| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet subsidies
Verkeer en Waterstaat
REGELING
PERSONENVERVOER VAN DEUR TOT DEUR EN
OP MAAT
Tekst zoals deze geldt op
21 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
REGELING houdende regels met betrekking tot het
verstrekken van subsidies aan activiteiten die gericht zijn op de
ontwikkeling van dienstverlening in personenvervoer
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet
subsidies Verkeer en Waterstaat;
Besluit:
§ 1. Algemene Bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. programmabeheerder: de minister, dan wel voorzover een orgaan of
een rechtspersoon met de uitvoering van deze regeling is belast, dat
orgaan of die rechtspersoon;
c. aanvrager: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
subsidie op grond van deze regeling aanvraagt of heeft aangevraagd;
d. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
verbonden:
1º. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon,
die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft
aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer
rechtspersonen of vennootschappen, en
2º. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
e. project: een haalbaarheidsproject, een onderzoeks- of
ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment of een demonstratieproject;
f. haalbaarheidsproject: een samenhangend geheel van activiteiten,
bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om
dienstverlening in personenvervoer te ontwikkelen;
g. onderzoeks- of ontwikkelingsproject: een samenhangend geheel van
activiteiten gericht op:
1. het vermeerderen van het technisch of wetenschappelijk inzicht
ten aanzien van de systeemontwikkeling of verbetering van een
dienst, een systeem van diensten, deelsystemen of technieken
benodigd ter ontwikkeling van dienstverlening in personenvervoer, of
2. het geschikt maken of ontwikkelen van een dienst, een systeem
van diensten, deelsystemen of techniek benodigd ter ontwikkeling van
dienstverlening betrekking hebbende op personenvervoer voor
toepassing in de praktijk, niet zijnde een praktijkexperiment, of;
3. het verbeteren van een ontwerp van een dienst, een systeem van
diensten, deelsystemen of techniek benodigd ter ontwikkeling van
dienstverlening in personenvervoer;
h. praktijkexperiment: een samenhangend geheel van activiteiten
bestaande uit het treffen van technische, organisatorische of
beheersmatige voorzieningen voor zover geheel of nagenoeg geheel bestemd
voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing van
dienstverlening in personenvervoer, alsmede de daarmee samenhangende
activiteiten, geheel of nagenoeg geheel gericht op het verbeteren van
die geschiktheid;
i. demonstratieproject: een samenhangend geheel van activiteiten die
een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het door de
aanvrager toepassen van vormen van dienstverlening in personenvervoer,
die voor Nederland nieuw zijn dan wel een nieuwe toepassing inhouden;
j. personenvervoer: het vervoer van personen in Nederland over weg,
rail of water waarbij gebruik wordt gemaakt van één of meer
verschillende vervoersmodaliteiten.
Artikel 2
1. De minister stelt ieder kalenderjaar een of meer programma’s
vast. Een programma bevat een beschrijving van met elkaar
samenhangende doelstellingen en soorten projecten, gericht op de
ontwikkeling van dienstverlening in personenvervoer waardoor de
bereikbaarheid wordt vergroot, het milieu minder wordt belast en het
gebruiksgemak wordt verbeterd. Tevens bevat ieder programma criteria
ter beoordeling van de aanvragen in het kader van dat programma.
2. De minister maakt ieder kalenderjaar in de Staatscourant
bekend:
a. de programma’s, of de zakelijke inhoud ervan, ten behoeve
waarvan met toepassing van deze regeling een subsidie kan worden
verstrekt;
b. de termijn waarbinnen in het kader van de onderscheiden
programma’s aanvragen moeten zijn ontvangen;
c. het subsidieplafond en de wijze van verdeling per programma of
onderdeel daarvan;
d. de programmabeheerder van ieder programma.
Artikel 3
1. Op een overeenkomstig deze regeling ingediende aanvraag kan
door de minister subsidie worden verstrekt indien de aanvrager in
hoofdzaak in Nederland een project uitvoert dat past binnen een
programma als bedoeld in artikel 2 en dat mede gelet op de in het
tweede lid genoemde aspecten, voor zover deze van toepassing zijn,
bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van dat programma
en dat past binnen de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun
voor onderzoek en ontwikkeling van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen (PbEG 1996, C 45/5).
2. De aspecten bedoeld in het eerste lid, zijn tenminste:
a. de kosten van het project in relatie tot de bijdrage aan de
doelstellingen van het programma;
b. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig
innovatietraject van de aanvrager of van anderen;
c. de milieuverdienste van het project;
d. de slaagkans van het project;
e. de nieuwheid van het project;
f. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt;
g. de mate van betrokkenheid van de aanbieders of organisaties
vanuit de vraagkant;
h. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de
markt;
i. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en
de aansluiting op internationale ontwikkelingen van het project.
