|
REGELING van 21 december 2005, nr. DJZ/BR/1307-2005, houdende nadere
regels met betrekking tot de verstrekking van subsidies door de Minister
van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
(Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006)
De Minister van Buitenlandse Zaken en de
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking;
Gelet op de artikelen 2 en 3 van het
Subsidiebesluit ministerie van Buitenlandse Zaken;
Besluiten:
Afdeling 1. Algemeen
Paragraaf 1. Begripsomschrijving
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. ontwikkelingslanden: landen, vermeld in de door het
Development Assistence Committee (DAC) van de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent
vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistence;
b. Kaderwet: Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse
Zaken;
c. Subsidiebesluit: Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse
Zaken.
Afdeling 2. Mensenrechten, goed bestuur, internationale rechtsorde,
internationale samenwerking
Paragraaf 1. Mensenrechten
Artikel 2.1
De Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die niet op
grond van een van de overige bepalingen van deze regeling voor subsidie
in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig zijn aan de
bevordering van de naleving van mensenrechten.
Paragraaf 2. Maatschappelijke transformatie
Artikel 2.2
De minister kan met het oog op de bevordering van de sociale en
politieke aspecten van transformatieprocessen naar een democratisch en
marktgeoriënteerd bestel subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten
die niet op grond van een van de overige bepalingen van deze regeling
voor subsidie in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig
zijn aan:
a. vestiging en versterking van pluriforme, democratische
rechtsstaten;
b. de opbouw van een maatschappelijke middenveld of ‘civil
society’;
c. het proces van toetreding tot de Europese Unie; of
d. de versterking van centrale overheden.
Artikel 2.3
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in
artikel 2.2, komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op
of ter bevordering van:
a. de mondigheid en organisatiegraad van burgers, de
pluriformiteit van maatschappelijke organisaties, de mogelijkheden
tot betrokkenheid van burgers bij de inrichting van hun maatschappij
en het particulier initiatief;
b. het functioneren van de rechtsstaat, de kwaliteit van
wetgeving, rechtshandhaving en rechtspraak en de rechtsbescherming
van burgers;
c. het democratisch gehalte en verbetering van het functioneren
van overheden, de transparantie van overheidsoptreden en de
toegankelijkheid van de overheid voor burgers;
d. het toerusten van centrale en decentrale overheden voor hun
rol in toetreding tot de Europese Unie en de bevordering van de
aanpassingen die daartoe nodig zijn;
e. de structuur, capaciteit, kwaliteit en bestuurskracht van
centrale overheden; of
f. kennisoverdracht, het financieel ondersteunen van studerenden
en de ontwikkeling en uitvoering van opleidingen, cursussen,
trainingen en stages.
Paragraaf 3. Vrede en veiligheid, internationale rechtsorde,
multilaterale samenwerking, bilaterale betrekkingen, overige
activiteiten
Artikel 2.4
De minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die niet op
grond van een van de overige bepalingen van deze regeling voor subsidie
in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig zijn aan de
ontwikkeling en uitvoering van het beleid van de minister op het gebied
van vrede en veiligheid, het milieu, de internationale rechtsorde,
internationale juridische en justitiële samenwerking, de bevordering
van de multilaterale samenwerking of de verbetering van bilaterale
betrekkingen.
Paragraaf 4. Migratie
Artikel 2.5
De minster kan subsidie verstrekken voor activiteiten die strekken
tot of dienstig zijn aan de ontwikkeling en uitvoering van het beleid
van de minister op het terrein van migratie.
Paragraaf 5. Gedetineerdenbegeleiding in het buitenland
Artikel 2.6
De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aanhet verlenen van bijstand op
maatschappelijk, sociaal dan wel geestelijk vlak aan Nederlandse
gedetineerden in het buitenland.
Afdeling 3. Noodhulp en personele veiligheid
Paragraaf 1. Noodhulp
Artikel 3.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan het lenigen, beperken of voorkomen van
menselijke noden ten gevolge van conflicten, natuurrampen of andere
noodsituaties.
