| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet subsidies
ministerie van Buitenlandse Zaken
SUBSIDIEBESLUIT
MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 19 februari 2005, houdende nadere regels
met betrekking tot de verstrekking van subsidies door de Minister van
Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (Subsidiebesluit
ministerie van Buitenlandse Zaken)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 22 juli 1999,
nr. DJZ/BR/1257-99, gedaan mede namens Onze Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking;
Gelet op artikel 3, eerste en tweede lid, van
de Kaderwet subsidies ministerie van Buitenlandse Zaken;
De Raad van State gehoord (advies van 11
november 1999, nr. W02.99.0422/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Buitenlandse Zaken van 11 februari 2005, nr. DJZ/BR/0074-05, uitgebracht
mede namens Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. activiteitensubsidie: subsidie ten behoeve van activiteiten,
gericht op vooraf omschreven doelstellingen en resultaten;
b. instellingssubsidie: subsidie ten behoeve van de integrale
kosten van de werkzaamheden van een instelling;
c. verstrekking: verlening, dan wel ingeval de subsidie direct
wordt vastgesteld, vaststelling.
Artikel 2
Subsidie kan worden verstrekt voor bij ministeriële regeling
aangeduide activiteiten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de in dit besluit geregelde onderwerpen
en kunnen de bedragen, genoemd in dit besluit, worden gewijzigd.
Artikel 3 [Vervallen per 23-10-2010]
Paragraaf 2. Subsidieontvangers
Artikel 4
1. Subsidie wordt slechts verstrekt aan rechtspersonen waarvan de
statutaire doelstelling past binnen het doel van de
subsidieverstrekking, die:
a. in staat zijn tot een adequaat financieel beheer en
b. door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten
als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte en
doelmatige uitvoering van de activiteiten kunnen waarborgen.
2. In bijzondere gevallen kan subsidie worden verstrekt aan
natuurlijke personen die voldoen aan de onderdelen a en b van het
eerste lid, indien de omstandigheden waaronder de activiteiten worden
uitgevoerd daartoe aanleiding geven.
3. Instellingssubsidies kunnen slechts worden verstrekt aan
instellingen die zich geheel of in overwegende mate richten op het
uitvoeren van activiteiten waarvoor krachtens artikel 3, eerste lid,
van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken subsidie
kan worden verstrekt. Samenloop van een instellingssubsidie en een
activiteitensubsidie krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet
subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken is uitsluitend mogelijk in
bij ministeriële regeling voorziene gevallen.
Artikel 5
Subsidie kan worden geweigerd, ingetrokken, vastgesteld op een lager
bedrag dan bij de verlening is bepaald of gewijzigd ten nadele van de
subsidieontvanger in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
Paragraaf 3. Beleidsregels; subsidieplafond; verdeling
Artikel 6
1. Indien Onze Minister beleidsregels met betrekking tot de
verstrekking van subsidie vaststelt, maakt hij deze uiterlijk twee
weken voor aanvang van het subsidietijdvak bekend. Onze Minister kan
een subsidieplafond vaststellen.
2. Het subsidietijdvak, bedoeld in het eerste lid, valt samen met
het kalenderjaar, tenzij bij de bekendmaking op grond van het eerste
lid anders is bepaald.
3. Bekendmaking van de beleidsregels vindt plaats in de
Staatscourant dan wel op een andere geschikte wijze, onder
kennisgeving daarvan in de Staatscourant. Bekendmaking van een
subsidieplafond vindt plaats in de Staatscourant.
4. Onze Minister kan bij de bekendmaking van een subsidieplafond
bepalen dat bij de beoordeling van aanvragen mede acht wordt geslagen
op een spreiding van uitgaven over de loop van het subsidietijdvak
alsmede per categorie activiteiten afzonderlijke bedragen vaststellen
voor doelgroepen, regio's, thema's, aard van de activiteiten, vorm van
de subsidie en andere voor de subsidieverstrekking relevante
invalshoeken.
