| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kernenergiewet (KEW)
BESLUIT
IN-, UIT- EN DOORVOER VAN
RADIOACTIEVE AFVALSTOFFEN
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2009
Vervallen
m.i.v. 15 april 2009
|
|
|
BESLUIT van 17 november 1993, houdende regels inzake in-, uit- en
doorvoer van radioactieve stoffen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 9 februari 1993, nr. MJZ09293021, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling wetgeving, gedaan mede namens Onze
Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Gelet op de Richtlijn nr. 92/3/Euratom van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op
overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen Lid-Staten en naar en
vanuit de Gemeenschap (PbEG L 35) en op artikel 67 van de
Kernenergiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 8 juli 1993, nr. W08.93.0096);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 november 1993, nr.
MJZ09n93001, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling wetgeving,
uitgebracht mede namens Onze Ministers van Economische Zaken en van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de Staatssecretaris van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Kernenergiewet;
b. lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie;
c. radioactieve afvalstof: hetgeen daaronder wordt verstaan in
artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, of een
splijtstof of erts bevattende afvalstof als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en
ertsen;
d. ingekapselde bron: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, met dien
verstande dat onder radioactieve stoffen mede wordt verstaan:
splijtstoffen;
e. binnen Nederlands grondgebied brengen: het anders dan ter
voldoening aan een tot vervoer strekkende overeenkomst binnen
Nederlands grondgebied brengen en het binnen Nederlands grondgebied
doen brengen;
f. buiten Nederlands grondgebied brengen: het anders dan ter
voldoening aan een tot vervoer strekkende overeenkomst buiten
Nederlands grondgebied brengen en het buiten Nederlands grondgebied
doen brengen;
g. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
h. Onze andere Ministers: Onze Ministers wie het mede aangaat;
i. het document: het door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen opgestelde document ter uitvoering van de Richtlijn
nr. 92/3/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3
februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van
radioactieve afvalstoffen tussen Lid-Staten en naar en vanuit de
Gemeenschap (PbEG L 35);
j. definitieve bestemming: een bestemming om blijvend te worden
opgeslagen op of in de bodem, te worden vernietigd of om te worden
bewerkt.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op het binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen van ingekapselde bronnen, voor zover deze:
a. geen splijtbaar materiaal bevatten, en
b. worden teruggezonden naar degene die de bron heeft geleverd.
Artikel 3
Voor zover voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen
van radioactieve afvalstoffen geen vergunning benodigd is als bedoeld in
artikel 15, onder a, of 29 van de wet, is die verrichting zonder
vergunning van Onze Minister verboden.
Artikel 4
1. Degene aan wie een vergunning is verleend ten behoeve van
het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve
afvalstoffen draagt er zorg voor dat tijdens het vervoer van die
afvalstoffen het ingevulde en van de vereiste bijlagen voorziene
document aanwezig is.
2. Degene die de radioactieve afvalstoffen in Nederland in
ontvangst neemt, is verplicht uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst
daarvan mededeling te doen aan Onze Minister met gebruikmaking van het
document.
3. Onze Minister zendt onverwijld een afschrift van de
mededeling, bedoeld in het tweede lid, aan het bevoegd gezag van de
betrokken lidstaten.
4. Degene aan wie een vergunning is verleend ten behoeve van het
buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen naar
een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten
de Europese Unie draagt er zorg voor:
a. dat hij van degene die deze afvalstoffen aldaar in ontvangst
neemt onverwijld een bericht van ontvangst krijgt onder vermelding van
het douanekantoor van binnenkomst;
b. dat hij binnen twee weken na aankomst van de radioactieve
afvalstoffen op de plaats van de definitieve bestemming Onze Minister
daarvan in kennis stelt onder vermelding van het douanekantoor van
waar de radioactieve afvalstoffen buiten de Europese Unie zijn
gebracht en onder bijvoeging van het onder a bedoelde bericht
van ontvangst.
