|
BESLUIT van 6 februari 2001, houdende vaststelling van
de regels rond het recht op militair arbeidsongeschiktheids- of
invaliditeitspensioen voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (Besluit
aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen
militairen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 februari 1999,
nr. P/99000777;
Gelet op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet
militaire pensioenen;
De Raad van State gehoord (advies van 27 april
1999, nr. W07.99.0082/II);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Defensie van 1 februari
2001, nr. P/2001000559;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf
1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. militair: de beroepsmilitair, dienstplichtige of reservist;
b. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uitkering ingevolge de
WAO, de aanspraak op vakantie-uitkering daaronder begrepen;
d. ontslaguitkering: een uitkering ingevolge het
Werkloosheidsbesluit defensie-personeel of het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd;
e. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
f. berekeningsgrondslag:
1e. voor de beroepsmilitair: voor zover daarover de
verplichting tot premieafdracht in de zin van het
pensioenreglement heeft bestaan, de som van de militaire inkomsten
uit het jaar voorafgaande aan zijn ontslag;
2e. voor de reservist en dienstplichtige: het bedrag van de
inkomsten die hij in het jaar voorafgaande aan het einde van zijn
werkelijke dienst uit hoofde van zijn beroep of bedrijf zou hebben
kunnen genieten indien hij niet in werkelijke dienst zou zijn
geweest;
g. suppletieregeling: de Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector Defensie.
Artikel 2. Arbeidsongeschiktheid en invaliditeit
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder
arbeidsongeschiktheid met dienstverband verstaan: een
arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekten of gebreken, die in
overwegende mate hun oorzaak vinden in de aard van de aan de militair
opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder
zij moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of
onvoorzichtigheid zijn te wijten.
2. Indien ingevolge het eerste lid voor een bepaalde ziekte of
gebrek arbeidsongeschiktheid met dienstverband is aangenomen, dan geldt
dit eveneens voor een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een andere
ziekte of gebrek waarvoor dat verband niet kan worden aangenomen.
3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder invaliditeit
met dienstverband verstaan: een invaliditeit van tenminste 10%
tengevolge van:
a. verwonding, ziekten of gebreken, welke zijn veroorzaakt door de
uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of
daarmee vergelijkbare omstandigheden;
b. ziekten of gebreken, welke het gevolg zijn van verrichtingen of
vermoeienissen aan de uitoefening van de militaire dienst in geval van
buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden verbonden, dan
wel welke tot uiting zijn gekomen onder overwegende invloed van die
verrichtingen of vermoeienissen; of
c. ziekten of gebreken, welke zijn ontstaan, tot uiting zijn
gekomen of verergerd mede door inwerking van bijzondere, zeer nadelige
invloeden, waaraan de beroepsmilitair in verband met de uitoefening
van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee
vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest;
4. Onder uitoefening van de militaire dienst wordt verstaan:
a. de uitvoering van expliciet of impliciet gegeven
dienstopdrachten of dienstbevelen;
b. het verrichten van handelingen of activiteiten in het kader van
algemene of bijzondere dienstverrichtingen; of
c. activiteiten, die gezien het daaraan verbonden dienstbelang als
uitoefening van die dienst aangemerkt kunnen worden.
5. Onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden
wordt verstaan:
a. een uitzonderingstoestand in de zin van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden;
b. de deelname aan operaties ter bevordering of handhaving van de
internationale rechtsorde;
c. de verlening van bijstand, zoals onder meer bedoeld in artikel
71 Wetboek van Militair Strafrecht, de artikelen 58, 59 of 60
van de Politiewet 1993 en artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering, voor zover sprake is van een verhoogd risico.
6. Tot de buitengewone omstandigheden in de zin van het vijfde
lid worden mede gerekend:
a. het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen
van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid
in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te
onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico;
b. afzonderlijk door Onze Minister te bepalen gevallen die
bijzonder van aard zijn en waarbij een verhoogd risico aanwezig is;
een en ander voor zover de gebruikelijke veiligheidsmaatregelen ter
bescherming van de gezondheid geheel of gedeeltelijk door de Commandant
Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant
Luchtstrijdkrachten, of de Commandant Koninklijke Marechaussee buiten
werking zijn gesteld.
