|
REGELING van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus
2009, nr. R&P/RA/2009/17756, tot de besteding van gelden uit het
Europees Sociaal Fonds 2007-2013
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Overwegende dat het noodzakelijk is dat met
betrekking tot de besteding van de gelden die voor de periode van 1
januari 2007 tot en met 31 december 2013 uit het Europees Sociaal Fonds
aan Nederland worden toegewezen ter verwezenlijking van de doelstelling
Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van
de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene
bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het
Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L 210), nadere regels
worden gesteld in het verlengde van en met inachtneming van die
verordening, alsmede Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende
het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr.
1784/1999 (PbEU 2006, L 210), en Verordening (EG) nr. 1828/2006
van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van
uitvoeringbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale
Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening
(EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het
Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (PbEU 2006, L 371);
Gelet op de artikelen 3, eerste en vierde lid,
5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
●. Adviseur in de zin van Actie E:
een natuurlijk persoon, niet zijnde een werknemer van de
subsidieaanvrager, die in het kader van de uitoefening van zijn
beroep of bedrijf als adviseur werkzaam is op het gebied van sociale
innovatie in arbeidsorganisaties door middel van
gedragsbeďnvloeding of cultuurverandering;
●. arbeidsbelemmerde: een persoon
die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn
woonplaats uitsluitend aanspraak heeft op een uitkering op grond van
de Wet werk en bijstand (WWB), naar het oordeel van dat college,
gebaseerd op een door een arts of arbeidsdeskundige afgegeven
verklaring een structurele functionele beperking heeft en jegens het
UWV geen aanspraak heeft op een uitkering, danwel een persoon die
naar het oordeel van dat college behoort tot de doelgroep als
bedoeld in artikel 1 sub e van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie;
●. begunstigde: de
subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is
verleend;
●. branchegerichte cursussen met een
civiel effect: cursussen, niet zijnde bedrijfsspecifieke
trainingen, gericht op een specifieke branche teneinde de leerling
vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren;
●. brutoloon: bruto salaris,
inclusief eindejaarsuitkering of 13e maand, exclusief vakantiegeld,
exclusief aanvullende werkgeverslasten;
●. coördinerende gemeente: een
coördinerende gemeente is één van de volgende gemeenten: Alkmaar,
Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch,
Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes,
Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Hilversum, Leeuwarden, Leiden,
Nijmegen, Rotterdam, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad,
Zwolle;
●. CREBO: het Centraal register
beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
●. eindejaarsuitkering/13e maand: vast
bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als
extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO
of arbeidsovereenkomst;
●. gedeeltelijk-arbeidsgeschikte:
een persoon met een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder
dan 80%;
●. gedetineerde: een persoon ten
aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidstraf of
vrijheidsbenemende maatregel in een justitiële inrichting
plaatsvindt of ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van
overheidswege is gegeven als bedoeld in artikel 37b of 38c van het
Wetboek van Strafrecht;
●. Implementatieverordening:
Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006
tot vaststelling van uitvoeringbepalingen van Verordening (EG) nr.
1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal
Fonds en het Cohesiefonds, en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds
voor Regionale ontwikkeling (pbEU 2006, L 371);
●. Instelling: een
opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.1.1., onderdeel b, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs, dan wel een instituut als bedoeld
in artikel 12.3.8 van die wet;
●. IOAW: Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
●. IOAZ: Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
●. jongere: een persoon van 15
jaar of ouder doch jonger dan 28 jaar;
●. jonggehandicapte: de persoon
die recht heeft op arbeidsondersteuning of een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
●. laaggekwalificeerd: een
opleiding hebbend tot en met MBO-4 niveau;
●. leerlingwerkplaatsen:
praktisch onderwijs, waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd die
deel uitmaken van een gesimuleerd dienstverlenings- of
productieproces;
●. minister: de minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
●. niet-uitkeringsontvanger: een
werkloze persoon van 16 jaar en ouder, doch jonger dan 65 jaar, die
geen uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Wet
werk en bijstand, de IOAW, de IOAZ, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Toeslagenwet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria, of de Algemene nabestaandenwet, dan
wel op grond van een regeling die met deze wetten naar aard en
strekking overeenstemt;
●. oudere: een persoon van 45
jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar;
●. Operationeel Programma: het
Operationeel Programma ESF Doelstelling 2, 2007–2013;
●. praktijkonderwijs: het
onderwijs, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs;
●. procedure Erkenning van Verworven
Competenties (EVC-procedure): geheel van processtappen en
gehanteerde instrumenten waarmee de verworven competenties van
deelnemers worden beoordeeld, door een erkende aanbieder, ten
opzichte van een specifieke landelijke standaard;
●. project: een samenhangend
geheel van activiteiten met betrekking tot een gebied als bedoeld in
artikel 4;
●. sectorarrangement: afspraken
tussen een sector enerzijds en de VNG, of een of meer door de VNG
aangewezen coördinerende gemeenten, of het UWV, over welke
activiteiten door de bij de afspraken betrokken partijen worden
ondernomen ter voorkoming van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het
vergroten van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en
arbeidsinpassing van jongeren in de betreffende sector;
●. sociale innovatiepotentie: het
potentiële voordeel op het gebied van sociale innovatie dat als
gevolg van een project op dat terrein te behalen is;
●. startkwalificatie: een diploma
van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger
algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs als bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk 8 van de Wet
op het voortgezet onderwijs;
●. subsidieaanvrager: de
aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;
●. UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
●. VNG: Vereniging Nederlandse
Gemeenten;
●. Verordening: verordening (EG)
nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006
houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor
Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het
Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU
2006, L 210);
●. voortgezet speciaal onderwijs:
het onderwijs dat wordt gegeven op een school of instelling waaraan
voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra wordt verzorgd;
●. werkende: een persoon, jonger
dan 65 jaar, die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een
aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer,
uitzendkracht of die arbeid verricht als zelfstandige zonder
personeel;
●. WWB-uitkering: uitkering op
grond van de Wet werk en bijstand;
●. 55-plusser: een persoon van 55
jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar.
Artikel 2. Inleidende bepaling
1. De minister
verstrekt, overeenkomstig deze regeling, subsidie aan de nader
krachtens dit besluit aangewezen natuurlijke- en rechtspersonen die
een bijdrage leveren aan de uitvoering van het programma Europees
Sociaal Fonds Doelstelling 2, zoals uitgewerkt in het Operationeel
Programma en neemt daarbij de Verordening en de
Implementatieverordening in acht.
2. De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op de subsidieverlening
krachtens deze regeling.
3. Indien de
Europese Commissie op het tijdstip van subsidieverlening nog niet heeft
ingestemd met het Operationele Programma, wordt de subsidie, bedoeld in
het eerste lid, verleend onder de voorwaarde dat de Europese Commissie
instemt met dat Operationele Programma.
4. In geval van het
niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, kan de
minister de subsidie aanpassen aan het gewijzigde Operationele
Programma, dat wel de instemming van de Europese Commissie heeft
verkregen.
Artikel 3. Aanwijzing autoriteiten
1. Als
managementautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a,
van de Verordening wordt aangewezen het Agentschap SZW van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. Als
certificeringsautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder b,
van de Verordening wordt aangewezen de Dienst Regelingen van het
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
3. Als
auditautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder c, van de
Verordening wordt aangewezen de Rijksauditdienst van het Ministerie van
Financiën.
Artikel 4. Aard van de projecten
De minister verleent met inachtneming van deze
regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van
de Verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:
a. additionele toerusting van personen met een
achterstand op of tot de arbeidsmarkt, zoals nader uitgewerkt in
Actie A in Bijlage 1;
b. re-integratie van gedetineerden en jongeren
in jeugdinrichtingen, zoals nader uitgewerkt in Actie B in Bijlage
1;
c. praktijkonderwijs en voortgezet speciaal
onderwijs, zoals nader uitgewerkt in Actie C in Bijlage 1;
d. verbetering arbeidsmarktpositie van
laaggekwalificeerde werkenden zoals nader uitgewerkt in Actie D in
Bijlage 1;
e. sociale innovatie zoals nader uitgewerkt in
Actie E in Bijlage 1;
f. additionele scholing, opleiding
respectievelijk toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt
zoals nader uitgewerkt in Actie Jeugd in Bijlage 1.
