| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet
SZW-subsidies
TIJDELIJKE
SZW-BORGSTELLINGSREGELING ONDERNEMERS 2009-2010
Tekst zoals deze geldt op
26 juli 2010
Regeling vervalt m.i.v. 1 januari 2011
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2011
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 10 februari 2009, nr. IVV/ I/09/1809, houdende regels voor de
verstrekking van borgstellingen terzake van kredieten aan ondernemers
(Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009-2010)
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Handelende in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. uitvoeringsinstelling: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, Leeuwarden,
Lelystad, Rotterdam of Tilburg;
c. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
d. gemeentelijke kredietbank: een gemeentelijke kredietbank als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
e.
1° een persoon van 18 tot 65 jaar die in Nederland woont en
die een bedrijf of zelfstandig beroep voornemens is te beginnen;
2° een kleine onderneming als bedoeld in bijlage 1, artikel
1, tweede lid, van de Verordening (EG) 70/2001 van de Commissie
van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen
87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen (PbEG L 10);
f. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of
zelfstandig beroep waaruit de ondernemer een inkomen verwerft dat
toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig
beroep en voor de voorziening in het bestaan;
g. borgstellingsovereenkomst: een overeenkomst tussen de Minister
en de kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank in het kader
van deze regeling.
Artikel 2. Borgstelling
1. Indien is voldaan aan de bepalingen van deze regeling verleent
de Minister op aanvraag van de kredietinstelling of de gemeentelijke
kredietbank een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen in
de vorm van een borgstelling op de met de ondernemer gesloten
kredietovereenkomst.
2. De Minister verleent een voorwaardelijke aanspraak op
financiële middelen in de vorm van een borgstelling niet indien:
a. een ondernemer voor een krediet voor bedrijf of zelfstandig
beroep een beroep kan doen op een geldlening bij een
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank die, gezien haar
aard en doel, passend en toereikend is voor de ondernemer;
b. een ondernemer geen levensvatbaar bedrijf of zelfstandig
beroep uitoefent of voornemens is te starten;
c. er sprake is van gehele of gedeeltelijke voortzetting van
een uitkering en de uitvoeringsinstelling geen goedkeuring geeft
aan de ondernemer voor het starten of voortzetten van een bedrijf
of zelfstandig beroep;
d. de aard van de activiteiten van de ondernemer indruist tegen
de openbare orde, de goede zeden of het maatschappelijk belang; en
e. het hoofdverblijf van de ondernemer niet is gevestigd in de
gemeente Hengelo, Leeuwarden, Lelystad, Rotterdam of Tilburg.
3. De Minister informeert de kredietinstelling of de gemeentelijke
kredietbank desgevraagd over de stand van de uitputting van het budget
voor deze regeling in verband met het een maximum dat in artikel 6 is
gesteld met betrekking tot het beschikbare budget voor
borgstellingsovereenkomsten.
Artikel 3. Aanvraag
1. De ondernemer die in aanmerking wil komen voor kredietverlening
door de kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank onder
gebruikmaking van deze regeling kan daartoe een aanvraag met
bijgevoegd een bedrijfs- of ondernemingsplan indienen bij de
uitvoeringsinstelling in een van de in artikel 1, onderdeel b,
genoemde gemeenten, voor zover de ondernemer in één van die
gemeenten zijn hoofdverblijf heeft.
2. Indien de uitvoeringsinstelling tot een positief oordeel komt
over het ingediende bedrijfs- of ondernemingsplan, kan de ondernemer
voor een nader levensvatbaarsheidsonderzoek van het bedrijfs- of
ondernemingsplan kosteloos een beroep doen op een van de daartoe door
de Minister erkende of gecontracteerde instanties.
3. Indien de uitvoeringsinstelling tot een negatief oordeel komt
over het ingediende bedrijfs- of ondernemingsplan, kan de ondernemer
voor een nader levensvatbaarsheidsonderzoek van het bedrijfs- of
ondernemingsplan op eigen kosten een beroep doen op een van de daartoe
door de Minister erkende of gecontracteerde instanties.
Artikel 4. Borgstellingsovereenkomst
1. Als borgstellingsovereenkomst wordt aangemerkt een overeenkomst
conform de bij deze regeling horende bijlagen 1 en 2.
2. De borgstellingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, treedt
in werking met ingang van de dag dat de Minister deze van de
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank heeft ontvangen,
tegelijk met een afschrift van de kredietovereenkomst waarop de
borgstelling betrekking heeft.
