| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kaderwet
VWS-subsidies
KADERREGELING
VWS-SUBSIDIES
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
REGELING van de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 april 2011, nr.
DWJZ/R&E-3059879, houdende vaststelling van algemene subsidieregels
(Kaderregeling VWS-subsidies)
De
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet
VWS-subsidies;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport;
b. instelling: privaatrechtelijke
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een
rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;
c. instellingssubsidie: subsidie voor
dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende, structurele
activiteiten van een instelling;
d. projectsubsidie: subsidie voor
tijdelijke, incidentele activiteiten;
e. subsidie: instellingssubsidie of
projectsubsidie;
f. jaarrekening: jaarrekening als bedoeld in
artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
g. accountant: accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
h. kosten: kosten van de subsidieontvanger
voor zover die samenhangen met de te subsidiëren of
gesubsidieerde activiteit;
i. eigen bijdrage: bijdrage van de
subsidieontvanger zelf voor de te subsidiëren of gesubsidieerde
activiteit;
j. bijdragen van derden: bijdragen die de
subsidieontvanger van een derde ontvangt en die de
subsidieontvanger aanwendt voor de te subsidiëren of
gesubsidieerde activiteit;
k. opbrengsten: eigen bijdrage en bijdragen
van derden, vermeerderd met de aangevraagde, verleende of
vastgestelde subsidie;
l. egalisatiereserve: egalisatiereserve,
bedoeld in artikel 34.
Artikel 2
1. De minister verstrekt uitsluitend subsidies
voor zover de verstrekking past in zijn beleid.
2. Subsidies van minder dan € 125.000 worden
niet verleend of zonder voorafgaande verlening vastgesteld.
3. Het tweede lid geldt niet voor:
a. subsidies met betrekking tot
oorlogsgetroffenen en herinnering Wereldoorlog II;
b. subsidies uit hoofde van het
Beleidskader voor subsidiëring van patiënten- en
gehandicaptenorganisaties;
c. subsidies die in 2011 en 2012 worden
verstrekt op het terrein van de sport, voor zover van landelijke
betekenis;
d. subsidies die uit hoofde van artikel
4:51, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden
verstrekt;
e. subsidies aan organisaties als bedoeld
in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg voor activiteiten met betrekking tot
specialistenregisters van wettelijk erkende specialistentitels.
Artikel 3
De minister maakt de hoofdlijnen van zijn beleid
bekend aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Artikel 4
Een projectsubsidie kan worden verstrekt aan een
instelling of een natuurlijke persoon.
Artikel 5
Een instellingssubsidie kan uitsluitend worden
verstrekt aan een instelling.
Artikel 6
1. De minister verstrekt een projectsubsidie
van minder dan€ 25.000 slechts na afloop van de periode waarvoor
de subsidie wordt aangevraagd.
2. De minister verstrekt een projectsubsidie
van € 25.000 of meer slechts voor een periode die aanvangt na
ontvangst van de aanvraag van de projectsubsidie.
3. De minister kan een projectsubsidie
verstrekken voor een periode die zich uitstrekt over meer dan een
kalenderjaar.
4. Een projectsubsidie wordt voor ten hoogste
vier jaren verstrekt.
Artikel 7
1. Een instellingssubsidie wordt voor de
periode van een boekjaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger stelt het boekjaar
gelijk aan het kalenderjaar, tenzij bij de subsidieverlening anders
is bepaald.
3. De minister verstrekt een
instellingsubsidie van minder dan€ 25.000 slechts na afloop van
het boekjaar.
