|
REGELING van de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juni 2006, nr.
DWJZ-2688921, houdende vaststelling van algemene subsidieregels
(Subsidieregeling VWS-subsidies)
De
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 10 van de Welzijnswet 1994 en
artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens
publiekrecht ingesteld;
c. instellingssubsidie: een per boekjaar verstrekte subsidie in
de kosten van structurele activiteiten van een instelling;
d. projectsubsidie: subsidie met een incidenteel karakter in de
kosten van de activiteiten opgenomen in het projectplan, bedoeld
in artikel 14, derde lid.
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op alle subsidieverstrekkingen door
de minister op het terrein van de gezondheidsbevordering, de
gezondheidsbescherming, de gezondheidszorg, de maatschappelijke zorg
en de sport, tenzij daarvoor in een ministeriėle regeling andere
regels zijn gesteld.
Artikel 3
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is
vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel
4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4
1.Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
a. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat
de met de subsidiėring beoogde doeleinden zullen worden
bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van de minister de behoefte
aan subsidie heeft aangetoond;
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiėle
middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de
voorgenomen activiteiten uit te voeren.
2.Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing op
rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.
§ 2. Reikwijdte
Artikel 5
1.De minister maakt de hoofdlijnen van zijn subsidiebeleid bekend
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2.Bij tussentijdse wijziging van de hoofdlijnen van het
subsidiebeleid doet de minister daarvan mededeling aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal.
Artikel 6
Subsidies worden slechts verstrekt voor zover de minister van
oordeel is dat de verstrekking past in het bekend gemaakte beleid.
§ 3. Subsidieplafond
Artikel 7
1. De minister kan subsidieplafonds vaststellen voor het
verstrekken van instellings- en projectsubsidies.
2. Ten aanzien van instellingssubsidies geeft de minister bij de
verdeling van het beschikbare bedrag die aanvragen voorrang waarvan
de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting
van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de
verwezenlijking van het doel van de subsidie.
3. Ten aanzien van projectsubsidies wordt het beschikbare bedrag
verdeeld in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien
verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de
Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag
aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen,
met betrekking tot de verdeling als de datum van ontvangst geldt.
4. Indien met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen
overeenkomstig artikel 13, tweede lid, is bepaald dat op aanvragen
wordt beslist na een of meer bepaalde data in een kalenderjaar,
geeft de minister bij de verdeling van het beschikbare bedrag die
aanvragen voorrang waarvan de inwilliging in vergelijking met andere
aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het beleid en
meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de
subsidie.
5. De minister kan tegelijk met het vaststellen van het
subsidieplafond bepalen dat het ingevolge het subsidieplafond
beschikbare bedrag op een wijze wordt verdeeld die afwijkt van het
tweede, derde of vierde lid.
Artikel 8
Een besluit tot vaststelling van een subsidieplafond wordt in de
Staatscourant bekendgemaaktt.
Hoofdstuk II. Projectsubsidies
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 9
1.Projectsubsidies van 20.000 of meer worden verstrekt met
toepassing van de artikelen 10 tot en met 28.
2.Projectsubsidies van minder dan 20.000 kunnen zonder
voorafgaande subsidieverlening worden vastgesteld. De artikelen 11,
eerste lid, 16 ,18, 19, 20, eerste lid, en 25 tot en met 28 zijn
niet van toepassing.
Artikel 10
De minister kan projectsubsidies verlenen die zich uitstrekken over
meer dan een kalenderjaar.
§ 2. Berekeningswijze
Artikel 11
1.Een projectsubsidie bestaat uit het verschil tussen de met de
gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke lasten en de
met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke baten.
De subsidie bedraagt niet meer dan het bij de subsidieverlening
bepaalde maximum.
2.Een projectsubsidie als bedoeld in artikel 9, tweede lid,
bestaat uit een bij de subsidievaststelling te bepalen bedrag.
§ 3. De aanvraag
Artikel 12
Een projectsubsidie kan worden aangevraagd door een
privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, een
publiekrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijke persoon.