3. In afwijking van het tweede lid treedt een
borgstellingsovereenkomst met de gemeentelijke kredietbank in werking
vanaf het moment dat de Minister een afwijzing voor een geldlening van
een kredietinstelling heeft ontvangen van de ondernemer, indien de
ontvangstdatum daarvan gelegen is na de dag, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 5. Kredietovereenkomst
1. De borgstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt
verleend onder de volgende voorwaarden:
a. het bedrag van de kredietverlening aan een ondernemer
bedraagt maximaal € 35.000,–;
b. de ondernemer betaalt de Minister via de kredietinstelling
of gemeentelijke kredietbank een afsluitprovisie van vier procent
van het kredietbedrag waarop de borgstelling betrekking heeft; en
c. de borgstellingsovereenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, heeft een maximale looptijd van zes jaar.
2. De Minister kan de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c, verlengen indien verlenging ertoe bijdraagt dat de
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank geen aanspraak zal
maken op de desbetreffende financiële middelen.
§ 2. Begrenzing borgstellingsovereenkomsten en looptijd van de
regeling
Artikel 6. Maximaal beschikbare budget en verdeling van het budget
1. De Minister geeft gedurende de looptijd van de regeling voor
niet meer dan € 12.000.000,– aan borgstellingsovereenkomsten af.
Van dit bedrag is niet meer dan € 6.000.000,– beschikbaar ten
behoeve van ondernemers, die geheel of gedeeltelijk recht hebben op
een uitkering op het moment van de aanvraag en niet meer dan €
6.000.000,– beschikbaar ten behoeve van overige ondernemers.
2. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op grond van het
eerste lid in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien
verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig
wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag
en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de
gelegenheid heeft gehad een aanvraag aan te vullen, de dag waarop een
aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de
verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 7. Verlening borgstellingsovereenkomsten
Borgstellingsovereenkomsten kunnen tot uiterlijk 31 december 2010
worden verleend, tenzij een van de maximale bedragen, bedoeld in artikel
6, eerste lid, is bereikt.
§ 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8. Algemene Regeling SZW-subsidies
De artikelen 5 tot en met 16 en 18 van de Algemene Regeling
SZW-subsidies zijn niet van toepassing op deze regeling.
Artikel 9. Inwerkingtreding
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
vervalt met ingang van 1 januari 2011.
2. De Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering 2009 wordt ingetrokken.
3. De Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering 2009, zoals die luidt op de datum van
inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op
afwikkeling van de verplichtingen van de Minister verbonden aan de
verlening van een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen in
de vorm van een borgstelling op grond van die regeling, die zijn
aangegaan voor deze datum.
4. Deze regeling, zoals die luidt op 31 december 2010, blijft van
toepassing op afwikkeling van de verplichtingen van de Minister
verbonden aan verlening van een voorwaardelijke aanspraak op
financiële middelen in de vorm van een borgstelling op grond van deze
regeling die zijn aangegaan op of voor deze datum.
Artikel 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009-2010.
Deze regeling zal met de toelichting en de
bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 10 februari 2009.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma.
Bijlage 1. Banken
De Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag,
te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, hierna te noemen: de Minister
en ..........
ten deze vertegenwoordigd door ..........
hierna te noemen: de Bank,
komen overeen als volgt:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. Bank: de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010;
b. gelieerde Bank: een rechtspersoon waaraan de Bank direct of
indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of
voor wier handelen de Bank volledig aansprakelijk is, en die als
gelieerde bank is vermeld in artikel 20 van deze overeenkomst;
c. kredietovereenkomst: een overeenkomst uit hoofde waarvan:
1°. de Bank aan een ondernemer geld ter leen verstrekt of
zal verstrekken, of
2°. de ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen
trekken op de Bank, of
3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een
rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een
gelieerde bank, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om
ten laste van de ondernemer aan de derde een of meer betalingen
te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden
op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed
is;
d. krediet: een bedrag dat de Bank uit hoofde van een
kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;
e. borgstellingskrediet: een krediet of een deel van een krediet
dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld bij de Minister;
f.
1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van
de door de ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden,
2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de
ondernemer van de vermogensbestanddelen van de ondernemer,
inning van vorderingen daaronder begrepen,
3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de
ondernemer, en
4°. indien het faillissement van de ondernemer is
uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend:
onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen
van de ondernemer door of met medewerking van de curator of de
bewindvoerder;
g. ondernemer: een ondernemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel
e, van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010;
h. Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
i. SenterNovem: de door de Minister gemandateerde uitvoerder van
de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010;
j. uitvoeringsinstelling: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, Leeuwarden,
Lelystad, Rotterdam of Tilburg.