5. Onze Minister zendt degene aan wie een vergunning is verleend
ten behoeve van het buiten Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen naar een definitieve bestemming binnen het
grondgebied van een andere lidstaat onverwijld een afschrift van het
door hem ontvangen bericht van ontvangst van het bevoegd gezag van die
lidstaat.
Artikel 5
Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15,
onder a, en 29 van de wet en artikel 3 ten behoeve van het binnen of
buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen
wordt beschikt uiterlijk:
a. binnen zes maanden na de datum waarop het document door Onze
Minister is gedagtekend in de gevallen waarin goedkeuring is
gevraagd aan het bevoegd gezag van een andere lidstaat;
b. binnen vier maanden na de datum waarop het document door Onze
Minister is gedagtekend in de gevallen waarin geen goedkeuring is
gevraagd aan het bevoegd gezag van een andere lidstaat.
Artikel 6
1. Indien een aanvraag betrekking heeft op het meer dan één
keer binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve
afvalstoffen kan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a,
of 29 van de wet of artikel 3 worden verleend voor meerdere keren,
indien:
a. de betrokken radioactieve afvalstoffen in wezen dezelfde
fysische, chemische en radioactieve kenmerken vertonen;
b. de betrokken radioactieve afvalstoffen steeds dezelfde
geadresseerde hebben, en
c. voor zover het binnen Nederlands grondgebied brengen plaats
vindt van buiten de Europese Unie, dit steeds geschiedt langs
hetzelfde eerste aangewezen kantoor als bedoeld in de artikelen 26,
tweede lid, en 29, tweede lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen,
ertsen en radioactieve stoffen.
2. Een vergunning voor het meer dan één keer binnen of buiten
Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen wordt voor
ten hoogste drie jaren verleend.
Hoofdstuk 2. Het van buiten de Europese Unie binnen Nederland brengen
van radioactieve afvalstoffen met een definitieve bestemming binnen een
andere lidstaat, alsmede het vanuit een andere lidstaat binnen Nederland
brengen van radioactieve afvalstoffen met een definitieve bestemming
binnen Nederland, een derde lidstaat of een Staat buiten de Europese
Unie
Artikel 7
1. Onze Minister beslist uiterlijk negen weken na de datum
waarop van het bevoegd gezag van een andere lidstaat een verzoek is
ontvangen om goedkeuring te verlenen aan de aanvraag om:
a. radioactieve afvalstoffen die afkomstig zijn van een Staat
buiten de Europese Unie te brengen:
1°. naar een definitieve bestemming binnen zijn grondgebied via
Nederlands grondgebied,
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van
een andere Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied,
of om
b. vanuit zijn grondgebied radioactieve afvalstoffen te brengen:
1°. naar een definitieve bestemming binnen Nederlands
grondgebied;
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van
een derde lidstaat via Nederlands grondgebied;
3°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van
een Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met
gebruikmaking van het document.
3. Indien Onze Minister het noodzakelijk acht dat de opslag van
de radioactieve afvalstoffen in verband met het vervoer naar een
definitieve bestemming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b,
2° en 3°, plaatsvindt door een door Onze Minister en Onze andere
Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, doet hij
daarvan onverwijld mededeling aan:
a. het bevoegd gezag van de lidstaat dat om goedkeuring heeft
verzocht;
b. de ophaaldienst;
c. degene op wiens aanvraag het verzoek om goedkeuring betrekking
heeft.
4. Indien Onze Minister uiterlijk zeven weken na de datum,
bedoeld in het eerste lid, uitstel heeft gevraagd, beslist Onze Minister
in afwijking van het eerste lid uiterlijk dertien weken na die datum.
5. Onze Minister zendt onverwijld een exemplaar van een verzoek
als bedoeld in het eerste lid, van zijn mededeling, bedoeld in het derde
lid, onder a, en van zijn verzoek om uitstel aan Onze andere
Ministers.
