikel 1 van het Besluit aanwijzing
zeegebied en kustwateren 1970, of
e. een internationaal vastgesteld
statistisch zeevisserijgebied.
5.In afwijking van het bepaalde in
artikel 4:27, tweede lid, van de regeling komen een erkende
beroepsorganisatie, een samenwerkingsverband van visserijondernemingen
of een combinatie daarvan in aanmerking voor de subsidie.
Artikel 86b
1.Aanvragen als bedoeld in artikel 86a,
eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot
en met 31 december 2009.
2.Het subsidieplafond bedraagt €
1.000.000.
Artikel 86c
In afwijking van het bepaalde in artikel
4:29 van de regeling is artikel 1:6 van de regeling van toepassing op
aanvragen als bedoeld in artikel 86a, eerste lid.
Artikel 86d
1.In afwijking van het bepaalde in
artikel 4:31 van de regeling komen de volgende kosten in aanmerking
voor de subsidie:
a. kosten voor een procesbegeleider
voor het certificeringstraject;
b. aan derden verschuldigde kosten
ter zake van noodzakelijke studies en onderzoeksactiviteiten ten
behoeve van het certificeringstraject, en
c. de overige kosten van het
certificeringstraject, zoals overeengekomen met en in rekening
gebracht door de certificeerder.
2.De kosten van offertes en voorstudies
komen niet in aanmerking voor subsidie.
3.De kosten, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, kunnen loonkosten of kosten van eigen arbeid omvatten.
4.Een aanvraag tot subsidieverlening,
bedoeld in artikel 86a, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of
prijsopgaven van de kosten, bedoeld in het eerste lid.
5.Een aanvraag tot voorschotverlening
gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de
kosten van eigen arbeid.
Artikel 86e
De subsidie bedraagt 80% van de
subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste €
100.000 bedraagt.
Titel 2. Investeringen
§ 1. Investeringen in vissersvaartuigen
Artikel 87
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen worden
ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van
voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig waarmee de
boomkorvisserij wordt uitgeoefend ten behoeve van de
energie-efficiëntie en de selectiviteit, door middel van:
a. de omschakeling van de visserij
met de boomkor naar visserij met de twinrig, flyshoot of squidjig;
b. verkorting van de som van de
totale lengte van de boomkor van 24 meter naar 20 meter.
2.Aanvragen als bedoeld in het eerste
lid kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari tot en met 31
januari 2009.
3.Het subsidieplafond bedraagt €
2.000.000.
Artikel 88
De aanvraag tot subsidieverlening,
bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of
prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten
behoeve van de installatie en de werkzaamheden ten behoeve van de
noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig.
Artikel 89
De aanvragen, bedoeld in artikel 87,
eerste lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen
waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, indien:
a. het vaartuig geregistreerd staat
in het visserijregister, bedoeld in artikel 6 van het Besluit
Registratie vissersvaartuigen 1998;
b. het motorvermogen van het vaartuig
meer dan 735 kW is.
Artikel 90
1.De subsidie bedraagt 20% van de
subsidiabele kosten voor een omschakeling als bedoeld in artikel 87,
eerste lid, onderdeel a.
2.De subsidie voor een omschakeling als
bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste
€ 100.000.
3.De subsidie bedraagt 40% van de
subsidiabele kosten voor een verkorting van de boomkor als bedoeld in
artikel 87, eerste lid, onderdeel b.
4.De subsidie voor een verkorting van
de boomkor als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel b,
bedraagt ten hoogste € 50.000.
Artikel 91
De aanvraag tot vaststelling van subsidie
als bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat vergezeld van facturen en
betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten.
Artikel 92
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat
vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten
van eigen arbeid.
§ 2. Investeringen in verwerking en
afzet
Artikel 93
1.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de regeling
kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en met 2
maart 2009.
2.Het subsidieplafond bedraagt €
1.500.000.
Artikel 94
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat
vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten
van eigen arbeid.
§ 3. Garantstelling
Artikel 94a
1.Aanvragen tot verstrekking van een
garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen
worden ingediend van 1 januari tot en met 31 december 2009.
2.Het maximumbedrag, bedoeld in artikel
4:57, eerste lid, van de regeling, wordt voor 2009 vastgesteld op €
4.000.000,–.