7. Voor elke verwonding, ziekte of gebrek wordt afzonderlijk
vastgesteld of sprake is van invaliditeit met dienstverband.
8. Indien voor een bepaalde verwonding, ziekte of gebrek
invaliditeit met dienstverband is vastgesteld betekent dit dat voor die
aandoening, indien die aandoening leidt tot arbeidsongeschiktheid en die
arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de
invaliditeit met dienstverband, eveneens sprake is van
arbeidsongeschiktheid met dienstverband.
9. Op het onderzoek naar de toepasselijkheid van dit besluit is
het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende
dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen van toepassing.
10. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere en,
zo nodig, afwijkende regels stellen.
Paragraaf 2. Aanspraken voor de beroepsmilitair
Artikel 3. Het arbeidsongeschiktheidspensioen
1. De beroepsmilitair die ter zake van ziekten of gebreken uit
zijn militaire betrekking is ontslagen heeft, zolang vanwege die
betrekking recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, recht
op een arbeidsongeschiktheidspensioen.
2. Eveneens recht op arbeidsongeschiktheidspensioen heeft de op
andere gronden ontslagen beroepsmilitair die binnen een maand na zijn
ontslag of in de periode waarin hij recht heeft op een ontslaguitkering
alsnog arbeidsongeschikt wordt en aan die arbeidsongeschiktheid recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
3. Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt vastgesteld op het
bij de mate van arbeidsongeschiktheid behorende percentage van de
berekeningsgrondslag. Dat percentage is:
a. indien er sprake is van de onder b bedoelde individuele
bijverzekering:
bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 70%
65 tot 80%: 50,75%
55 tot 65%: 42%
45 tot 55%: 35%
35 tot 45%: 28%
25 tot 35%: 21%
15 tot 25%: 14%
b. indien de rechthebbende als werknemer de keuze heeft gemaakt om
af te zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de
verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen:
in de periode, bedoeld in artikel 21a van de WAO, de onder a genoemde
percentages, en in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO:
bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 65%
65 tot 80%: 47,25%
55 tot 65%: 39%
45 tot 55%: 32,5%
35 tot 45%: 26%
25 tot 35%: 19,5%
15 tot 25%: 13%
4. Een krachtens het derde lid toepasselijk berekeningspercentage
van 70 wordt vervangen door een percentage van 75 indien de militair op
het tijdstip van ingang van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen 55 jaar
of ouder is.
5. Waar sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband
worden de in het derde en vierde lid bedoelde percentages vervangen
door:
bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%
65 tot 80%: 73,31%
55 tot 65%: 56,59%
45 tot 55%: 45,01%
35 tot 45%: 34,08%
25 tot 35%: 22,50%
15 tot 25%: 15%
6. In afwijking van het derde, vierde en vijfde lid en met
inachtneming van het zevende lid, wordt het
arbeidsongeschiktheidspensioen van de rechthebbende die in een althans
voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, waardoor
hij geregeld oppassing en verzorging nodig heeft, bepaald op het bedrag
dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot ten
hoogste 100% van de, zo nodig op 261 maal het in het eerste lid van
artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag
met betrekking tot een loontijdvak van een dag, berekeningsgrondslag.
7. Het zesde lid vindt geen toepassing indien de rechthebbende in
een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een
verzekering inzake ziektekosten komen.
8. Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitbetaald voor zover
het de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de rechthebbende, verhoogd
met diens eventuele suppletie krachtens de suppletieregeling,
overschrijdt.