Artikel 7
1. Onze Minister behandelt subsidieaanvragen in volgorde van
binnenkomst.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bij de
bekendmaking van zijn beleidsregels of van het subsidieplafond bepalen
dat met het oog op een onderlinge afweging van aanvragen dan wel met
het oog op een spreiding van uitgaven over het subsidietijdvak, op
aanvragen die voor afloop van de bij de bekendmaking vastgestelde
termijn zijn ontvangen, uiterlijk op een of meer bepaalde data wordt
beslist. Daarbij kan Onze Minister bepalen dat de aanvragen worden
gerangschikt aan de hand van bij de bekendmaking aangeduide
maatstaven.
3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht, geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid
als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is
aangevuld.
Paragraaf 4. Beoordeling
Artikel 8
1. Onze Minister neemt bij de beoordeling van subsidieaanvragen,
mede in relatie tot overige aanvragen waarop nog niet is beslist, in
acht de mate waarin:
a. de activiteiten bijdragen aan het realiseren van de
doelstellingen van de subsidie,
b. de subsidie in evenredige verhouding staat tot aard, omvang
en beoogde resultaten van de activiteiten,
c. de activiteiten een meer dan incidentele uitwerking kunnen
hebben en
d. draagvlak voor de activiteiten bestaat, bijvoorbeeld
blijkend uit een bijdrage in de kosten door betrokkenen.
2. Onze Minister kan bij de beoordeling van subsidieaanvragen mede
betrekken:
a. de positie van vrouwen,
b. de gevolgen voor het milieu,
c. de naleving van internationaal aanvaarde humanitaire
principes door de subsidieaanvrager, alsmede
d. de gevolgen voor internationaal erkende burger-, politieke,
economische, sociale en culturele rechten van de mens.
3. Onze Minister kan bij de beoordeling van subsidieaanvragen
voorts rekening houden met:
a. een spreiding van uitgaven over de loop van het
subsidietijdvak,
b. de mate waarin een spreiding van de beschikbare middelen
over verschillende ontvangers bijdraagt aan de doelmatigheid van
de besteding daarvan en in een evenredige verhouding staat tot de
administratieve lasten bij de verstrekking van subsidie,
c. de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt
gevraagd voorzien in een behoefte, mede gelet op het geheel van
verrichte activiteiten en
d. een evenwichtige spreiding over doelgroepen, regio's,
thema's, aard van de activiteiten, vorm van de subsidie en andere
voor de subsidieverstrekking relevante invalshoeken.
Artikel 9
Subsidie wordt geweigerd indien de aanvraag wordt ingediend na
aanvang van de activiteiten. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat in afwijking van de eerste volzin subsidie kan worden
verstrekt voor nader omschreven activiteiten met een spoedeisend
karakter.
Artikel 10
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde kan Onze
Minister de verstrekking van subsidie weigeren indien verstrekking niet
verenigbaar is met het beleid van Onze Minister ten aanzien van de
buitenlandse betrekkingen en de ontwikkelingssamenwerking, zoals onder
andere kenbaar uit de memorie van toelichting bij de begroting van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken, uit het verkeer tussen Onze Minister
en de Staten-Generaal, uit de bekendmaking van zijn beleidsregels op
grond van artikel 6, eerste lid, of uit andere geschikte vormen van
bekendmaking of mededeling.
Artikel 11
Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager aannemelijk
maakt dat de hem ten dienste staande financiële middelen, met inbegrip
van de subsidie, voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten
uit te voeren.
Paragraaf 5. Tijdvak; begrotingsvoorbehoud
Artikel 12
Subsidie wordt verstrekt voor een bij de subsidieverstrekking vast te
stellen tijdvak, maar niet langer dan voor de duur van de activiteiten.
