| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet
VWS-subsidies
SUBSIDIEREGELING
PUBLIEKE GEZONDHEID
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende regels inzake de
verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid
(Subsidieregeling publieke gezondheid)
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene subsidiebepalingen
§ 1. Begrippen en algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht
ingesteld;
c. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling in de
kosten van haar structurele activiteiten of een gedeelte daarvan.
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in Hoofdstuk
II.
Artikel 3
1.Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is
vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel
4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
a. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat de
met de subsidiëring beoogde doeleinden zullen worden bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van de minister de behoefte
aan subsidie heeft aangetoond; en
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële
middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de
voorgenomen activiteiten uit te voeren.
3.Het tweede lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op
rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.
§ 2. Berekeningswijze instellingsubsidie
Artikel 4
Een instellingssubsidie bestaat uit een door de minister vast te
stellen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd
activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.
Artikel 5 [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 6
Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden
toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk
aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van
materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van
aanschaffingsprijzen van die activa berekend.
§ 3 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2011]
§ 4. Modellen en formulieren
Artikel 8
De minister kan de volgende modellen en formulieren vaststellen:
a. een formulier voor de aanvraag van subsidie;
b. een model voor de begroting;
c. een model voor het activiteitenplan;
d. een model voor het activiteitenverslag;
e. een model accountantsverklaring;
f. een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de
subsidie.
§ 5. Aanvraag van een instellingssubsidie
Artikel 9
1.De instelling die voor haar activiteiten of een gedeelte daarvan
in een jaar een instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk 13 weken
vóór de aanvang van het desbetreffende jaar een subsidieaanvraag in.
De aanvraag wordt onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting
en gaat, indien de liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is
over het jaar, vergezeld van een liquiditeitsprognose.
2.In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke
doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke
wijze zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn
bestemd.
3.De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de
activiteiten van dat jaar. De begroting maakt onderscheid tussen
personele en materiële middelen. De begroting is voorzien van een
postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en
van het niveau van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment
van indiening van de aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke
rechtspersoon bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van
de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te
onderscheiden onderdeel van de instelling.
4.De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop
van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.
5.De minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
genoemde aanvraagtermijn.
Artikel 10
1.Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een
privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in
het geldende openbaar register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de
instelling op het tijdstip van de aanvraag; en
d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere
personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn
de instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht
op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen
is ondertekend.
2.Voorzover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij
andere bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in
de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking
tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
3.Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan
achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan
gaan dat deze gegevens aan de minister bekend zijn.
§ 6 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 12 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 13 [Vervallen per 01-07-2011]
§ 7. Subsidieverlening en bevoorschotting
Artikel 14
De minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 15
1. De minister kan bij het besluit tot verlening van een
instellingssubsidie ambtshalve tevens voorschotten verlenen.
Daarbij wordt rekening gehouden met de liquiditeitsbehoefte. Indien
de subsidieaanvraag te laat wordt ingediend en de minister de aanvraag
desondanks in behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten
evenredig later doen plaatsvinden.
2. De minister verstrekt, indien de liquiditeitsbehoefte regelmatig
is gespreid, de volgende voorschotten op een verleende
instellingssubsidie: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%,
mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%,
november 8% en december 7% van het voor het desbetreffende jaar
verleende bedrag.
3. Indien de minister voorschotten verstrekt voordat hij de
beschikking tot verlening van een instellingssubsidie heeft gegeven,
worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van
subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende
bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door de
minister gegeven beschikkingen.
Artikel 16 [Vervallen per 19-09-2009]
§ 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 17
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden, gesteld in het activiteitenplan, op doelmatige
wijze worden nagestreefd;
b. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat
een goed beleid en beheer worden gevoerd; en
c. de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de
doeleinden waarvoor deze wordt verleend.
Artikel 18
De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:
a. dat de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze
wordt gevoerd;
b. dat de administratie een juist, volledig en actueel beeld
geeft van het functioneren van de instelling; en
c. dat van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken
aanwezig zijn waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen
of van de verrichte diensten duidelijk blijken.
Artikel 19
1.Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het
boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
2.De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.
Artikel 20
1. De subsidieontvanger meldt meteen aan de minister als:
a. het tijdens de periode waarvoor de subsidie is verstrekt
aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie
is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden
verricht,
b. het aannemelijk is geworden dat niet of niet geheel aan de
subsidieverplichtingen zal worden voldaan of
c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die
van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging,
intrekking of vaststelling van de subsidie.