Hoofdstuk 4a. Onderwijs
Titel 1. Groene-plus lectoraten
Artikel 94b
Aanvragen tot verlening van een subsidie
voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen
worden ingediend in de periode 15 juli 2009 tot 15 september 2009.
Artikel 94c
De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt
maximaal € 120.000 per jaar.
Artikel 94d
De duur van de subsidieverlening bedraagt
maximaal 4 jaar.
Artikel 94e
Het subsidieplafond bedraagt €
3.840.000.
Hoofdstuk 4b. Overige subsidies
Titel 1. Diversificatie in de
suikersector
Artikel 94f
1.Aanvragen tot subsidieverlening voor
de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, van
de regeling kunnen worden ingediend door de suikerbietentelers die in
2007 in hun verzamelaanvraag ten behoeve van de landbouwtellingen 2007
hebben aangegeven dat zij beschikken over percelen met suikerbieten.
2.Aanvragen tot subsidieverlening voor
de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van
de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingverbanden van
suikerbietentelers of voormalige suikerbietentelers, die in 2007 in
hun verzamelaanvraag ten behoeve van de landbouwtellingen 2007 hebben
aangegeven dat zij beschikken over percelen met suikerbieten,
onderling of met verwerkende industrie of derden.
3.Aanvragen tot subsidieverlening voor
de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, van
de regeling kunnen worden ingediend door de suikerbietentelers, die in
2007 in hun verzamelaanvraag ten behoeve van de landbouwtellingen 2007
hebben aangegeven dat zij beschikken over percelen met suikerbieten,
of samenwerkingsverbanden van suikerbietentelers.
4.Aanvragen tot verlening van een
subsidie als bedoeld in artikel 5:3 van de regeling, kunnen worden
ingediend in de periode 17 augustus 2009 tot en met 30 september 2009.
Artikel 94g
Het subsidieplafond bedraagt:
a. € 8.000.000 voor aanvragen tot
verlening van subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3,
tweede lid, onderdeel a, van de regeling;
b. € 3.500.000 voor aanvragen tot
verlening van subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3,
tweede lid, onderdeel b, van de regeling;
c. € 370.108 voor aanvragen tot
verlening van subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3,
tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
Hoofdstuk 5. Beoordelingscommissies
Artikel 95
1.Als beoordelingscommissie bedoeld in
de artikelen 16, 22, 26, 30, 46 en 60, wordt ingesteld de
beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
2.De beoordelingscommissie, bedoeld in
het eerste lid, bestaat uit de heer drs. J.P.J. Lokker en de heer ir.
J.T.G.M. Koolen.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 96
1.Het Openstellingsbesluit
LNV-subsidies 2008 wordt ingetrokken.
2.De verlening en vaststelling van een
subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit
LNV-subsidies 2008 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat
gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel 97
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 januari 2009.
Artikel 98
Dit besluit wordt aangehaald als:
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009.
Dit besluit zal
met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
Bijlage 1. Hoogte van het
subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij Investeringen op het
terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 36, eerste lid
Eerste energieschermen, niet zijnde
gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of
wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 34, onderdeel
a):
Bij uitbesteden materieel en installatie
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde
oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 6,70 |
€ 67.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder
glas/kunststof |
25% |
€ 5,00 |
€ 250.000,– |
Bij enkel uitbesteden materieel
(installatie door eigen arbeid)
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
|
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
| |
|
|
|
|
| |
|
Materieel |
Eigen arbeid
forfaitair |
|
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde
oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 3,00 |
€ 3,70 |
€ 67.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder
glas/kunststof |
25% |
€ 1,30 |
€ 3,70 |
€ 250.000,– |
Tweede energieschermen, niet zijnde
gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of
wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 34, onderdeel b):
Bij uitbesteden materieel en installatie
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve of energie-
intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha
beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 6,70 |
€ 67.000,– |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha
beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 5,00 |
€ 250.000,– |
Bij enkel uitbesteden materieel
(installatie door eigen arbeid)
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
|
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
| |
|
|
|
|
| |
|
Materieel |
Eigen arbeid
forfaitair |
|
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk
aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 3,00 |
€ 3,70 |
€ 67.000,– |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha
beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 1,30 |
€ 3,70 |
€ 250.000,– |
Klimaatcomputer (artikel 34, onderdeel c):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming |
25% |
€ 45.000,– |
|
Meerinvestering kasdek met antireflectie
gecoat kasdekglas of kasdekkunstof (artikel 34, onderdeel d):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwondernemingen |
25% |
€ 10,00 |
€ 400.000,– |
Warmtebuffersysteem (artikel 34,
onderdeel e):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Buffercapaciteit |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming |
25% |
Tot 60 m3 |
€ 50.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming |
25% |
Tot 125 m3 |
€ 70.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming |
25% |
Tot 250 m3 |
€ 90.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming |
25% |
250 m3 of groter |
€ 100.000,– |
Energieclusters (artikel 34, onderdeel f):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Aantal deelnemers in
het samenwerkingsverband |
Maximale
subsidiabele investeringskosten voor het cluster |
|
Samenwerkingsverband van twee
glastuinbouwondernemingen |
25% |
2 |
€ 200.000,00 |
|
Samenwerkingsverband van drie
glastuinbouwondernemingen |
25% |
3 |
€ 300.000,00 |
Hogedruk vernevelingssysteem voor
kaskoeling (artikel 34, onderdeel g):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde
oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 5,50 |
€ 55.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte
onder glas/kunststof |
25% |
€ 4,10 |
€ 205.000,– |
Gevelscherm, niet zijnde
verduisteringsscherm (artikel 34, onderdeel h):
Bij uitbesteding materiaal en installatie
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk
aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 9,– |
€ 90.000,– |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha
beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 6,70 |
€ 336.000,– |
Bij enkel uitbesteden materiaal
(installatie door eigen arbeid)
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
|
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde
oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 4,00 |
€ 5,– |
€ 90.000,– |
|
Energie-extensieve
glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder
glas/kunststof |
25% |
€ 1,75 |
€ 5,– |
€ 336.000,– |
Ventilatoren voor vochtregulatie (artikel
34, onderdeel i):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximum subsidiabele
investeringskosten per m2 geïnstalleerd |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk
aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 4,– |
€ 40.000,– |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha
beteelde oppervlakte onder glas/kunststof |
25% |
€ 3,– |
€ 150.000,– |
Lucht-luchtwarmtewisselaars (artikel 34,
onderdeel i):
|
Onderneming |
Subsidiepercentage |
Maximale
subsidiabele investeringskosten per hectare |
Maximale
subsidiabele investeringskosten |
|
Energie-extensieve of
energie-intensieve glastuinbouwondernemingen |
25% |
€ 40.000 |
€ 150.000,– |
Bijlage 2. Rekenmodel als bedoeld in
bijlage 2, Hoofdstuk 2, Punt A, onderdeel b, van de regeling.
Marktintroductie Energie-innovaties: beperking van CO2-emissie door
toepassing van een semi-gesloten kas
Bedrijfsnaam:
Eigenaar/indiener:
Bedrijfsadres:
Postcode/plaats:
Bedrijfswebsite:
Correspondentieadres:
Postcode/plaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Aanvraagnummer:
De berekeningen zijn gemaakt op grond van
de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het
verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis
worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van
programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld
ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling
van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt
onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte-
en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in
een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur
uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig
warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de
geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende
CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met
de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte
CO2-emissiereductie ……… bedraagt.
Deel 1. Kasklimaatwensen en kasuitrusting
In de tuinbouw staat de
klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig
mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in
geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat
waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met
het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw
weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de
dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden
met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt.
Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel
koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het
model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het
klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel
moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier
als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens
en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar
slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het
klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen
die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de
referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn,
maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven
gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben
gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas
vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in
afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de
derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de
tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren
komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle
toelichtingen bij elkaar geplaatst.