Artikel 8
De minister verstrekt uitsluitend:
a. een subsidie die zonder voorafgaande
verlening direct wordt vastgesteld op een bedrag waarvan de hoogte
door de minister bij de vaststelling wordt genoemd: indien de
subsidie minder dan € 25.000 bedraagt,
b. een subsidie die wordt vastgesteld op een
bedrag per gerealiseerde prestatie-eenheid waarvan de hoogte door
de minister bij de verlening is genoemd, voor ten hoogste het
aantal maximum prestatie-eenheden dat door de minister bij de
verlening is genoemd: indien de subsidie € 25.000 of meer
bedraagt en de activiteiten uit meetbare prestatie-eenheden
bestaan,
c. een subsidie die wordt vastgesteld op een
bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is
genoemd: indien de subsidie € 25.000 tot€ 125.000 bedraagt en
er naar het oordeel van de minister voldoende zekerheid bestaat
over de kosten en opbrengsten,
d. een subsidie die wordt vastgesteld op een
bedrag dat bestaat uit de totale werkelijke kosten verminderd met
de totale werkelijke bijdragen van derden en de begrote eigen
bijdrage, maar dat niet hoger is dan het maximum dat door de
minister bij de verlening is genoemd: indien de subsidie€ 25.000
tot € 125.000 bedraagt en er vanwege de aard van de activiteiten
naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat
over de kosten en opbrengsten,
e. een subsidie die wordt vastgesteld op een
bedrag dat bestaat uit de werkelijke kosten, verminderd met de
werkelijke bijdragen van derden en de begrote eigen bijdrage, maar
dat niet hoger is dan het maximum dat door de minister bij de
verlening is genoemd: indien het een projectsubsidie betreft en de
subsidie € 125.000 of meer bedraagt, of
f. een subsidie die wordt vastgesteld op een
bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is
genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de
maximaal toegestane egalisatiereserve: indien het een
instellingssubsidie betreft en de subsidie € 125.000 of meer
bedraagt.
Artikel 9
1. De kosten worden berekend op basis van een
controleerbare, voor de subsidieontvanger gebruikelijke methode, die
is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het
maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die
door de subsidieontvanger stelselmatig worden toegepast.
2. De afschrijving van materiële vaste activa
wordt berekend op basis van historische aanschafprijzen.
3. Toevoegingen aan voorzieningen en
reserveringen zijn geen subsidiabele kosten, tenzij de minister deze
toevoegingen schriftelijk heeft goedgekeurd.
Paragraaf 2. Subsidieplafond
Artikel 10
De minister kan een subsidieplafond vaststellen.
Artikel 11
Bij projectsubsidies verdeelt de minister het
ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag in volgorde van datum
van ontvangst van de aanvragen of na onderlinge afweging van de
aanvragen.
Artikel 12
Bij instellingssubsidies verdeelt de minister
het ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag na onderlinge
afweging van de aanvragen.
Artikel 13
1. Indien het ingevolge het subsidieplafond
beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst van de aanvragen wordt
verdeeld:
a. geldt, indien de aanvraag krachtens
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is aangevuld, bij
de verdeling de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen
als de datum van ontvangst;
b. stelt de minister de onderlinge
rangschikking van aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen
door middel van loting vast, indien honorering van al deze
aanvragen ertoe zou leiden dat het subsidieplafond wordt
overschreden.
2. Indien het ingevolge het subsidieplafond
beschikbare bedrag na onderlinge afweging van de aanvragen wordt
verdeeld, geeft de minister die aanvragen voorrang waarvan de
inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting
van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de
verwezenlijking van het doel van de subsidie.
Artikel 14
De minister kan tegelijk met het vaststellen van
het subsidieplafond bepalen dat het ingevolge het subsidieplafond
beschikbare bedrag op een wijze wordt verdeeld die afwijkt van de
artikelen 11, 12 en13.
Paragraaf 3. Aanvraag
Artikel 15
1. Voor een aanvraag tot verlening van een
subsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
2. Het aanvraagformulier wordt ondertekend
door de aanvrager of door een persoon die bevoegd is de aanvrager te
vertegenwoordigen.
Artikel 16
Een aanvraag tot verlening van een
projectsubsidie van € 25.000 of meer wordt ingediend voor aanvang
van de periode waarvoor projectsubsidie wordt aangevraagd.
Artikel 17
Een aanvraag tot verlening van een
instellingssubsidie van€ 25.000 of meer wordt ingediend uiterlijk
dertien weken voor de aanvang van het boekjaar waarvoor de
instellingssubsidie wordt aangevraagd.
Artikel 18
1. Bij het vaststellen van een subsidieplafond
waarvan het beschikbare bedrag na onderlinge afweging van de
aanvragen wordt verdeeld, bepaalt de minister dat aanvragen vóór
een door hem vastgestelde datum dienen te zijn ontvangen.
2. De minister kan bepalen dat aanvragen op
een bepaald beleidsterrein binnen een door hem vastgestelde periode
worden ontvangen.