2. De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien
van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken
overgelegd.
Artikel 20a [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 21
1. De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instellingssubsidie
ontvangt, verzekert zijn roerende en onroerende zaken op afdoende
wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het risico
van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.
2. De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor
vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de
gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.
3. De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste
of tweede lid.
Artikel 22
De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie
is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en
omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten.
Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het
activiteitenplan voorgenomen activiteiten.
Artikel 23
1. Voorzover het bedrag van de verleende instellingssubsidie na
uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de
geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor
het is verstrekt, wordt het gereserveerd.
2. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te
reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde
activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de vastgestelde
instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met
de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt
toegerekend naar rato van de vastgestelde instellingssubsidie en de,
in de ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde
activiteiten samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is
het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.
3. Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in artikel 374,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met
de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de
gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid, tenzij de
minister anders bepaalt.
4. Indien in de ingediende begroting onder de met de gesubsidieerde
activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen voorziening is
opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de berekening van het te
reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.
5. De in het eerste lid bedoelde reservering wordt uitsluitend
besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.
6. De in het eerste lid bedoelde reservering bedraagt ten hoogste
10% van het bij het besluit tot verlening bepaalde bedrag van de
instellingssubsidie dan wel ten hoogste een lager percentage dat door
de minister bij het besluit tot verlening is bepaald.
7. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste lid, gelet op de
maximaal toegestane reservering niet gereserveerd kan worden, wordt
het bij de vaststelling in mindering gebracht op de
instellingsubsidie.
Artikel 24
Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de
reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de
toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering
toegelicht.
Artikel 25
1. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, behoudens
schriftelijke toestemming van de minister, openbaarmaking van op grond
van deze regeling gesubsidieerd onderzoek, delen of samenvattingen
daarvan, niet plaats heeft binnen drie maanden nadat de voorgenomen
openbaarmaking aan de minister is voorgelegd.
2. De minister is bevoegd om de openbaarmaking, bedoeld in het
eerste lid, desgewenst voorzien van commentaar, één of meermalen te
vermenigvuldigen, openbaar te maken of openbaar te doen maken, met
vermelding van de bron, zonder dat hiervoor enige vergoeding is
verschuldigd.
3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de openbaarmaking,
bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de minister onmiddellijk en
kosteloos aan de minister of aan door de minister aangewezen
natuurlijke personen of rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.
4. Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie,
kan de minister bepalen dat de subsidieontvanger er zorg voor draagt
dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en
subsidiënt van de activiteit zijn geweest.
5. Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de
totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder 1°, van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor
auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
6. De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor
aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten
gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte
publicaties.
Artikel 26
1.Aan de subsidie kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39
van de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.
2.De minister kan tevens bij de subsidieverlening verplichtingen
opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
subsidie.
Artikel 27
1.De minister kan bepalen dat de subsidieontvanger in de gevallen,
genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, een door hem te bepalen vergoeding voor
vermogensvorming is verschuldigd.
2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan
van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het
tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande
dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of
beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als
schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het
onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of
drie onafhankelijke deskundigen.
3.Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de
activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van de minister,
door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen
boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
Artikel 28
1.De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die
zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter
beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op
grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met
de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend
wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.
2.De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die
zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde
diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door
soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger
dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou
hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.
3.De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die
zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde
diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet
hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke
diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.
Artikel 29
De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of
voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in
rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor
wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. De minister kan ook
andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.
Artikel 30
1.De subsidieontvanger verstrekt aan de door de minister aangewezen
ambtenaren of andere personen op hun verzoek alle bescheiden en
inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun
taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen,
op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien de instelling slechts kan
voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van
enig persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer,
verstrekt de instelling de verlangde gegevens op zodanige wijze dat
deze niet tot personen herleidbaar zijn.
2.Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend
teneinde de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen
in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.
3.De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister
ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht inlichtingen te
verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
Artikel 31
Indien bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 28 niet
is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de
jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.
§ 9. De aanvraag tot subsidievaststelling
Artikel 32
1. Binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor subsidie
is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de
subsidievaststelling.
2. De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van:
a. het verslag, bedoeld in artikel 22;
b. de subsidiedeclaratie, bedoeld in artikel 33;
c. de jaarrekening; en
d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere
personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn
de instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht
op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen
is ondertekend.
3. Een subsidiedeclaratie kan achterwege blijven indien de daarmee
te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is
opgenomen.