Artikel 5. Instelling Comité van experts
De minister kan ter beoordeling van
aanvragen tot subsidieverlening met betrekking tot de Acties A, C, E en
Jeugd 2 voor iedere Actie afzonderlijk een Comité van experts
instellen.
Artikel 6. Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond
1. De mogelijkheid
tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende
door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren
2007 t/m 2013. Indien deze mogelijkheid wordt geopend, wordt hiervan
vooraf door de minister in de Nederlandse Staatscourant mededeling
gedaan, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per Actie wordt
vastgesteld.
2. Wanneer het
vastgestelde aanvraagtijdvak eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen
erkende feestdag eindigt de termijn om 17.00 uur op de vrijdag
voorafgaand aan de zaterdag of zondag en om 17.00 uur op de dag
voorafgaand aan de algemeen erkende feestdag.
3. Wanneer het
vastgestelde aanvraagtijdvak begint op een zaterdag, zondag of algemeen
erkende feestdag, begint de termijn om 9.00 uur op de eerstvolgende
werkdag, waarbij onder werkdag wordt verstaan de dagen maandag tot en
met vrijdag.
Artikel 7. Subsidie aanvrager
De subsidie met betrekking tot een project als
bedoeld in deze regeling wordt aangevraagd door een als zodanig
geregistreerde aanvrager, zoals aangewezen in Bijlage 1 bij deze
regeling.
Artikel 8. De aanvraag
1. De
subsidieaanvraag heeft steeds betrekking op één project.
2. De
subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving met
bijbehorende begroting en financieringsplan en wordt ingediend onder
gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar
gesteld formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.
3. De
projectbeschrijving bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de aard en de omvang van
de voorgenomen activiteiten,
b. een beschrijving van de doelstelling,
resultaten en producten die de subsidieaanvrager met de activiteiten
nastreeft,
c. een beschrijving van de wijze waarop de
activiteiten zullen worden uitgevoerd, en
d. een opgave van het tijdstip waarop de
activiteiten starten en worden beëindigd.
4. De begroting
geeft inzicht in de baten en lasten van het project en is voorzien van
een toelichting per post.
5. Op de aanvraag
wordt uiterlijk 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak beschikt. Bij
afwezigheid van een aanvraagtijdvak wordt 13 weken na ontvangst van de
volledige aanvraag beschikt.
6. Een aanvraag is
volledig wanneer het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen
volledig en juist zijn ingevuld, zodat op basis van de verstrekte
informatie de aanvraag kan worden beoordeeld.
7. Desgevraagd
verstrekt de subsidieaanvrager een nadere toelichting op het projectplan
en de begroting.
8. Indien de
subsidieaanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project
middelen van een derde inzet, geschiedt dit op basis van een
schriftelijke overeenkomst met, dan wel een schriftelijke toezegging van
die derde. In de schriftelijke overeenkomst, dan wel schriftelijke
toezegging wordt de bijdrage die door de derde wordt verschaft
vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder deze ter beschikking wordt
gesteld.
9. Het tweede tot en
met het vijfde lid en het achtste lid zijn niet van toepassing op
subsidie aanvragen in het kader van Actie E, die zijn ingediend op of na
1 oktober 2011.
Artikel 9. Rangschikking
1. In geval het
totaalbedrag van de aangevraagde subsidies met betrekking tot enige
Actie het voor die Actie vastgestelde subsidieplafond te boven gaat,
worden de subsidieaanvragen met betrekking tot die Actie door de
minister afgehandeld in volgorde van het tijdstip van ontvangst,
waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden
genomen.
2. Een van het
eerste lid afwijkende prioritering geldt, voor zover zulks ten aanzien
van enige Actie in Bijlage 1 is bepaald.
3. Wanneer de
subsidieaanvrager in de gelegenheid is gesteld om zijn onvolledige
subsidieaanvraag aan te vullen, geldt als tijdstip van ontvangst het
tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.
4. Indien volledige
inwilliging van een subsidieaanvraag zou leiden tot overschrijding van
het toepasselijke subsidieplafond, doch uitvoering van het project
mogelijk lijkt op basis van een lager te verlenen subsidiebedrag, wordt
de aanvrager in de gelegenheid gesteld de aanvraag zodanig aan te
passen, dat deze een subsidiebedrag betreft waarbij het subsidieplafond
niet wordt overschreden.
Artikel 10. Subsidieverlening
1. De minister
verleent de subsidie aan de subsidieaanvrager.
2. De beschikking
tot verlening van subsidie betreft de projectactiviteiten, zoals
vastgelegd in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving.
3. In de beschikking
wordt de periode opgenomen waarbinnen het project wordt uitgevoerd.
Tevens wordt in de beschikking het maximumbedrag bepaald dat aan
subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag
wordt uitgegaan van het totaal van de uitvoerings- en beheerskosten van
het project, zoals door de subsidieaanvrager geraamd in zijn
subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te
vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel
op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de
desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen
worden voor de uitvoering van het project, dan wel uit anderen hoofde
worden vergoed.
4. Aan de
beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere voorwaarden worden
verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het behoud van een
goed inzicht in de voortgang en administratie van het project.
Artikel 11. Weigering van de subsidie
Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door
de minister afgewezen, indien:
a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de
daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;
b. subsidieverlening tot gevolg heeft dat het
van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in
artikel 6, wordt overschreden;
c. de kosten van het project niet in een
redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
d. onvoldoende zekerheid bestaat over de
financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de
voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;
e. onvoldoende zekerheid bestaat dat de
administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan
gestelde eisen;
f. onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager
de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of
kwantitatieve zin kan beďnvloeden;
g. onaannemelijk is dat met de door de
subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde
doelstelling wordt bereikt;
h. het project reeds uit anderen hoofde wordt
gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma's.
Artikel 12. Hoogte van de subsidie
1. De subsidie ten
behoeve van projecten als bedoeld in Actie A, Actie B, Actie C, Actie
D en Actie Jeugd 1 en 2 bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, doch
ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde
maximumbedrag. Met betrekking tot Actie D geldt tevens een flexibel
subsidiepercentage, zoals nader uitgewerkt in artikel D8 van Bijlage
1.
2. De subsidie ten
behoeve van projecten als bedoeld in Actie E bedraagt 75% van de
subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot
subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
3. Indien de
subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als
bedoeld in artikel 8, achtste lid, jegens een derde terzake van de
uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in het eerste en
tweede lid aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt
dan 60%, respectievelijk 25% van de subsidiabele kosten, dan wel indien
de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke
toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 60%, respectievelijk 25% van de
subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie
verlaagd met dit meerdere.
Artikel 13. Subsidiabele kosten
1. Voor
subsidiering komen uitsluitend in aanmerking:
a. de noodzakelijke kosten die door of op
verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering
van de subsidiabele projectactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1,
die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en zijn betaald
uiterlijk binnen zes weken na het indienen van de eindverantwoording
en die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project
zijn toe te rekenen. Dit onderdeel is niet van toepassing op
subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het
exploitatiekosten betreft, die zijn gerelateerd aan de uitvoering van
subsidiabele projectactiviteiten,
b. kosten voor overhead en aan overhead
gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in
beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in
aanmerking komende kosten op grond van de subsidiabele
projectactiviteiten per actie, zoals opgenomen in Bijlage 1. Dit
onderdeel is niet van toepassing op Actie E. Tevens is dit onderdeel
niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C,
voor zover het aan overhead gerelateerde exploitatiekosten betreft,
c. loonkostensubsidies en stagevergoedingen voor
zover verstrekt binnen Actie J, waarbij de inzet van de
loonkostensubsidies en stagevergoedingen rechtstreeks voortvloeit uit
het regionaal actieplan of het Actieplan Jeugdwerkloosheid, dan wel
uit het met de VNG afgesloten sectorarrangement.