Artikel 4
1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald met inachtneming
van:
a. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de
resultaten van het project, en
b. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van
het programma, bedoeld in artikel 2;
c. de mate waarin ter zake van het project andere subsidies kunnen
worden verkregen.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste;
a. 75% van de projectkosten: in geval van een haalbaarheidsproject;
b. 50% van de projectkosten: in geval van een onderzoeks- of
ontwikkelingsproject;
c. 25% van de projectkosten: in geval van een praktijkexperiment of
een demonstratieproject;
3. In geval van een onderzoeks- of ontwikkelingsproject of een
haalbaarheidsproject kan indien de aanvrager een instelling van hoger
onderwijs of een geheel of hoofdzakelijk door de rijksoverheid
gefinancierde onderzoeksinstelling is, subsidie worden verstrekt tot ten
hoogste 100 % van de projectkosten.
4. In een programma, als bedoeld in artikel 2 kunnen lagere
maximumpercentages per projectsoort worden vastgesteld.
Artikel 5
1. De in artikel 4, tweede lid, gestelde maximumpercentages
voor een onderzoeks- of ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment,
een demonstratieproject kunnen worden verhoogd met:
a. ten hoogste 10 procentpunten, indien de aanvrager een kleine of
middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire
kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine en middelgrote
ondernemingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (PbEG
1996, C 213);
b. ten hoogste 15 procentpunten indien het project aansluit bij de
specifieke doelstellingen en de onderwerpen van de kernactiviteiten
’Systemen en diensten voor de burger’, ’Duurzame mobiliteit en
intermodaliteit’, ’Landvervoer en mariene technologieën’, ’De
stad van morgen en het culturele erfgoed’ en andere relevante
kernactiviteiten binnen de thema’s van het geldende kaderprogramma
voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de Europese
Commissie met dien verstande dat het project is gericht op het
uitvoeren van onderzoek dat in verschillende sectoren kan worden
toegepast en blijk geeft van een multidisciplinaire aanpak;
c. ten hoogste 10 procentpunten indien het project wordt uitgevoerd
door op basis van een daadwerkelijke samenwerking tussen ondernemingen
en openbare onderzoeksinstellingen, in het bijzonder in het kader van
de coördinatie van het nationale beleid inzake een Communautair
meerjarig kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische
Ontwikkeling;
d. ten hoogste 10 procentpunten indien de kennis, de ervaringen en
informatie over het resultaat van een gesubsidieerd project wordt
overgedragen aan derden.
2. Een wijziging van de kaderregeling, bedoeld in het eerste lid
onder a, treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met
ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking treedt.
3. De subsidie op grond van het eerste lid, juncto artikel 4,
tweede lid, bedraagt in geval van een onderzoeks- of
ontwikkelingsproject ten hoogste 75 % van de projectkosten, en in geval
van een praktijkexperiment of een demonstratieproject ten hoogste 50%
van de projectkosten.
Artikel 6
Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds uit
andere hoofde vanwege het rijk of door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag
aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer
bedraagt dan de ingevolge artikel 4, tweede en vierde lid, en artikel 5,
eerste lid, geldende percentage voor de betreffende projectsoort.
Artikel 7
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de
indiening van de aanvraag en door de subsidie-ontvanger gemaakte en
betaalde kosten:
1º. loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct
betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de
kolommen 3 en 4 van de loonstaat, bedoeld in artikel 67 van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, van de betrokken
medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een
collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale
lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon,
berekend op basis van het jaarloon bij een volledige betrekking,
gedeeld door 1600;
2º. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd
op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij
transacties binnen een groep;
3º. de kosten van aanschaf van machines en apparatuur, exclusief
winstopslagen bij transacties binnen een groep;
4º. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen
verleende diensten en terzake van de verwerving van kennis en
intellectuele eigendomsrechten alsmede terzake van bescherming van
die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een
groep;
5º. reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan
wetenschappelijke symposia, tot een maximum van 10 procent van de
projectkosten;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 40 procent van de onder
a, aanhef en onder 1°, bedoelde loonkosten.
2. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a,
aanhef en onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve
van het project wordt verricht, kan de minister daarvoor een redelijk
bedrag vaststellen, dat als projectkosten mede in aanmerking wordt
genomen.
3. Indien machines en apparatuur worden aangeschaft door middel
van een leaseovereenkomst worden als kosten van aanschaf in aanmerking
genomen de door aanvrager betaalde leasetermijnen voor vergoeding van
gebruik.