4. De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden, indien het
gaat om een subsidie aan een rechtspersoon krachtens publiekrecht
ingesteld.
5. De minister kan ontheffing en vrijstelling verlenen van de in
het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.
Artikel 33
De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord
oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de
subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie
vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de
bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen
tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de
subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen
de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.
Artikel 34
1.De afdelingen 2 tot en met 8 van Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de
jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening
vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de
bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn
van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
2.De grondslag voor de waardering van activa en passiva is de
verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen
investeringssubsidies en bestemmingsgiften.
3.De minister kan bepalen dat bepalingen van de in het eerste lid
bedoelde Titel of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op
bepaalde instellingen.
Artikel 35
1.De jaarrekening en de subsidiedeclaratie zijn ieder afzonderlijk
voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De jaarrekening of de subsidiedeclaratie gaat vergezeld van een
rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de
subsidieontvanger, opgesteld door de accountant overeenkomstig een
door de minister vast te stellen protocol.
3.De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens de minister in te stellen onderzoeken naar
de door de accountant verrichte werkzaamheden. De daaraan verbonden
kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie.
4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
verleende subsidie minder dan € 125.000 bedraagt.
§ 10. De vaststelling van de subsidie
Artikel 36
Binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 32,
geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.
Hoofdstuk II. Specifieke subsidiebepalingen
§ 1. Opsporing erfelijke hypercholesterolemie
Artikel 37
1. Voor familieonderzoek naar hypercholesterolemie, met inbegrip
van aanvullende DNA-onderzoek van verzamelde bloedmonsters en
lipidenprofielmeting, kan de minister een instellingssubsidie
verstrekken aan de Stichting Opsporing Erfelijke Hypercholesterolemie.
2. Deartikelen 23 en 24 zijn niet van toepassing op de subsidie,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 38
Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 37, kan de
Minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. de kwaliteit van het familieonderzoek naar
hypercholesterolemie;
b. het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor
deelname aan en de uitslagen van familieonderzoek naar
hypercholesterolemie ten behoeve van de proces- en effectevaluatie.
Artikel 39 [Vervallen per 19-09-2009]
Artikel 40
In afwijking van artikel 4 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 37
voor het jaar 2012 uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de
volgende formule:
(Qdna × P) + U
waarbij wordt verstaan onder:
Qdna. het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters dat in het jaar
2012 is verricht in het kader van het familieonderzoek naar
hypercholesterolemie;
P. een bedrag van:
a. € 107,95 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
1-5850 is;
b. € 106,23 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
5851-6000 is;
c. € 101,65 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
6001-6500 is;
d. € 100,98 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
6501-7500 is;
e. € 95,17 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
7501-8400 is;
f. € 97,48 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
8401-9000 is;
g. € 88,95 indien het aantal DNA-onderzoeken van bloedmonsters
9001 of meer is;
U. het verschil tussen de overige baten en lasten van de uitvoering
van het bevolkingsonderzoek naar familiaire hypercholesterolemie, voor
zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten
hoogste€ 1.600.000.
§ 2. Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker
Artikel 41
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. screeningsorganisatie: een rechtspersoon aan wie voor de
uitvoering van bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker
vergunning is verleend krachtens de Wet op het bevolkingsonderzoek;
b. onderzoek: het in het kader van een bevolkingsonderzoek naar
baarmoederhalskanker afnemen van celmateriaal van een vrouw door een
huisarts en beoordeling ervan door een patholoog;
c. herhaalonderzoek: het in het kader van een bevolkingsonderzoek
naar baarmoederhalskanker afnemen van celmateriaal van een vrouw
door een huisarts en beoordeling ervan door een patholoog indien het
onderzoek niet tot uitsluitsel heeft geleid.
Artikel 42
1. Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar
baarmoederhalskanker kan de minister aan de volgende
screeningsorganisaties een instellingssubsidie verstrekken:
a. Stichting bevolkingsonderzoek midden-west;
b. Stichting bevolkingsonderzoek noord;
c. Stichting bevolkingsonderzoek oost;
d. Stichting bevolkingsonderzoek zuid;
e. Stichting bevolkingsonderzoek zuid-west.
2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verstrekt:
a. voor bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker bij
vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot en met 60 jaar;
b. voor zover van vrouwen geen betalingen worden verlangd voor
deelname aan het onderzoek.