Artikel 13
1.Een aanvraag voor een projectsubsidie wordt ingediend voor de
aanvang van de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2.De minister kan bepalen dat aanvragen voor een projectsubsidie
op bepaalde terreinen vóór een of meer bepaalde door hem
vastgestelde data worden ingediend.
Artikel 14
1.De aanvraag van een projectsubsidie wordt onderbouwd met een
projectplan en een begroting. Voor het projectplan en de begroting
wordt een door de Minister vastgesteld formulier gebruikt.
2.Indien de aanvrager van een projectsubsidie een
privaatrechtelijke rechtspersoon is, kan de minister hem verplichten
een volledig en recent overzicht van zijn financiėle toestand over
te leggen.
3.In het projectplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke
doelstelling de aanvrager met de activiteiten nastreeft en op welke
wijze die zullen worden uitgevoerd.
4.De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de
activiteiten zoals opgenomen in het projectplan. De begroting is
voorzien van een postgewijze toelichting. Baten en lasten die door
middel van interne doorberekingen worden toegerekend, worden bepaald
op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen.
Voor zover hierin lasten zijn begrepen van materiėle vaste activa,
worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa
berekend.
5.Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote lasten tevens
subsidie of een andere financiėle bijdrage heeft aangevraagd bij
een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in
de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking
tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
6.Indien de aanvraag wordt ingediend door een privaatrechtelijke
rechtspersoon wordt de aanvraag ondertekend door degene die op grond
van de statuten bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen, of
door een persoon die daartoe gevolmachtigd is.
§ 4. Subsidieverlening en bevoorschotting
Artikel 15
De minister geeft een beschikking op een aanvraag van een
projectsubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 16
1.De minister kan op een verleende projectsubsidie voorschotten
verlenen.
2.Voorschotten worden gelijkmatig over het aantal maanden
verstrekt, waarvoor de subsidie is aangevraagd. Gedurende het
project bedragen de voorschotten in totaal niet meer dan 90% van het
bedrag van de verleende projectsubsidie.
3.Uiterlijk vier maanden na ontvangst van de volledige aanvraag
voor de subsidievaststelling worden de voorschotten verhoogd tot het
bedrag van de subsidiedeclaratie voor zover het bedrag van de
subsidiedeclaratie niet hoger is dan het bedrag van de verleende
projectsubsidie.
4.De minister kan, indien hierom in de aanvraag wordt verzocht,
afwijken van het bepaalde in het tweede lid.
§ 5. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 17
De ontvanger van een projectsubsidie zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden, gesteld in het projectplan op doelmatige
wijze worden nagestreefd en
b. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat
een goed beleid en beheer worden gevoerd.
Artikel 18
De ontvanger van een projectsubsidie zorgt er voor dat:
a. de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze
wordt gevoerd en
b. dat te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie
van belang zijnde baten en lasten kunnen worden nagegaan.
Artikel 19
De ontvanger van een projectsubsidie doet zo spoedig mogelijk
schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van
belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of
vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken
overgelegd.
Artikel 20
1.De ontvanger van een projectsubsidie stelt na afloop van de
periode waarvoor subsidie is verleend een projectverslag vast dat
inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de
subsidiėring verrichte activiteiten. In het projectverslag worden
de verrichte activiteiten met de in projectplan voorgenomen
activiteiten vergeleken.
2.Bij projectsubsidies als bedoeld in artikel 9, tweede lid, legt
de subsidieontvanger na afloop van de periode waarvoor subsidie was
verstrekt, een verklaring over waaruit kan worden afgeleid dat de
activiteiten waarvoor subsidie was verstrekt, zijn uitgevoerd.
Artikel 21
1.Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie,
kan de minister bepalen dat de ontvanger van een projectsubsidie er
zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de
uitvoerder en subsidiėnt van het project zijn geweest.
2.Indien een projectsubsidie gericht is of mede gericht is op de
totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1°,
van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor
auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
3.De ontvanger van een projectsubsidie vrijwaart de Staat der
Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die
zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger
verrichte publicaties.
Artikel 22
De ontvanger van een projectsubsidie die aan derden goederen ter
beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor
een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het
derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
Artikel 23
De ontvanger van een projectsubsidie werkt mee aan door of namens
de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de
minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling
van het beleid.