2. kosten voor
intern personeel voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal
werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op
basis van het brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% en het aantal
werkbare uren per jaar.
3. Kosten voor
opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter
hoogte van de vastgestelde standaardprijs á € 3.700,– per
opleiding, per schooljaar, mits de volgende bewijsstukken kunnen worden
overgelegd:
- de toepasselijke
beroepspraktijkvormingsovereenkomst,
- loonstrook deelnemer van de laatste
scholingsmaand in het ESF project, of een door het pensioenfonds
verstrekt overzicht, waaruit het dienstverband van de deelnemer bij
het leerbedrijf in de laatste scholingsmaand in het ESF-project
blijkt,
- behaald diploma of bewijsstuk van de
instelling waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de
betreffende opleiding heeft genoten.
4. Om voor subsidie
in aanmerking te komen dient voor opdrachten met een financieel belang
van hoger of gelijk aan € 15.000,– de marktconformiteit aangetoond
te worden. Voor opdrachten tot € 50.000,– kan worden volstaan met
een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000,–
dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een
vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure
of een openbare aanbestedingsprocedure.
5. Met uitzondering
van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor subsidieaanvragen die zijn
ingediend voor 1 oktober 2010, artikel 13 van de subsidieregeling ESF
2007–2013 (herzien), zoals dit luidde op 30 september 2010.
Artikel 14. Niet-subsidiabele kosten
Niet voor subsidiering komen in aanmerking:
a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering
van het project of een onderdeel daarvan;
b. kosten van het project die qua prijsniveau
niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen
prestaties;
c. kosten van inkomensvervangende betalingen
of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;
d. loonkosten verbonden aan
werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of
bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand, uitgezonderd
hetgeen is bepaald in artikel 13, eerste lid, onderdeel c;
e. loonkosten van een persoon die in het kader
van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente
dan wel met een reguliere werkgever heeft;
f. verletkosten.
Artikel 15. Bevoorschotting
1. Aan de
begunstigde kan op een daartoe strekkend verzoek een voorschot worden
verleend. In het verzoek wordt door de begunstigde de behoefte aan het
voorschot onderbouwd en gespecificeerd.
2. Het voorschot
bedraagt maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening
opgenomen maximum subsidiebedrag.
3. Voor zover het
verstrekken van een voorschot heeft geleid tot vermogensvorming blijkt
dat uit de einddeclaratie, bedoeld in artikel 18.
4. Na ontvangst van
het verzoek tot vaststelling van subsidie kan de minister uit eigen
beweging een voorschot verlenen tot maximaal 100% van het in de
beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag.
Artikel 16. Administratievoorschriften
1. De begunstigde
houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met
betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee
gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit
een projectadministratie, waaronder begrepen een
deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle
noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en
ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te
verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle
beschikbaar op één locatie.
2. De
projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde
prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van
geleverde producten of diensten.
3. De financiële
administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en
de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden
toegerekend.
4. De
deelnemersadministratie geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de
projectactiviteiten en de behaalde resultaten per individuele deelnemer.
5. Het eerste tot en
met het vierde lid zijn niet van toepassing op subsidie aanvragen in het
kader van Actie E, die zijn ingediend op of na 1 oktober 2011.
6. De begunstigde
bewaart alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het
gesubsidieerde project tot en met 31 december 2020. Van bewijsstukken
dient het originele stuk, dan wel een voor authentiek gewaarmerkte
versie van het originele stuk, te worden bewaard volgens de in Bijlage 3
vastgestelde procedure.
7. Begunstigde
verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese
Commissie daartoe aangewezen personen inzage in of informatie uit de
administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde personen desgevraagd
informatie over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking
gebrachte project.
Artikel 17. Rapportageverplichtingen
1. De begunstigde
verstrekt, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister
elektronisch beschikbaar gestelde formulier, aan de
managementautoriteit uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar het
burgerservicenummer, dan wel bij het ontbreken daarvan het
sociaal-fiscaalnummer, van de deelnemers aan zijn project.
2. Het eerste lid is
niet van toepassing op de begunstigde voor een project in het kader van
Actie E.
3. Indien er
tussentijds omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de
administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die
anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op
subsidie, doet de begunstigde hiervan onverwijld mededeling aan de
minister.
4. De begunstigde
maakt, wanneer binnen 3 jaar na afloop van het project sprake is van
faillissement of overgang van eigendom van een door het project
gefinancierde onderneming, hiervan melding aan de minister.
Artikel 18. Einddeclaratie en Subsidievaststelling
1. De begunstigde
dient binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek
tot vaststelling van subsidie in bij de minister. Bij het verzoek tot
vaststelling van subsidie wordt een verantwoording en een
einddeclaratie gevoegd. De begunstigde verstrekt bij de einddeclaratie
het burgerservicenummer, dan wel bij het ontbreken daarvan het
sociaal-fiscaalnummer, van de deelnemers aan zijn project.
2. Het verzoek wordt
ingediend onder gebruikmaking van een op het project betrekking hebbend
formulier, voorzien van de vereiste bijlagen, dat door de minister
elektronisch beschikbaar wordt gesteld.
3. De minister
beslist binnen 24 maanden na ontvangst van het verzoek tot vaststelling
van de subsidie.
Artikel 19. Publiciteit
1. De begunstigde
informeert de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan
projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds
gesubsidieerd project en verleent medewerking aan door de minister
georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de
media, potentiële deelnemers en het grote publiek.
2. De begunstigde
draagt er zorg voor dat op briefpapier en overige relevante op het
project en de uitvoering daarvan betrekking hebbende documenten,
duidelijk kenbaar wordt gemaakt dat het project cofinanciering vanuit
het Europees Sociaal Fonds ontvangt.
3. De begunstigde
draagt er zorg voor dat een embleem van de Europese vlag aanwezig is op
het publiciteitsmateriaal met betrekking tot het project, en dat dit
embleem voldoet aan de instructies betreffende kleurgebruik en
afmetingen zoals omschreven in bijlage 1 bij de
Implementatieverordening.
4. De begunstigde
draagt er zorg voor dat op al het publiciteitsmateriaal in ieder geval
de term Europees Sociaal Fonds aanwezig is, en dat, indien het
publiciteitsmateriaal daarvoor ruimte biedt, tevens melding wordt
gemaakt van de leuze: Het Europees Sociaal Fonds investeert in jouw
toekomst.
5. De begunstigde
verleent aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe
aangewezen personen medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten
met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde
project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de
feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.
6. Indien de
begunstigde niet voldoet aan een of meer van de vorige leden kan dit
leiden tot een verlaging van de vast te stellen subsidie met 5%.
7. De
projectresultaten worden om niet beschikbaar gesteld aan de minister of
door hem aangewezen derden.
Artikel 20. Intrekking en terugvordering
1. Onverminderd
het bepaalde in afdeling 4.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht kan
een beschikking tot subsidieverlening door de minister geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan
uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd:
a. indien het project wordt uitgevoerd in
afwijking van het projectplan, voor zover de subsidieverlening daarop
was gebaseerd;
b. indien de doelstellingen van het project ten
gevolge van nalatigheid van de begunstigde niet of slechts ten dele
worden gerealiseerd;
c. indien de begunstigde niet heeft voldaan aan
een of meer van de administratievoorschriften;
d. op een daartoe strekkend verzoek van de
begunstigde.
2. Gehele of
gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening op
grond van het eerste lid, onder a, vindt niet plaats, indien de
afwijking van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectplan vooraf
aan de minister is voorgelegd en de minister daarmee schriftelijk heeft
ingestemd.