Artikel 43 [Vervallen per 19-09-2009]
Artikel 44
Een screeningsorganisatie draagt er voor zorg dat de verhouding
tussen de bij de uitvoering van het bevolkingsonderzoek betrokken
partijen is geregeld in een samenwerkingsovereenkomst, waarin ten minste
zijn opgenomen de afbakening van het werkgebied, de organisatorische
vormgeving en de daarbij behorende financiële afspraken.
Artikel 45
Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 42, kan de
minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar
baarmoederhalskanker;
b. het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor
deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar
baarmoederhalskanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie;
Artikel 46
In afwijking van artikel 4 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel
42, voor het jaar 2012 uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig
de volgende formule:
(Qo × Po) + (Qho × Pho)
waarbij wordt verstaan onder:
Qo. het aantal onderzoeken dat in het jaar 2012 is verricht in het
kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de
desbetreffende screeningsorganisatie;
Po. de som van € 50,96 en de verhoging in het jaar 2012 van de door
de Nederlandse Zorgautoriteit bepaalde tarieven voor het onderzoek;
Qho. het aantal herhaalonderzoeken dat in het jaar 2012 is verricht
in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van
de desbetreffende screeningsorganisatie;
Pho. een bedrag van€ 34,10.
Artikel 47 [Vervallen per 03-09-2008]
Artikel 47a [Vervallen per 01-07-2011]
§ 3. Bevolkingsonderzoek naar borstkanker
Artikel 48
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. screeningsorganisatie: een rechtspersoon aan wie voor de
uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker vergunning
is verleend krachtens de Wet op het bevolkingsonderzoek;
b. onderzoek: het in het kader van het bevolkingsonderzoek naar
borstkanker maken van een borstfoto door een laborant en beoordeling
van deze foto door twee radiologen;
c. screeningseenheid: al dan niet mobiele accommodatie ingericht
voor het maken van een borstfoto in het kader van een onderzoek.
Artikel 49
Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker kan
de minister aan de
volgende screeningsorganisaties een instellingssubsidie verstrekken:
a. Stichting bevolkingsonderzoek midden-west;
b. Stichting bevolkingsonderzoek noord;
c. Stichting bevolkingsonderzoek oost;
d. Stichting bevolkingsonderzoek zuid;
e. Stichting bevolkingsonderzoek zuid-west.
Artikel 50
Subsidie als bedoeld in artikel 49 wordt slechts verstrekt:
a. voor bevolkingsonderzoek naar borstkanker bij vrouwen in de
leeftijdsgroep 50 tot en met 75 jaar;
b. voor zover van vrouwen geen betalingen worden verlangd voor
deelname aan het onderzoek.
Artikel 51
In afwijking van artikel 4 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel
49, voor het jaar 2012 ten hoogste € 59,79 voor elk onderzoek dat in
het jaar 2012 is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar
borstkanker van de desbetreffende screeningsorganisatie.
Artikel 52
1.Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 49, kan de
minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker;
b. het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor
deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar
borstkanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie;
c. een wijze van uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar
borstkanker die bijdraagt aan de versterking van de infrastructuur
van de kankerscreening.
2.De screeningsorganisatie bewaart de gegevens, bedoelde in het
eerste lid, gedurende ten minste tien jaren.
Artikel 53 [Vervallen per 03-09-2008]
Artikel 53a [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 53b [Vervallen per 01-07-2011]
§ 4 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 54 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 55 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 56 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 57 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 58 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 59 [Vervallen per 26-12-2007]
Artikel 59a [Vervallen per 26-12-2007]
§ 5. Nationaal programma grieppreventie
Artikel 60
Voor de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie kan de
minister een instellingssubsidie verlenen aan de Stichting Nationaal
Programma Grieppreventie te Utrecht.
Artikel 61
De subsidie, bedoeld in artikel 60, wordt verstrekt voor
griepvaccinaties die in de periode van 1 september van enig jaar tot en
met 30 april van het daarop volgende jaar worden toegediend door:
a. huisartsen aan:
1°. patiënten met afwijkingen en functiestoornissen van de
luchtwegen en longen;
2°. patiënten met een chronische stoornis van de
hartfunctie;
3°. patiënten met diabetes mellitus;
4°. patiënten met chronische nierinsufficiëntie;
5°. patiënten die recent een beenmergtransplantatie hebben
ondergaan;
6°. personen geïnfecteerd met hiv;
7°. kinderen en adolescenten in de leeftijd van 6 maanden
tot 18 jaar die langdurig salicylaten gebruiken;
8°. personen van 60 jaar of ouder; of
9°. personen met verminderde weerstand tegen infecties;
b. artsen aan personen als bedoeld onder a die verblijven in een
instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet
toelating zorginstellingen.