Onze Minister kan op aanvraag van de subsidieontvanger het tijdvak
verlengen, zonder aanpassing van het subsidiebedrag, indien de
activiteiten waarvoor subsidie werd verstrekt niet binnen het
oorspronkelijke tijdvak konden worden voltooid.
Artikel 13
1. Subsidieverlening gaat vooraf aan subsidievaststelling,
onverminderd artikel 39, tweede lid.
2. Aan subsidieverlening ten laste van een begroting die nog niet
is vastgesteld, kan de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.
Paragraaf 6. Subsidiabele kosten
Artikel 14
1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor de noodzakelijke kosten
van de voorgenomen activiteiten in het licht van de beoogde
doelstellingen en resultaten voor zover redelijkerwijs niet gevergd
kan worden dat deze uit eigen middelen of anderszins bekostigd worden.
2. Subsidie wordt niet verstrekt ter dekking van tekorten na afloop
van de activiteiten.
3. Bij de subsidieverlening kan Onze Minister bepalen dat het
subsidiebedrag door hem kan worden aangepast in het licht van
onvoorziene ontwikkelingen die niet aan de subsidieontvanger kunnen
worden toegerekend en redelijkerwijze niet voor diens risico gelaten
kunnen worden.
Artikel 15
Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de kosten van de
activiteiten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, op normatieve grondslag
worden berekend op voet van de gerealiseerde resultaten van de
activiteiten of op een andere bij de subsidieverlening bepaalde
grondslag en dat in het subsidiebedrag een genormeerde vergoeding voor
de personele en materiële kosten van de subsidieontvanger is begrepen.
Artikel 16 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 17 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 18 [Vervallen per 23-10-2010]
Paragraaf 7. Verplichtingen voor de subsidieontvanger
Artikel 19 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 20
1. De subsidieontvanger draagt zorg voor een doelmatige besteding
van de subsidie. De subsidie, daaronder begrepen de daarop ontvangen
renteopbrengsten, wordt uitsluitend besteed voor de activiteiten
waarvoor zij blijkens de subsidieverstrekking is bestemd.
2. Bij de subsidieverstrekking kan worden bepaald dat de
subsidieontvanger recht doet aan de volkenrechtelijke positie van het
Koninkrijk.
3. Bij de subsidieverstrekking kan worden bepaald dat de
subsidieontvanger in voorkomend geval blijk geeft van de bereidheid om
zijn activiteiten af te stemmen op de activiteiten van andere
organisaties.
Artikel 21
Bij de subsidieverstrekking kan worden bepaald dat de
subsidieontvanger een kostendekkende vergoeding in rekening brengt voor
de beschikbaarstelling van goederen aan derden of het verrichten van
diensten voor derden.
Artikel 22
Bij de subsidieverstrekking kunnen ten aanzien van goederen die met
de subsidie worden aangeschaft voorschriften worden gegeven omtrent
gebruik en bestemming daarvan na afloop van het tijdvak waarvoor
subsidie wordt verstrekt of na uitvoering van de activiteiten waarvoor
de goederen zijn verworven. Onze Minister kan daarbij bepalen dat de
goederen om niet of tegen een door hem te bepalen vergoeding worden
overgedragen aan hem of aan door hem aan te wijzen derden.
Artikel 23
Bij de subsidieverstrekking kan worden bepaald dat de
subsidieontvanger Onze Minister in de gelegenheid stelt om ten behoeve
van de doelstellingen waarvoor de subsidie is verstrekt vrijelijk en om
niet gebruik te maken van alle auteurs- of andere intellectuele
eigendomsrechten die het resultaat zijn van geheel of gedeeltelijk met
de subsidie bekostigde activiteiten.
Artikel 24
Bij de subsidieverstrekking kan worden bepaald dat de
subsidieontvanger bij publicaties inzake gesubsidieerde activiteiten en
in correspondentie met derden die bij de uitvoering van de activiteiten
zijn betrokken, melding maakt van de omstandigheid dat de activiteiten
geheel of gedeeltelijk bekostigd zijn uit een subsidie verstrekt door
Onze Minister, tenzij de aard van de activiteiten, de hoedanigheid van
de ontvanger of andere gewichtige omstandigheden zich daartegen
verzetten.