3. De begunstigde is
verplicht onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en teveel door hem
ontvangen voorschotten onverwijld terug te betalen, tenzij de minister
heeft aangegeven dat verrekening op andere wijze plaatsvindt.
4. Bij
terugvordering van door de minister onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen of teveel door de begunstigde ontvangen voorschotten
worden de met de terugvordering verband houdende kosten bij de
begunstigde in rekening gebracht. Tevens wordt overgegaan tot het in
rekening brengen van de wettelijke rente.
Artikel 21. Intrekking regeling
De Subsidieregeling ESF 2007–2013 wordt
ingetrokken.
Artikel 22. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Deze regeling zal met de
toelichting en bijlagen 1 t/m 4 in de Staatscourant worden
geplaatst.
Artikel 23. Overgangsbepalingen
1. Beschikkingen
afgegeven onder de Subsidieregeling ESF 2007–2013 blijven van kracht
en worden aangemerkt als beschikkingen die zijn afgegeven onder de
Subsidieregeling 2007–2013 (herzien).
2. Met betrekking
tot beschikkingen afgegeven in het kader van Actie D in het jaar 2007 en
in het eerste aanvraagtijdvak 2008, in ieder geval voor 2 maart 2009,
blijft artikel 3.8, tweede lid, en artikel 10.1, tweede lid, van de
Subsidieregeling ESF 2007–2013 van kracht.
Artikel 24. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij
wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021.
Den Haag, 24 augustus 2009.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma.
Bijlage 1. Specifieke
bepalingen voor subsidie aanvragen per actie
Actie A. Additionele toerusting van personen met
een achterstand op of tot de arbeidsmarkt
Artikel A1. Aanvrager
1. De subsidie met betrekking tot een project in
het kader van Actie A wordt aangevraagd door:
a. een bij het project betrokken college van
burgemeester en wethouders;
b. het UWV;
c. een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat
door de minister overeenkomstig Bijlage 2 als subsidieaanvrager is
erkend.
2. Indien wordt samengewerkt met andere
bij het project betrokken partijen wordt één partij aangewezen als
aanvrager.
3. Indien een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds
als subsidieaanvrager optreedt, wordt in de projectadministratie een
overeenkomst opgenomen waaruit, afhankelijk van de personen in de
doelgroep, blijkt dat wordt samengewerkt met een college van
burgemeester en wethouders, met colleges van burgemeester en wethouders
dan wel met het UWV.
Artikel A2. Aanvraagtijdvakken
1. Subsidieaanvragen met betrekking tot een
project in het kader van Actie A, als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a, wordt in het kalenderjaar 2009 nog door de minister ontvangen in
het aanvraagtijdvak van 2 november 2009, 09.00 uur, tot en met 30
november 2009, 17.00 uur;
2. In de periode van 1 januari 2010 tot en met
31 december 2013 wordt de aanvraag door de minister telkens ontvangen
in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31
oktober, 17.00 uur.
Artikel A3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen
van subsidie bedraagt:
a. voor aanvragen, ingediend in 2009:
€ 80.000.000,–;
b. voor aanvragen, ingediend in 2010:
€ 65.000.000,–.
Artikel A4. Doel
Een project in het kader van Actie A heeft tot
doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing van personen uit de,
in artikel A5 aangewezen doelgroepen, te vergroten.
Artikel A5. Doelgroep
Een project in het kader van Actie A richt zich op
personen die behoren tot de volgende doelgroepen:
a. niet-uitkeringsontvangers; of
b. arbeidsbelemmerden, dan wel
gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering,
een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of
een uitkering van het UWV, alsmede jonggehandicapten; of
c. 55-plussers met een WWB-uitkering, een
IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV.
Artikel A6. Specifieke eisen
Een project komt slechts voor subsidie in
aanmerking indien:
a. het project past binnen het hogergenoemde
doel, en
b. het project een duur van ten hoogste 18
maanden heeft, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag, en
c. de in de subsidieaanvraag begrote
kosten van het project ten minste € 250.000,– bedragen.
Artikel A7. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen slechts de volgende
activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel
A4 ondersteunen:
1. Activiteiten gericht op het vergroten van
duurzame arbeidsinpassing van deelnemers, met inbegrip van
re-integratietrajecten waaronder begrepen scholing, training en
begeleiding;
2. Werving van niet-uitkeringsontvangers voor
het project. De hiermee samenhangende kosten bedragen maximaal 10%
van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor
subsidie in aanmerking komende kosten.
Artikel A8. Maximum subsidie per aanvrager
Met betrekking tot projecten in het kader
van Actie A komen bij de projecten betrokken colleges van burgemeester
en wethouders en Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen per aanvraagtijdvak
in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 5.000.000,–. Voor
het UWV geldt een maximum van € 25.000.000,–.
Artikel A9. Prioritering
1. Met betrekking tot de verdeling van het
maximaal beschikbare bedrag, hebben subsidieaanvragen van een college
van burgemeester en wethouders voorrang op subsidieaanvragen van het
UWV of van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds en hebben
subsidieaanvragen van het UWV voorrang op subsidieaanvragen van een
Opleidings- en Ontwikkelingsfonds.
2. Het door de minister ingestelde
Comité van experts Actie A zal de aanvragen toetsen aan de hand van de
hieronder beschreven kwalitatieve criteria. Projecten die in hogere mate
voldoen aan bedoelde criteria hebben voorrang op de projecten die in
mindere mate aan deze criteria voldoen. Het Comité van experts
rangschikt de aanvragen en brengt hierover binnen vier weken na het
einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister. De criteria
zijn: a. Duurzaamheid van de arbeidsinpassing, b. Concreetheid van de
beschreven activiteiten, c. De mate waarin de activiteiten bijdragen aan
het bereiken van de doelstellingen van het project en d. Spreiding over
de verschillende doelgroepen.
3. Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van
ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een
eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft
dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is
ontvangen.
Actie B. Re-integratie van gedetineerden en
jongeren in jeugdinrichtingen
Artikel B1. Aanvrager
De subsidie met betrekking tot een project in het
kader van Actie B, als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, wordt
aangevraagd door de minister van Justitie, en indien nodig, mede namens
de minister voor Jeugd en Gezin.
Artikel B2. Aanvraagtijdvakken
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project
in het kader van Actie B, worden in de periode van 1 januari 2008 tot en
met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het
aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00
uur.
Artikel B3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen
van subsidie bedraagt:
a. voor aanvragen, ingediend in 2009:
€ 15.000.000,–;
b. voor aanvragen, ingediend in 2010:
€ 15.000.000,–;
c. voor aanvragen, ingediend in 2011:
€ 15.000.000,–.
Artikel B4. Doel en doelgroep
Een project met betrekking tot Actie B beoogt de
arbeidsmarktpositie van gedetineerden van 15 jaar of ouder, en/of
civielrechtelijk in Jeugdinrichtingen verblijvende jongeren van 15 jaar
of ouder, zodanig te verbeteren, dat zij uiteindelijk naar werk
bemiddelbaar zijn of na detentie direct inpasbaar zijn in een
arbeidsmarkt gerelateerd programma of regulier opleidingstraject.
Artikel B5. Specifieke eisen
Een project als bedoeld in Actie B komt slechts
voor subsidie in aanmerking indien:
a. het project past binnen het hogergenoemde
doel;
b. het project een duur van ten hoogste 15
maanden heeft;
c. het project start uiterlijk binnen 8
maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag
d. ten aanzien van de in het doel genoemde
personen de methodiek van individuele trajectbegeleiding wordt
toegepast.
Artikel B6. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen slechts de volgende
activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel
B4 ondersteunen:
a. activiteiten in het kader van individuele
trajectbegeleiding;
b. scholing en training;
c. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en
trainingen, passend binnen het doel, bedoeld in artikel B4, tot een
maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening
opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.