Artikel 62
In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de
instellingssubsidie, bedoeld in artikel 60, van 1 mei van enig jaar tot
en met 30 april van het daarop volgende jaar.
Artikel 63
Met ingang van het boekjaar van 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012
bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 60, uit het bedrag dat wordt
berekend overeenkomstig de volgende formule:
Qt x Pt + U
waarbij wordt verstaan onder:
Qt. het aantal griepvaccins, bedoeld inartikel 61, onderdeel a, dat
in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt in het kader van
het Nationaal Programma Grieppreventie wordt toegediend;
Pt. een bedrag van € 10,22;
U. het verschil tussen de overige baten en lasten van de uitvoering
van het Nationaal Programma Grieppreventie, voor zover opgenomen in een
door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste€ 700.000.
Artikel 64
Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 60, kan de
minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van het
Nationaal Programma Grieppreventie.
Artikel 65
In afwijking van artikel 23 bedraagt het totaal van de in artikel 23,
eerste lid, bedoelde reservering ten hoogste€ 275.000.
Artikel 66
De stichting, genoemd in artikel 60, draagt er zorg voor dat artsen,
bedoeld in artikel 61:
a. registreren tot welke risicogroepen, bedoeld in artikel 61,
onderdeel a, sub 1° tot en met 9°, gevaccineerden behoren;
b. gedurende ten minste vijf jaren de registratie, bedoeld onder
a, bewaren.
Artikel 67
De stichting, genoemd in artikel 60:
a. verleent medewerking aan de publieksvoorlichting over het
Nationaal Programma Grieppreventie en aan de evaluatie van het
Nationaal Programma Grieppreventie, die door de minister of door
andere organisaties in opdracht van de minister worden uitgevoerd;
b. draagt er zorg voor dat de huisartsen die deelnemen aan de
uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, zich
verplichten hun medewerking te verlenen aan de evaluatie bedoeld
onder a.
§ 6. Seksuele gezondheid
§ 6.1. Algemeen
Artikel 68
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. verzorgingsgebied:
1°. de provincies Noord-Holland en Flevoland,
2°. de provincies Overijssel en Gelderland,
3°. de provincies Friesland, Drenthe en Groningen,
4°. het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de
gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg,
Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar,
Westland en Zoetermeer,
5°. het overige deel van de provincie Zuid-Holland,
bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van het deel
van de provincie Zuid-Holland genoemd onder 4°,
6°. de provincies Zeeland en Brabant,
7°. de provincie Limburg, of
8°. de provincie Utrecht;
b. coördinerende GGD: de instelling die in stand houdt of de
instellingen die in stand houden:
1°. de GGD van de gemeente Amsterdam,
2°. de GGD Regio Nijmegen,
3°. de GGD Groningen,
4°. de afdeling GGD van de Dienst OCW van de gemeente Den
Haag,
5°. de GGD Rotterdam-Rijnmond,
6°. de GGD van het openbaar lichaam Hart voor Brabant,
7°. de GGD Zuid-Limburg, of
8°. de GG&GD van de gemeente Utrecht;
c. soa:
1°. chlamydia trachomatis, gonorroe, syfilis, hiv, hepatitis
B, trichomonas of herpes genitalis voor zover deze seksueel
overdraagbare aandoening niet eerder bij de desbetreffende
patiënt is geconstateerd, of
2°. chlamydia trachomatis, gonorroe of syfilis voor zover
deze seksueel overdraagbare aandoening is geconstateerd nadat de
desbetreffende patiënt eerder voor de aandoening succesvol is
behandeld;
d. soa-bestrijding: het in het verzorgingsgebied van de
desbetreffende coördinerende GGD anders dan in het kader van de
curatieve gezondheidszorg en collectieve preventie verlenen of doen
verlenen van de volgende zorg met betrekking tot de daarbij genoemde
soa’s:
1°. indicatiestelling, anamnese, lichamelijk onderzoek,
counseling, voorlichting en afname van lichaamsmateriaal voor de
diagnostiek van chlamydia trachomatis, gonorroe, syfilis, hiv,
hepatitis B, trichomonas of herpes genitalis,
2°. behandeling van en op indicatie verwijzing ter
behandeling van chlamydia trachomatis, gonorroe en syfilis,
3°. verwijzing ter behandeling van hiv en hepatitis B, en
4°. registratie van gegevens ten behoeve van onderzoekingen
die erop zijn gericht inlichtingen te verschaffen ten behoeve
van de ontwikkeling van het beleid op het gebied van collectieve
preventie en onderzoek naar de ontwikkeling van het voorkomen