Paragraaf 2. Borgstelling
Artikel 2. Borgstelling
De staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de
terugbetaling van borgstellingskredieten die met inachtneming van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en deze
overeenkomst door de Bank worden verstrekt. Deze borgstelling wordt
aangegaan onder de navolgende bedingen.
Paragraaf 3. Kredietmelding
Artikel 3. Kredietmelding
1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een
krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen:
a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het
sluiten van de kredietovereenkomst aan de Minister is gemeld met
gebruikmaking van een door de Minister ter beschikking gesteld
formulier,
b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de
kredietovereenkomst de door de Minister op grond van artikel 5,
eerste lid, onderdeel b, van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 vastgestelde
afsluitprovisie door de Bank aan de Minister is betaald,
c. voor zover door de melding, bedoeld in onderdeel a, de som
van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de
door de Minister op grond van artikel 6, eerste lid, van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 de
vastgestelde maximumbedragen niet zijn overschreden.
2. De Minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier
schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel c,
worden de meldingsformulieren in volgorde van datum van ontvangst
behandeld. Indien op een datum de vastgestelde maximumbedragen, als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zal worden overschreden,
worden de op die datum ontvangen meldingsformulieren in volgorde
geplaatst door middel van loting.
Paragraaf 4. Omvang van de borgstelling
Artikel 4. Maximum kredietbedrag
Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een
borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de
verstrekking van het borgstellingskrediet het totaal van de
borgstellingskredieten, berekend per ondernemer, een bedrag van €
35.000,– niet overschrijdt.
Artikel 5. Berekening van de omvang van de borgstelling
1. Voor berekening van de omvang van de borgstelling wordt na
toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen borgstellingskrediet
na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast
bedrag, dat het borgstellingskrediet op de laatste datum waarop het is
afgelost, doch uiterlijk na verloop van zes jaar, nihil bedraagt.
2. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid,
gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier
kalenderkwartalen opschorten indien:
a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel
verleent van de verplichting tot aflossing van het
borgstellingskrediet;
b. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing
van alle bankfaciliteiten gedurende de in onderdeel a bedoelde
periode, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot
aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten, waarbij de som
van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van
de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als
bedoeld in onderdeel a; en
c. de Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van
de opschorting met gebruikmaking van het door de Minister ter
beschikking te stellen formulier.
3. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste drie maal
plaats.
4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste
kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede
kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de
kredietovereenkomst is gesloten.
5. De Minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel c, schriftelijk binnen 35 dagen na
ontvangst.
Artikel 6. Schorsing van de borgstelling
1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt
geschorst met ingang van de dag waarop het borgstellingskrediet is
opgeëist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de
borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien
met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de
dag waarop het borgstellingskrediet door de Bank is opgeëist.
3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst
zolang de ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem
surseance van betaling is verleend.
Artikel 7. Omvang van de borgstelling
1. De omvang van de borgstelling bedraagt per ondernemer 80 procent
van hetgeen de ondernemer ten tijde van de overeenkomstig artikel 13
ingediende aanvraag uit hoofde van kredietverlening op grond van deze
regeling pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste
a. 80 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6
berekende omvang van het borgstellingskrediet of de
borgstellingskredieten, en niet meer dan
b. de som van de ten tijde van de opzegging van de
kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van
de Bank voor de ondernemer.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden als
bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen:
a. de bedragen die een gelieerde Bank uit hoofde van een
overeenkomst aan de ondernemer ter leen verstrekt of zal
verstrekken, en
b. de verplichtingen die een gelieerde bank tegenover een
derde, niet zijnde een andere gelieerde Bank of een rechtspersoon
waarmee de Bank in een groep verbonden is, onherroepelijk is
aangegaan om ten laste van de ondernemer aan de derde een of meer
betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3,
indien de zekerheden van de gelieerde Bank ter zake van de
hiervoor in onderdelen a en b bedoelde bedragen en verplichtingen
mede strekken tot zekerheid van de Bank.