Actie C. Praktijkonderwijs en voortgezet speciaal
onderwijs
Artikel C1. Aanvrager
De subsidie met betrekking tot een project in het
kader van Actie C, als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, wordt
aangevraagd door een school voor praktijkonderwijs of een school voor
voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel C2. Aanvraagtijdvakken
1. Subsidieaanvragen met betrekking tot een
project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari
2010 tot en met 31 december 2010 door de minister ontvangen in het
aanvraagtijdvak van 1 februari, 9.00 uur tot en met 28 februari, 17.00
uur.
2. Subsidieaanvragen met betrekking tot een
project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari
2011 tot en met 31 december 2011 door de minister ontvangen in het
aanvraagtijdvak van 17 januari, 9.00 uur tot en met 28 januari, 17.00
uur.
3. Subsidieaanvragen met betrekking tot een
project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari
2012 tot en met 31 december 2012 door de minister ontvangen in het
aanvraagtijdvak van 15 maart 2012, 9.00 uur tot en met 30 maart 2012,
17.00 uur.
Artikel C3. Subsidieplafond
1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het
verlenen van subsidie bedraagt:
a. voor aanvragen, ingediend in 2009:
€ 40.000.000,–;
b. voor aanvragen, ingediend in 2010:
€ 24.000.000,–;
c. voor aanvragen, ingediend in 2011:
€ 24.000.000,–;
d. voor aanvragen, ingediend in 2012:
€ 48.000.000,–.
2. De maximumsubsidie per aanvrager per
aanvraagtijdvak bedraagt € 450.000,–.
Artikel C4. Doel
Een project als bedoeld in Actie C, heeft tot doel
leerlingen, behorend tot de in artikel C5 omschreven doelgroep, voor te
bereiden op, of toe te geleiden naar, een functie op de reguliere
arbeidsmarkt, dan wel beschermde arbeidsmarkt, of toe te geleiden naar
een vervolgopleiding op MBO-1 niveau of naar het Beroepsbegeleidend
onderwijs, daarbij is het van belang dat wordt samengewerkt met het
bedrijfsleven.
Artikel C5. Doelgroep
Een project in het kader van Actie C is gericht op
personen van 15 jaar of ouder:
1. die in de periode van twaalf maanden,
onmiddellijk voorafgaande aan de start van het project, ingeschreven
hebben gestaan bij een school zoals bedoeld in artikel C1 of die ten
tijde van het project staan ingeschreven bij een dergelijke school,
en
2. die naar het oordeel van de school in
aanvulling op het reguliere onderwijs ondersteuning nodig hebben
en/of die na het verlaten van de school begeleiding nodig hebben ten
behoeve van arbeidsintegratie.
Artikel C6. Specifieke eisen
Een project als bedoeld in Actie C komt slechts
voor subsidie in aanmerking indien:
a. het concreet omschreven, schooleigen
project past binnen het in artikel C4 omschreven doel;
b. het project een duur van ten hoogste 12
maanden heeft; en
c. het project start na 31 juli van een
kalenderjaar, doch uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de
datum van de volledige aanvraag.
Artikel C7. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen slechts de volgende
activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel
C4 ondersteunen:
1. arbeidskundig onderzoek, waarvan
de kosten per deelnemer ten hoogste € 900,– bedragen;
2. leerlingwerkplaatsen in directe
samenhang met branches en bedrijven, uitgevoerd onder
verantwoordelijkheid van de school, waarvan de kosten per deelnemer
ten hoogste € 3000,– bedragen;
3. branchegerichte cursussen met een
civiel effect, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 4000,–
bedragen;
4. vormgeven en intensivering van
begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde
stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst, waarvan de kosten
per deelnemer ten hoogste € 2000,– bedragen; of
5. opleidingen in het kader van
professionalisering van docenten en schoolleiders, die aantoonbaar
rechtstreeks gericht zijn op de onder punt 1 tot en met 4 genoemde
activiteiten, voor zover deze leiden tot een certificaat of diploma
en voor zover de kosten per docent of schoolleider ten hoogste €
2000,– bedragen, met een maximum van 10% van de in de beschikking
tot subsidieverlening opgenomen voor subsidie in aanmerking komende
kosten;
6. ondersteuning van de onder 1 tot en met 4
genoemde activiteiten door netwerkvorming in relatie tot
arbeidsintegratie;
7. ontwikkelingsactiviteiten gericht op
activiteiten als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, tot een maximum van
10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor
subsidie in aanmerking komende kosten.
Artikel C8. Prioritering
1. Projecten in het kader van Actie C van een
subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling niet eerder
subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend,
hebben voorrang op projecten van een subsidieaanvrager aan wie op
grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het
kader van Actie C is verleend.
2. Met betrekking tot de projecten van een
subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie
voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben
projecten die in hogere mate voldoen aan de criteria
arbeidsmarktgerichtheid, innovatief gehalte en netwerkgerichtheid,
voorrang op de projecten die in mindere mate aan die criteria
voldoen.
3. De mate waarin voldaan wordt aan de
criteria wordt beoordeeld door het Comité van experts
Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C. Het Comité van experts kent
aan zijn beoordeling een score toe en brengt hierover binnen vier
weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister.
4. Indien de beoordeling ertoe leidt dat
projecten een gelijke score hebben, heeft het project van een
subsidieaanvrager aan wie minder vaak subsidie voor een project in het
kader van Actie C is verleend, voorrang op het project van een
subsidieaanvrager aan wie vaker subsidie voor een dergelijk project is
verleend.
5. Indien na toepassing van het voorgaande lid
subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, hebben
subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking
tot een school voor voortgezet speciaal onderwijs voorrang op
subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking
tot een school voor praktijkonderwijs.
6. Indien na toepassing van het voorgaande lid
subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, worden die
subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip
van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de
volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister
is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige
subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.
Actie D. Verbetering arbeidsmarktpositie van
laaggekwalificeerde werkenden
Artikel D1. Aanvrager
De subsidie met betrekking tot een project in
het kader van Actie D wordt aangevraagd door een Opleidings- en
Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de
erkenningsregeling in bijlage 2 bij deze regeling als
subsidieaanvrager is erkend.
Artikel D2. Aanvraagtijdvakken
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project
in het kader van Actie D, als bedoeld in artikel 4, onderdeel d,
worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013
door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1
februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur.
Artikel D3. Subsidieplafond
1
Het maximaal beschikbare bedrag voor het
verlenen van subsidie bedraagt:
a. voor aanvragen, ingediend in 2009:
€ 150.000.000,–;
b. voor aanvragen, ingediend in 2010:
€ 150.000.000,–;
c. voor aanvragen, ingediend in 2011:
€ 225.000.000,–.
Artikel D4. Doel
Een project in het kader van Actie D heeft tot
doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van laaggekwalificeerde
werkenden te vergroten.
Artikel D5. Doelgroep
Een project in het kader van Actie D richt zich op
laaggekwalificeerde werkenden en kan mede betrekking hebben op
laaggekwalificeerde personen die op grond van een uitzendovereenkomst,
als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
werkzaam zijn in de bedrijfstak of de onderneming waar het Opleidings-
en Ontwikkelingsfonds opereert.
Artikel D6. Specifieke eisen
1. Een project in het kader van Actie D komt
slechts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het project past binnen het doel, zoals
omschreven in artikel D4;
b. het project past binnen het doel dat is
opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds
dat het project uitvoert of doet uitvoeren, dan wel, het project
past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het
Opleidings- en Ontwikkelingsfonds waarmee in het kader van het
project wordt samengewerkt;
c. het project een duur van ten hoogste 18
maanden heeft, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag;
d. het project gericht is op een in het CREBO
opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen
opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de
arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen
toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt.