Artikel 24
De minister kan bij de verlening van een projectsubsidie
verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel
van de subsidie.
§ 6. Subsidievaststelling
Artikel 25
1.Binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor subsidie
is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de
subsidievaststelling.
2.De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van:
a. het projectverslag, bedoeld in artikel 20, eerste lid, en
b. een subsidiedeclaratie.
3.Voor het projectverslag en de subsidiedeclaratie wordt een door
de Minister vastgesteld formulier gebruikt.
4.Indien de aanvraag wordt ingediend door een privaatrechtelijke
rechtspersoon, wordt de aanvraag ondertekend door degene die op
grond van de statuten bevoegd is de rechtspersoon te
vertegenwoordigen, of door een persoon die daartoe gevolmachtigd is.
5.De minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
genoemde aanvraagtermijn.
Artikel 26
De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord
oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van
de subsidie door de subsidieontvanger en geeft de nodige informatie om
de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de
indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting.
Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden
toegelicht.
Artikel 27
1.De subsidiedeclaratie is voorzien van een verklaring van een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig een door de Minister
vastgestelde modelaccountantsverklaring.
2.De subsidiedeclaratie gaat vergezeld van een rapportage omtrent
de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger,
opgesteld door de accountant overeenkomstig een door de Minister
vastgesteld controleprotocol.
3.De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens de departementale auditdienst in te
stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte
(controle)werkzaamheden.
4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
verleende projectsubsidie minder dan 125.000 bedraagt.
Artikel 28
Binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in
artikel 25, geeft de minister een beschikking tot vaststelling.
Hoofdstuk III. Instellingssubsidies
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 29
Instellingssubsidies worden verleend voor de periode van één
boekjaar.
Artikel 30
1.Afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht is, met
uitzondering van artikel 4:64, eerste lid, onder a, van toepassing
op instellingssubsidies.
2.De minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de in
artikel 4:60 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn voor
indiening van de subsidieaanvraag.
3.De ontvanger van een instellingssubsidie vormt een
egalisatiereserve, tenzij sprake is van een subsidie als bedoel in
artikel 32, tweede lid. Bij de subsidieverlening kan de omvang van
de egalisatiereserve in aanmerking worden genomen. In afwijking van
artikel 4:72, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht wordt het aan
de egalisatiereserve toe te voegen dan wel te onttrekken bedrag
berekend door het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten
samenhangende baten, waaronder de vastgestelde instellingssubsidie
en de gerealiseerde overige baten, te verminderen met de lasten van
de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt vervolgens
toegerekend naar rato van de vastgestelde instellingssubsidie en de
in de ingediende begroting vermelde, met de gesubsidieerde
activiteiten samenhangende overige baten.
4.Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate
ontleent aan de instellingssubsidie, is artikel 4:76 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
Voor het activiteitenplan en de begroting, bedoeld in artikel 4:61
van de Algemene wet bestuursrecht, wordt een door de Minister
vastgesteld formulier gebruikt.
§ 2. Berekeningswijze
Artikel 32
1.Een instellingssubsidie bestaat uit een door de minister te
bepalen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd
activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.
2.Indien de activiteiten bestaan uit meetbare prestatie-eenheden
kan de minister normbedragen vaststellen voor deze eenheden.
§ 3. Subsidieverlening en bevoorschotting
Artikel 33
De minister geeft een beschikking op een aanvraag van een
instellingssubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 34
1.De minister verstrekt de volgende voorschotten op een verleende
instellingssubsidie: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%,
mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%,
november 8% en december 7% van het voor het desbetreffende jaar
verleende subsidiebedrag.
2.De minister kan van het gestelde in het eerste lid op verzoek
van de subsidieontvanger afwijken en in het geval dat een aanvraag
om instellingssubsidie later wordt ingediend dan in artikel 4:60 van
de Algemene wet bestuursrecht is bepaald.
§ 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 35
De ontvanger van een instellingssubsidie zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden gesteld in het activiteitenplan op doelmatige
wijze worden nagestreefd;
b. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat
een goed beleid en beheer worden gevoerd.