6. Onze Minister deelt met gebruikmaking van het document zijn
beslissing omtrent een verzoek als bedoeld in het eerste lid onverwijld
mee aan het bevoegd gezag van de lidstaat, dat om goedkeuring heeft
verzocht. Hij deelt zijn beslissing onverwijld mee aan Onze andere
Ministers en, voor zover dit van toepassing is, aan degene die
voornemens is de radioactieve afvalstoffen in ontvangst te nemen en aan
de ophaaldienst.
Artikel 8
1. Voor zover het vervoeren van splijtstoffen, ertsen of
radioactieve stoffen zonder vergunning bij of krachtens de wet is
verboden, weigert Onze Minister een goedkeuring voor een verrichting
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien het vervoeren van de
radioactieve afvalstoffen of het voorhanden hebben van die stoffen bij
opslag in verband met het vervoer, door degene die die afvalstoffen
binnen Nederlands grondgebied brengt of aan wie zij worden afgegeven,
niet kan geschieden overeenkomstig de bij of krachtens het Besluit
vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen gestelde regels.
2. Onze Minister weigert voorts een goedkeuring voor een
verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°,
indien:
a. het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen of
het zich ontdoen door afgifte van de radioactieve afvalstoffen niet
kan plaatsvinden overeenkomstig de bij of krachtens de wet gestelde
regels, of
b. geen verklaring kan worden overgelegd van een door Onze Minister
en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve
afvalstoffen, waarbij deze zich bereid toont de betrokken radioactieve
afvalstoffen in ontvangst te nemen.
3. Onze Minister weigert een goedkeuring voor een verrichting als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien het vervoerstraject onnodige
risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
4. Onze Minister kan een goedkeuring voor een verrichting als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°, weigeren, indien
het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen, het zich
ontdoen door afgifte, of het voorhanden hebben van de radioactieve
afvalstoffen bij opslag in verband met het vervoer anderszins in strijd
zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
5. Onze Minister kan een goedkeuring voor een verrichting als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a en b, 2° en
3°, weigeren op de grond als bedoeld in het tweede lid, onder b.
Artikel 9
1. Indien Onze Minister de goedkeuring voor een verrichting als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet weigert, verleent hij de
goedkeuring in ieder geval onder de voorwaarde dat de vergunning,
bedoeld in artikel 15, onder a, of 29 van de wet of artikel 3, wordt
verleend.
2. Indien Onze Minister de goedkeuring verleent, waarmerkt hij
een afschrift van het document dat hij zendt naar het bevoegd gezag van
de lidstaat, dat goedkeuring heeft verzocht, als de aanvraag om een
vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, of 29 van de wet of
artikel 3. Hij tekent op het afschrift de datum aan waarop hij de
goedkeuring voorwaardelijk heeft verleend. De aanvraag wordt geacht te
zijn ingediend op vorenbedoelde datum.
3. Onze Minister doet ingeval van een goedkeuring de mededeling
aan het bevoegd gezag van de lidstaat, dat goedkeuring heeft verzocht,
vergezeld gaan van:
a. een afschrift van het eerste blad van de gewaarmerkte aanvraag
om de vergunning, bedoeld in artikel 15, onder a, of 29 van de wet of
artikel 3;
b. informatie over de betrokken vergunning.
4. Onze Minister doet tegelijkertijd bij de mededeling als
bedoeld in het derde lid aan degene op wiens aanvraag de goedkeuring
betrekking heeft, een opgave van gegevens die in aanvulling op het
document binnen de daarbij aangegeven termijn nog moeten worden
verstrekt.
5. Onze Minister zendt onverwijld een afschrift van het eerste
blad van de gewaarmerkte aanvraag aan Onze andere Ministers.
6. Indien het verzoek om goedkeuring betrekking heeft op een
verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°, en de
betrokken radioactieve afvalstoffen binnen Nederland worden bewerkt,
weigert Onze Minister de goedkeuring indien geen verklaring wordt
overgelegd, dat degene die voornemens is deze radioactieve afvalstoffen
vanuit de lidstaat binnen Nederlands grondgebied te brengen deze na
bewerking terugneemt en dat het bevoegd gezag van de lidstaat daaraan
zijn medewerking verleent.