9. Indien ingevolge de WAO recht bestaat op een zowel aan de
militaire als een andere dienstbetrekking te ontlenen uitkering of op
een niet rechtstreeks uit de militaire dienstbetrekking voortkomende
uitkering waarin de ziekten of gebreken die tot het ontslag als militair
hebben geleid een rol of mede een rol spelen, wordt bij de toepassing
van de voorgaande leden gerekend met de bij die ziekten of gebreken
passende mate van arbeidsongeschiktheid en het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering dat daar ingevolge die wet aan wordt
verbonden.
10. Indien de ziekten of gebreken die tot het ontslag als
militair hebben geleid na een periode van arbeidsgeschiktheid opnieuw
tot arbeidsongeschiktheid leiden, die arbeidsongeschiktheid niet leidt
tot de toekenning van een nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkering en het
recht op de oude arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens het verstrijken
van de daarvoor geldende termijnen niet kan herleven, wordt bij de
toepassing van de voorgaande leden gerekend met het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering dat zou zijn toegekend indien die
belemmering niet bestond.
11. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de met
inachtneming van artikel 44 van de WAO vast te stellen mate van
arbeidsongeschiktheid en van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestaat voor de mogelijke
vermindering daarvan met andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en
voor de eventuele toepassing van een administratieve sanctie.
Artikel 4. Het garantiepensioen
De som van het arbeidsongeschiktheidspensioen, het
invaliditeitspensioen, de suppletie en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop ingevolge de voorgaande
artikelen, artikel 7, de suppletieregeling en de WAO aanspraak bestaat,
is over enige betalingstermijn niet lager dan het aan dezelfde militaire
betrekking te ontlenen ouderdomspensioen krachtens het
pensioenreglement, zonder toepassing van de daarbij te hanteren
franchise berekend naar de op het moment van ontslag uit die betrekking
aan te wijzen diensttijd. Indien de betreffende som lager is dan dat
ouderdomspensioen heeft de belanghebbende bij wijze van garantiepensioen
recht op het verschil.
Artikel 5. Kortingen en beperkingen met betrekking tot het
arbeidsongeschiktheidspensioen
1. Indien de rechthebbende op een
arbeidsongeschiktheidspensioen andere inkomsten uit of in verband met
arbeid geniet, anders dan de hem op grond van dezelfde
dienstbetrekking toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkering of
suppletie krachtens de suppletieregeling, zijn daaraan gekoppelde
ontslaguitkering of invaliditeitspensioen, dan wel de op dat
invaliditeitspensioen verstrekte bijzondere invaliditeitsverhoging,
bedraagt de som van die inkomsten en zijn aan de arbeidsongeschiktheid
te relateren rechten, het garantiepensioen daaronder begrepen, niet
meer dan de berekeningsgrondslag. Een positief verschil tussen die som
en de berekeningsgrondslag wordt voor zoveel mogelijk op zijn
arbeidsongeschiktheidspensioen en zijn eventuele garantiepensioen in
mindering gebracht. Inkomsten die al voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid naast de militaire werden genoten en de
eventuele vervangende inkomsten in verband daarmee, blijven daarbij,
voor zover zij althans niet voortkomen uit een verhoogde werkzaamheid
na het ontslag als militair, buiten beschouwing.
2. Een niet rechtstreeks uit de loonontwikkeling voortkomende
algemene neerwaartse wijziging van de WAO-uitkeringen wordt niet door de
arbeidsongeschiktheidspensioenen gecompenseerd dan nadat daarover tussen
de sociale partners in het Sectoroverleg Defensie overeenstemming is
bereikt.
3. Onze Minister kan een arbeidsongeschiktheidspensioen weigeren
of verminderen indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
een sanctie overeenkomstig de WAO is toegepast. Hij neemt daarbij het
sanctiebeleid dat ten aanzien van die arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegepast voor zoveel mogelijk inacht.