3. De minister kan vrijstelling en ontheffing
verlenen van de termijn, bedoeld in artikel 17.
Artikel 19
De aanvraag tot verlening van de subsidie
bestaat uit:
a. een activiteitenplan, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is,
en
b. een begroting, tenzij deze voor de
berekening van het bedrag van de subsidie niet van belang is.
Artikel 20
Het activiteitenplan:
a. behelst een overzicht van de activiteiten
waarvoor subsidie wordt aangevraagd,
b. beschrijft aard, omvang, duur en wijze
van uitvoering van de activiteiten en
c. beschrijft de met de activiteiten
nagestreefde doelstellingen.
Artikel 21
1. De begroting behelst per activiteit een
overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten van de aanvrager,
voor zover deze betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie
wordt aangevraagd.
2. De begrotingsposten worden ieder
afzonderlijk van een toelichting voorzien.
3. De begroting is sluitend.
Artikel 22
Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote
kosten tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft
aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet hij daarvan mededeling
in de aanvraag tot verlening van de subsidie, onder vermelding van de
stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die andere
aanvraag.
Artikel 23
Op verzoek van de minister legt de
privaatrechtelijke rechtspersoon of de natuurlijke persoon die
verlening van een projectsubsidie aanvraagt, een volledig en recent
overzicht van zijn financiële toestand over.
Artikel 24
1. Indien de aanvraag tot verlening van de
instellingssubsidie wordt ingediend door een privaatrechtelijke
rechtspersoon waaraan de minister geen instellingssubsidie heeft
verstrekt ten behoeve van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar
waarvoor de instellingssubsidie wordt aangevraagd, gaat de aanvraag
voorts vergezeld van:
a. een afschrift van de oprichtingsakte
van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze
laatstelijk zijn gewijzigd en
b. de laatst opgemaakte jaarrekening dan
wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting
daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de
financiële positie van de aanvrager op het moment van de
aanvraag.
2. De minister kan vrijstelling en ontheffing
verlenen van het eerste lid.
Paragraaf 4. Verlening
Artikel 25
1. De minister besluit binnen dertien weken na
ontvangst van de aanvraag over de verlening van de subsidie.
2. Indien toepassing is gegeven aan artikel
18, eerste lid, neemt de minister in afwijking van het eerste lid
binnen dertien weken na de door hem vastgestelde datum een besluit.
3. De termijnen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn tweeëntwintig weken in plaats van dertien weken
indien:
a. sprake is van cofinanciering in het
kader van een fonds of programma van de Europese Unie,
b. de minister over de aanvraag advies
vraagt of
c. de minister ter zake van de aanvraag
een nader onderzoek instelt.
4. De termijnen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn veertig weken in plaats van dertien weken indien de
verlening afhankelijk is van het oordeel van een internationale
commissie of van buitenlandse deskundigen.
5. Indien een termijn als bedoeld in het derde
of vierde lid van toepassing is, deelt de minister dat zo spoedig
mogelijk mee aan de aanvrager.
Artikel 26
Een subsidie ten laste van een begroting die nog
niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in
artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 27
De minister bepaalt bij het besluit tot
verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel b:
a. voor welke periode de subsidie wordt
verleend,
b. wat de prestatie-eenheid is waarvoor de
subsidie wordt verleend,
c. het bedrag dat per prestatie-eenheid aan
subsidie wordt verleend,
d. het maximum aantal prestatie-eenheden
waarvoor subsidie wordt verleend,
e. op welke wijze de subsidieontvanger kan
aantonen dat de prestatie-eenheden waarvoor de subsidie is
verleend, zijn gerealiseerd en
f. op welke wijze de subsidieontvanger kan
aantonen dat voldaan is aan de verplichtingen die verbonden zijn
aan de verleende subsidie.
Artikel 28
De minister bepaalt in het besluit tot verlening
van de subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel c:
a. voor welke periode de subsidie wordt
verleend,
b. voor welke activiteiten de subsidie wordt
verleend,
c. het bedrag dat aan subsidie wordt
verleend,
d. op welke wijze de subsidieontvanger kan
aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend,
zijn verricht en
e. op welke wijze de subsidieontvanger kan
aantonen dat voldaan is aan de verplichtingen die verbonden zijn
aan de verleende subsidie.