| |
Omschrijving |
Eenheid |
Geconditioneerde
afdeling |
Referentie |
Niet geconditioneerd
deel |
|
1 |
Gesloten kas fractie |
% |
50 |
n.v.t. |
50 |
|
2 |
Gewas (kies: groente, potplant of
snijbloem) |
|
groente |
groente |
groente |
|
3 |
Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of
triple) |
|
enkelglas |
enkelglas |
enkelglas |
|
4 |
Stooktemperatuur dag |
°C |
18 |
18 |
18 |
|
5 |
Stooktemperatuur nacht |
°C |
17 |
17 |
17 |
|
6 |
Koel- of ventilatietemperatuur |
°C |
27 |
27 |
27 |
|
7 |
Pband ventilatie/koeling |
°C |
2 |
2 |
2 |
|
8 |
Maximale ventilatie met buitenlucht |
m3/(m2 hr) |
0 |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
9 |
Toegestane RV in de kas |
% |
85 |
85 |
85 |
|
10 |
Deksproeiers (kies ja of nee) |
|
nee |
nee |
nee |
|
11 |
Minimumbuistemperatuur |
°C |
40 |
40 |
40 |
|
12 |
VO van het minimumbuisnet |
m2 buis/m2 |
0,2 |
0,2 |
0,2 |
|
13 |
Streefwaarde CO2 |
ppm |
900 |
900 |
900 |
|
14 |
Maximale doseercapaciteit |
kg/(ha hr) |
120 |
180 |
180 |
|
15 |
Stralingscrit. voor schaduwscherm |
W/m2 |
1000 |
1000 |
1000 |
|
16 |
Schaduwfactor schaduwscherm |
% |
30 |
30 |
30 |
|
17 |
Buitentemp sluiten energiescherm |
°C |
12 |
12 |
12 |
|
18 |
Besparingspercentage v.h. scherm |
% |
45 |
45 |
45 |
|
19 |
Belichtingsintensiteit |
Wel/m2 |
0 |
0 |
0 |
|
20 |
Belichtingsschema (kies schema 1, 2
of 3) |
|
2 |
2 |
2 |
Belichtingsschema’s
Op deze pagina treft u drie
belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze
van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen
verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde
kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de
niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen
kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema
gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien
van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht
aanpassen.
[Schema1] Dit schema wordt gebruikt als u
in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
|
1 |
DagnrStartBel |
280 |
|
(→ dit is 6 oktober) |
|
2 |
DagnrStopBel |
80 |
|
(→ dit is 20 maart en
betekent 165 dg belichting) |
|
3 |
IglobBelUit |
150 |
W/m2 globale straling buiten de kas |
|
|
4 |
SavondsUit |
20 |
uur |
(belichting is 2 uur uit) |
|
5 |
SavondsAan |
22 |
uur |
|
[Schema2] Dit schema wordt gebruikt als u
in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
|
1 |
DagnrStartBel |
260 |
|
(→ dit is 16 september) |
|
2 |
DagnrStopBel |
91 |
|
(→ dit is 31 maart en
betekent 196 dg belichting) |
|
3 |
IglobBelUit |
150 |
W/m2 globale straling buiten de kas |
|
|
4 |
SavondsUit |
22 |
uur |
(belichting is 4 uur uit) |
|
5 |
SavondsAan |
2 |
uur |
|
[Schema3] Dit schema wordt gebruikt als u
in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
|
1 |
DagnrStartBel |
330 |
|
(→ dit is 25 november) |
|
2 |
DagnrStopBel |
300 |
|
(→ dit is 26 oktober en
betekent 335 dg belichting) |
|
3 |
IglobBelUit |
150 |
W/m2 globale straling buiten de kas |
|
|
4 |
SavondsUit |
20 |
uur |
(belichting is 4 uur uit) |
|
5 |
SavondsAan |
24 |
uur |
|
Deel 2. Ketelhuis
Met de installatie van een semi-gesloten
kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis
worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en
een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er
wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe
of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de
vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van
het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat
waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak
dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het
rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de
winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet
geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven
dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de
nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt
beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde
afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde
CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het
referentie-ketelhuis te beschrijven.