van soa’s;
e. soa-coördinatie: het ten behoeve van het verzorgingsgebied
van de desbetreffende coördinerende GGD:
1°. coördineren van het aanbod van soa-bestrijding, en
2°. waarborgen dat de soa-bestrijding voldoet aan artikel
70;
f. gevonden soa: chlamydia trachomatis, gonorroe, syfilis, hiv of
hepatitis B waarvan de diagnose is gesteld in het kader van de
soa-bestrijding;
g. seksualiteitshulpverlening: het in het verzorgingsgebied van
de desbetreffende coördinerende GGD in aanvulling op de curatieve
gezondheidszorg en collectieve preventie verlenen of doen verlenen
van de volgende individuele zorg met betrekking tot de seksuele
gezondheid:
1°. signaleren van hulpvragen,
2°. verrichten van eenvoudige psychosociale en somatische
diagnostiek,
3°. geven van informatie en advies,
4°. voorschrijven van en behandelen met geneesmiddelen,
5°. verwijzen ter behandeling van complexe hulpvragen, en
6°. registreren van gegevens ten behoeve van ontwikkeling
van het beleid op het gebied van collectieve preventie en
seksualiteitshulpverlening;
h. aanvullende seksuele gezondheidszorg: soa-bestrijding en
seksualiteitshulpverlening;
i. coördinatie: het ten behoeve van het verzorgingsgebied van de
desbetreffende coördinerende GGD:
1°. coördineren van het aanbod van aanvullende seksuele
gezondheidszorg;
2°. waarborgen dat de aanvullende seksuele gezondheidszorg
voldoet aan artikel 70.
Artikel 68a
Uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor een
coördinerende GGD op grond van deze paragraaf een subsidie is
verstrekt, zendt de coördinerende GGD de Minister de jaarrekening over
het jaar waarvoor de subsidie is verstrekt.
§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie
Artikel 69
De minister kan aan een coördinerende GGD jaarlijks een
instellingssubsidie verstrekken voor aanvullende seksuele
gezondheidszorg en coördinatie in het verzorgingsgebied waar de
coördinerende GGD is gevestigd, indien in het tweede jaar voorafgaande
aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt:
a. het totaal aantal gevonden soa’s dat in het
verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD in het
kader van de aanvullende seksuele gezondheidszorg werd
geconstateerd, ten minste gelijk is aan het getal dat wordt
uitgedrukt met letter E in de formule, bedoeld in artikel 71, eerste
lid;
b. er in het verzorgingsgebied van de desbetreffende
coördinerende GGD in het kader van de aanvullende seksuele
gezondheidszorg in totaal ten minste vier keer zoveel
soa-onderzoeken werden verricht dan er gevonden soa’s werden
geconstateerd.
Artikel 70
De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van zijn
verzorgingsgebied zorg voor dat in het jaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt verstrekt:
a. er gepaste coördinatie en toereikende aanvullende seksuele
gezondheidszorg worden uitgevoerd;
b. de soa-bestrijding is gericht op:
1°. personen die behoren tot groepen in de samenleving met
een verhoogd risico op een soa,
2°. personen die in het kader van de bron- en
contactopsporing gewaarschuwd zijn voor een soa,
3°. personen met klachten die wijzen op een soa, of
4°. personen jonger dan 25 jaar;
c. de seksualiteitshulpverlening is gericht op personen jonger
dan 25 jaar;
d. van cliënten geen betalingen worden verlangd voor aanvullende
seksuele gezondheidszorg;
e. de aanvullende seksuele gezondheidszorg is afgestemd op de
collectieve preventie en de curatieve gezondheidszorg;
f. de aanvullende seksuele gezondheidszorg wordt uitgevoerd in
samenwerking met andere gemeentelijke gezondheidsdiensten binnen het
verzorgingsgebied;
g. de aanvullende seksuele gezondheidszorg van verantwoorde
kwaliteit is;
h. uiterlijk 2 maanden na afloop van ieder kwartaal op door de
minister te bepalen wijze gegevens worden verstrekt over het aantal
soa-onderzoeken en het aantal gevonden soa’s, alsmede de doorde
minister te bepalen gegevens ten behoeve van onderzoek naar de
ontwikkeling van het voorkomen van soa’s;
i. de gegevens over het aantal soa-onderzoeken en het aantal
gevonden soa’s op een door de minister vastgestelde wijze worden
verstrekt aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
j. de gegevens ten behoeve van onderzoekingen als bedoeld in
artikel 30, derde lid, ten behoeve van de ontwikkeling van het
beleid op het gebied van collectieve preventie en aanvullende
seksuele gezondheidszorg op een door de minister vastgestelde wijze
worden verstrekt aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu.