Artikel 29
De minister vermeldt in het besluit tot
verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel d:
a. voor welke periode de subsidie wordt
verleend,
b. voor welke activiteiten de subsidie wordt
verleend,
c. de hoogte van de begrote eigen bijdrage
die in aanmerking wordt genomen bij het verstrekken van de
subsidie en
d. het maximum bedrag dat aan subsidie wordt
verleend.
Artikel 30
1. De minister vermeldt in het besluit tot
verlening van de projectsubsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel e:
a. voor welke periode de projectsubsidie
wordt verleend,
b. voor welke activiteiten de
projectsubsidie wordt verleend,
c. welke kosten per activiteit in
aanmerking zijn genomen bij het verlenen van de projectsubsidie,
d. welke bijdragen van derden per
activiteit in aanmerking zijn genomen bij het verlenen van de
projectsubsidie,
e. de hoogte van de begrote eigen bijdrage
die in aanmerking wordt genomen bij het verstrekken van de
projectsubsidie en
f. het maximum bedrag dat aan
projectsubsidie wordt verleend.
2. De in het besluit tot verlening vermelde
kosten zijn gelijk aan de som van de in dat besluit vermelde
bijdragen van derden, begrote eigen bijdrage en maximum
projectsubsidie.
Artikel 31
1. De minister vermeldt in het besluit tot
verlening van de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 8,
onderdeel f:
a. voor welke periode de
instellingssubsidie wordt verleend,
b. voor welke activiteiten de
instellingssubsidie wordt verleend,
c. welke kosten per activiteit in
aanmerking zijn genomen bij het verlenen van de
instellingssubsidie,
d. welke bijdragen van derden per
activiteit in aanmerking zijn genomen bij het verlenen van de
instellingssubsidie,
e. de hoogte van de begrote eigen bijdrage
die in aanmerking wordt genomen bij het verstrekken van de
instellingssubsidie en
f. het bedrag dat aan instellingssubsidie
wordt verleend.
2. De in het besluit tot verlening vermelde
kosten zijn gelijk aan de som van de in dat besluit vermelde
bijdragen van derden, begrote eigen bijdrage en instellingssubsidie.
Paragraaf 5. Bevoorschotting
Artikel 32
1. De minister kan bij het besluit tot
verlening van een projectsubsidie ambtshalve tevens voorschotten
verlenen.
2. De voorschotten worden gelijkmatig verdeeld
over het aantal maanden waarvoor de subsidie wordt verleend.
3. Op verzoek van de subsidieontvanger kan de
minister van het tweede lid afwijken.
Artikel 33
1. De minister verleent bij het besluit tot
verlening van een instellingssubsidie ambtshalve tevens de volgende
voorschotten: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei
16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%,
november 8% en december 7% van het bedrag van de verleende
instellingssubsidie.
2. Op verzoek van de subsidieontvanger of
indien een aanvraag van een instellingssubsidie later is ingediend
dan in artikel 17 is bepaald, kan de minister van het eerste lid
afwijken.
Paragraaf 6. Egalisatiereserve
Artikel 34
1. De ontvanger van de instellingssubsidie die
op grond van artikel 8, onderdeel f, is verleend, vormt een
egalisatiereserve.
2. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste
10% van het bij het besluit tot verlening bepaalde bedrag van de
instellingssubsidie dan wel ten hoogste een lager percentage dat
door de minister bij het besluit tot verlening is bepaald.
3. Indien de instellingssubsidie wordt
verlaagd wegens het niet of niet geheel verrichten van de
activiteiten waarvoor de instellingssubsidie is verleend, wordt de
maximaal toegestane egalisatiereserve berekend op basis van de
verlaagde instellingssubsidie.
4. De egalisatiereserve bedraagt ten laagste€
0.
Artikel 35
1. De egalisatiereserve wordt in een boekjaar
uitsluitend besteed aan activiteiten waarvoor de instellingssubsidie
in dat boekjaar is verleend en die niet kunnen worden bekostigd uit
de instellingssubsidie die is verleend ten behoeve van dat boekjaar.
2. De besteding van de egalisatiereserve wordt
verantwoord met het activiteitenverslag en het financieel verslag,
bedoeld in artikel 63.