Nieuw of vernieuwd ketelhuis
| 1 |
Kasoppervlak |
1 |
ha |
|
|
| |
Geconditioneerd oppervlak |
0,5 |
ha |
Niet geconditioneerd opp. 0,5ha |
|
|
2 |
Buffercapaciteit |
200 |
m3 |
200 |
m3/ha |
|
3 |
Thermisch warmtepompvermogen |
700 |
kW th |
700 |
kW/ha |
|
4 |
Efficiëntie v.d. warmtepomp |
45 |
% |
|
|
|
5 |
Capaciteit aquifer |
200 |
m3/uur |
400 |
m3/ha gecond. kas per uur |
|
6 |
Temp verlies scheidingswisselaar |
1 |
°C |
|
|
|
7 |
Bufferinhoud koudebuffer |
1500 |
m3 |
3000 |
m3/ha gecond. kas |
|
8 |
Koude bron laden op |
8 |
°C |
|
|
|
9 |
WK-vermogen |
60 |
kW el. |
60 |
kW/ha |
|
10 |
elektrisch WK-rendement |
42 |
% |
|
|
|
11 |
thermisch WK-rendement |
55 |
% |
|
|
|
12 |
WK inzetten tijdens piek-uren
(ja/nee) |
ja |
|
|
|
|
13 |
Zomerse WK-warmte oversch. in aquif. |
nee |
|
|
|
Referentie ketelhuis
| 14 |
Kasoppervlak |
1 |
ha |
|
|
|
15 |
Buffercapaciteit |
100 |
m3 |
100 |
m3/ha |
|
16 |
WK-vermogen |
0 |
kW el. |
0 |
kW/ha |
|
17 |
elektrisch WK-rendement |
42 |
% |
|
|
|
18 |
thermisch WK-rendement |
55 |
% |
|
|
|
19 |
WK inzetten tijdens piek-uren
(ja/nee) |
nee |
|
|
|
Deel 3. Koel- en verwarmkarakteristieken
In de geconditioneerde kasafdeling zijn
luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren
ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het
temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de
hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid
een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging
installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie
koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren
van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid
koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is
door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits,
het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities
waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de
luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al
die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan
ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits
echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van
semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie
karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark
punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities
die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een
karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw
kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden
grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het
koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee
het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de
koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze
units bij gebruik voor verwarming.
|
Koelen |
|
|
|
|
|
Lege Velden |
|
Hiernaast ziet u een invulveld
waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven.
Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het
elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de
benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende
fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties
gemaakt. |
|
Benchmark punten v.d. Koelunit |
|
|
|
0 |
| |
1 |
Koelvermogen [kW] |
20 |
kW |
|
0 |
| |
2 |
Watertemp in [°C] |
12 |
°C |
17 |
0 |
| |
3 |
Watertemp uit [°C] |
22 |
°C |
0 |
0 |
| |
4 |
Luchttemperatuur in [°C] |
26 |
°C |
21 |
0 |
| |
5 |
Luchttemperatuur uit [°C] |
16 |