Artikel 71
1. In afwijking van artikel 4, bestaat de instellingssubsidie voor
aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie uit het bedrag
dat wordt berekend met de formule A + (B × C) + (D – E) × F,
waarbij wordt verstaan onder:
A. een normbedrag per verzorgingsgebied van:
1°. € 231.260,–voor de provincies Noord-Holland en
Flevoland,
2°. € 231.260,–voor de provincies Overijssel en
Gelderland,
3°. € 209.255,–voor de provincies Friesland, Drenthe
en Groningen,
4°. € 200.382,–voor het deel van de provincie
Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag,
Leidschendam/Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp,
Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer,
5°. € 209.255,–voor het overige deel van de provincie
Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel
uitmaken van het deel van de provincie Zuid-Holland genoemd
onder 4°,
6°. € 231.260,–voor de provincies Zeeland en Brabant,
7°. € 200.382,–voor de provincie Limburg,
8°. € 200.382,–voor de provincie Utrecht,
B. het aantal inwoners in het verzorgingsgebied waar de
coördinerende GGD is gevestigd,
C. een normbedrag per inwoner van€ 0,1922,
D. het totaal aantal gevonden soa’s in het verzorgingsgebied
van de desbetreffende coördinerende GGD in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt
verstrekt, tot ten hoogste 125% van het totaal aantal gevonden soa’s
in het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD
in het derde jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt verstrekt,
E. (B ×€ 0,1066) ⁄€ 1.168,12,
F. een normbedrag van € 638,81,
en waarbij (D–E) gelijk wordt gesteld aan nul indien E groter
is dan D.
2. Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, onder B, wordt
ontleend aan de statistiek‘Bevolking der gemeenten in Nederland op 1
januari’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het tweede
jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt
verstrekt.
Artikel 72 [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 73
In afwijking van artikel 9, eerste lid, wordt een aanvraag van de
instellingssubsidie voor aanvullende seksuele gezondheidszorg en
coördinatie onderbouwd met een activiteitenplan en gaat deze aanvraag
vergezeld van:
a. verklaringen van andere gemeentelijke gezondheidsdiensten uit
het verzorgingsgebied waarmee de coördinerende GGD samenwerkt in
het kader van de aanvullende seksuele gezondheidszorg, waaruit
blijkt dat zij instemmen met de aanvullende seksuele gezondheidszorg
en de coördinatie daarvan,
b. het verslag, bedoeld in artikel 22, over het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt
verstrekt, waarin ten minste is opgenomen het aantal soa-onderzoeken
en het aantal gevonden soa’s in het verzorgingsgebied van de
desbetreffende coördinerende GGD, en
c. een bestuursverklaring.
Artikel 74
1. In afwijking van de artikelen 14 en 36 geeft de minister binnen
22 weken na ontvangst van de aanvraag van de instellingssubsidie voor
aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie een beschikking
tot vaststelling.
2. De instellingssubsidie voor aanvullende seksuele gezondheidszorg
en coördinatie wordt betaald in de volgende termijnen: in januari 8%,
februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus
8%, september 7%, oktober 8%, november 8% en december 7% van het voor
het desbetreffende jaar vastgestelde bedrag.
Artikel 75
De artikelen 23, 24, 32, 33 en 35 zijn niet van toepassing op een
instellingssubsidie voor aanvullende seksuele gezondheidszorg en
coördinatie.
§ 6.3 [Vervallen per 03-09-2008]
Artikel 75a [Vervallen per 03-09-2008]
§ 6.4. Soa-onderzoek
Artikel 75b
1. De Minister kan aan een coördinerende GGD jaarlijks een
instellingssubsidie verstrekken voor soa-onderzoek in het
verzorgingsgebied waar de coördinerende GGD is gevestigd.