Artikel 36
1. De egalisatiereserve wordt gevormd door een
toevoeging bij een positief eindresultaat en een onttrekking bij een
negatief eindresultaat. Het eindresultaat is de som van de
werkelijke bijdragen van derden, de in het besluit tot verlening
vermelde begrote eigen bijdrage en de verleende instellingssubsidie
verminderd met de werkelijke kosten.
2. De maximale toevoeging aan de
egalisatiereserve is het bedrag dat aan de egalisatiereserve kan
worden toegevoegd zonder de maximale omvang daarvan te
overschrijden. De maximale onttrekking aan de egalisatiereserve is
het bedrag van de egalisatiereserve.
3. De toevoeging of onttrekking is gelijk aan
het eindresultaat vermenigvuldigd met de verleende
instellingssubsidie gedeeld door de som van de in het besluit tot
verlening vermelde begrote eigen bijdrage en de verleende
instellingssubsidie.
4. De toevoeging of onttrekking bedraagt niet
meer dan de maximale toevoeging of onttrekking.
5. Voor zover het voor de toevoeging
beschikbare bedrag hoger is dan de maximale toevoeging, wordt dat
bedrag bij de vaststelling in mindering gebracht op de
instellingssubsidie.
6. Voor de toepassing van de vorige leden
worden uitsluitend in aanmerking genomen de kosten, de bijdragen van
derden en de instellingssubsidie met betrekking tot activiteiten
waarvoor de instellingssubsidie is verleend en die werkelijk zijn
verricht.
Paragraaf 7. Verplichtingen
Artikel 37
Indien een subsidie is verleend, zorgt de
subsidieontvanger ervoor dat:
a. de doelstellingen van de gesubsidieerde
activiteiten op doelmatige wijze worden nagestreefd,
b. de uitvoering van de gesubsidieerde
activiteiten op verantwoorde wijze wordt bestuurd en
c. de voor de uitvoering van de
gesubsidieerde activiteiten benodigde middelen op verantwoorde
wijze worden beheerd.
Artikel 38
1. Indien een subsidie als bedoeld in artikel
8, onderdeel b, is verleend, houdt de subsidieontvanger een zodanig
ingerichte registratie bij dat daarin altijd de gerealiseerde
prestatie-eenheden kunnen worden nagegaan.
2. De administratie wordt op overzichtelijke,
controleerbare en doelmatige wijze ingericht.
3. De administratie en de daartoe behorende
bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.
Artikel 39
1. Indien een subsidie als bedoeld in artikel
8, onderdeel d, e of f, is verleend, voert de subsidieontvanger een
zodanig ingerichte administratie, dat daarin altijd de voor de
vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en
verplichtingen, betalingen en ontvangsten alsmede kosten en
opbrengsten kunnen worden nagegaan.
2. Artikel 38, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
1. Indien een projectsubsidie voor meer dan
twaalf maanden wordt verleend, kan de minister verlangen dat de
subsidieontvanger eenmaal per twaalf maanden verslag doet van de
voortgang van de gesubsidieerde activiteiten.
2. Het besluit tot verlening van de
projectsubsidie vermeldt op welke tijdstippen het verslag gedaan
wordt en waaruit het verslag bestaat.
Artikel 41
1. De subsidieontvanger meldt meteen aan de
minister als:
a. het tijdens de periode waarvoor de
subsidie is verleend aannemelijk is geworden dat de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet
geheel zullen worden verricht,
b. het aannemelijk is geworden dat niet of
niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan of
c. zich andere omstandigheden voordoen of
zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing
tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
2. De melding wordt schriftelijk gedaan. De
melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de
relevante stukken overgelegd.
Artikel 42
De subsidieontvanger die aan derden goederen ter
beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor
een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het
derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
Artikel 43
De subsidieontvanger werkt, onder meer door het
verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en
bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat
erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen:
a. die van belang zijn voor het nemen van
een besluit over het verstrekken van de subsidie of
b. voor de ontwikkeling van het beleid van
de minister.
Artikel 44
1. Indien een instellingssubsidie is verleend,
verzekert de subsidieontvanger haar roerende en onroerende zaken op
afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen
het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.
2. Indien een instellingssubsidie is verleend,
verzekert de subsidieontvanger de wettelijke aansprakelijkheid van
vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de
gesubsidieerde activiteiten.
3. Op verzoek van de subsidieontvanger kan de
minister ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid.