Artikel 3.2
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in
artikel 3.1, komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op
of ter bevordering van:
a. directe hulpverlening ter voorziening van de primaire
behoeften van slachtoffers, meer in het bijzonder de meest
kwetsbaren onder hen, op het terrein van :
– onderdak;
– voedsel en voedselzekerheid;
– gezondheidszorg, daaronder begrepen reproductieve
gezondheidszorg;
– water en sanitatie;
– protectie;
– terugkeer en hervestiging van vluchtelingen en ontheemden
en
– andere door de Verenigde Naties geďdentificeerde
humanitaire aandachtsgebieden;
b. versterking van de institutionele capaciteit, waaronder
deskundigheidsbevordering, internationaal, in Nederland en in
getroffen of kwetsbare gebieden, gericht op de leniging van acute
menselijke noden en op het voorbereid zijn op rampen;
c. bevordering van de doelgerichtheid en doelmatigheid van de
hulpverlening, en
d. beperking van humanitaire nood en materiële schade ten
gevolge van rampen,
Artikel 3.3
Voor subsidie komen niet in aanmerking:
a. identificatiemissies ter verkenning van de noden;
b. activiteiten die:
– geheel of gedeeltelijk bekostigd worden ten laste van
gezamenlijke noodhulpfondsen op landenniveau van de Verenigde
Naties,
– betrekking hebben op onderwijs in crisissituaties of
– het genereren van inkomen als voornaamste doelstelling
hebben;
c. activiteiten met een looptijd van meer dan 24 maanden, en
d. aanvragen voor een bedrag lager dan € 300.000, uitgezonderd
aanvragen met betrekking tot activiteiten, bedoeld in artikel 3.2,
onder b.
Artikel 3.4
Voor subsidieverlening op grond van deze afdeling komen uitsluitend
in aanmerking rechtspersonen die:
a. naar doelstelling en feitelijke werkzaamheden gericht zijn op
een breed scala van werkzaamheden;
b. wat betreft hulpverlening in noodsituaties aangesloten zijn
bij en handelen overeenkomstig de Code of Conduct for the
International Red Cross and Red Crescent Movement and
Non-Governmental Organizations in Disaster Relief of een daaraan
gelijkwaardige gedragscode;
c. beschikken over ervaring en een goede staat van dienst in het
desbetreffende gebied;
d. beschikken over aantoonbare kennis en expertise met de
desbetreffende problematiek;
e. beschikken over voldoende organisatorische en
implementatiecapaciteit en
f. in voorkomend geval zelf of door tussenkomst van een lokale
partner actief betrokken zijn bij het lokale coördinatiemechanisme
van de Verenigde Naties met betrekking tot humanitaire hulp.
Artikel 3.5
In aanvulling op de artikelen 3.2 en 3.3 blijkt uit aanvragen om
subsidie op grond van deze afdeling dat:
a. de activiteiten voldoen aan internationaal gangbare
humanitaire hulpprincipes;
b. de aanvraag steunt op een analyse van de noden en gericht is
op een duidelijk omschreven doelgroep;
c. de activiteiten gekoppeld zijn aan duidelijk en realistisch
omschreven resultaten, doelen, instrumenten en indicatoren;
d. aandacht bestaat voor het overbruggen van de kloof tussen
acute noodhulp en rehabilitatie;
e. in een exit strategie is voorzien;
f. aandacht bestaat voor de HIV/Aids-problematiek;
g. aandacht bestaat voor de problematiek van gender en seksuele
en reproductieve gezondheid en rechten, en
h. de begroting duidelijk en sluitend is en gekoppeld is aan de
activiteiten.
Artikel 3.6
Aanvragen zullen mede worden beoordeeld aan de hand van de volgende
criteria:
a. snelheid, aard, schaal en aansluiting van de voorgestelde
interventie op geďdentificeerde noden,;
b. spreiding van donoractiviteiten in relatie tot
geďdentificeerde noden;
c. daar waar sprake is van een langdurige crisis heeft
voortzetting van adequaat uitgevoerde relevante activiteiten
prioriteit boven subsidiëring van nieuwe activiteiten;
d. het vermijden van negatieve effecten van humanitaire hulp,
mede met het oog op de duurzaamheid van de resultaten, alsmede
e. complementariteit en toegevoegde waarde ten opzichte van
andere initiatieven in hetzelfde gebied.
Artikel 3.7
Subsidie kan worden verleend voor activiteiten waarmee reeds een
aanvang is gemaakt indien:
a. de activiteiten zo spoedeisend zijn dat van de aanvrager in
redelijkheid niet gevergd kan worden dat deze zijn aanvraag voor
aanvang daarvan had ingediend;
b. de aanvrager bij aanvang van de activiteiten de minister
daarvan in kennis heeft gesteld onder mededeling van het voornemen
om een subsidieaanvraag in te dienen, en
c. de subsidieaanvraag binnen vier weken na aanvang van de
activiteiten is ingediend.