Paragraaf 5. Criteria en verplichtingen
Artikel 8. Criteria en verplichtingen
1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde
waarvan een borgstellingskrediet aan een ondernemer wordt verstrekt,
moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
a. de ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen
om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;
b. er is een tekort aan zekerheden bij de ondernemer, waardoor
de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor
eigen rekening en risico kan verstrekken;
c. het borgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort
aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de
kredietovereenkomst bestaat;
d. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan;
e. de rentabiliteits- en continuďteitsperspectieven van de
onderneming zijn, op basis van een levensvatbaarheidsonderzoek van
het bedrijfs- of ondernemingsplan, naar oordeel van een van de
daartoe door de Minister erkende of gecontracteerde instantie als
bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 voldoende;
f. het borgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet
gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de ondernemer aan
de Bank die het borgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde
Bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep
verbonden is;
g. de Bank heeft in de door haar gesloten
borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de
ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is
verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe
strekkende dat de omslagregeling van artikel 869 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de
Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat:
1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat
eerst zou moeten worden aangesproken,
2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing
door de staat van de omslagregeling van artikel 869 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
h. de Bank heeft in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan
het borgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de
ondernemer opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het
uitoefenen door de staat van de in artikel 9, eerste lid, genoemde
bevoegdheden;
i. de Bank, via de ondernemer, beschikt over een bevestiging
van de uitvoeringsinstelling, waaruit blijkt dat de ondernemer een
aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 heeft ingediend
bij de uitvoeringsinstelling, vermeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010,
en waaruit tevens blijkt dat de ondernemer in de gemeente van de
desbetreffende uitvoeringsinstelling zijn hoofdverblijf heeft.
Artikel 9. Verplichtingen bank en ondernemer
1. De Bank, de gelieerde Bank, en de ondernemer voldoen aan hetgeen
door de Minister wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en deze overeenkomst
en met het oog op de nakoming door de staat van op hem rustende
internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover dat betrekking
heeft op de uit de regeling en deze overeenkomst voortvloeiende
zelfstandige verplichtingen van de Bank of de gelieerde Bank, op de
ondernemer aan wie het borgstellingskrediet is verstrekt of op de met
deze ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:
a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de in onderdeel b bedoelde
gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van
gegevens door anderen; en
e. het verstrekken van inlichtingen.
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank,
de gelieerde Bank, of aan de ondernemer, gevraagd worden de in het
eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te
doen verstrekken.
3. De Bank stelt, met gebruikmaking van een door de Minister ter
beschikking gesteld formulier, de Minister binnen 35 dagen na
kennisname op de hoogte van de volgende feiten:
a. vervroegde volledige aflossing van het borgstellingskrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van
het borgstellingskrediet;
c. de verlening van surséance van betaling aan of de
faillietverklaring van de ondernemer;
d. opeising van het borgstellingskrediet.
4. Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank voor 1 februari
van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een door de
Minister ter beschikking gesteld formulier aan de Minister een opgave
van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor
alle borgstellingskredieten tezamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek
om betaling als bedoeld in artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang
dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.
5. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde
waarvan een borgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de
uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.
6. De Bank zal er voor zorgdragen dat het borgstellingskrediet niet
wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de ondernemer
aan de Bank die het borgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde
Bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden
is.
7. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit
hoofde waarvan een borgstellingskrediet is verleend in de door haar te
sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg
willen stellen voor de nakoming door de ondernemer van de
verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde
waarvan het borgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve
van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van
artikel 869 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten
opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe
leidende dat:
a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst
zou moeten worden aangesproken,
b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de
staat van de omslagregeling van artikel 869 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 10. Uitwinning
1. Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 13 is
ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en
ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te
verwachten die in mindering komen op het borgstellingskrediet, brengt
de Bank de Minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang
van de uitwinning.
2. De Minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een
door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.
Artikel 11. Invordering
1. Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een
verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend of, indien
een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de
uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden
dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op
het borgstellingskrediet, na de datum waarop de Bank de Minister heeft
bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen
opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het
borgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te
stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te
vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het
krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt.
De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de
kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen.
2. De Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste
lid bedoelde periode de Minister een overzicht van de door haar
ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een door de Minister
ter beschikking te stellen formulier.
Artikel 12. Schuldregeling en verboden
1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt
een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen
voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een
borgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de Minister. De Minister kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke
regeling.
2. Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient
door de Bank schriftelijk bij de Minister te worden ingediend.
3. De Minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om
toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 6. Vaststelling betalingsverplichting
Artikel 13. Aanvraag om betaling
1. De Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de
uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat
aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten
die in mindering komen op het borgstellingskrediet, doch in ieder
geval binnen negen maanden na de datum waarop het borgstellingskrediet
is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het
faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de
borgstellingsovereenkomst.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de
Minister ter beschikking te stellen formulier.
Artikel 14. Mededeling Minister
1. De Minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling
schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.