°C |
0 |
0 |
| |
6 |
Koelvermogen geldt bij een RV van |
85 |
% |
|
0 |
| |
7 |
Maximaal luchtdebiet [m3/uur] |
2000 |
m3/uur |
|
0 |
| |
8 |
Electr.gebr.vent bij max luchtdeb. |
0,3 |
kW |
|
0 |
| |
9 |
Waterzijdige drukval |
1,2 |
bar |
|
0 |
Vanuit de benchmark punten kan worden
berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van
13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op
de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst (83 m2 per unit).
De voelbare
warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen
gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de
luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens
in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units
0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W
verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van
22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en
kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende
karakteristieken van de koeler:
[Illustratie verwijderd]
Hieruit worden de onderstaande tabellen
afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
|
Elektriciteitsverbruik
ventilator |
|
Approach temperatuur
als functie van koelvermogen |
|
| |
|
|
|
|
belasting |
Elekverbruik [W/m2 ] |
koelverm |
Approachtemperatuur |
|
–1,00 |
0,00 |
0,00 |
0,20 |
|
0,10 |
1,36 |
32,57 |
2,42 |
|
0,15 |
1,67 |
48,86 |
3,06 |
|
0,20 |
1,92 |
65,14 |
3,52 |
|
0,25 |
2,15 |
81,43 |
3,87 |
|
0,30 |
2,36 |
97,71 |
4,14 |
|
0,35 |
2,55 |
114,00 |
4,36 |
|
0,40 |
2,72 |
130,29 |
4,53 |
|
0,45 |
2,89 |
146,57 |
4,67 |
|
0,50 |
3,04 |
162,86 |
4,77 |
|
0,55 |
3,19 |
179,14 |
4,85 |
|
0,60 |
3,33 |
195,43 |
4,91 |
|
0,65 |
3,47 |
211,71 |
4,95 |
|
0,70 |
3,60 |
228,00 |
4,97 |
|
0,75 |
3,60 |
244,29 |
4,98 |
|
0,80 |
3,60 |
260,57 |
4,98 |
|
0,85 |
3,60 |
276,86 |
4,96 |
|
0,90 |
3,60 |
293,14 |
4,93 |
|
0,95 |
3,60 |
309,43 |
4,90 |
|
1,00 |
3,60 |
325,71 |
4,85 |
|
100,00 |
3,60 |
800,00 |
19,90 |
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C
lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van
0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Deel 4. Overzicht van de resultaten
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt
en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Resultaten teelt
| Omschrijving |
Eenheid |
Nieuwe situatie |
Referentiesituatie |
|
Gem. teelttemperatuur winterperiode |
°C |
17,9 |
17,8 |
|
Gem. teelttemperatuur zomerperiode |
°C |
0,0 |
0,0 |
|
Gem. CO2-concentratie zomerperiode |
ppm |
677 |
405 |
|
Jaarlijkse CO2-gift |
kg/m2 |
25 |
37 |
|
Jaarlijks aantal energieschermuren |
uur |
2291 |
2291 |
|
Jaarlijks aantal schaduwschermuren |
uur |
0 |
0 |
|
Jaarlijks aantal belichtingsuren |
uur |
0 |
0 |
| |
|
|
|
|
Resultaten warmte, koude en elektra |
|
|
|
|
Jaarlijkse warmtevraag |
MJ/m2 |
1486 |
1542 |
|
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar
Aquifer |
MJ/m2 |
372 |
n.v.t. |
|
Gemiddelde temperatuur naar warme
bron |
°C |
22,3 |
|
|
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit
Aquifer |
MJ/m2 |
361 |
n.v.t. |
|
Hoogwaardig warmte-overschot |
MJ/m2 |
0 |
0 |
|
Elektriciteit voor belichting |
kWh/m2 |
0 |
0 |
|
Electriciteit voor koeling en
verwarming |
kWh/m2 |
12 |
n.v.t. |
|
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp |
kWh/m2 |
45 |
n.v.t. |
|
Effectieve COP Warmtepomp |
– |
2,9 |
n.v.t. |
| |
|
|
|
|
Resultaten gas en Elektra |
|
|
|
|