2. De begunstigde toetst of de opleidingen
binnen het project, welke niet in het CREBO register zijn opgenomen,
voldoen aan de vereisten gesteld in het voorgaande lid. Desgevraagd
verstrekt de begunstigde aan door de minister dan wel door de Europese
Commissie daartoe aangewezen personen informatie waaruit blijkt dat
aan deze vereisten is voldaan.
3. De begunstigde toont aan dat het
opleidingsniveau van de deelnemers maximaal MBO-4 niveau is. Dit kan
door middel van een verklaring van de werkgever voor alle deelnemers
of door middel van een verklaring van de individuele deelnemer over
zijn opleidingsniveau.
Artikel D7. Subsidiabele activiteiten
1. Voor subsidie komen slechts de volgende
activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel
D4 ondersteunen:
a. opleidingen, cursussen en trainingen tot en
met MBO-4 niveau, alsmede de toepassing van de EVC-procedure;
b. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en
trainingen tot en met MBO-4 niveau tot een maximum van 10% van de in
de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in
aanmerking komende kosten.
2. Bedrijfsspecifieke opleidingen, EHBO
cursussen en BHV cursussen zijn uitgesloten van subsidie.
Artikel D8. Hoogte subsidie – flexibel
subsidiepercentage
1. Indien bij de vaststelling van de subsidie
blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten,
zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, wordt met
betrekking tot een project in het kader van Actie D het in artikel 12
genoemde percentage van 40% verhoogd:
a. met 1 procentpunt, indien ten minste 35%
van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling
voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen
bestaat;
b. met 1 procentpunt, indien ten minste 35%
van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling
voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren
van 15 jaar of ouder, doch jonger dan 24 jaar bestaat;
c. met 1 procentpunt, indien ten minste 10%
van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling
voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit
gedeeltelijk-arbeidsgeschikten of personen met een WSW-indicatie,
bestaat;
d. met 1 procentpunt, indien ten minste 40%
van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling
voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit
werkenden zonder startkwalificatie bestaat;
e. met 1 procentpunt, indien het aantal
vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de
subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger
ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende
sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen van
werknemers; economische activiteit en geslacht’.
2. Bij de beoordeling of het in de beschikking
tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag, zoals bedoeld in artikel
10 lid 3 van deze regeling, is bereikt blijft de verhoging van het
subsidiepercentage zoals hierboven bedoeld buiten beschouwing.
3. Indien bij de vaststelling van de subsidie
blijkt dat minder dan 60% van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in
de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het
subsidiebedrag waarop aanspraak zou bestaan verlaagd met 5%.
4. Het derde lid is slechts van toepassing ten
aanzien van projecten waarvoor na 1 oktober 2010 subsidie is
aangevraagd.
Artikel D9. Maximum subsidie per aanvrager
1. Met betrekking tot projecten in het kader van
Actie D komen subsidieaanvragers per aanvraagtijdvak in aanmerking
voor subsidie tot een maximum van 2% van het van toepassing zijnde
maximaal beschikbare bedrag per aanvraagtijdvak.
2. Voor het aanvraagtijdvak februari 2011
komen subsidieaanvragers in aanmerking voor subsidie tot een maximum van
€ 4.000.000,– .
Actie E. Sociale innovatie
Artikel E1. Aanvrager
De subsidie met betrekking tot een project in het
kader van Actie E wordt aangevraagd door een natuurlijke- of
rechtspersoon, die een arbeidsorganisatie in stand houdt. Als
arbeidsorganisatie wordt beschouwd iedere eenheid, ongeacht haar
rechtsvorm, waarin door werknemers arbeid wordt verricht.
Artikel E2. Aanvraagtijdvakken
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project
in het kader van Actie E, als bedoeld in artikel 4, onderdeel e, worden
door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 10 oktober 2011,
9.00 uur, tot en met 21 oktober 2011, 17.00 uur.
Artikel E3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het
verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak bedoeld in
artikel E2, € 77.184.000,−.
Artikel E4. Doel
In het kader van Actie E kan uitsluitend subsidie
worden aangevraagd voor projecten op het terrein van sociale innovatie,
gericht op ten minste een van de onderstaande thema’s:
a. Procesverbetering: het binnen de
arbeidsorganisatie(s) verbeteren, herschikken en innoveren van
bedrijfsprocessen.
b. Duurzame inzetbaarheid: het creëren
van een cultuuromslag gericht op gezond, vitaal en productief werken
van indiensttreding tot aan pensionering, door:
– het stimuleren van regionale en
intersectorale arbeidsmobiliteit van werknemers,
– arbeidstijdenmanagement,
– het bevorderen van gezond, vitaal en
veilig werken, of
– het bevorderen van zelfredzaamheid op de
werkvloer.
Artikel E5. De aanvraag
1. De aanvraag wordt ingediend onder
gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch
beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische
handtekening.
2. Per aanvrager wordt slechts één
subsidie aanvraag in behandeling genomen.
3. Op een volledige aanvraag wordt na afloop van
het aanvraagtijdvak, als bedoeld in artikel E2, in afwijking van artikel
8, vijfde lid, binnen achttien weken beslist.
4. In geval het totaalbedrag van de aangevraagde
subsidies met betrekking tot Actie E het in artikel E3 vastgestelde
subsidieplafond te boven gaat, verdeelt de minister de beschikbare
middelen op basis van een bij loting door de notaris vastgestelde
volgorde na afloop van het aanvraagtijdvak als bedoeld in artikel E2.
5. In de in het voorgaande lid bedoelde situatie
is het derde lid van artikel 9 niet van toepassing.
Artikel E6. Specifieke eisen
Een project in het kader van Actie E komt slechts
voor subsidie in aanmerking indien:
a. het project past binnen het in artikel E4
omschreven doel;
b. het project een duur van ten hoogste negen
maanden heeft;
c. het project uiterlijk binnen vier weken na
verzending van het besluit tot verlening van de subsidie start;
d. werknemers van de subsidieaanvrager actief
en aantoonbaar betrokken worden bij het project; en
e. drie referenties van drie verschillende
opdrachtgevers worden overgelegd met betrekking tot de kennis en
ervaring op het terrein van sociale innovatie van de beoogde
adviseur(s).
Artikel E7. Samenloop met andere subsidies
In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 11
wordt in het kader van Actie E geen subsidie verleend:
a. aan aanvragers aan wie op grond van Actie E
reeds subsidie is toegekend en van wie het verzoek tot vaststelling
van de subsidie nog niet is ontvangen.
b. aan aanvragers aan wie op grond van enige
andere subsidieregeling voor het project subsidie is of zal worden
verstrekt.
Artikel E8. Subsidiabele kosten
In afwijking van artikel 13 komen enkel voor
subsidie in aanmerking de kosten van de door de adviseur werkelijk
gerealiseerde uren voor ten minste een van onderstaande activiteiten,
gericht op een of meer thema’s uit artikel E4:
– het opstellen van een diagnose of advies,
of
– het in de praktijk laten uittesten of
implementeren van een plan van aanpak.
Artikel E9. Hoogte subsidie
1. Wanneer de aanvraag aan de eisen
voldoet verleent de minister steeds een subsidie van maximaal €
18.000,–.
2. Voor de berekening van de subsidie
wordt het uurtarief van de ingehuurde adviseur gemaximeerd op € 125,–
exclusief BTW.
3. Voor aan de subsidieaanvrager in rekening
gebrachte BTW wordt geen subsidie verleend.
4. De subsidie wordt op € 0,–
vastgesteld wanneer de kosten van de adviseur, bedoeld in artikel E8,
lager zijn dan € 13.000,–.
Artikel E10. Voorschotten
Er worden geen voorschotten verstrekt. Artikel 15
en artikel 20 zijn, voor zover zij zien op bevoorschotting, niet van
toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie E.