Artikel 36
De ontvanger van een instellingssubsidie doet zo spoedig mogelijk
schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van
belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of
vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken
overgelegd.
Artikel 37
1.De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instellingssubsidie
ontvangt, verzekert haar roerende en onroerende zaken op afdoende
wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het
risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.
2.De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor
vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de
gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.
3.De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste
of tweede lid.
Artikel 38
1.Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie,
kan de minister bepalen dat de ontvanger van een instellingssubsidie
er zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de
uitvoerder en subsidiėnt van het project zijn geweest.
2.Indien een instellingssubsidie gericht is of mede gericht is op
de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1°,
van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor
auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
3.De ontvanger van een instellingssubsidie vrijwaart de Staat der
Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die
zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger
verrichte publicaties.
Artikel 39
De minister kan bij de verlening van een instellingssubsidie
verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel
van de subsidie.
Artikel 40
De ontvanger van een instellingssubsidie die aan derden goederen
ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt
daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is,
tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten
bestemd zijn.
Artikel 41
De ontvanger van een instellingssubsidie werkt mee aan door of
namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de
minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling
van het beleid.
§ 5. Subsidievaststelling
Artikel 42
1.In afwijking van artikel 4:74, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht dient de ontvanger van een instellingssubsidie binnen
vier maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot
vaststelling van de subsidie in.
2.Voor het financieel verslag en het activiteitenverslag als
bedoeld in artikel 4:75 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een
door de Minister vastgesteld formulier gebruikt.
Artikel 43
1.Het financieel verslag of, indien de ontvanger van een
instellingssubsidie verplicht is tot het opstellen van een
jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, de jaarrekening gaat vergezeld van een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig een door
de Minister vastgestelde modelaccountantsverklaring.
2.Het financieel verslag of de jaarrekening gaat vergezeld van
een rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de
subsidieontvanger, opgesteld door een accountant overeenkomstig een
door de Minister vastgesteld controleprotocol.
3.De ontvanger van een instellingssubsidie draagt er zorg voor
dat de accountant meewerkt aan door of namens de departementale
auditdienst in te stellen onderzoeken naar de door de accountant
verrichte werkzaamheden.
4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
verleende instellingssubsidie minder dan 125.000 bedraagt.
Artikel 44
Binnen vijf maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in
artikel 43, geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de
subsidie.
§ 6. Vergoedingsplicht bij vermogensvorming
Artikel 45
1.In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, kan de minister een door hem te bepalen
vergoeding opleggen.
2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan
van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen,
waaronder de egalisatiereserve, op het tijdstip waarop de vergoeding
verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst
van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken, wordt
uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling
wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de
waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
3.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de activiteiten
van de subsidieontvanger door een derde worden voortgezet en de
activa en passiva met toestemming van de minister tegen boekwaarde
aan die derde worden overgedragen.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 46
De minister kan indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding
geven, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken.
Artikel 47
De door subsidieontvangers op grond van artikel 7 van de
Subsidieregeling welzijnsbeleid en artikel 9 van de Subsidieregeling
volksgezondheid opgebouwde reservering, wordt na inwerkingtreding van
deze regeling toegevoegd aan de egalisatiereserve.
Artikel 48
1.De Subsidieregeling volksgezondheid en de Subsidieregeling
welzijnsbeleid worden ingetrokken.
2.Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling
zijn verleend of vastgesteld en op aanvragen voor een
instellingssubsidie voor 2006 waarop voor 1 juli 2006 nog geen
besluit is genomen, blijven de Subsidieregeling volksgezondheid en
de Subsidieregeling welzijnsbeleid van toepassing.
Artikel 49
Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2006.
Artikel 50
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling VWS-subsidies.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
H. Hoogervorst.
Bijlage 1 [Vervallen per 24-02-2007]
Bijlage 2 [Vervallen per 24-02-2007]
Bijlage 3 [Vervallen per 06-09-2007]
Bijlage 4 [Vervallen per 06-09-2007]
Bijlage 5 [Vervallen per 06-09-2007]
Bijlage 6 [Vervallen per 06-09-2007]
|