Artikel 3.8
1. Af- en overschrijvingen tussen posten op de begroting voor
activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie is
verleend, behoeven niet ter goedkeuring aan de minister te worden
voorgelegd, indien:
a. de af- en overschrijdingen het gevolg zijn van gewijzigde of
onvoorziene omstandigheden in een situatie van acute nood;
b. de af- en overschrijdingen niet meer bedragen dan 25% van de
desbetreffende posten, en
c. het totaal van de begroting niet wordt overschreden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vergoedingen voor
expatriates en de aanschaf van transportmiddelen en van
communicatieapparatuur.
Paragraaf 2. Personele veiligheid
Artikel 3.9
De minister kan subsidie verleden ten behoeve van
a. het volgen van veiligheidstrainingen en
b. ondersteuning bij het ontwikkelen van een veiligheidsbeleid.
Artikel 3.10
1. Subsidie op grond van paragraaf 2 kan uitsluitend worden
verleend aan particuliere organisaties die in risicovolle gebieden
activiteiten ontplooien die ten laste van de begroting van het
ministerie van Buitenlandse Zaken worden bekostigd.
2. Subsidie kan worden verleend tot ten hoogste 50% van de kosten
van de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten. Subsidie
wordt niet verleend voor reiskosten.
3. Subsidieaanvragen bevatten in elk geval:
a. een lijst met deelnemers;
b. vermelding van de landen of regio’s waar deze deelnemers
werkzaam zijn of zullen zijn;
c. een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
aangevraagd;
d. in voorkomend geval de beoogde aanbieders van de
activiteiten en
e. een duidelijke en sluitende begroting die gekoppeld is aan
de activiteiten.
Afdeling 4. Structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden
Paragraaf 1. Medefinancieringsstelsel
Artikel 4.1
1. De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten
die strekken tot of dienstig zijn aan structurele armoedebestrijding
in ontwikkelingslanden door de ondersteuning van particuliere
organisaties in ontwikkelingslanden, aan de hand van een of meer
interventiestrategieën, zoals duurzame economische ontwikkeling en
directe armoedebestrijding, maatschappijopbouw of
beleidsbeďnvloeding.
2. De activiteiten hebben betrekking op een of meer van de volgende
thema’s:
a. Groei en gelijke verdeling van middelen,
b. Gelijke rechten en kansen voor vrouwen en meisjes en het
recht op sexuele en reproductieve gezondheid,c. Veiligheid en
ontwikkeling, in het bijzonder in fragiele staten,
d. Duurzaamheid, klimaat en energie,
e. Duurzame economische ontwikkeling,
f. HIV/Aids,
g. Onderwijs,
h. Gezondheidszorg,
i. Mensenrechten,
j. Democratisering,
k. Goed bestuur,
l. Water en sanitatie en
m. Sport en cultuur.
Artikel 4.3
Subsidie wordt niet verleend voor activiteiten:
a. die in hoofdzaak gericht zijn op commerciële dienstverlening,
investeringen of daarmee samenhangende activiteiten,
b. die gericht of mede gericht zijn op proselitisme,
c. die in hoofdzaak gericht zijn op studie of onderzoek of
d. waarvan de reikwijdte beperkt is tot slechts een land.
Artikel 4.4
1. Voor subsidie op grond van deze paragraaf komen uitsluitend in
aanmerking particuliere organisaties die:
a. niet op winst zijn gericht,
b. naar doelstelling, werkzaamheden en uitgavenpatroon geheel
of in overwegende mate zijn gericht op structurele
armoedebestrijding in de zin van artikel 4.1,
c. statutair in Nederland zijn gevestigd,
d. beschikken over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht,
e. beschikken over draagvlak in Nederland,
f. een zodanig beloningsbeleid voeren dat de honorering van
bestuurders en medewerkers niet uitstijgt boven de in de
rijksdienst gebruikelijke honorering, en die
g. de in Nederland gangbare maatstaven voor het besturen en
functioneren van particuliere organisaties zonder winstoogmerk
onderschrijven en toepassen.