2. De Minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen
maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank
mede.
Artikel 15. Vaststellen bedrag
1. De Minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de
staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en deze
overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 9, derde,
vierde en vijfde lid.
2. Voor zover de Bank bij haar aanvraag om betaling aannemelijk
maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal
bankgebruik noodzakelijk maakten de bankfaciliteiten sterker in omvang
terug te brengen dan de borgstellingskredieten, blijft artikel 7,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, buiten toepassing.
3. De Minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een
aanvraag:
a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in
artikel 9, eerste lid;
b. indien de Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft
verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist
of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een
onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.
Paragraaf 7. Betalingen
Artikel 16. Wijze van betalingen
1. Betalingen door Bank aan de staat geschieden door overmaking van
de desbetreffende bedragen naar rekeningnummer 19.23.24.217 bij de
Rabobank te Utrecht, ten name van SenterNovem onder vermelding van ‘Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010’ en het
dossiernummer. Betalingen door de staat aan de Bank, geschieden door
SenterNovem van hetzelfde rekeningnummer.
2. In het betalingsverkeer, bedoeld in het eerste lid, zal over het
debet- of creditsaldo een rente berekend worden gelijk aan de in Het
Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.
Paragraaf 8. Diversen
Artikel 17. Verplichtingen staat
1. De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst
met betrekking tot een borgstellingskrediet vervallen door
schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte
waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de
rechten van de Bank met betrekking tot het borgstellingskrediet, al
dan niet voorafgegaan door verpanding van het borgstellingskrediet.
2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de
staat met betrekking tot een borgstellingskrediet van kracht, indien:
a. de ondernemer aan wie het borgstellingskrediet is verstrekt
de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming
bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de
ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte
rechtspersoon,
b. de Bank met de in onderdeel a bedoelde rechtspersoon een
overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is
verleend de plaats inneemt van de ondernemer, en
c. de ondernemer zich naast de in onderdeel a bedoelde
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door
die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de
kredietovereenkomst.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon
mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen
gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en
ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor
de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is
verstrekt.
Artikel 18. Betaling
1. De Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een
aanvraag als bedoeld in artikel 13 ontvangen opbrengsten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet binnen twee maanden na
ontvangst aan de staat.
2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit
hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid
bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen
opbrengsten.
3. De Bank zal betalingen, bedoeld in artikel 16, per de datum van
verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 13, en binnen twee
maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling
wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 16,
tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de
vermindering, bedoeld in artikel 5 op grond van artikel 6 is
geschorst.
4. De Bank zal de betalingen, bedoeld in artikel 16, per de datum
van de beslissing van de Minister, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor
respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil
tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is
gedebiteerd en het bedrag waarop de Minister de betaling vaststelde,
vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld
in artikel 16, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de
creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de
vaststelling van de betaling.
Artikel 19. Uitgekeerde bedragen
Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige
ingebrekestelling opeisbaar zodra de Minister blijkt dat de Bank zodanig
onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een
verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem
de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de
betalingsverplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet is
nagekomen.
Artikel 20. Gelieerde banken
Gelieerde bank(en) in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
van deze overeenkomst is (zijn) ..........
Artikel 21. Borgstellingsovereenkomst
1. De Bank kan deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen
binnen een termijn van een maand na publicatie in de Staatscourant van
een wijziging van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers
2009–2010. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de
intrekking van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers
2009–2010.
2. De Minister kan deze overeenkomst met onmiddellijke ingang
ontbinden, indien de Bank in strijd heeft gehandeld in strijd met het
gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8.
3. Opzegging of ontbinding van deze overeenkomst heeft geen gevolg
ten aanzien van borgstellingskredieten, welke ten tijde van de
inwerkingtreding van de opzegging of ontbinding overeenkomstig artikel
3 zijn gemeld en ten aanzien van borgstellingskredieten die zijn of
zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is
aangegaan voor de inwerkingtreding van de opzegging of ontbinding.
Getekend te .......... op ..........