Artikel 6. Verhoging tot minimumloon
1. Indien de som van het krachtens de voorgaande artikelen
vastgestelde arbeidsongeschiktheidspensioen en de andere inkomsten uit
of in verband met arbeid of bedrijf van de rechthebbende, met
uitzondering van de in artikel 8 bedoelde bijzondere
invaliditeitsverhoging, de aan zijn arbeidsongeschiktheid,
invaliditeit met dienstverband of werkloosheid te relateren andere
inkomsten daaronder begrepen, minder bedraagt dan het op enig moment
geldend en met de daarbij behorende vakantie-uitkering verhoogde
wettelijk minimumloon voor een volwassene op jaarbasis, wordt dat
pensioen verhoogd met het bedrag dat nodig is om die som tot dat
minimumloon te verhogen.
2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt niet meer dan
het verschil tussen enerzijds de voor de berekening van het
arbeidsongeschiktheidspensioen geldende berekeningsgrondslag en
anderzijds de som van dat pensioen en de aan dezelfde militaire
betrekking te ontlenen arbeidsongeschiktheidsuitkering en tevens niet
meer dan 30 procent van het in het eerste lid bedoelde minimumloon.
Artikel 7. Het invaliditeitspensioen
1. De beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van
invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft uit hoofde van
zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is
ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.
2. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde
invaliditeitspensioen is gelijk aan zoveel procent van de bij de
betreffende militaire betrekking behorende berekeningsgrondslag als de
mate van invaliditeit met dienstverband beloopt.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde invaliditeitspensioen
wordt uitbetaald voor zover het de som van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, verhoogd met de eventuele suppletie
krachtens de suppletieregeling en het arbeidsongeschiktheidspensioen van
de rechthebbende overschrijdt.
4. De berekeningsgrondslag voor het invaliditeitspensioen
bedraagt niet minder dan € 17 034,25.
Artikel 8. De bijzondere invaliditeitsverhoging
1. De beroepsmilitair met een recht op invaliditeitspensioen
heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:
a. 40 procent van de in artikel 7 bedoelde berekeningsgrondslag
indien de mate van invaliditeit met dienstverband waaraan dat recht op
pensioen wordt ontleend 100 procent bedraagt,
b. 30 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van
invaliditeit ten minste 80 maar minder dan 100 procent bedraagt,
c. 20 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van
invaliditeit ten minste 60 maar minder dan 80 procent bedraagt,
d. 10 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van
invaliditeit ten minste 40 maar minder dan 60 procent bedraagt,
e. 5 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van
invaliditeit ten minste 20 maar minder dan 40 procent bedraagt,
en daling van die percentages voor de toekomst niet aannemelijk wordt
geacht.
2. Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op
invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:
a. het verlies van een der ledematen,
b. een belangrijke misvorming van het gelaat, welke door
hulpmiddelen niet voldoende is te verbergen, zodat de rechthebbende de
omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt,
c. onbruikbaarheid van een der ledematen dan wel uit een toestand,
welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,
d. een zodanige vermindering van de beweeglijkheid of bruikbaarheid
van twee of meer ledematen, dat de toestand van de rechthebbende is
gelijk te stellen met die, bedoeld onder c, of
e. een zodanige beperking van het gezichtsvermogen, dat het
vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt
getroffen,
bedraagt de bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 30
procent van de in het eerste lid bedoelde berekeningsgrondslag.
3. Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op
invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:
a. het verlies van twee of meer ledematen,
b. het totale verlies van het gezichtsvermogen in beide ogen dan
wel uit een toestand, welke met blindheid is gelijk te stellen, of
c. onbruikbaarheid van twee of meer ledematen dan wel uit een
toestand, welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,
bedraagt de bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 40
procent van de in het eerste lid bedoelde berekeningsgrondslag.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden handen
en voeten onder ledematen begrepen.
5. Indien de invaliditeit met dienstverband bestaat uit meerdere
van de in het tweede en derde lid omschreven omstandigheden, bedraagt de
bijzondere invaliditeitsverhoging niet meer dan 40 procent van de in het
eerste lid bedoelde berekeningsgrondslag.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de
beroepsmilitair die ondanks ongeschiktheid in militaire dienst wordt
gehandhaafd. De bijzondere invaliditeitsverhoging wordt in dat geval,
vanaf het moment dat tot handhaving wordt besloten, vastgesteld aan de
hand van het pensioengevend inkomen dat over enige betalingstermijn
wordt genoten.