Artikel 24a
Aan de subsidieverstrekking kunnen verplichtingen als bedoeld in
artikel 4:39, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht worden
verbonden, met het oog op de belangen, genoemd in artikel 2, onder a tot
en met h, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken en
in artikel 8, tweede lid.
Artikel 24b
Bij de subsidieverlening wordt bepaald dat de subsidieontvanger
onverwijld een schriftelijke melding doet zodra aannemelijk is dat de
activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet
geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel
aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
Paragraaf 8. Aanvragen; termijnen
Artikel 25
De aanvraag tot verstrekking van een activiteitensubsidie omvat:
a. een activiteitenplan,
b. een begroting en
c. een liquiditeitsprognose voor de eerstvolgende twaalf maanden.
Artikel 26
Het activiteitenplan omvat een overzicht van activiteiten, naar aard,
omvang, fasering en onderling verband, in relatie tot de daarmee beoogde
doelstellingen en resultaten en verwachte effecten voor de eerstvolgende
twaalf maanden van het het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd.
Doelstellingen, resultaten en effecten worden waar mogelijk uitgedrukt
in meetbare grootheden. Indien de activiteiten zich over een tijdvak van
meer dan twaalf maanden uitstrekken gaat het activiteitenplan vergezeld
van een globaal overzicht van werkzaamheden, doelstellingen, resultaten
en verwachte effecten voor de resterende periode van het tijdvak.
Artikel 27
De begroting geeft inzicht in de inkomsten, daaronder begrepen
bijdragen van derden, en uitgaven gerelateerd aan de voorgenomen
activiteiten voor de eerstvolgende twaalf maanden van het tijdvak
waarvoor subsidie wordt gevraagd en is voorzien van een postgewijze
toelichting. Indien de activiteiten zich over een tijdvak van meer dan
twaalf maanden uitstrekken gaat de begroting vergezeld van een
financiële raming voor de daaropvolgende periode.
Artikel 28
1.Indien de activiteiten zich over een tijdvak van meer dan twaalf
maanden uitstrekken, verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk dertien
weken voor aanvang van de dertiende maand een activiteitenplan,
vergezeld van een begroting en een liquiditeitsprognose voor de daarop
volgende periode van twaalf maanden. Bij de subsidieverlening kan
worden bepaald dat activiteitenplan en begroting voor elke nieuwe
periode de instemming van Onze Minister behoeven.
2.Bij de subsidieverlening kan Onze Minister bepalen dat het eerste
lid niet van toepassing is.
Artikel 29
De artikelen 26 tot en met 28 zijn van overeenkomstige toepassing op
de aanvraag voor een instellingssubsidie, met dien verstande dat de
gegevens betrekking hebben op alle werkzaamheden van de instelling en de
integrale kosten daarvan. Een aanvraag voor een instellingssubsidie gaat
voor de eerste maal vergezeld van:
a. een afschrift van de statuten dan wel de reglementen van de
subsidieaanvrager, zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld of
gewijzigd en
b. de meest recente jaarrekening dan wel een overzicht van de
financiële situatie van de subsidieaanvrager.
Artikel 30
1. Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag. Onze Minister kan deze termijn verlengen tot ten hoogste:
a. tweeëntwintig weken indien de activiteiten mede worden
bekostigd door de Europese Unie of met het oog op de beslissing
advies wordt ingewonnen dan wel een nader onderzoek plaatsvindt,
of
b. veertig weken indien met het oog op de beslissing
internationaal advies wordt ingewonnen.