Artikel 45
1. Indien een gesubsidieerde activiteit leidt
tot een publicatie, kan de minister bepalen dat de subsidieontvanger
er voor zorgt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de
uitvoerder en subsidiënt van de activiteit zijn geweest.
2. Indien de subsidie gericht is of mede
gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel
10, onder 1°, van de Auteurswet, zorgt de subsidieontvanger er voor
auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
3. De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der
Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die
zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger
verrichte publicaties.
Artikel 46
Artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
Indien de activiteiten waarvoor de
instellingssubsidie is verstrekt geheel of gedeeltelijk worden
beëindigd of indien de instellingssubsidie wordt beëindigd,
verstrekt de subsidieontvanger aan de minister op diens verzoek alle
gegevens, bescheiden, informatie, medewerking en gebruiksrechten op
auteursrechten die redelijkerwijs verlangd kan worden of kunnen worden
voor de continuïteit van de activiteiten waarvoor de
instellingssubsidie is verstrekt.
Artikel 48
1. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de
subsidieontvanger aan de minister een door de minister te bepalen
vergoeding verschuldigd.
2. De subsidieontvanger meldt meteen aan de
minister als zich een geval, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid,
onder a, b, c en e, van de Algemene wet bestuursrecht, voordoet.
3. Bij de bepaling van de hoogte van de
vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere
vermogensbestanddelen, waaronder de egalisatiereserve, op het
tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande
dat:
a. de waarde van de egalisatiereserve
gelijk is aan het bedrag van de egalisatiereserve;
b. de waarde van een schadevergoeding voor
verlies of beschadiging van zaken gelijk is aan het bedrag dat
als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen;
c. de waarde van onroerende zaken wordt
bepaald door drie onafhankelijke deskundigen. De minister en de
subsidieontvanger wijzen elk een deskundige aan, die in
onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
4. De vergoeding aan de minister voor goederen
en andere vermogensbestanddelen, waaronder de egalisatiereserve, die
geheel zijn gevormd met de subsidie, is gelijk aan hun waarde. De
vergoeding aan de minister voor goederen en andere
vermogensbestanddelen, die gedeeltelijk zijn gevormd met de
subsidie, is gelijk aan de waarde waarmee de subsidiëring door de
minister in verhouding tot andere middelen aan de vorming van dat
vermogen heeft bijgedragen.
5. De minister kan de vergoeding in afwijking
van het vierde lid op een lager bedrag bepalen.
Artikel 49
De minister kan bij de verlening van de subsidie
verplichtingen opleggen als bedoeld in de artikelen 4:38 en 4:39 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Paragraaf 8. Vaststelling
Artikel 50
1. Voor een aanvraag van de vaststelling van
een subsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier
gebruikt.
2. Het aanvraagformulier wordt ondertekend
door de aanvrager of door een persoon die bevoegd is de aanvrager te
vertegenwoordigen.
Artikel 51
1. Een aanvraag tot vaststelling van een
subsidie als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, wordt ingediend:
a. indien het een projectsubsidie betreft:
binnen tweeëntwintig weken na afloop van de periode waarvoor de
projectsubsidie wordt aangevraagd;
b. indien het een instellingssubsidie
betreft: binnen tweeëntwintig weken na afloop van het boekjaar
waarvoor de instellingssubsidie wordt aangevraagd.
2. Deartikelen 18, eerste en tweede lid, 22 en
23 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie,
bedoeld in artikel 8, onderdeel a, bestaat in ieder geval uit:
a. een activiteitenverslag, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is,
en
b. een financieel verslag, tenzij deze voor
de berekening van het bedrag van de subsidie niet van belang is.
Artikel 53
Het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 52:
a. behelst een overzicht van de
gerealiseerde activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd,
b. beschrijft de aard, omvang, duur en wijze
van uitvoering van de gerealiseerde activiteiten waarvoor subsidie
wordt aangevraagd en
c. beschrijft de met de activiteiten
gerealiseerde doelstellingen.
Artikel 54
1. Het financieel verslag, bedoeld in artikel
52, geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als
aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een
verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de kosten en
opbrengsten per gerealiseerde activiteit en geeft de nodige
informatie om de subsidie vast te stellen.
2. Het financieel verslag, bedoeld in artikel
52, is per post voorzien van een toelichting.