Artikel 9. De herplaatsingstoelage
1. Recht op een herplaatsingstoelage heeft de
arbeidsongeschikte beroepsmilitair die:
a. wordt herplaatst in een of meer andere dienstbetrekkingen, en
b. niet volledig arbeidsongeschikt is, en
c. zijn resterende verdiencapaciteit volledig benut.
2. De herplaatsingstoelage bedraagt het nadelig verschil tussen
enerzijds de berekeningsgrondslag waarnaar het
arbeidsongeschiktheidspensioen moet of zou moeten worden berekend en
anderzijds het totaal van de daarmee overeenkomende inkomsten uit de
nieuwe dienstbetrekking, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het
arbeidsongeschiktheidspensioen.
3. Bij herplaatsing in een dienstbetrekking op grond waarvan de
gewezen beroepsmilitair deelnemer is krachtens het pensioenreglement,
wordt bij de toepassing van het tweede lid als inkomsten uit de nieuwe
dienstbetrekking aangemerkt het inkomen in de nieuwe dienstbetrekking,
bedoeld in artikel 3.1. van het vorengenoemde pensioenreglement.
4. De loonsuppletie, bedoeld in artikel 32 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, wordt gerekend tot de in het tweede
lid bedoelde inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking.
5. Het recht op een herplaatsingstoelage vervalt met ingang van
de eerste dag van de maand volgende op die waarin niet meer aan de
voorwaarden voor de toekenning ervan wordt voldaan.
Paragraaf 3. Aanspraken voor de dienstplichtige en reservist
Artikel 10. Arbeidsongeschiktheidsverhoging
1. De dienstplichtige of reservist bij wie een bepaalde mate
van arbeidsongeschiktheid met dienstverband is vastgesteld die is
ontstaan in het met een ontslag als zodanig beëindigde tijdvak van
zijn werkelijke dienst en die in verband met die beëindiging in het
genot is van een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een daarmee
vergelijkbare andere wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft
recht op een verhoging van die uitkering tot een percentage van zijn
berekeningsgrondslag van:
bij een mate van arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%
65 tot 80%: 73,31%
55 tot 65%: 56,59%
45 tot 55%: 45,01%
35 tot 45%: 34,08%
25 tot 35%: 22,50%
15 tot 25%: 15,00%
2. De artikelen 4, 5 en 6 zijn op de in het eerste lid bedoelde
verhoging van overeenkomstige toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde verhoging behoort niet tot de
inkomsten die ingevolge de kortingsbepalingen van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een daarmee
vergelijkbare andere wettelijke regeling op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen worden gekort.
Artikel 11. Invaliditeitspensioen en bijzondere
invaliditeitsverhoging
1. De dienstplichtige of reservist bij wie een bepaalde mate
van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld die is ontstaan in
het met een ontslag als zodanig beëindigde tijdvak van zijn
werkelijke dienst, heeft recht op een invaliditeitspensioen.
2. De in het eerste lid bedoelde gewezen militair heeft naar de
daartoe in artikel 8 neergelegde normen en voorwaarden recht op een
bijzondere invaliditeitsverhoging.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde rechten worden
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 7, eerste, tweede
en vierde lid en artikel 8.
4. Het invaliditeitspensioen voor de dienstplichtige of reservist
wordt uitbetaald voor zover het de som van de aan dezelfde
dienstverhouding te ontlenen uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen en de in artikel 10
bedoelde verhoging daarvan overschrijdt.
5. Het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen behoort
niet tot de inkomsten die ingevolge de kortingsbepalingen van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een daarmee
vergelijkbare andere wettelijke regeling op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen worden gekort.
6. Nadere voorschriften voor de vaststelling van de bij
toepassing van dit artikel te hanteren berekeningsgrondslag worden
neergelegd in een ministeriële regeling.
