| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet
SZW-subsidies
SUBSIDIEREGELING
DAGINDELING ESF-3
Tekst zoals deze geldt op
21 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Khee Liang Phoa, van 29 oktober 2002, Directie
Coördinatie Emancipatiebeleid, nr. DCE/PD/2002/76794. tot Vaststelling
van een subsidieregeling dagindeling ESF-3
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Khee Liang Phoa;
Overwegende dat nadere regels dienen te worden
vastgesteld over de besteding van uit het Europees Sociaal Fonds aan
Nederland ter beschikking gestelde financiële middelen, voor zover deze
worden benut ter financiering van experimentele projecten die ten doel
hebben het combineren van arbeid en zorg te vergemakkelijken;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
begunstigde: degene aan wie krachtens deze regeling
projectsubsidie is verleend;
aanvraagtijdvak: een door de minister vastgesteld tijdvak, als
bedoeld in artikel 3, waarbinnen aanvragen om projectsubsidie kunnen
worden ingediend;
projectsubsidie: de subsidie, als bedoeld in artikel 6;
aanvrager: de aanvrager van projectsubsidie.
Artikel 2. Inleidende bepaling
1. De minister kan aan rechtspersonen
subsidies verstrekken voor activiteiten in het kader van experimentele
projecten dagindeling die worden uitgevoerd in Nederland, en die ten
doel hebben het combineren van arbeid en zorg te vergemakkelijken.
2. Krachtens deze regeling wordt geen subsidie verleend voor
projecten die worden uitgevoerd door rechtspersonen die zijn gevestigd
in de provincie Flevoland.
Artikel 3. Aanvraagtijdvakken, Beleidskader
Dagindeling
De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om projectsubsidie
bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde
aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren 2001 t/m 2006. Indien deze
mogelijkheid wordt geopend, wordt dit tijdig aan belanghebbenden
bekendgemaakt. In een gelijktijdig door de minister vastgesteld en aan
belanghebbenden bekend gemaakt Beleidskader Dagindeling ESF-3 kunnen
bedragen worden vastgesteld die ten hoogste voor de verschillende
categorieën aanvragers en projecten ter beschikking zullen worden
gesteld, en kunnen nadere eisen worden gesteld waaraan nieuwe aanvragers
en projecten zullen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te
komen.
Artikel 4. De aanvraag van projectsubsidie
1. Een aanvraag heeft steeds betrekking
op één experimenteel project, waarvan de looptijd niet langer dan 2
jaren mag zijn.
2. De aanvraag wordt ingediend onder gebruikmaking van een
formulier dat daartoe door de minister ter beschikking wordt gesteld, en
bevat in ieder geval een projectbeschrijving met bijbehorende begroting
en financieringsplan.
3. Op de aanvraag wordt uiterlijk 12 weken na sluiting van het
aanvraagtijdvak beschikt. In afwijking van artikel 5, vierde lid, van de
Algemene Regeling SZW-subsidies behoeven de aanvragen hierbij niet te
worden behandeld in volgorde van binnenkomst.
Artikel 5. Weigering van projectsubsidie
Een subsidieaanvraag wordt afgewezen:
a. indien de aanvraag of de voor subsidie aangemelde activiteiten
niet voldoen aan de bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;
b. indien onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van
de aanvrager aan de in artikel 10 gestelde eisen zal voldoen;
c. indien onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van
de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de uitvoering van het
experiment te maken kosten;
d. indien de kosten van het experiment niet in een redelijke
verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
e. indien door subsidieverlening het in het toepasselijke
Beleidskader Dagindeling ESF-3 aangegeven subsidieplafond zou worden
overschreden;
f. indien het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd
ten laste van Europese subsidieprogramma's.
Artikel 6. Verlening van projectsubsidie
1. De beschikking tot verlening van de
subsidie betreft de activiteiten, zoals vastgelegd in de bij de
subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving.
2. In de beschikking wordt het maximumbedrag bepaald dat aan
subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag
wordt uitgegaan van het totaal van de uitvoerings- en beheerskosten van
het project, zoals door de aanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag,
met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden,
kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een
lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende
uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de
uitvoering en evaluatie van het project.
3. Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere
voorwaarden worden verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn ter
waarborging van een juiste uitvoering van het project dan wel het behoud
van een goed inzicht in de voortgang en de effecten van het project.
Artikel 7. Subsidiehoogte
De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, doch ten
hoogste het maximumbedrag dat is vastgesteld in de beschikking tot
subsidieverlening.
Artikel 8. Subsidiabele kosten
1. Uitsluitend de kosten die door de
begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt, die ten laste van de begunstigde
zijn gebleven en die voor de uitvoering en evaluatie van het project
noodzakelijk moeten worden geacht, komen voor subsidiëring in
aanmerking. Hierbij wordt verordening (EG)1685/2000 in acht genomen.
2. Als projectkosten blijven buiten beschouwing:
a. kosten die voor de datum van subsidieverlening ten behoeve van
het project zijn gemaakt;
b. de kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan
deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;
c. de loonkosten van werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen
welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en
bijstand de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- of
doorstroombanen;
d. kosten van adviseurs, uitvoerders en onderuitvoerders die zijn
bepaald als percentage van de totale kosten van het project, of als
percentage van de te ontvangen projectsubsidie.