Artikel 55
1. De minister besluit binnen dertien weken na
ontvangst van de aanvraag over de vaststelling van de subsidie,
bedoeld in artikel 8, onderdeel a.
2. De subsidie, bedoeld in artikel 8,
onderdeel a, wordt vastgesteld op een door de minister te bepalen
bedrag dat in het besluit tot vaststelling wordt genoemd.
3. Artikel 25, tweede tot en met vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56
De minister betaalt het bedrag van de subsidie,
bedoeld in artikel 8, onderdeel a, in één keer.
Artikel 57
1. De ontvanger van een subsidie als bedoeld
in artikel 8, onderdeel b, c, d, e of f, dient een aanvraag tot
vaststelling van de subsidie in:
a. indien het een projectsubsidie betreft:
binnen tweeëntwintig weken na afloop van de periode waarvoor de
projectsubsidie is verleend;
b. indien het een instellingssubsidie
betreft: binnen tweeëntwintig weken na afloop van het boekjaar
waarvoor de instellingssubsidie is verleend.
2. De minister kan vrijstelling en ontheffing
verlenen van de termijnen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 58
1. In de aanvraag tot vaststelling van de
subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel b of c, toont de
subsidieontvanger op de bij het besluit tot verlening van de
subsidie bepaalde wijze aan dat:
a. de activiteiten zijn verricht waarvoor
de subsidie is verleend en
b. voldaan is aan de verplichtingen die
verbonden zijn aan de verleende subsidie.
2. Indien de subsidie, bedoeld in artikel 8,
onderdeel b, € 125.000 of meer bedraagt, gaat de aanvraag tot
vaststelling vergezeld van:
a. een assurancerapport van een accountant
dat is opgesteld overeenkomstig een door de minister vastgesteld
model met inachtneming van een door de minister vastgesteld
protocol;
b. een rapport van feitelijke bevindingen
omtrent de naleving van de aan de subsidie verbonden
verplichtingen door de subsidieontvanger, opgesteld door een
accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model
met inachtneming van een door de minister vastgesteld protocol.
Artikel 59
De subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel b,
wordt vastgesteld op een bedrag per gerealiseerde prestatie-eenheid
waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd, voor
ten hoogste het maximum aantal subsidiabele prestatie-eenheden dat
door de minister bij de verlening is genoemd.
Artikel 60
Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is
verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de
verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de
subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, vastgesteld op het bedrag
waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.
Artikel 61
1. De aanvraag tot vaststelling van de
subsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel d, bestaat uit een
verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten.
2. Een verklaring inzake werkelijke kosten en
opbrengsten bestaat uit:
a. een verklaring dat de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht, welke
verklaring is voorzien van een korte toelichting,
b. een verklaring dat is voldaan aan de
verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie,
c. een opgave van de totale werkelijke
kosten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend en
die werkelijk zijn verricht, en
d. een opgave van de totale werkelijke
bijdragen van derden van de activiteiten waarvoor de subsidie is
verleend en die werkelijk zijn verricht.
Artikel 62
1. De subsidie, bedoeld in artikel 8,
onderdeel d, wordt vastgesteld op een bedrag dat bestaat uit de
totale werkelijke kosten verminderd met de totale werkelijke
bijdragen van derden en de begrote eigen bijdrage, maar dat niet
hoger is dan het maximum dat door de minister bij de verlening is
genoemd.
2. Voor het vaststellen van de subsidie,
bedoeld in artikel 8, onderdeel d, worden uitsluitend in aanmerking
genomen de kosten en bijdragen van derden met betrekking tot
activiteiten waarvoor de subsidie is verleend en die werkelijk zijn
verricht.
Artikel 63
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie,
bedoeld in artikel 8, onderdeel e of f, bestaat in ieder geval uit een
activiteitenverslag en een financieel verslag.
Artikel 64
Het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 63:
a. beschrijft de aard, omvang, duur en wijze
van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie werd
verleend,
b. bevat een vergelijking van de verrichte
activiteiten met de in het activiteitenplan voorgenomen
activiteiten en een toelichting op de verschillen,
c. bevat een vergelijking van de
nagestreefde doelstellingen met de gerealiseerde doelstellingen en
een toelichting op de verschillen en
d. beschrijft in hoeverre is voldaan aan de
aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 65
1. Het financieel verslag, bedoeld in artikel
63, geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als
aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een
verantwoord oordeel kan worden gevormd over de besteding van de
subsidie door de subsidieontvanger en geeft de nodige informatie om
de subsidie vast te stellen.