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
(naam en functie vertegenwoordigers Bank)
Bijlage 2. Gemeentelijke kredietbanken
De Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag,
te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, hierna te noemen: de Minister
en ..........
ten deze vertegenwoordigd door ..........
hierna te noemen: de Bank,
komen overeen als volgt:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. Bank: de gemeentelijke kredietbank, bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers
2009–2010;
b. gelieerde Bank: een rechtspersoon waaraan de Bank direct of
indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of
voor wier handelen de Bank volledig aansprakelijk is, en die als
gelieerde bank is vermeld in artikel 20 van deze overeenkomst;
c. kredietovereenkomst: een overeenkomst uit hoofde waarvan:
1°. de Bank aan een ondernemer geld ter leen verstrekt of
zal verstrekken, of
2°. de ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen
trekken op de Bank, of
3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een
rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een
gelieerde bank, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om
ten laste van de ondernemer aan de derde een of meer betalingen
te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden
op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed
is;
d. krediet: een bedrag dat de Bank uit hoofde van een
kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;
e. borgstellingskrediet: een krediet of een deel van een krediet
dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;
f.
1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van
de door de ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden,
2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de
ondernemer van de vermogensbestanddelen van de ondernemer,
inning van vorderingen daaronder begrepen,
3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de
ondernemer, en
4°. indien het faillissement van de ondernemer is
uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend:
onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen
van de ondernemer door of met medewerking van de curator of de
bewindvoerder;
g. ondernemer: een ondernemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel
e, van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010;
h. Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
i. SenterNovem: de door de Minister gemandateerde uitvoerder van
de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010.
j. uitvoeringsinstelling: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, Leeuwarden,
Lelystad, Rotterdam of Tilburg.
Paragraaf 2. Borgstelling
Artikel 2. Garantstelling
De staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de
terugbetaling van borgstellingskredieten die met inachtneming van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en deze
overeenkomst door de Bank worden verstrekt. Deze borgstelling wordt
aangegaan onder de navolgende bedingen.
Paragraaf 3. Kredietmelding
Artikel 3. Kredietmelding
1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een
krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen:
a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het
sluiten van de kredietovereenkomst aan de Minister is gemeld met
gebruikmaking van een door de Minister ter beschikking gesteld
formulier,
b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de
kredietovereenkomst de door de Minister op grond van artikel 5,
eerste lid, onderdeel b, van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 vastgestelde
afsluitprovisie door de Bank aan de staat is betaald;
c. voor zover door de melding, bedoeld in onderdeel a, de som
van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de
door de Minister op grond van artikel 6 van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 vastgestelde
maximumbedragen niet zijn overschreden.
2. De Minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier
schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel c,
worden de meldingsformulieren in volgorde van datum van ontvangst
behandeld. Indien op een datum de vastgestelde maximumbedragen, als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zal worden overschreden,
worden de op die datum ontvangen meldingsformulieren in volgorde
geplaatst door middel van loting.
Paragraaf 4. Berekening van de borgstelling
Artikel 4. Maximum kredietbedrag
Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een
borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de
verstrekking van het borgstellingskrediet het totaal van de
borgstellingskredieten, berekend per ondernemer, een bedrag van €
35.000,– niet overschrijdt.
Artikel 5. Berekening omvang van de borgstelling
1. Voor berekening van de omvang van de borgstelling wordt na
toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen borgstellingskrediet
na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast
bedrag, dat het borgstellingskrediet op de laatste datum waarop het is
afgelost, doch uiterlijk na verloop van zes jaar, nihil bedraagt.
2. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid,
gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier
kalenderkwartalen opschorten indien:
a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel
verleent van de verplichting tot aflossing van het
borgstellingskrediet;
b. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing
van alle bankfaciliteiten gedurende de onder a bedoelde periode,
dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een
gedeelte van de bankfaciliteiten, waarbij de som van de
aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van de
aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld
in onderdeel a; en
c. de Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van
de opschorting met gebruikmaking van het door de Minister ter
beschikking gesteld formulier.
3. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste drie maal
plaats.
4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste
kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede
kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de
kredietovereenkomst is gesloten.
5. De Minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel c, schriftelijk binnen 35 dagen na
ontvangst.
Artikel 6. Schorsing van de borgstelling
1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt
geschorst met ingang van de dag waarop het borgstellingskrediet is
opgeëist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de
borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien
met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de
dag waarop het borgstellingskrediet door de Bank is opgeëist.
3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst
zolang de ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem
surseance van betaling is verleend.