Gasinkoop |
m3/m2 |
35 |
49 |
|
Elektra inkoop |
kWh/m2 |
27 |
1 |
|
Elektra verkoop |
kWh/m2 |
12 |
0 |
|
Netto elektra inkoop |
kWh/m2 |
15 |
1 |
| |
|
|
|
|
Resultaten CO2-emissie |
|
|
|
|
CO2-emissie Ketel |
kg/m2 |
42 |
87 |
|
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik |
kg/m2 |
14 |
0 |
|
CO2-emissie WKK voor netlevering |
kg/m2 |
6 |
0 |
| |
kg/m2 |
62 |
87 |
| |
|
|
|
|
Conclusie CO2-emissiebeperking |
|
|
29% |
Bijlage 3. Gebied als bedoeld in artikel
48, eerste lid, waarvan de kritische depositiewaarde kleiner is dan
2.400 mol N per hectare per jaar
|
Gebied |
|
|
| |
Kritische
depositiewaarde |
|
|
Gebiedscode |
Gebiedsnaam |
mol N/ha/jaar |
|
NL2003001 |
Aamsveen |
400 |
|
NL2003003 |
Achter de Voort, Agelerbroek en
Voltherbroek |
1100 |
|
NL3000044 |
Alde Feanen |
700 |
|
NL2003004 |
Amerongse Bovenpolder |
1400 |
|
NL9801004 |
Bakkeveense Duinen |
740 |
|
NL2000002 |
Bargerveen |
400 |
|
NL2003005 |
Bekendelle |
1400 |
|
NL9801076 |
Bemelerberg en Schiepersberg |
830 |
|
NL2003006 |
Bennekomse Meent |
1100 |
|
NL2003007 |
Bergvennen en Brecklenkampse Veld |
410 |
|
NL3000040 |
Biesbosch |
1250 |
|
NL2003008 |
Boddenbroek |
410 |
|
NL2003009 |
Boetelerveld |
410 |
|
NL3004001 |
Boezem van Brakel |
1250 |
|
NL9801016 |
Borkeld |
410 |
|
NL2003010 |
Boschhuizerbergen |
410 |
|
NL9801044 |
Botshol |
700 |
|
NL1000029 |
Brunssumerheide |
400 |
|
NL2003011 |
Bruuk |
830 |
|
NL2003012 |
Bunder- en Elsloerbos |
830 |
|
NL9801019 |
Buurserzand en Haaksbergerveen |
400 |
|
NL1000030 |
Coepelduynen |
1000 |
|
NL9801021 |
Dinkelland |
410 |
|
NL9802066 |
Donkse Laagten |
1100 |
|
NL9801009 |
Drentsche Aa |
400 |
|
NL9803011 |
Drents-Friese Wold en Leggelerveld |
400 |
|
NL2003014 |
Drouwenerzand |
740 |
|
NL2003057 |
Duinen Ameland |
770 |
|
NL1000009 |
Duinen Den Helder – Callantsoog |
770 |
|
NL9801079 |
Duinen Goeree |
770 |
|
NL2003058 |
Duinen Schiermonnikoog |
700 |
|
NL1000010 |
Duinen Schoorl |
940 |
|
NL2003059 |
Duinen Terschelling |
700 |
|
NL2003060 |
Duinen Texel, Waal en Burg,
Dijkmanshuizen en de Bol |
770 |
|
NL2003061 |
Duinen Vlieland |
1000 |
|
NL3000016 |
Duinen Zwanenwater en
Pettemerduinen |
770 |
|
NL3000070 |
Dwingelderveld |
400 |
|
NL3004002 |
Eilandspolder-oost |
700 |
|
NL2003015 |
Elperstroom |
830 |
|
NL1000004 |
Engbertsdijksvenen |
400 |
|
NL9801007 |
Fochteloërveen en Esmeer |
400 |
|
NL1000002 |
Friese IJsselmeerkust |
1200 |
|
NL9801024 |
Gelderse Poort |
1250 |
|
NL2003016 |
Geleenbeekdal |
1100 |
|
NL9801041 |
Geuldal |
830 |
|
NL2003017 |
Gouwzee en kustzone Muiden |
2400 |
|
NL9801075 |
Grensmaas |
1400 |
|
NL4000021 |
Grevelingen |
770 |
|
NL2003018 |
Groot Zandbrink |
830 |
|
NL2003019 |
Groote Gat |
2400 |
|
NL9801036 |
Groote Heide – De Plateaux |
400 |
|
NL1000025 |
Groote Peel |
400 |
|
NL2003020 |
Groote Wielen |
1100 |
|
NL1000015 |
Haringvliet |
2000 |
|
NL9801071 |
Havelte-oost |
400 |
|
NL2003021 |
Hollands Diep (oeverlanden) |
2000 |
|
NL2003022 |
IJsseluiterwaarden |
1250 |
|
NL2003023 |
Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland |
700 |
|
NL3000401 |
Kampina en Oisterwijkse Bossen en
Vennen |
400 |
|
NL1000022 |
Kempenland |
410 |
|
NL1000012 |
Kennemerland-zuid |
770 |
|
NL2003024 |
Kolland en Overlangbroek |
2000 |
|
NL1000017 |
Kop van Schouwen |
770 |
|
NL9801072 |
Korenburgerveen |
400 |
|
NL1000021 |
Krammer-Volkerak |
1390 |
|
NL2003025 |
Kunderberg |
1400 |
|