Artikel E11. Einddeclaratie en
subsidievaststelling
1. In afwijking van artikel 18, eerste
lid, dient de begunstigde binnen vier weken na beëindiging van het
project een verzoek tot vaststelling in bij de minister. Bij het verzoek
tot vaststelling van de subsidie wordt de door de adviseur opgestelde
diagnose, het advies, het implementatieplan of een verslag gevoegd en de
factuur of facturen van de adviseur(s) en de bijbehorende algemeen
aanvaarde betalingsbewijzen.
2. De minister beslist, in afwijking van artikel
18, derde lid, binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek tot
vaststelling.
Actie Jeugd Additionele scholing, opleiding en
toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt
Artikel J1. Aanvrager
1. De subsidie met betrekking tot een project in
het kader van Actie Jeugd wordt aangevraagd door:
a. het college van burgemeester en
wethouders van een coördinerende gemeente, zoals genoemd in artikel 1
van de regeling; of
b. een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat
door de minister op grond van de erkenningsregeling in Bijlage 2 van
deze regeling als subsidieaanvrager is erkend, mits aantoonbaar een
sectorarrangement is afgesloten.
2. In deze regeling wordt onderscheiden
Actie Jeugd 1, ten behoeve van de coördinerende gemeenten, en Actie
Jeugd 2, ten behoeve van Opleidings & Ontwikkelingsfondsen als
aanvrager.
Artikel J2. Aanvraagtijdvakken
1. De subsidieaanvraag met betrekking tot
een project in het kader van Actie Jeugd 1, gericht op
coördinerende gemeenten, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt
door de minister ontvangen in de periode van 1 september 2010, 09.00 uur
tot en met 31 maart 2011, 17.00 uur.
2. De subsidieaanvraag met betrekking tot een
project in het kader van Actie Jeugd 2, gericht op O&O
fondsen, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt in het
kalenderjaar 2010 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van
1 oktober 2010, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2010, 17.00 uur.
Artikel J3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen
van subsidie bedraagt:
a. voor aanvragen ten behoeve van
projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in 2009: €
25.000.000,–;
b. voor aanvragen ten behoeve van
projecten in het kader van Actie Jeugd 2, ingediend in 2009: €
24.000.000,–;
c. voor aanvragen ten behoeve van
projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in de periode
van 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011: € 35.000.000,–;
d. voor aanvragen ten behoeve van
projecten in het kader van Actie Jeugd 2, ingediend in 2010: €
25.000.000,–.
Artikel J4. Doel en doelgroep
Een project in het kader van Actie J heeft tot
doel het voorkomen van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het vergroten
van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en arbeidsinpassing van
jongeren.
Artikel J5. Verdeling van het beschikbare bedrag
1. Het maximaal beschikbare bedrag voor
het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 1 voor aanvragen,
ingediend in de periode van 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011,
is per coördinerende gemeente vastgelegd in bijlage 4.
2. Voor het verlenen van subsidie in het
kader van Actie Jeugd 2 bedraagt het maximaal beschikbare bedrag per
aanvrager € 2.000.000,–.
Artikel J6. Specifieke eisen
Een project in het kader van Actie Jeugd komt
slechts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het project past binnen het doel, zoals
omschreven in artikel J 4;
b. het project een duur van ten hoogste 18
maanden heeft, gerekend vanaf de indiening van een volledige
aanvraag;
c. bij de aanvraag van een project door een
O&O-fonds een sectorarrangement is overgelegd;
d. de kosten van het project van een
O&O-fonds meer bedragen dan € 1.250.000,–.
Artikel J7. Subsidiabele activiteiten
1. Voor subsidie komen slechts de volgende
activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel
J4 ondersteunen:
a. met betrekking tot Jeugd 1: activiteiten
die aansluiten bij het regionaal actieplan, danwel het Actieplan
Jeugdwerkloosheid.
b. met betrekking tot Jeugd 2: activiteiten
die aansluiten bij de afspraken uit het sectorarrangement.
Artikel J8. Prioritering Actie Jeugd 2
1. Het door de minister ingestelde
Comité van experts Actie Jeugd zal de aanvragen die zijn ingediend in
het kader van Actie Jeugd 2 toetsen aan de hand van de hieronder
beschreven kwalitatieve criteria.
De mate waarin voldaan wordt aan deze criteria wordt beoordeeld door het
Comité. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria
hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria
voldoen. Het Comité van experts rangschikt de aanvragen en brengt
hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies
uit aan de minister. De criteria zijn:
a. aansluiting bij het actieplan
jeugdwerkloosheid;
b. de mate waarin aandacht wordt geschonken aan
kwetsbare jongeren;
c. de mate waarin een sector vergrijsd is en op
korte en middellange termijn te maken krijgt met tekorten;
d. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan
het bereiken van de doelstellingen van het project;
e. de mate waarin aan een aanvrager al eerder
subsidie is toegekend in het kader van de ESF 2007–2013, Actie
Jeugd, waarbij aanvragers aan wie niet eerder subsidie is toegekend
voorrang hebben op aanvragers aan wie wel al eerder subsidie is
toegekend in het kader van Actie Jeugd van deze regeling.
2. Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip
van ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die
op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere
rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later
tijdstip is ontvangen.
Bijlage 2. Erkenning van o&o fondsen
Artikel 1. Erkenning O&O fonds
1. Een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds wordt
op diens verzoek door de minister als subsidieaanvrager erkend,
indien:
a. sprake is van een door vertegenwoordigers
van:
i. werkgevers en werknemers beheerd
samenwerkingsverband per bedrijfstak of onderneming, of
ii. zelfstandigen zonder personeel beheerd
samenwerkingsverband per bedrijfstak;
b. het onder a bedoelde samenwerkingsverband
een stichting als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van Boek 2 van
Burgerlijk Wetboek is;
c. het bestuur van deze stichting bevoegd is
te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging,
vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan
van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk
medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich
tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt;
d. het doel van het Opleidings- en
Ontwikkelingsfonds helder is afgebakend;
e. de meest recente jaarrekening wordt
overgelegd, voorzien van een van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
afkomstige verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een
mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken; en
f. aannemelijk is dat het Opleidings- en
Ontwikkelingsfonds niet in betalingsonmacht verkeert.
2. De jaarrekening, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel e, is in ieder geval niet ouder dan de jaarrekening die
betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het
kalenderjaar waarin het verzoek tot erkenning als subsidieaanvrager
wordt gedaan.
3. Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
wordt overgelegd:
a. een afschrift van de notariële akte
van oprichting, bedoeld in artikel 286, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek;
b. de jaarrekening, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel e, juncto het tweede lid.
4. Indien na de akte van oprichting de statuten
zijn gewijzigd, wordt tevens overgelegd een afschrift van de ten
kantore van het in artikel 293 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
bedoelde register neergelegde gewijzigde statuten.
5. De minister beslist uiterlijk vier weken na
ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2. Verplichting erkende subsidieaanvrager
Het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de
minister als subsidieaanvrager is erkend doet onverwijld mededeling aan
de minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de
erkenning als subsidieaanvrager.
Artikel 3. Intrekking erkenning als
subsidieaanvrager
De minister trekt de beschikking tot erkenning als
subsidieaanvrager schriftelijk in, indien gebleken is dat het Opleidings-
en Ontwikkelingsfonds niet langer aan een van de onderdelen van artikel
1, eerste lid, onder a tot en met f, voldoet.
Artikel 4. Erkenning als subsidieaanvrager op
andere grondslag
Een erkenning als subsidieaanvrager die is
verleend op grond van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 wordt
aangemerkt als een erkenning op grond van artikel 1 van deze Bijlage.
Bijlage 3. Procedure voor authentiek
gewaarmerkte versies van originele bewijsstukken en digitale
bewijsstukken
In het kader van de verantwoording op de
einddeclaratie dient de begunstigde de kosten te onderbouwen met
originele bewijsstukken. De Europese Verordening maakt het mogelijk
gewaarmerkte kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als
bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een waarmerkingsprocedure voor
de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld (artikel 19 van
Verordening (EG) 1828/2006). In deze bijlage worden de door Nederland
vastgestelde procedures weergegeven.
