| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet
SZW-subsidies
ALGEMENE
REGELING SZW-SUBSIDIES
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
REGELING algemene regels met betrekking tot de
verstrekking van subsidies (Algemene Regeling SZW-subsidies)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
subsidiabele activiteiten: de in een subsidieregeling of in een
subsidiebeschikking omschreven activiteiten, dan wel de resultaten of
producten daarvan, waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft.
Artikel 2
1. Deze regeling is van toepassing op alle
subsidieverstrekkingen door de minister, behoudens voorzover daarvan
in een subsidieregeling of een subsidiebeschikking wordt afgeweken.
2. Deze regeling is niet van toepassing op subsidies, die
berusten op een andere wet dan de Kaderwet SZW-subsidies, behoudens
voorzover zij bij of krachtens die andere wet van toepassing is
verklaard.
Artikel 3
1. Subsidieverstrekking vindt slechts plaats voorzover het
betreft werkelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele
activiteiten.
2. Subsidieverstrekking vindt niet plaats voorzover het betreft
a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele
activiteiten;
b. kosten gemaakt ter uitvoering van activiteiten, die
redelijkerwijs niet passen in de omschreven subsidiabele activiteiten.
Artikel 4
Aan het verlenen of vaststellen van subsidie of het verlenen van
voorschotten daarop voor enig jaar, kunnen geen aanspraken worden
ontleend op subsidiëring in volgende jaren, onverminderd artikel 4:51
van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 2. Subsidieverlening
Artikel 5
1. De subsidie-aanvrager dient een
aanvraag in bij de minister. De aanvraag wordt onderbouwd met een
projectplan en een begroting. Een subsidie-aanvraag door een
rechtspersoon moet zijn ondertekend door het bestuur.
2. In het projectplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke
doelstelling, resultaten en producten de subsidie-aanvrager met de
activiteiten nastreeft en op welke wijze zij zullen worden uitgevoerd.
3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het
project. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting.
4. Subsidie-aanvragen worden behandeld in volgorde van
binnenkomst van de - eventueel met toepassing van de artikelen 3:18 en
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht aangevulde - aanvraag.
Artikel 6
1. Subsidie wordt slechts verleend, indien de
subsidie-aanvrager:
a. aannemelijk heeft gemaakt, dat zijn financiële middelen, met
inbegrip van de subsidie, voldoende zijn om de voorgenomen
activiteiten uit te voeren;
b. een zodanige werkwijze toepast dat redelijkerwijs mag worden
verwacht, dat de met de subsidie beoogde doeleinden zullen worden
bereikt;
c. geen reële mogelijkheden heeft om op andere wijze de benodigde
gelden te verkrijgen;
d. aannemelijk heeft gemaakt dat de subsidiabele activiteiten
voldoende kunnen worden beïïnvloed in kwalitatieve en kwantitatieve
zin.
2. Indien de subsidie-aanvrager voor dezelfde subsidiabele
activiteiten tevens subsidie van een ander bestuursorgaan heeft
aangevraagd of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen
inkomsten verwerft, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, en wordt
met die andere subsidies of inkomsten rekening gehouden bij de
subsidieverstrekking.
Artikel 7
1. De in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bedragen
zijn gebaseerd op de begroting en het projectplan, zoals die door de
minister zijn goedgekeurd.
2. Blijkt tijdens de uitvoering van de subsidiabele activiteiten
dat de werkelijke daarop betrekking hebbende uitgaven of ontvangsten
aanzienlijk lager blijven onderscheidenlijk hoger zijn dan de in de
goedgekeurde begroting opgenomen bedragen, dan deelt de
subsidie-ontvanger dit zo spoedig mogelijk mee aan de minister, onder
opgave van de verschillen en de oorzaken daarvan. Wijzigingen in het
projectplan behoeven de toestemming van de minister.