2. Indien subsidie wordt verleend ten behoeve van activiteiten
verricht in een samenwerkingsverband van twee of meer organisaties kan
de subsidie uitsluitend worden verleend aan een van de partijen in het
samenwerkingsverband. Op deze subsidieontvanger rusten alle aan de
subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen
in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van
de daarop betrekking hebbende werkzaamheden. Uitsluitend organisaties
die voldoen aan het eerste lid kunnen voor de toepassing van deze
afdeling als partij in een samenwerkingsverband worden aangemerkt.
Artikel 4.5
1. Subsidie wordt met toepassing van artikel 7, derde lid, van het
Subsidiebesluit eens in de vijf jaar verleend voor een tijdvak van ten
hoogste vijf jaar.
2. In afwijking van artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit
maakt de minister uiterlijk twaalf maanden voorafgaand aan het
subsidietijdvak zijn beleidregels bekend.
3. In aanvulling op het voor subsidieverlening op grond van deze
afdeling vastgestelde subsidieplafond wordt in de beleidsregels
vastgelegd hoeveel subsidieaanvragen ten hoogste voor
subsidieverlening in aanmerking kunnen komen.
4. Uit oogpunt van beheersing van werklast voor de aanvragers en
voor de minister zal de beoordeling van de aanvragen in verschillende
ronden kunnen plaatsvinden en kan in elke ronde met toepassing van
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht om aanvulling van de bij
de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden worden verzocht.
5. De minister legt de daarvoor in aanmerking komende aanvragen
voor aan een adviescommissie. De minister benoemt de leden van de
adviescommissie en wijst uit hun midden een voorzitter aan. De
minister draagt zorg dat de commissie zo is samengesteld dat een
onafhankelijke en deskundige oordeelsvorming gewaarborgd is. De
minister voegt aan de commissie een secretariaat toe.
Artikel 4.6
1. De ontvanger, dan wel ingeval subsidie ten behoeve van
activiteiten verricht in een samenwerkingsverband is verleend, het
samenwerkingsverband, betrekt ten minste 25% van diens inkomsten uit
andere bronnen dan:
a. door de minister verleende subsidie en
b. bijdragen, verstrekt door ten laste van de begroting van het
ministerie van Buitenlandse Zaken gesubsidieerde organisaties, ten
laste van die subsidie.
2. Subsidie kan slechts worden verleend tot ten hoogste 75% van de
inkomsten van de organisatie dan wel het samenwerkingsverband.
3. Niet voor toekenning in aanmerking komen:
a. subsidieaanvragen voor een periode van minder dan drie jaar,
b. subsidieaanvragen voor een bedrag lager dan € 10.000.000
voor programma’s met een looptijd van vijf jaar, met dien
verstande dat bij een kortere looptijd van het programma dit
bedrag naar rato lager is,
c. subsidieaanvragen die voor enig jaar van het subsidietijdvak
hoger zijn dan 25% van het voor het desbetreffende jaar
beschikbare deel van het subsidieplafond, alsmede
d. alle subsidieaanvragen waarbij een organisatie als ontvanger
of als partij in een samenwerkingsverband is betrokken en die er
in samenhang toe zouden kunnen leiden dat aan die organisatie in
enig jaar meer middelen ter beschikking zouden worden gesteld dan
25% van het voor het desbetreffende jaar beschikbare deel van het
subsidieplafond.
4. Aan een organisatie kan per subsidietijdvak slechts één
subsidie op grond van deze afdeling, uitgezonderd artikel 4.9, worden
verleend.
5. Subsidie wordt niet verleend als instellingssubsidie.
Artikel 4.7
Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een
samenwerkingsverband omvat de aanvraag mede een beschrijving van de
wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het
samenwerkingsverband en van de wijze waarop de besluitvorming in het
samenwerkingsverband plaatsvindt. Voorts omvat de subsidieaanvraag een
overeenkomst tussen partijen op grond waarvan de naleving van de aan de
subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd en
waarin een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen
onderling is neergelegd.
Paragraaf 2. Standaardkader ontwikkelingssamenwerking
Artikel 4.8
De minister kan in beleidsregels als bedoeld in artikel 6 van het
Subsidiebesluit, bepalen dat in aanvulling op paragraaf 1 voor een in de
beleidsregels te bepalen tijdvak en met toepassing van artikel 7, tweede
lid, van het Subsidiebesluit, subsidie kan worden verleend voor
activiteiten, gericht op structurele armoedebestrijding in
ontwikkelingslanden. De activiteiten hebben betrekking op een of meer
van de thema’s, genoemd in paragraaf 1, en kunnen zich mede
uitstrekken tot onderzoek.
Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen
Artikel 4.9
Toepassing van paragraaf 1 en van de artikelen 6 en 7, tweede lid,
van het Subsidiebesluit kan achterwege blijven bij de verstrekking van
subsidies voor activiteiten, bedoeld in deze afdeling door een
Nederlandse vertegenwoordiging namens de minister en bij de verstrekking
van subsidies die minder bedragen dan € 125.000.
Afdeling 5 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 1 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.1 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.2 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 2 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.4 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.5 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.6 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.7 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.8 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 4 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.9 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.10 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.11 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.12 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 6 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.13 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.14 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.15 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5.16 [Vervallen per 01-01-2011]
Afdeling 6 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 1 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6.1 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 2 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6.2 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6.3 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6.4 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6.5 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 4 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6.6 [Vervallen per 01-01-2011]
Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
Paragraaf 1. Overheid
Artikel 7.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan versterking van de positie van
ontwikkelingslanden in het wereldhandelsverkeer door de
beschikbaarstelling van deskundigheid en andere vormen van assistentie
aan overheden van ontwikkelingslanden.
Paragraaf 2. Bedrijfsleven
Artikel 7.2
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van duurzame vergroting
van werkgelegenheid en economische groei in ontwikkelingslanden door
versterking van het bedrijfsleven in die landen of van transacties in
het economisch verkeer met een vernieuwend of stimulerend effect op de
verbetering van het milieu in ontwikkelingslanden. Voor
subsidieverlening in het kader van deze paragraaf komen uitsluitend
bedrijven in aanmerking.
Artikel 7.3 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
Artikel 7.4
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan de verstrekking van leningen aan
ontwikkelingslanden ten behoeve van investeringen in die landen tegen
een rente die lager ligt dan de marktrente, door rentesubsidies en
garantstellingen.
Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
Paragraaf 1. Cultuur
Artikel 8.1
De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan:
a. bevordering van de internationale betrekkingen op cultureel
gebied;
b. versterking van de culturele sector in ontwikkelingslanden, of
c. bevordering van de kennis van en het begrip voor
cultuuruitingen in ontwikkelingslanden.
Artikel 8.2
1.Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de
doelstellingen, genoemd in artikel 8.1, onder a, komen in aanmerking:
a. bezoekersprogramma’s voor buitenlandse cultuurdeskundigen;
b. gebundelde of sectorale presentaties van Nederlandse
cultuuruitingen in het buitenland;
c. activiteiten met het oog op de uitvoering van culturele
verdragen of internationale afspraken op het terrein van de
cultuur, en
d. kleinschalige lokale culturele projecten in het buitenland,
gericht op de plaatselijke bevolking met een herkenbare
Nederlandse component.
2.Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en
b, kan uitsluitend worden verleend aan sectorinstituten met een
internationale taak die door de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap zijn aangewezen en aan fondsen, bedoeld in artikel 9 van de
Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Artikel 8.3
1.Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de
doelstellingen, genoemd in artikel 8.1, onder b en c, komen in
aanmerking:
a. activiteiten gericht op de totstandkoming van
cultuuruitingen met name in ontwikkelingslanden door kunstenaars
en culturele instellingen afkomstig uit of werkzaam in
ontwikkelingslanden en
b. stageprogramma’s gericht op kunstenaars afkomstig uit
ontwikkelingslanden.
2.Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kan
uitsluitend worden verleend aan instellingen die naar doelstelling en
werkwijze geheel of overwegend zijn gericht op de bevordering en
verspreiding van cultuuruitingen met name in ontwikkelingslanden door
kunstenaars of culturele instellingen afkomstig uit of werkzaam in
ontwikkelingslanden.
Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
Artikel 8.4
De Minister kan subsidie verlenen voor activiteiten die strekken tot
of dienstig zijn aan bevordering van de sociale en politieke banden en
de economische samenwerking tussen Nederland en landen waarmee Nederland
door nabuurschap, door culturele en historische betrekkingen, door hun
betekenis als land van herkomst van in Nederland levende migranten of
anderszins een bijzondere band heeft.
Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering
ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
Artikel 9.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan:
a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over
aangelegenheden met betrekking tot ontwikkelingsamenwerking, of
b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake
ontwikkelingsamenwerking.