Paragraaf 4. Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 12. Toeslag
1. Op het bedrag van het krachtens de voorgaande artikelen te
berekenen pensioenen bestaat recht op een toeslag van:
a. 15 procent van het totaalbedrag indien de te hanteren
berekeningsgrondslag betrekking heeft op een tijdvak voor 1 januari
1986;
b. 4,5 procent van het totaalbedrag indien de te hanteren
berekeningsgrondslag betrekking heeft op een tijdvak gelegen tussen 31 december
1985 en 1 januari
1995, en
c. voor zolang er recht bestaat op een invaliditeitspensioen, 4,5
procent van het totaalbedrag indien de te hanteren
berekeningsgrondslag betrekking heeft op een tijdvak na 31 december
1994.
2. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste 4,5
procent van € 37 571,59 onderscheidenlijk 15 procent van € 32
812,76.
3. Voor de dienstplichtige of reservist wordt het bedrag van de
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
bij het in het eerste lid bedoelde totaalbedrag betrokken.
Artikel 13. Uitkering bij overlijden
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de rechthebbende
op een pensioen, een pensioenverhoging of een herplaatsingtoelage
wordt aan de partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde een
uitkering toegekend gelijk aan het totaal van de aanspraken op het
overlijdensmoment over een tijdvak van twee maanden. Bij de
vaststelling van de uitkering wordt artikel 3, achtste lid, niet
toegepast. Een overlijdensuitkering op grond van het genot van de in
dat lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op het gevonden
bedrag in mindering gebracht.
2. Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid
komt de overlijdensuitkering toe aan de wezen die ingevolge het
pensioenreglement of het Besluit bijzondere militaire pensioenen aan het
overlijden recht op wezenpensioen kunnen ontlenen.
3. Bij ontstentenis van zowel een partner als bedoeld in het
eerste lid, als van wezen, bedoeld in het tweede lid, geschiedt de
overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen,
broers of zusters, indien de overledene kostwinner was van de genoemde
betrekkingen.
4. Indien de overledene geen betrekkingen nalaat als bedoeld in
de voorgaande leden, kan het bedrag van de overlijdensuitkering geheel
of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de
overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing in geval van vermissing van een rechthebbende.
Artikel 14. Indexering
1. De berekeningsgrondslagen worden overeenkomstig in hoofdstuk
12 van het pensioenreglement aangepast aan de algemene
bezoldigingswijzigingen van het overheidspersoneel. De pensioenen,
verhogingen en toelagen, de verhoging, bedoeld in artikel 8, zesde
lid, uitgezonderd, worden aan de hand van die aangepaste
berekeningsgrondslagen herberekend.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
bedragen, genoemd in artikel 7, vierde lid, 11, derde lid, en 12, tweede
lid.
Artikel 15. Toekenning
1. De pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen worden
toegekend op aanvraag van de belanghebbende en worden op een
jaarbedrag vastgesteld.
2. De pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen gaan in op de
dag waarop het recht daarop ontstaat.
3. In afwijking van het tweede lid gaat een pensioen, een
verhoging of een toelage waarvoor de aanvraag niet tijdig bij Onze
Minister is ingekomen niet eerder in dan een jaar voor de dag van
binnenkomst van het verzoek.
4. Een wijziging van de aanspraken door een verandering van de
mate van arbeidsongeschiktheid gaat in op het moment waarop in dat
verband de bijbehorende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt gewijzigd.
5. Een wijziging van de aanspraken door een wijziging van de mate
van invaliditeit met dienstverband gaat in:
a. indien het onderzoek naar die mate van invaliditeit ambtshalve
plaatsvond en het berekeningspercentage moet worden verhoogd, met
ingang van de dagtekening van de uitnodiging tot herkeuring aan de
belanghebbende;
b. indien het onderzoek naar die mate van invaliditeit op verzoek
van de belanghebbende plaatsvond en het berekeningspercentage moet
worden verhoogd, met ingang van de dag waarop die mate van
invaliditeit geacht kan worden te zijn toegenomen, doch niet eerder
dan met ingang van de dag, liggende een jaar voor de dag van
binnenkomst van het betreffende verzoek;
c. indien het onderzoek naar de mate van invaliditeit met
dienstverband uitwijst dat het berekeningspercentage moet worden
verlaagd, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
waarin aan de belanghebbende het bericht van die verlaging is
verzonden.
6. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van bedragen
die overeenkomstig artikel 14 en de daaraan voorafgaande vergelijkbare
regels zijn gebracht op het niveau van het moment van toekenning.
Artikel 16. Einde
1. De pensioenen, verhogingen en toelagen eindigen met het
einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden en uiterlijk
op de eerste dag van de maand waarin de rechthebbende de leeftijd van
65 jaar bereikt.
2. In afwijking van het eerste lid eindigen de pensioenen,
verhogingen en toelagen bij vermissing op een door Onze Minister te
bepalen dag.
3. Indien de vermiste militair, wiens aanspraken op grond van het
tweede lid zijn beëindigd, in leven blijkt te zijn, herleven die
aanspraken met ingang van een door Onze Minister te bepalen dag.
Artikel 17. Betaling
De betaling van de pensioenen, toeslagen, verhogingen en toelagen
geschiedt in maandelijkse termijnen.
Paragraaf 5. Overgangsbepalingen
Artikel 18. Lopende rechten
1. Dit besluit is niet van toepassing op de gewezen militair
voor zolang recht op een vergelijkbaar pensioen kan worden ontleend
aan de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire
pensioenwet in de zin van die wet.
2. Vanaf de dag waarop het in het eerste lid bedoelde recht in
verband met de intrekking van de desbetreffende bepalingen vervalt,
wordt aan de gewezen militair een pensioen krachtens dit besluit
toegekend. Daarbij wordt:
1e. gebruik gemaakt van de laatstelijk onder de werking van de in
het eerste lid bedoelde wetten vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid, arbeidsongeschiktheid met dienstverband en
invaliditeit met dienstverband;
2e. als berekeningsgrondslag voor het invaliditeitspensioen
aangemerkt de pensioen- of berekeningsgrondslag die onder de werking
van de in het eerste lid bedoelde wetten is of zou zijn gehanteerd;
3e. als berekeningsgrondslag voor het naar diensttijd te berekenen
garantiepensioen de pensioengrondslag gehanteerd die terzake onder de
werking van de in het eerste lid bedoelde wetten is vastgesteld.
Artikel 19. Afwijkende regels
1. In dit artikel wordt verstaan onder peildatum: de dag
voorafgaande aan de dag met ingang waarvan de Algemene militaire
pensioenwet is ingetrokken.
2. Bij de toepassing van dit besluit gelden de volgende
afwijkende regels.
1e. Indien de aan het pensioenrecht ten grondslag liggende
verwonding, ziekten of gebreken voor 1 januari
1998 zijn ontstaan, wordt de vraag naar het verband met de militaire
dienst uitsluitend beantwoord naar hetgeen daarvoor geldt op de
peildatum.
2e. Indien het recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging wordt
ontleend aan een met een voor 1 januari
1998 liggend ontslag afgesloten periode van militaire dienst, wordt
dat recht uitsluitend getoetst naar hetgeen daarvoor geldt op de
peildatum.
3e. Indien het recht op pensioen van de dienstplichtige of
reservist wordt ontleend aan een periode van werkelijke dienst die is
afgesloten met een voor 1 januari
1998 liggend ontslag, wordt artikel 11, vierde en vijfde lid, en 12,
derde lid, buiten toepassing gelaten.
4e. Indien het recht op pensioen wordt ontleend aan een met een
voor 1 januari 1998 liggend ontslag afgesloten periode van militaire
dienst, wordt artikel 5, eerste lid, buiten toepassing gelaten en
wordt de vraag of op het pensioen moet worden gekort uitsluitend,
rekening houdend met het bij die artikelen behorende overgangsrecht,
getoetst naar hetgeen daarvoor geldt op de peildatum.