3. Het in de beschikking tot subsidievaststelling vast te stellen
subsidiebedrag zal niet hoger zijn dan de in het eerste lid bedoelde
bedragen, tenzij de minister toestemming heeft gegeven met betrekking
tot een verhoging van de kosten of wijzigingen in het projectplan als
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 8
1. Gedurende de looptijd van de activiteiten kan tot 80% van de
verleende subsidie worden bevoorschot. Indien de verlening van
voorschotten niet wordt geregeld in de beschikking tot
subsidieverlening, kan de subsidie-aanvrager voorschotten aanvragen,
waarbij de behoefte aan het voorschot wordt gespecificeerd.
2. Een voorschot wordt niet verleend zolang de subsidie-ontvanger
de bescheiden, nodig voor de subsidievaststelling betreffende voorgaande
subsidieverstrekkingen, niet heeft ingezonden
3. Indien vóór de subsidievaststelling een verzoek tot
faillietverklaring van of verlening van surséance van betaling aan de
subsidie-ontvanger is ingediend, vindt geen uitbetaling van voorschotten
meer plaats.
§ 3. De aan subsidieverlening verbonden
verplichtingen
Artikel 9
1. De gesubsidieerde activiteiten moeten
conform het goedgekeurde projectplan worden uitgevoerd.
2. De subsidie-ontvanger zorgt ervoor, dat de subsidie op
doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor ze wordt
verstrekt en dat -naast de uit deze regeling voortvloeiende
verplichtingen- alle overige verplichtingen die aan de
subsidieverstrekking zijn verbonden worden nageleefd.
3. Bij de subsidieverlening kunnen verplichtingen worden
opgelegd, die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
Artikel 10
1. De subsidie-ontvanger doet zo spoedig mogelijk onder
overlegging van de relevante stukken schriftelijk mededeling aan de
minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de
beslissing omtrent (de hoogte van) de subsidie.
2. De subsidie-ontvanger brengt de minister onmiddellijk op de
hoogte indien surseance van betaling wordt aangevraagd of in het geval
van dreiging of aangifte van faillissement.
Artikel 11
De subsidie-ontvanger verzekert zich tegen alle risico’s, waaruit
zodanige onkosten of schadeclaims kunnen voortkomen dat de verdere
uitvoering van de activiteiten wordt verhinderd of dat subsidiegelden
kunnen toevloeien naar gelaedeerde derden.
Artikel 12
1. De subsidie-ontvanger is verplicht een administratie te
voeren die voldoet aan de volgende eisen:
a. de inrichting van de administratie sluit aan bij de ingediende
en goedgekeurde begroting en het projectplan; zij bevat de informatie
die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de
subsidiabele activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking;
b. de administratie is zodanig ingericht dat de juistheid en
volledigheid van de financiële gegevens er op eenvoudige wijze uit
kunnen worden opgemaakt. Dit houdt in:
1º. dat alle ontvangsten en uitgaven onmiddellijk in de
administratie worden vastgelegd met onderliggende stukken; van
ontvangsten en uitgaven zonder bewijsstukken wordt een afzonderlijke
administratie ingericht;
2º. dat bewijsstukken aanwezig zijn ten name van de
gesubsidieerde waaruit de aard van de geleverde goederen en diensten
duidelijk blijkt.
2. De administratie en de daarbij behorende bewijsstukken worden
tenminste gedurende vijf jaar bewaard.
Artikel 13
1. Indien de minister tussentijdse rapportages verlangt over de
voortgang van de gesubsidieerde activiteiten of over de besteding van
de subsidie dienen deze rapportages uiterlijk één maand na het
verstrijken van de daarbij aangegeven periode te worden verstrekt.
2. De rapportages over de voortgang van de activiteiten sluiten
aan bij het door de minister goedgekeurde projectplan. Belangrijke
verschillen tussen de rapportages en het goedgekeurde projectplan worden
toegelicht.
3. De rapportages over de besteding van de subsidie sluiten aan
op de ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen de
rapportages en de begroting worden toegelicht.