2. Indien artikel 7, eerste lid, van toepassing is en de aanvraag
eerder dan dertien weken voor aanvang van het subsidietijdvak waarin
de activiteiten zullen aanvangen wordt ingediend, schort Onze Minister
de behandeling van de aanvraag op tot dertien weken voor aanvang van
het subsidietijdvak en geldt als datum van ontvangst van de aanvraag
de dag waarop de termijn van dertien weken aanvangt.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien
artikel 7, tweede lid, van toepassing is.
4. Met het oog op de toepassing van artikel 8, eerste lid, kan Onze
Minister in afwijking van artikel 7, eerste lid, de beslissing op de
aanvraag aanhouden, onverminderd het eerste lid.
Artikel 31
1. De aanvraag tot vaststelling van een activiteitensubsidie
geschiedt binnen zes maanden na afloop van het tijdvak waarvoor
subsidie werd verleend dan wel na afloop van de activiteiten dan wel,
indien toepassing is gegeven aan artikel 4:44, eerste lid, onder b of
c, van de Algemene wet bestuursrecht, telkens binnen zes maanden na
afloop van elk kalenderjaar.
2. Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag. Onze Minister kan deze termijn verlengen tot ten hoogste
tweeëntwintig weken.
Artikel 32
Indien toepassing is gegeven aan artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht, vangt de termijn om op een aanvraag tot verlening of
vaststelling te beslissen aan zodra de aanvraag is aangevuld.
Artikel 33
Betaling van voorschotten vindt plaats in termijnen waarvan hoogte en
betalingstijdstip in de beschikking tot subsidieverlening worden
vastgelegd.
Artikel 34 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 35 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 36 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 37 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 38 [Vervallen per 23-10-2010]
Paragraaf 9. Subsidies lager dan € 25.000
Artikel 39
1. Subsidies voor een bedrag lager dan € 25.000 worden als vast
bedrag verstrekt.
2. De subsidie wordt:
a. direct vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot
subsidieverlening of
b. ambtshalve vastgesteld, uiterlijk op een in een voorafgaande
beschikking tot subsidieverlening vermelde datum, doch niet later
dan tweeëntwintig weken nadat de activiteiten op grond van de
beschikking moeten zijn verricht.
3. Een subsidie als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt
binnen zes weken na vaststelling in één termijn betaald, doch niet
eerder dan na aanvang van het subsidietijdvak.
Artikel 40
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in
artikel 39, tweede lid, onder b, wordt gegeven, vermeldt de
beschikking de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn
verricht.
2. Bij de subsidieverlening wordt bepaald dat de subsidieontvanger
desgevraagd op in de beschikking vermelde wijze aantoont dat de
activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is
voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
3. Bevoorschotting vindt plaats tot honderd procent van het
verleende bedrag in termijnen waarvan hoogte en betalingstijdstip in
de beschikking tot subsidieverlening worden vastgelegd.
Paragraaf 10. Subsidies tussen € 25.000 en € 125.000
Artikel 41
1. Subsidies voor een bedrag van ten minste € 25.000 tot ten
hoogste € 125.000 worden verstrekt in de vorm van een vast bedrag of
een vast bedrag overeenkomstig een in de beschikking te bepalen
grondslag die is gerelateerd aan de gerealiseerde resultaten.
2. Bij de subsidieverstrekking wordt bepaald dat de
subsidieontvanger op in de beschikking vermelde wijze aantoont dat de
activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is
voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
3. Indien de kosten en opbrengsten in verband met de aard van de
activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet
kan worden vereist, kan in de beschikking worden bepaald dat de
subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten
en opbrengsten aantoont dat de activiteiten zijn verricht.
Paragraaf 11. Slotbepalingen
Artikel 42 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 43 [Vervallen per 23-10-2010]
Artikel 44
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.
Artikel 45
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidiebesluit Ministerie van
Buitenlandse Zaken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 februari 2005
BEATRIX
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B.R. Bot
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven
Uitgegeven de tweeëntwintigste maart 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|