Artikel 9.2
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in
artikel 9.1, komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op
of ter bevordering van:
a. publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op
specifieke doelgroepen;
b. themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten,
internationale evenementen en manifestaties;
c. de totstandkoming en distributie van publicaties; of
d. onderwijsactiviteiten die strekken tot of dienstig zijn aan
het vergroten van de kennis over ontwikkelingslanden in Nederland.
Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
Artikel 9.3
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die
strekken tot of dienstig zijn aan:
a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over
aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen;
b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake de
buitenlandse betrekkingen; of
c. bevordering van een positieve beeldvorming over Nederland in
het buitenland.
Artikel 9.4
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in
artikel 9.3, komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op
of ter bevordering van:
a. publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op
specifieke doelgroepen;
b. themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten,
internationale evenementen en manifestaties;
c. de totstandkoming en distributie van publicaties; of
d. onderwijsactiviteiten die strekken tot of dienstig zijn aan
het vergroten van de kennis van, inzicht in en de meningsvorming
over aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse
betrekkingen.
Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
Artikel 10.1
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder publiek private
samenwerking verstaan: een samenwerkingsverband van enerzijds een of
meer partijen afkomstig uit de kring van de overheid en anderzijds een
of meer particuliere organisaties zonder winstoogmerk of partijen uit de
kring van het bedrijfsleven, gericht op de realisering van gezamenlijk
onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een
zodanige wijze dat elk van de partijen een deel van de daartoe benodigde
inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s
draagt.
Artikel 10.2
1.De minister kan subsidie verlenen met het oog op de uitvoering
van activiteiten, bedoeld in deze regeling, verricht in het kader van
publiek private samenwerking.
2.De minister kan daarbij buiten toepassing laten het ten aanzien
van subsidiëring van de desbetreffende activiteiten vastgestelde
subsidieplafond, het bepaalde ingevolge artikel 7, derde lid, van het
Subsidiebesluit, de artikelen 4.12 tot en met 4.16 en het in deze
regeling bepaalde ten aanzien van de hoedanigheid van de
subsidieontvanger.
3.De subsidie wordt in de vorm van een activiteitensubsidie
verleend, in voorkomend geval in aanvulling op een reeds aan dezelfde
ontvanger verleende instellingssubsidie. De subsidieontvanger draagt
zorg voor een zodanig beheer van de desbetreffende subsidiegelden dat
gewaarborgd is dat de subsidie uitsluitend wordt besteed voor de
activiteiten waarvoor zij is bestemd en dat daarvan afzonderlijk
verslag kan worden gedaan.
Artikel 10.3
Indien de publiek private samenwerking niet over
rechtspersoonlijkheid beschikt, kan de subsidie uitsluitend worden
verleend aan een van de partijen in het samenwerkingsverband die wel
over rechtspersoonlijkheid beschikt, onderverminderd artikel 4, eerste
lid, van het Subsidiebesluit. Op deze subsidieontvanger rusten alle aan
de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen
in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de
daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Artikel 10.4
1.De subsidieaanvraag omvat mede een beschrijving van de wijze
waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de
publiek private samenwerking en van de wijze waarop de besluitvorming
in de publiek private samenwerking plaats vindt.
2.Indien de publiek private samenwerking niet beschikt over
rechtspersoonlijkheid omvat de subsidieaanvraag mede een overeenkomst
tussen partijen op grond waarvan de naleving van de aan de subsidie
verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd.
Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
Artikel 10.5
1. De minister kan in bijzondere gevallen binnen het raam van
artikel 2 van de Kaderwet subsidie verlenen
a. ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld in deze
regeling, of
b. in afwijking van een of meer bepalingen van deze regeling,
daaronder begrepen de met het oog daarop bekendgemaakte
beleidsregels op grond van artikel 6 van het Subsidiebesluit;
indien te subsidiëren activiteiten naar het oordeel van de
minister een betekenisvolle bijdrage leveren aan de realisering van de
beleidsdoelstellingen van de minister.
2. Een beschikking tot subsidiëring in afwijking van een of meer
bepalingen van deze regeling vermeldt de bepalingen waarvan wordt
afgeweken.
Afdeling 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1
De Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken en de
Subsidieregeling Algemene organisaties voor ontwikkelingssamenwerking
worden ingetrokken.
Artikel 11.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien
de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 30 december 2005, treedt deze regeling in werking met
ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2006.
Artikel 11.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Ministerie van
Buitenlandse Zaken 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B.R. Bot.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven.
|