NL3004003 |
Landgoederen Oldenzaal |
1100 |
|
NL2003026 |
Langstraat bij Sprang-Capelle |
410 |
|
NL9802041 |
Leekstermeergebied |
1200 |
|
NL2003027 |
Lemselermaten |
410 |
|
NL9803039 |
Leudal |
1400 |
|
NL3004005 |
Leusveld, Voorstonden en Empensche/Tondensche
heide |
830 |
|
NL2003028 |
Lieftinghsbroek |
1100 |
|
NL2003029 |
Lonnekermeer |
410 |
|
NL9803030 |
Loonse en Drunense Duinen, De Brand
en de Leemkuilen |
410 |
|
NL2003030 |
Luistenbuul en Koekoeksche Waard |
1250 |
|
NL1000028 |
Maasduinen |
400 |
|
NL1000020 |
Manteling van Walcheren |
1000 |
|
NL2003031 |
Mantingerbos |
1100 |
|
NL2003032 |
Mantingerzand |
410 |
|
NL1000027 |
Mariapeel en Deurnese Peel |
400 |
|
NL1000013 |
Meijendel en Berkheide |
940 |
|
NL2000008 |
Meinweg |
400 |
|
NL3000061 |
Naardermeer |
1100 |
|
NL3000036 |
Nieuwkoopse Plassen en de Haeck |
700 |
|
NL2003033 |
Noorbeemden |
1400 |
|
NL9801080 |
Noordhollands Duinreservaat |
770 |
|
NL2003062 |
Noordzeekustzone |
1390 |
|
NL2003034 |
Norgerholt |
1400 |
|
NL2003035 |
Oeffeltermeent |
1250 |
|
NL2003063 |
Olde Maten en Veerslootslanden |
700 |
|
NL2003036 |
Oostelijke Vechtplassen |
700 |
|
NL1000018 |
Oosterschelde |
700 |
|
NL2003038 |
Oudegaasterbrekken, Gouden Bodem en
Fluessen |
2100 |
|
NL2003037 |
Oude Maas |
2410 |
|
NL9801055 |
Ossendrecht |
410 |
|
NL2003039 |
Polder Stein |
1540 |
|
NL2003040 |
Polder Westzaan |
700 |
|
NL9803073 |
Regte Heide en Riels Laag |
410 |
|
NL2003041 |
Rijswaard en Kil van Hurwenen |
1250 |
|
NL2003065 |
Ringselven en Kruispeel |
410 |
|
NL2003042 |
Roerdal |
1250 |
|
NL9803006 |
Rottige Meenthe en Brandemeer |
700 |
|
NL9803015 |
Sallandse Heuvelrug |
400 |
|
NL2003043 |
Sarsven en de Banen |
410 |
|
NL9801040 |
Savelsbos |
830 |
|
NL1000016 |
Solleveld |
940 |
|
NL9801064 |
Springendal en Dal van de Mosbeek |
830 |
|
NL2003044 |
Stelkampsveld (Beekvliet) |
410 |
|
NL3004004 |
St. Jansberg |
1100 |
|
NL9801025 |
St. Pietersberg en Jekerdal |
830 |
|
NL1000024 |
Strabrechtse heide en Beuven |
410 |
|
NL2003045 |
Swalmdal |
1250 |
|
NL2003046 |
Teeselinkven |
410 |
|
NL2003047 |
Ulvenhoutse Bos |
1100 |
|
NL9802046 |
Van Oordt’s Mersken |
830 |
|
NL9801017 |
Vecht- en Beneden-Regge |
410 |
|
NL9801023 |
Veluwe: NW (incl. enclave) |
400 |
|
NL9801023 |
Veluwe: NO |
400 |
|
NL9801023 |
Veluwe: midden |
400 |
|
NL9801023 |
Veluwe: ZO |
400 |
|
NL9801023 |
Veluwe: zoom |
400 |
|
NL9801023 |
Veluwe: omg Ede |
400 |
|
NL2003048 |
Veluwemeer-Wolderwijd |
> 2400 |
|
NL9801049 |
Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche
Broek |
410 |
|
NL4000017 |
Voordelta |
2500 |
|
NL9803077 |
Voornes Duin |
770 |
|
NL1000001 |
Waddenzee |
940 |
|
NL9801013 |
Weerribben |
700 |
|
NL9801035 |
Weerterbos |
410 |
|
NL1000014 |
Westduinpark en Wapendal |
1100 |
|
NL9803061 |
Westerschelde |
1420 |
|
NL2003064 |
Wieden |
700 |
|
NL9801018 |
Wierdense veld |
400 |
|
NL2003050 |
Wijnjeterper Schar en Terwispeler
Grootschar |
830 |
|
NL2003051 |
Willinks Weust |
830 |
|
NL2003052 |
Witte Veen |
400 |
|
NL1000003 |
Witterveld |
400 |
|
NL2003053 |
Wooldse Veen |
400 |
|
NL2003054 |
Wormer- en Jisperveld en
Kalverpolder |
700 |
|
NL9802068 |
Yerseke en Kapelse Moer |
2500 |
|
NL2003055 |
Zeldersche Driessen |
1100 |
|
NL3004006 |
Zouweboezem |
1100 |
|
NL3004007 |
Zuider Lingedijk – Diefdijk Zuid |
1100 |
|
NL2003056 |
Zwarte Meer |
1540 |
|
NL1000005 |
Zwarte Water |
1540 |
|
NL3000027 |
Zwin |
1240 |
|