Artikel 9. Bevoorschotting
1. Aan de begunstigde worden, op diens
verzoek, voorschotten op de projectsubsidie uitbetaald.
2. Voorschotbetalingen zullen als volgt worden gedaan:
a. Een eerste voorschot, ten bedrage van 30% van het maximaal
verleende subsidiebedrag, wordt direct uitbetaald bij de beschikking
tot subsidieverlening.
b. Verdere voorschotten, waarbij het eerste voorschot wordt
aangevuld tot ten hoogste 80% van het maximaal verleende
subsidiebedrag, kunnen op verzoek worden verstrekt, voor zover door
middel van tussentijdse rapportage is aangetoond dat verdere
bevoorschotting noodzakelijk is.
3. Alvorens een voorschot, als bedoeld in het tweede lid onder b,
te verlenen kan de minister van de begunstigde verlangen dat de
tussentijdse rapportage wordt voorzien van een verklaring van een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. Een dergelijk voorschot wordt niet verleend indien
de realisatie van het project achterblijft bij de ramingen, als vervat
in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving, of wanneer
er twijfel is aan een correcte uitvoering van het project.
Artikel 10. Administratievoorschriften
1. De begunstigde dient een inzichtelijke
en controleerbare administratie bij te houden of te doen bijhouden met
betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van het project en de in
verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze
administratie zal onder meer bestaan uit een financiële administratie,
waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn
vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.
2. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele
kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het
project worden toegerekend.
3. De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze
voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse en
eindrapportages.
4. De administratie dient voldoende mogelijkheden te bieden voor
een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de
subsidievoorwaarden.
5. De begunstigde zal aan door de minister dan wel door de
Europese Commissie daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of
informatie uit deze administratie geven of doen geven. Tevens zal hij de
voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang
van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.
Artikel 11. Tussentijdse rapportage
1. De begunstigde dient desgevraagd een
uitvoeringsrapportage in, waarin wordt aangegeven in welke mate de
beschikbare middelen, inclusief de ontvangen voorschotten, zijn besteed,
welke resultaten zijn gerealiseerd en wat de prognose is voor de
resterende periode van het project.
2. De rapportage dient op een door de minister te bepalen
tijdstip te worden ingediend, onder gebruikmaking van een daartoe door
de minister ter beschikking gesteld formulier.
3. Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden, die
de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins
belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de
begunstigde hiervan onverwijld mededeling aan de minister.
Artikel 12. Einddeclaratie en
subsidievaststelling
1. De begunstigde dient binnen twee
maanden na beëindiging van het project een verzoek in om definitieve
vaststelling van het subsidiebedrag waarop aanspraak bestaat.
2. Het verzoek wordt ingediend onder gebruikmaking van een
formulier dat door de minister ter beschikking wordt gesteld, en bevat
een eindrapportage en een declaratie van de gemaakte kosten, als bedoeld
in artikel 8.
3. Indien de einddeclaratie van gemaakte kosten meer dan 50.000
euro bedraagt, dient deze te zijn voorzien van een daarop betrekking
hebbende verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De hoogte van het vastgestelde subsidiebedrag wordt uiterlijk
drie maanden na de datum van indiening van het in het eerste lid
bedoelde verzoek door de minister schriftelijk medegedeeld aan de
begunstigde.
Artikel 13. Publiciteit, evaluatie
1. De begunstigde verleent medewerking
aan door de minister georganiseerde publicitaire en
voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers,
relevante organisaties en het grote publiek.
2. De begunstigde zal alle medewerking verlenen aan de opstelling
van evaluatierapporten m.b.t. deze subsidieregeling, en zal, indien het
gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, zorgdragen
dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.
De begunstigde dient ermee akkoord te gaan dat de uitkomsten van de
experimentele projecten aan anderen ter kennis worden gebracht.
3. In eigen publicaties vermeldt de begunstigde dat dit project
wordt uitgevoerd met ESF-3 dagindelingssubsidie.
Artikel 14. Intrekking van de beschikking
tot verlening
1. Een beschikking tot verlening van
projectsubsidie kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en de op
basis daarvan uitbetaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd:
a. indien de begunstigde bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige
informatie heeft verstrekt, en de subsidie bij juiste of volledige
informatie niet, dan wel tot een lager bedrag zou zijn verleend,
b. in geval het project wordt uitgevoerd in afwijking van de bij de
aanvraag gevoegde projectbeschrijving, voor zover de subsidieverlening
daarop was gebaseerd,
c. indien de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend niet zijn
aangevangen binnen drie maanden na de datum van subsidieverlening,
d. indien de doelstellingen van het project ten gevolge van
nalatigheid van de begunstigde niet of slechts ten dele worden
gerealiseerd, of
e. indien de begunstigde een der voorschriften, vervat in de
artikelen 10, 11, 12 of 13 niet naleeft.
2. Intrekking en terugvordering krachtens het eerste lid, onder b,
vindt niet plaats, indien de afwijking vooraf aan de minister is
voorgelegd, en deze daarmee schriftelijk heeft ingestemd.
Artikel 15
1. Deze regeling wordt in de Nederlandse
Staatscourant bekendgemaakt.
2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die
van haar bekendmaking, en werkt terug tot en met 1 december 2001.
3. Deze regeling kan worden aangehaald als: Subsidieregeling
Dagindeling ESF-3.
Den Haag, 29 oktober 2002.
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
Khee Liang Phoa.
|
|
|