Artikel 10
1. Onze Minister trekt zijn goedkeuring onverwijld in, indien
de vergunning, bedoeld in artikel 15, onder a, of 29 van de wet of
artikel 3, is geweigerd of vernietigd.
2. Artikel 7, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. Op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 15, onder
a, of 29 van de wet voor het brengen van splijtstoffen en ertsen
onderscheidenlijk radioactieve stoffen:
a. vanuit een andere lidstaat naar een definitieve bestemming:
1°. binnen Nederlands grondgebied,
2°. binnen een derde lidstaat, of
3°. binnen een Staat buiten de Europese Unie, of,
b. afkomstig van een Staat buiten de Europese Unie met een
definitieve bestemming binnen een andere lidstaat, wordt door Onze
Minister en Onze andere Ministers, in ieder geval afwijzend beschikt
indien naar hun oordeel de betrokken splijtstoffen, ertsen of
radioactieve stoffen moeten worden beschouwd als radioactieve
afvalstoffen en
1°. met betrekking tot die verrichting geen verzoek om
goedkeuring is gedaan door het bevoegd gezag van de betrokken
lidstaat, of
2°. met betrekking tot die verrichting geen goedkeuring is
verleend als bedoeld in artikel 9.
2. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de
afwijzende beschikking krachtens het eerste lid onverwijld mede aan de
aanvrager en aan het bevoegd gezag van de betrokken lidstaat.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op een vergunning krachtens artikel 3.
Hoofdstuk 3. Het binnen Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen afkomstig van een Staat buiten de Europese
Unie, die een definitieve bestemming hebben binnen Nederlands
grondgebied of die via Nederlands grondgebied binnen de Europese Unie
worden gebracht op weg naar een definitieve bestemming binnen het
grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie
3.1 Algemene voorschriften
Artikel 12
1. Degene die voornemens is radioactieve afvalstoffen afkomstig
van een Staat buiten de Europese Unie en met een definitieve
bestemming binnen Nederlands grondgebied in ontvangst te nemen, is
verplicht met gebruikmaking van het document een vergunning aan te
vragen als bedoeld in artikel 15, onder a, of 29 van de wet of als
bedoeld in artikel 3 ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied
brengen van die radioactieve afvalstoffen.
2. Degene die voornemens is vanuit het grondgebied van een Staat
buiten de Europese Unie radioactieve afvalstoffen op weg naar een
definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de
Europese Unie via Nederlands grondgebied binnen de Europese Unie te
brengen, is verplicht bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in
artikel 15, onder a, of 29 van de wet, of als bedoeld in artikel 3
gebruik te maken van het document.
3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, doet zijn aanvraag
vergezeld gaan van een ondertekende verklaring van degene die de
radioactieve afvalstoffen buiten het grondgebied van een Staat buiten de
Europese Unie brengt dat hij de betrokken radioactieve afvalstoffen zal
terugnemen indien deze niet binnen het grondgebied van Nederland of van
een lidstaat kunnen worden gebracht.
4. De persoon, bedoeld in het tweede lid, doet zijn aanvraag
vergezeld gaan van een door hem ondertekende verklaring dat hij de
betrokken radioactieve afvalstoffen zal terugnemen indien deze niet
binnen het grondgebied van Nederland, van een lidstaat of van de
betrokken Staat buiten de Europese Unie kunnen worden gebracht.
5. Het document, bedoeld in het eerste en tweede lid, is op
aanvraag verkrijgbaar bij Onze Minister.
6. Onze Minister kan in aanvulling op het document de persoon,
bedoeld in het eerste en tweede lid, verzoeken binnen een door hem te
stellen termijn nadere gegevens te verstrekken.
7. Onze Minister zendt een exemplaar van een aanvraag als bedoeld
in het eerste en tweede lid onverwijld na de datum waarop de aanvraag is
ontvangen aan Onze andere Ministers.