2. Het financieel verslag, bedoeld in artikel
63, sluit aan op de indeling van de begroting op basis waarvan de
subsidie is verleend. Een verschil tussen het financieel verslag en
de begroting van 20% van een afzonderlijke begrotingspost wordt
toegelicht, tenzij het verschil lager is dan€ 25.000.
Artikel 66
1. De subsidieontvanger doet het financieel
verslag, bedoeld in artikel 63, vergezellen van een
controleverklaring van een accountant, opgesteld overeenkomstig een
door de minister vastgestelde model met inachtneming van een door de
minister vastgesteld protocol.
2. Het financieel verslag, bedoeld in artikel
63, gaat vergezeld van een rapport van feitelijke bevindingen
omtrent de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen
door de subsidieontvanger, opgesteld door een accountant
overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met
inachtneming van een door de minister vastgesteld protocol.
Artikel 67
Op verzoek van de minister legt de ontvanger van
de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel f, in
aanvulling op de aanvraag tot vaststelling van de instellingssubsidie
een jaarrekening over.
Artikel 68
1. De projectsubsidie, bedoeld in artikel 8,
onderdeel e, wordt vastgesteld op een bedrag dat bestaat uit de
werkelijke kosten verminderd met de werkelijke bijdragen van derden
en de begrote eigen bijdrage, maar dat niet hoger is dan het maximum
dat door de minister bij de verlening is genoemd.
2. Voor het vaststellen van de
projectsubsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel e, worden
uitsluitend in aanmerking genomen de kosten en de bijdragen van
derden met betrekking tot activiteiten waarvoor de projectsubsidie
is verleend en die werkelijk zijn verricht.
Artikel 69
Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is
verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de
verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de
instellingssubsidie, bedoeld in artikel 8, onderdeel f, vastgesteld op
een bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is
genoemd verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal
toegestane toevoeging aan de egalisatiereserve.
Artikel 70
Binnen tweeëntwintig weken na ontvangst van de
aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 8,
onderdeel b, c, d, e of f, neemt de minister een besluit op de
aanvraag.
Paragraaf 9. Slotbepalingen
Artikel 71
De minister kan een of meer bepalingen van deze
regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover
toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt
te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 72
1. De Subsidieregeling VWS-subsidies wordt
ingetrokken.
2. De door de ontvanger van een
instellingssubsidie als bedoeld in artikel 8, onderdeel f, op grond
van artikel 30, derde lid, van de Subsidieregeling VWS-subsidies
opgebouwde egalisatiereserve wordt toegevoegd aan de
egalisatiereserve.
3. De Subsidieregeling VWS-subsidies blijft
van toepassing op:
a. aanvragen van projectsubsidies op grond
van de Subsidieregeling VWS-subsidies die vóór 1 juli 2011
zijn ontvangen ten behoeve van activiteiten die vóór 1 oktober
2011 aanvangen alsmede op aanvragen van projectsubsidies uit
hoofde van het ‘Beleidskader Sport en Bewegen in de Buurt
2011: uitrol interventies’ en het ‘Beleidskader Sport en
Bewegen in de Buurt: private interventies’;
b. subsidies die vóór de
inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend op grond van de
Subsidieregeling VWS-subsidies, met dien verstande dat, in
afwijking van artikel 30, derde lid, tweede volzin, van de
Subsidieregeling VWS-subsidies, de egalisatiereserve die door de
ontvanger van een instellingssubsidie anders dan bedoeld in
artikel 8, onderdeel f, op grond van artikel 30, derde lid, van
de Subsidieregeling VWS-subsidies is opgebouwd, bij de
vaststelling in mindering kan worden gebracht;
c. subsidies die voor de inwerkingtreding
van deze regeling zijn vastgesteld op grond van de
Subsidieregeling VWS-subsidies.
Artikel 73
Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2011.
Artikel 74
Deze regeling wordt aangehaald als:
Kaderregeling VWS-subsidies.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
E.I. Schippers.
|
|
|