2. De instellingssubsidie voor soa-onderzoek, bedoeld in het eerste
lid, wordt slechts verstrekt:
a. indien aan de desbetreffende GGD voor het desbetreffende
jaar tevens een instellingssubsidie voor aanvullende seksuele
gezondheidszorg en coördinatie is verstrekt;
b. voor zover het soa-onderzoek wordt uitgevoerd in een
specifiek met het oog op het functioneren ten behoeve van de
gezondheidszorg geaccrediteerd laboratorium;
c. voor zover het soa-onderzoek in het kader van de
soa-bestrijding wordt verricht ten behoeve van het stellen van een
diagnose met betrekking tot:
1°. ten minste chlamydia trachomatis, gonorroe en syfillis
bij personen bedoeld in artikel 70,onder b, onder 1° tot en
met 3°, of
2°. chlamydia trachomatis bij personen bedoeld in artikel
70, onder b, onder 4°,
3°. ten minste gonorroe en syfillis bij personen bedoeld
in artikel 70, onder b, onder 4°, nadat een infectie met
chlamydia trachomatis is gediagnosticeerd door middel van een
soa-onderzoek in het kader van de soa-bestrijding.
Artikel 75c
In afwijking van artikel 9, eerste lid, wordt een aanvraag van de
instellingssubsidie voor soa-onderzoek, bedoeld in artikel 75b,
onderbouwd met een activiteitenplan en gaat deze aanvraag vergezeld van
een opgave van het aantal soa-onderzoeken in de periode van 1 januari
tot en met 30 juni van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt verstrekt.
Artikel 75d
De Minister verleent een instellingssubsidie voor soa-onderzoek,
bedoeld in artikel 75b, van ten hoogste het bedrag dat in afwijking van
artikel 4, wordt berekend met de formule (G × 2) × H + (I × 2) × J,
waarbij wordt verstaan onder:
G. het totaal aantal soa-onderzoeken als bedoeld in artikel 75b,
tweede lid, onder c, sub 2, in de periode van 1 januari tot en met 30
juni van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt verstrekt,
H. een normbedrag van € 47,85 voor het jaar 2012,
I. het totaal aantal soa-onderzoeken als bedoeld inartikel 75b,
tweede lid, onder c, sub 1 en 3, in de periode van 1 januari tot en met
30 juni van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt verstrekt, en
J. een normbedrag van € 143,12 voor het jaar 2011 en€ 144,75 voor
het jaar 2012.
Artikel 75e
De coördinerende GGD waaraan een instellingssubsidie voor
soa-onderzoek, bedoeld in artikel 75b, is verleend, draagt er zorg voor
dat aan de Minister op door hem te bepalen wijze gegevens worden
verstrekt over de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie
wordt verstrekt.
Artikel 75f
In afwijking van de artikelen 32 tot en met 36 wordt de
instellingssubsidie voor soa-onderzoek, bedoeld in artikel 75b, als
volgt vastgesteld:
a. het college van burgemeester en wethouders vraagt de
vaststelling van de subsidie aan door verantwoordingsinformatie aan
de minister te verstrekken op de wijze bedoeld in artikel 27 van het
Besluit financiële verhouding 2001;
b. artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten is van overeenkomstige toepassing op de
verantwoordingsinformatie;
c. binnen zes maanden na ontvangst van de
verantwoordingsinformatie geeft de minister een beschikking tot
vaststelling van de subsidie.
Artikel 75g
De Minister stelt een instellingssubsidie voor soa-onderzoek, bedoeld
inartikel 75b, vast op het bedrag dat in afwijking van artikel 4 wordt
berekend met de formule K × L + M × N, waarbij wordt verstaan onder:
K. het totaal aantal soa-onderzoeken als bedoeld in artikel 75b,
tweede lid, onder c, sub 2, in het jaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt verstrekt,
L. een normbedrag van€ 47,85 voor het jaar 2012,
M. het totaal aantal soa-onderzoeken als bedoeld in artikel 75b,
tweede lid, onder c, sub 1 en 3, dat is verricht in het
verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD in het
jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt, en
N. een normbedrag van€ 143,12 voor het jaar 2011 en € 144,75
voor het jaar 2012.
Artikel 75h [Vervallen per 03-09-2008]
Artikel 75i
De artikelen 23 en 24 zijn niet van toepassing op een
instellingssubsidie voor soa-onderzoek, bedoeld in artikel 75b.
§ 6.5 [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75j [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75k [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75l [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75m [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75n [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75o [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 75p [Vervallen per 17-09-2011]
Hoofdstuk III. Slotbepalingen
Artikel 76
De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te
beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken
voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
Artikel 77 [Vervallen per 17-09-2011]
Artikel 78
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 79
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling publieke
gezondheid.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst.
|
|
|