4. De subsidie-ontvanger geeft aan de Accountantsdienst van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op verzoek inzage van de
in artikel 12 bedoelde administratie en verstrekt alle inlichtingen die
redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in
de uitvoering van het projectplan en de besteding van de subsidie.
§ 4. Subsidievaststelling
Artikel 14
1. De subsidie-ontvanger dient binnen
vier maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten dan wel na
afloop van het tijdvak waarover subsidie is verleend een verantwoording
in bij de minister. Bij deze verantwoording wordt een declaratie
ingediend.
2. Het project(eind)verslag geeft een duidelijk inzicht in de
aard, de duur en de omvang van de gesubsidieerde activiteiten. In het
verslag worden de verrichte activiteiten vergeleken met de in het
projectplan voorgenomen activiteiten.
Artikel 15
1. De declaratie geeft duidelijk de baten en lasten weer welke
op de gesubsidieerde activiteiten betrekking hebben.
2. De declaratie sluit, indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, aan bij de door de minister goedgekeurde
begroting. Belangrijke verschillen tussen de declaratie en de
goedgekeurde begroting worden toegelicht.
3. De baten en lasten die door middel van interne
doorberekeningen zijn toegerekend, dienen te zijn bepaald op
bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen.
Voorzover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa,
worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa
berekend.
Artikel 16
1. De declaratie is bij een subsidie boven € 50 000 voorzien
van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volgens een door de
minister voor te schrijven model.
2. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens de minister in te stellen onderzoeken. De
daaraan verbonden kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie.
Artikel 17
1. Voorzover het verstrekken van subsidie heeft geleid tot
vermogensvorming moet dat uit de declaratie blijken en is daarvoor
overeenkomstig artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht een
vergoeding verschuldigd.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt
uitgegaan van de marktwaarde van de eigendommen en andere
vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd
wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van
schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen wordt
uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding wordt ontvangen.
§ 5. Terugvordering
Artikel 18
1. Na de subsidievaststelling is de
subsidie-ontvanger verplicht een teveel ontvangen voorschot onverwijld
terug te betalen, tenzij de minister tot verrekening op andere wijze
heeft besloten.
2. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen en voorschotten wordt de subsidie-ontvanger
aansprakelijk gesteld voor de met de terugvordering verband houdende
kosten. Tevens wordt in dat geval overgegaan tot het berekenen van de
wettelijke rente.
§ 6. Per boekjaar aan rechtspersonen
verstrekte subsidies
Artikel 19
1. Op de verstrekking van subsidies per
boekjaar aan rechtspersonen is afdeling 4.2.8 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing, met inachtneming van de volgende leden.
2. De aanvraag van de subsidie wordt uiterlijk acht weken voor de
aanvang van het boekjaar ingediend.
3. De subsidie-ontvanger behoeft de instemming van de minister
voor hetgeen in artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht is
bepaald.
4. De declaratie, behorend bij een verzoek om
subsidievaststelling met betrekking tot een verstreken boekjaar, geeft
een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd
omtrent de besteding van de subsidie. De declaratie sluit aan op de door
de minister goedgekeurde begroting. Belangrijke verschillen tussen
declaratie en goedgekeurde begroting worden toegelicht. In de declaratie
wordt de aansluiting tussen de declaratie en de jaarrekening toegelicht.
In de jaarrekening mogen geen reserveringen of voorzieningen worden
opgenomen, tenzij deze inbegrepen zijn in de door de minister
goedgekeurde begroting.
5. Indien de subsidie-ontvanger zijn inkomsten slechts
gedeeltelijk ontleent aan de subsidie, is artikel 4:76 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 20
1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 1998.
2. Zij is niet van toepassing op subsidies die voor 1 januari
1998 zijn verleend of vastgesteld.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als Algemene Regeling SZW-subsidies.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
|
|
|