5e. Indien aan de gewezen militair een vast pensioenbedrag is
toegekend, bedoeld in de artikelen E 3
en E 4
van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die artikelen daags voor
intrekking luidden, wordt dat pensioen naar dezelfde normen en
voorwaarden opnieuw toegekend, en, waar mogelijk, op het krachtens dit
besluit toe te kennen invaliditeitspensioen in mindering gebracht.
6e. Indien aan de gewezen dienstplichtige of reservist in verband
met een ontslag ter zake van ziekten of gebreken een naar diensttijd
te berekenen pensioen was toegekend, wordt dat pensioen naar dezelfde
normen en voorwaarden opnieuw toegekend, en, waar mogelijk, op het
krachtens dit besluit toe te kennen invaliditeitspensioen in mindering
gebracht.
7e. Artikel 10 wordt buiten toepassing gelaten indien de daar
bedoelde dienstplichtige of reservist voor 1 januari
1998 als zodanig is ontslagen.
8e. De vast te stellen mate van invaliditeit met dienstverband die
wordt ontleend aan een periode van werkelijke die voor 1 januari
1966 met een ontslag is beëindigd, wordt naar boven afgerond op
veelvouden van 10.
9e. De invaliditeit met dienstverband, vastgesteld krachtens een in
artikel A 1,
onder j, van de Algemene militaire pensioenwet genoemde vroegere
militaire pensioenwet, zoals deze op de peildatum luidde en behorende
bij een levenslang toegekend invaliditeitspensioen, wordt alleen op
aanvraag van de belanghebbende en alleen in diens voordeel herzien.
10e. De toeslag, bedoeld in artikel 74, vijfde lid, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, wordt onder de
daar aangegeven voorwaarden voortgezet.
Artikel 20. Garantietoeslag
1. Indien een lopende aanspraak op pensioen ter zake van
ziekten of gebreken krachtens een vroegere regeling is omgezet naar
een vergelijkbare aanspraak ingevolge dit besluit en die aanspraak een
lager bruto totaalbedrag oplevert dan dat waarop voor die omzetting
recht bestond, heeft de belanghebbende recht op een toeslag ten
bedrage van het verschil. De betreffende toeslag wordt uitgedrukt in
een percentage van het na omzetting gevonden totale pensioenbedrag.
Dit verhogingspercentage wordt op het pensioen ingevolge dit besluit
toegepast zolang de aanspraak daarop ononderbroken voortduurt.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt de toeslag, bedoeld
in artikel 19, onder 10e, tot het pensioen gerekend.
Paragraaf 6. Andere voorzieningen in verband met
arbeidsongeschiktheid of invaliditeit
Artikel 21. Voorzieningen en verstrekkingen
In aanvulling op de bij of krachtens de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels, kan Onze Minister
ten behoeve van de beroepsmilitair, de dienstplichtige, de reservist en
de militair met een recht of uitzicht op pensioen krachtens dit besluit,
die lijdt aan een ziekte of gebrek waarvoor in de zin van artikel 2,
derde lid, verband met de uitoefening van de militaire dienst is
aangenomen, nadere en zonodig afwijkende regels stellen op grond waarvan
genoemde militairen dan wel gewezen militairen in aanmerking kunnen
worden gebracht voor, naar het oordeel van Onze Minister, noodzakelijke
voorzieningen tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die de
arbeidsgeschiktheid bevorderen, voorzieningen ter verbetering van de
levensomstandigheden en geneeskundige verstrekkingen. De door Onze
Minister krachtens dit artikel te stellen regels mogen niet afwijken ten
nadele van de belanghebbenden.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 22. Bijzondere gevallen
Onze Minister is bevoegd om in bijzondere gevallen, waarin de
toepassing van dit besluit tot een naar zijn oordeel onredelijke
uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen
die met de strekking van dit besluit overeenkomt.
Artikel 23. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 24. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanvullende
arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 februari 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste maart 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|