4. Indien de kosten van aanschaf van machines en apparatuur
slechts gedeeltelijk aan het project zijn toe te rekenen, wordt als
projectkosten in aanmerking genomen een evenredig deel van de kosten van
de afschrijving van de machines en apparatuur, berekend op basis van de
historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties
binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur
behorende bij de aard van de apparatuur.
5. In geval van een haalbaarheidsproject en een onderzoeks- of
ontwikkelingsproject kan worden toegestaan dat in afwijking van het
eerste lid het uurloon en opslag voor algemene kosten worden vastgesteld
overeenkomstig een in de gehele organisatie van de aanvrager
gebruikelijke, controleerbare methodiek.
6. De projectkosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van
omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger omzetbelasting niet in
aftrek kan brengen.
§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 8
1. Een aanvraag tot subsidieverlening
wordt ingediend bij de programmabeheerder met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, overeenkomstig het in de
bijlage opgenomen model.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een
begroting voor het project alsmede andere bescheiden, overeenkomstig
hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 9
1. De beslissing op de aanvraag wordt genomen binnen 13 weken
na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk
voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met
toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de
gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop
de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot
de verdeling, als datum van ontvangst.
3. Indien de beslissing niet binnen de termijn van 13 weken kan
worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld en wordt
een redelijke termijn genoemd waarop de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
Artikel 10
1. Een programma kan voorzien in een gelijktijdige beslissing
op aanvragen met betrekking tot gelijksoortige projecten op basis van
een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de
doelstelling van het programma.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid wordt in
afwijking van artikel 9 de beslissing op de aanvraag niet in volgorde
van ontvangst genomen, maar na afloop van de in artikel 2, tweede lid,
onder b, bedoelde termijn en wordt het subsidieplafond verdeeld in de
volgorde van geschiktheid van projecten.
Artikel 11
1. De beschikking tot verlening van een subsidie vermeldt:
a. raming van de projectkosten, en
b. de periode waarin het project moet worden uitgevoerd.
2. Bij de subsidieverlening kunnen verplichtingen worden
opgelegd, die:
a. strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie, of
b. betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de
gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
§ 3. Verplichtingen van de
subsidie-ontvanger
Artikel 12
De subsidie-ontvanger is verplicht:
a. het project uit te voeren overeenkomstig de bij de aanvraag
verstrekte gegevens, tenzij de minister voorafgaand schriftelijke
toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken;
b. bij de uitvoering van het project te beschikken over de
daarvoor nodige vergunningen en ontheffingen;
c. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat
daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de
projectkosten kunnen worden afgelezen;
d. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van
betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is
ingediend, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de minister;
e. op verzoek van de minister medewerking te verlenen aan
openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project, met
uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens, en;
f. medewerking te verlenen aan een door of vanwege de minister
ter zake van de toepassing en de effecten van deze regeling
ingesteld evaluatie-onderzoek.
§ 4. Voorschotten
Artikel 13
1. De programmabeheerder kan op aanvraag
van de subsidie-ontvanger ten hoogste eenmaal per kwartaal een voorschot
verlenen.
2. Voorschotten worden berekend over de gemaakte en betaalde
projectkosten en bedragen te zamen ten hoogste 80 procent van de
verleende subsidie.
§ 5. Subsidievaststelling
Artikel 14
1. De subsidie-ontvanger dient binnen
dertien weken na afloop van de in artikel 11, eerste lid, onder b,
bedoelde periode een aanvraag tot subsidievaststelling in bij de
minister, dat vergezeld gaat van:
a. een schriftelijke verantwoording omtrent het verloop, de
uitvoering en de resultaten van het project, en,
b. een financieel eindverslag dat vergezeld gaat van een
goedkeurende verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Het financieel eindverslag en de accountantsverklaring dienen
te worden opgesteld overeenkomstig het bij de programmabeheerder
verkrijgbare controleprotocol.
3. Indien het subsidiebedrag minder dan €45.378,00 bedraagt,
wordt in afwijking van het eerste lid, onder b, volstaan met een
financieel eindverslag.
4. Op aanvraag kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden
verlengd met ten hoogste dertien weken.
5. Indien de subsidie-ontvanger niet binnen de termijnen, bedoeld
in het eerste en derde lid, een verzoek tot vaststelling van de subsidie
indient, stelt de programmabeheerder de subsidie ambtshalve vast.
Artikel 15
Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze regeling stelt de
programmabeheerder een rapport op betreffende de evaluatie van de
effecten van de regeling.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling personenvervoer van deur
tot deur en op maat.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage 1
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat]
|
|
|