Artikel 7. Omvang van de borgstelling
1. De omvang van de borgstelling bedraagt per ondernemer 90 procent
van hetgeen de ondernemer ten tijde van de overeenkomstig artikel 13
ingediende aanvraag uit hoofde van kredietverlening op grond van deze
regeling pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste 90 procent van de
met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het
borgstellingskrediet of de borgstellingskredieten, doch niet meer dan
de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst
bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de
ondernemer.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden als
bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen:
a. de bedragen die een gelieerde Bank uit hoofde van een
overeenkomst aan de ondernemer ter leen verstrekt of zal
verstrekken, en
b. de verplichtingen die een gelieerde Bank tegenover een
derde, niet zijnde een andere gelieerde bank of een rechtspersoon
waarmee de Bank in een groep verbonden is, onherroepelijk is
aangegaan om ten laste van de ondernemer aan de derde een of meer
betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3,
indien de zekerheden van de gelieerde Bank ter zake van de
hiervoor in onderdelen a en b bedoelde bedragen en verplichtingen
mede strekken tot zekerheid van de Bank.
Paragraaf 5. Criteria en verplichtingen
Artikel 8. Criteria en verplichtingen
1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde
waarvan een borgstellingskrediet aan een ondernemer wordt verstrekt,
moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
a. de ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen
om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;
b. er is een tekort aan zekerheden bij de ondernemer, waardoor
de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor
eigen rekening en risico kan verstrekken;
c. het borgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort
aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de
kredietovereenkomst bestaat;
d. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan;
e. de rentabiliteits- en continuďteitsperspectieven van de
onderneming zijn, op basis van een levensvatbaarheidsonderzoek van
het bedrijfs- of ondernemingsplan, naar oordeel van een de daartoe
door de Minister erkende of gecontracteerde instantie als bedoeld
in artikel 3, tweede en derde lid, van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 voldoende;
f. het borgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet
gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de ondernemer aan
de Bank die het borgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde
Bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep
verbonden is;
g. de Bank heeft in de door haar gesloten
borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de
ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is
verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe
strekkende dat de omslagregeling van artikel 869 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de
Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat:
1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat
eerst zou moeten worden aangesproken,
2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing
door de staat van de omslagregeling van artikel 869 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
h. de Bank heeft in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan
het borgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de
ondernemer opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het
uitoefenen door de staat van de in artikel 9, eerste lid, genoemde
bevoegdheden;
i. de Bank, via de ondernemer, beschikt over een bevestiging
van de uitvoeringsinstelling, waaruit blijkt dat de ondernemer een
aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 heeft ingediend
bij een uitvoeringsinstelling genoemd in artikel 1, onderdeel b,
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010
en waaruit tevens blijkt dat de ondernemer in de gemeente van de
desbetreffende uitvoeringsinstelling zijn hoofdverblijf heeft.
Artikel 9. Verplichtingen bank en ondernemer
1. De Bank, de gelieerde Bank, en de ondernemer voldoen aan hetgeen
door de Minister aangewezen wordt verzocht, voor zover dat
redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en deze
overeenkomst en met het oog op de nakoming door de staat van op hem
rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het
betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst
voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank of de gelieerde
Bank, op de ondernemer aan wie het borgstellingskrediet is verstrekt
of op de met deze ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:
a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en
bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van
gegevens door anderen; en
e. het verstrekken van inlichtingen.
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank,
de gelieerde Bank, of aan de ondernemer, gevraagd worden de in het
eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te
doen verstrekken.
3. De Bank stelt, met gebruikmaking van een door de Minister ter
beschikking gesteld formulier, de Minister binnen 35 dagen na
kennisname op de hoogte van de volgende feiten:
a. vervroegde volledige aflossing van het borgstellingskrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van
het borgstellingskrediet;
c. de verlening van surséance van betaling aan of de
faillietverklaring van de ondernemer;
d. opeising van het borgstellingskrediet.
4. Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank voor 1 februari
van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een door de
Minister ter beschikking gesteld formulier, aan de Minister een opgave
van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor
alle borgstellingskredieten tezamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek
om betaling als bedoeld in artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang
dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.
5. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde
waarvan een borgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de
uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.
6. De Bank zal er voor zorgdragen dat het borgstellingskrediet niet
wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de ondernemer
aan de Bank die het borgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde
bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden
is.
7. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit
hoofde waarvan een borgstellingskrediet is verleend in de door haar te
sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg
willen stellen voor de nakoming door de ondernemer van de
verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde
waarvan het borgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve
van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van
artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de
staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:
a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst
zou moeten worden aangesproken,
b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de
staat van de omslagregeling van artikel 869 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 10. Uitwinning
1. Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 13 is
ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en
ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te
verwachten die in mindering komen op het borgstellingskrediet, brengt
de Bank de Minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang
van de uitwinning.
2. De Minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een
door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.