De Europese Commissie accepteert op basis van
bovengenoemd artikel tenminste de volgende documenten als bewijsstukken:
a. fotokopieën van originelen;
b. microfiches van originelen;
c. elektronische versies van originelen;
d. documenten die uitsluitend in elektronische
versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan
aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde
documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat
bij controles op deze documenten kan worden gesteund.
Hieronder vindt u de procedures om deze stukken
te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van
de ESF-administratie.
Procedure voor het waarmerken van geconverteerde
documenten (onderdelen a, b en c)
De Belastingdienst spreekt van conversie
van gegevens op het moment dat gegevens vanaf de originele
gegevensdrager worden overgezet naar een andere gegevensdrager. In de
opsomming van de Europese Commissie (artikel 19 van Verordening (EG)
1828/2006) gaat het dan om de onderdelen a, b en c: fotokopieën van
originelen, microfiches van originelen en elektronische versies van
originelen.
U kunt deze geconverteerde gegevens onder
voorwaarden gebruiken als bewijsstukken ter onderbouwing van de
ESF-administratie. Als dit op de juiste wijze gebeurt, is het, in het
kader van de ESF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken
op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk
mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
Voorwaarde hierbij is dat het document dat naar
een nieuwe gegevensdrager is geconverteerd wordt gewaarmerkt door de
subsidieaanvrager of door de eigenaar van het document. Dit om de
authenticiteit van het geconverteerde document te waarborgen.
De waarmerkprocedure zorgt ervoor dat de
geconverteerde documenten kunnen worden gebruikt in het kader van de
ESF-verantwoording, als zijnde de originele bewijsstukken. Dit wordt als
volgt bewerkstelligd.
1. Waarmerking door de eigenaar van de
originele bewijsstukken:
De betrokken functionaris zet een waarmerk door (1.) een
handtekening en (2.) de datum van waarmerking te zetten op het
originele document of het geconverteerde document (het waarmerk moet
in ieder geval zichtbaar zijn op het geconverteerde document).
Daarbij wordt aangegeven dat het gaat om (3.) een kopie van het
origineel ten behoevevan de ESF administratie, of wanneer het
waarmerk op het origineel wordt geplaatst, dat het document is
gewaarmerkt ten behoeve van de ESF-administratie.
Op deze manier waarborgt de eigenaar van de bewijsstukken de
authenticiteit van het geconverteerde document dat wordt gebruikt
als verantwoording voor het ESF-project.
2. Waarmerking door de aanvrager van
de subsidie:
Niet altijd is de eigenaar van de bewijsstukken ook de aanvrager van
de subsidie. In die gevallen is het ook toegestaan dat de aanvrager de
geconverteerde documenten waarmerkt (in de praktijk gaat het veelal om
kopieën). De aanvrager borgt hierbij de authenticiteit van de
geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen
met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij
een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van
deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure. De
onderlinge relatie van deze documenten zorgt ervoor dat de
authenticiteit van het geconverteerde document is gewaarborgd en dat
hierop voor auditdoeleinden kan worden vertrouwd. Indien er voor de
aanvrager voldoende waarborgen zijn over de authenticiteit van het
geconverteerde bewijsstuk waarmerkt hij/zij dit document conform de
handelswijze hierboven beschreven onder punt 1.
Geconverteerde bewijsstukken die op de hierboven omschreven wijze zijn
gewaarmerkt dienen als bewijsstukken voor de administratieve
verantwoording in het kader van ESF. Voor de ESF-administratie hoeven
de originele documenten dan niet te worden bewaard. De twee procedures
die hierboven zijn omschreven kunnen binnen een project tegelijkertijd
en door elkaar worden toegepast.
Procedure voor het bewaren van stukken die
uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
Indien een begunstigde gebruik maakt van
elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie
bestaat dienen de geautomatiseerde systemen voorzien te zijn van
beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid,
authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens waarborgen.
Het is aan de begunstigde om dit aan te tonen. Hierbij kan worden
aangesloten op de voorschriften die de Belastingdienst stelt aan
digitale administraties. Voor een tweetal veel voorkomende situaties
zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:
1. Digitale urenadministratie:
om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit
van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de begunstigde
kunnen aantonen dat:
- De functiescheiding binnen het
systeem wordt gewaarborgd;
- De tijdigheid binnen het systeem
wordt gewaarborgd;
- Vaststellingen na accorderen door
de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.
Het is aan de subsidieaanvrager om dit aan te
tonen.
2. Facturen die digitaal worden verzonden:
om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van
de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de aanvrager via de
onderlinge relatie met andere documenten (zoals onder andere een
betaalbewijs) aantonen dat de voor de controle kan worden gesteund op
de digitale factuur.
Voor welk soort bewijsstukken kunnen de in deze
bijlage beschreven procedures worden toegepast?
De in deze bijlage omschreven procedures gelden
voor bewijsstukken – zoals benoemd in artikel 16, lid 1 – die
inzichtelijk moeten zijn in het kader van de ESF verantwoording.
Stukken die in origineel dan wel gewaarmerkt
onderdeel moeten zijn van de ESF-projectadministratie, zijn
bijvoorbeeld: facturen, betaalbewijzen, urenstaten en presentielijsten.
Voor stukken die niet in het bezit zijn
van de uiteindelijk begunstigde partij of de aanvrager kunnen ook
kopieën of digitale versies worden bewaard waarop geen waarmerking
heeft plaatsgevonden.
Het gaat hier bijvoorbeeld om stukken die
in het bezit zijn van de deelnemers aan projecten, zoals ID-bewijzen,
loonstroken en behaalde diploma's.
Bijlage 4. Subsidieplafonds
coördinerende gemeenten
|
Coördinerende gemeente |
Werkplein + regio |
Subsidieplafond 2010
(euro's) |
|
Emmen |
Drenthe |
960.000 |
|
Leeuwarden |
Friesland |
1.470.000 |
|
Groningen |
Groningen |
1.490.000 |
|
Doetinchem |
Achterhoek |
570.000 |
|
Arnhem |
Gelderland-Midden/Arnhem |
1.150.000 |
|
Nijmegen |
Gelderland-Zuid/Nijmegen |
680.000 |
|
Zwolle |
Noord-Overijssel |
860.000 |
|
Tiel |
Rivierenland |
490.000 |
|
Apeldoorn |
Stedendriehoek |
1.100.000 |
|
Enschede |
Twente |
1.360.000 |
|
Venlo |
Noord- en Midden Limburg |
970.000 |
|
’s-Hertogenbosch |
’s-Hertogenbosch |
1.280.000 |
|
Tilburg |
Tilburg |
910.000 |
|
Heerlen |
Zuid-Limburg |
1.530.000 |
|
Eindhoven |
Zuid-Oost Brabant |
1.460.000 |
|
Amsterdam |
Groot Amsterdam |
2.280.000 |
|
Alkmaar |
Noord-Kennemerland (+ West
Friesland) |
1.280.000 |
|
Zaanstad |
Zaanstreek / Waterland |
590.000 |
|
Haarlem |
Zuid-Kennemerland |
720.000 |
|
Almere |
Flevoland |
1.190.000 |
|
Hilversum |
Gooi- en Vechtstreek |
440.000 |
|
Den
Haag |
Haaglanden |
2.000.000 |
|
Leiden |
Holland-Rijnland |
1.090.000 |
|
Gouda |
Midden-Holland |
520.000 |
|
Utrecht |
Utrecht-Midden |
1.680.000 |
|
Amersfoort |
Utrecht-Oost |
740.000 |
|
Dordrecht |
Drechtsteden |
910.000 |
|
Goes |
Noord-Midden Zeeland /
Zeeuws-Vlaanderen |
700.000 |
|
Rotterdam |
Rijnmond |
3.290.000 |
|
Breda |
West-Brabant |
1.290.000 |
|
|
|
35.000.000 |
|