Artikel 11. Invordering
1. Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een
verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend of, indien
een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de
uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden
dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op
het borgstellingskrediet, na de datum waarop de Bank de Minister heeft
bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen
opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het
borgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te
stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te
vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het
krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt.
De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de
kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen.
2. De Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste
lid bedoelde periode de Minister een overzicht van de door haar
ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een door de Minister
ter beschikking gesteld formulier.
Artikel 12. Schuldregeling en verboden
1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt
een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen
voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een
borgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de Minister. De Minister kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke
regeling.
2. Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient
door de Bank schriftelijk bij de Minister te worden ingediend.
3. De Minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om
toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 6. Vaststelling betalingsverplichting
Artikel 13. Aanvraag om betaling
1. De Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de
uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat
aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten
die in mindering komen op het borgstellingskrediet, doch in ieder
geval binnen negen maanden na de datum waarop het borgstellingskrediet
is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het
faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de
borgstellingsovereenkomst.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de
Minister ter beschikking gesteld formulier.
Artikel 14. Mededeling Minister
1. De Minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling
schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.
2. De Minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen
maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank
mede.
Artikel 15. Vaststellen bedrag
1. De Minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de
staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en deze
overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 9, derde,
vierde en vijfde lid.
2. Voor zover de Bank bij haar aanvraag om betaling aannemelijk
maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal
bankgebruik noodzakelijk maakten de bankfaciliteiten sterker in omvang
terug te brengen dan de borgstellingskredieten, blijft artikel 7,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, buiten toepassing.
3. De Minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een
aanvraag:
a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in
artikel 9, eerste lid;
b. indien de Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft
verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist
of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een
onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.
Paragraaf 7. Betalingen
Artikel 16. Wijze van betalingen
1. Betalingen door Bank aan de staat geschieden door overmaking van
de desbetreffende bedragen naar rekeningnummer 19.23.24.217 bij de
Rabobank te Utrecht, ten name van SenterNovem onder vermelding van ‘Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010’ en het
dossiernummer. Betalingen door de staat aan de Bank, geschieden door
SenterNovem van hetzelfde rekeningnummer.
2. In het betalingsverkeer, bedoeld in het eerste lid, zal over het
debet- of creditsaldo een rente berekend worden gelijk aan de in Het
Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.
Paragraaf 8. Diversen
Artikel 17. Verplichtingen staat
1. De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst
met betrekking tot een borgstellingskrediet vervallen door
schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte
waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de
rechten van de Bank met betrekking tot het borgstellingskrediet, al
dan niet voorafgegaan door verpanding van het borgstellingskrediet.
2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de
staat met betrekking tot een borgstellingskrediet van kracht, indien:
a. de ondernemer aan wie het borgstellingskrediet is verstrekt
de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming
bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de
ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte
rechtspersoon,
b. de Bank met de in onderdeel a bedoelde rechtspersoon een
overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is
verleend de plaats inneemt van de ondernemer, en
c. de ondernemer zich naast de onderdeel a bedoelde
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door
die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de
kredietovereenkomst.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon
mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen
gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en
ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor
de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is
verstrekt.
Artikel 18. Betaling
1. De Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een
aanvraag als bedoeld in artikel 13 ontvangen opbrengsten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet binnen twee maanden na
ontvangst aan de staat.
2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit
hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid
bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 90 procent van de ontvangen
opbrengsten.
Artikel 19. Uitgekeerde bedragen
Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige
ingebrekestelling opeisbaar zodra de Minister blijkt dat de Bank zodanig
onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een
verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem
de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de
betalingsverplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet is
nagekomen.
Artikel 20. Gelieerde banken
Gelieerde bank(en) in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
van deze overeenkomst is (zijn) ..........
Artikel 21. Borgstellingsovereenkomst
1. De Bank kan deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen
binnen een termijn van een maand na publicatie in de Staatscourant van
een wijziging van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers
2009–2010. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de
intrekking van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers
2009–2010.
2. De Minister kan deze overeenkomst met onmiddellijke ingang
ontbinden, indien de Bank in strijd heeft gehandeld in strijd met het
gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8.
3. Opzegging of ontbinding van deze overeenkomst heeft geen gevolg
ten aanzien van borgstellingskredieten, welke ten tijde van de
inwerkingtreding van de opzegging of ontbinding overeenkomstig artikel
3 zijn gemeld en ten aanzien van borgstellingskredieten die zijn of
zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is
aangegaan voor de inwerkingtreding van de opzegging of ontbinding.
Getekend te .......... op ..........
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
(naam en functie vertegenwoordigers Bank)
|
|
|