Artikel 13
1. Onze Minister tekent, indien het document, bedoeld in
artikel 12, eerste of tweede lid, volledig en juist is ingevuld en
voorzien is van de vereiste bijlagen, de datum van ontvangst aan op
het eerste blad van het document.
2. Onze Minister zendt een afschrift van het eerste blad van het
gedagtekende document onverwijld aan Onze andere Ministers.
Artikel 14
1. Indien uit het document, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
blijkt:
a. dat de radioactieve afvalstoffen, bedoeld in artikel 12, eerste
lid, via het grondgebied van één of meer andere lidstaten binnen
Nederlands grondgebied worden gebracht, of
b. dat de radioactieve afvalstoffen, bedoeld in artikel 12, tweede
lid, via het grondgebied van één of meer andere lidstaten buiten de
Europese Unie worden gebracht,
verzoekt Onze Minister onverwijld na de dagtekening van het document
het bevoegd gezag van die lidstaat of lidstaten onder toezending van het
document de daarin opgenomen aanvraag binnen negen weken na ontvangst
goed te keuren.
2. Onze Minister doet die toezending vergezeld gaan van
informatie omtrent de betrokken vergunning en de daarbij te volgen
procedure.
3. Onze Minister doet de aanvrager en Onze andere Ministers
onverwijld mededeling van het verzoek of de verzoeken om goedkeuring.
Artikel 15
1. Onze Minister verlengt op verzoek van het bevoegd gezag van
een lidstaat, waaraan goedkeuring is gevraagd, de termijn van negen
weken met ten hoogste vier weken.
2. Onze Minister doet de aanvrager en Onze andere Ministers
onverwijld mededeling van de verlenging.
Artikel 16
Onverminderd de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 20, eerste en
tweede lid, wordt op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de
artikelen 15, onder a, en 29 van de wet en in artikel 3 ten behoeve van
het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen
als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, niet beslist, zolang de
lidstaten aan wie goedkeuring is gevraagd die goedkeuring niet hebben
gegeven binnen de daarvoor gestelde termijn.
Artikel 17
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend
op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder
a, en 29 van de wet ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied
brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12,
eerste of tweede lid:
a. uiterlijk twee weken na de datum waarop de weigering van het
bevoegd gezag van één van de lidstaten aan wie goedkeuring is
gevraagd is ontvangen;
b. ingeval door het bevoegd gezag van een lidstaat geen beslissing
is genomen omtrent de goedkeuring uiterlijk acht weken na het
verstrijken van de datum waarop die beslissing uiterlijk had moeten
zijn genomen.
2. Het eerste lid, onder b, is uitsluitend van toepassing indien
de betrokken lidstaat voor 1 januari 1994 de Commissie van de Europese
Gemeenschappen heeft medegedeeld dat aan het door hem niet binnen de
voor goedkeuring gestelde termijn beslissen niet het gevolg kan worden
verbonden van een stilzwijgende goedkeuring.
3. Onze Minister stelt de Commissie onverwijld op de hoogte van
een afwijzende beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b.
4. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de
beschikking op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de
artikelen 15, onder a, en 29 van de wet ten behoeve van de verrichting,
bedoeld in het eerste lid, onverwijld mede aan:
a. de persoon, bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid;
b. het bevoegd gezag van de betrokken Staat of Staten buiten de
Europese Unie, en
c. de lidstaten aan wie goedkeuring is verzocht.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3
ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede
lid.
Artikel 18
1. De aanvraag om een vergunning krachtens artikel 15, onder a,
van de wet of krachtens artikel 29 van de wet voor het vanuit het
grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie binnen Nederlands
grondgebied brengen van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen,
die:
a. bestemd zijn om binnen Nederland te blijven, of
b. een definitieve bestemming hebben binnen het grondgebied van een
Staat buiten de Europese Unie,
wordt, indien de betrokken splijtstoffen, ertsen of radioactieve
stoffen als radioactieve afvalstoffen moeten worden beschouwd, gedaan
met gebruikmaking van het document.
2. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt door Onze
Minister, namens Onze andere Ministers, onverwijld nadat de aanvraag is
aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
verstreken, aan de aanvrager bekendgemaakt. De bekendmaking gaat
vergezeld van het document, onder verwijzing naar in ieder geval de
artikelen 12 tot en met 17.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op een vergunning krachtens artikel 3.
3.2 Een definitieve bestemming binnen Nederlands grondgebied
Artikel 19
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend
op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder
a, en 29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied
brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12,
eerste lid, indien:
a. geen verklaring kan worden overgelegd van een door Onze Minister
en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve
afvalstoffen, waarbij deze zich bereid toont de betrokken radioactieve
afvalstoffen in ontvangst te nemen, of
b. indien het vervoer door of over een gebied gaat als bedoeld in
artikel 20, eerste lid, onder a, b of c.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op
de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder a,
en 29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied
brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, eerste
lid, indien:
a. het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare
veiligheid of het milieu meebrengt, of
b. het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen of
het zich ontdoen door afgifte, van de betrokken radioactieve
afvalstoffen anderszins in strijd zou zijn met het belang van de
bescherming van het milieu.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de
afwijzende beschikking onverwijld mede aan:
a. de persoon bedoeld in artikel 12, eerste lid;
b. het bevoegd gezag van de Staat buiten de Europese Unie, die aan
het begin staat van het traject dat zou leiden tot het binnen
Nederlands grondgebied brengen van de betrokken radioactieve
afvalstoffen, en
c. het bevoegd gezag van de lidstaten, aan wie goedkeuring is
verzocht.
4. Onze Minister trekt na een afwijzende beschikking op grond van
het eerste of tweede lid het verzoek om goedkeuring in. Hij deelt dat
aan het bevoegd gezag van de lidstaten, aan wie goedkeuring is verzocht,
mee gelijktijdig bij de mededeling van de afwijzende beschikking.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3
ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, eerste lid.
3.3 Een definitieve bestemming buiten de Europese Unie
Artikel 20
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend
op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder
a, en 29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied
brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12,
tweede lid, indien:
a. het vervoer door of over een gebied gaat ten zuiden van 60°
zuiderbreedte, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming
hebben in dit gebied,
b. het vervoer door of over het grondgebied gaat van een Staat
buiten de Europese Unie en die Staat partij is bij de Vierde
ACS-EEG-Overeenkomst, dan wel de radioactieve afvalstoffen een
bestemming hebben binnen het grondgebied van zo'n Staat, of
c. het vervoer door of over of het grondgebied gaat van een Staat
buiten de Europese Unie en die Staat volgens de door de Commissie van
de Europese Gemeenschappen vastgestelde criteria niet beschikt over de
technische, wettelijke of bestuurlijke middelen om de radioactieve
afvalstoffen veilig te beheren, dan wel de radioactieve afvalstoffen
een bestemming hebben binnen het grondgebied van zo'n Staat, of
d. Onze Minister de tijdelijke opslag in verband met het vervoer
van de betrokken radioactieve afvalstoffen door een door Onze Minister
en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve
afvalstoffen noodzakelijk acht en geen erkende ophaaldienst bereid is
de betrokken radioactieve afvalstoffen tijdelijk in ontvangst te
nemen, of
e. de opslag in verband met het vervoer door degene die de
betrokken radioactieve afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied
brengt of aan wie zij worden afgegeven, niet kan geschieden
overeenkomstig een vergunning, die geldt krachtens artikel 15, onder
a, of 29 van de wet.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op
de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikelen 15, onder a, en
29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen
van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid,
indien het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid
of het milieu meebrengt.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de
afwijzende beschikking onverwijld mede aan:
a. de persoon, bedoeld in artikel 12, tweede lid;
b. het bevoegd gezag van de betrokken Staat of Staten buiten de
Europese Unie, en
c. het bevoegd gezag van de lidstaten, aan wie goedkeuring is
verzocht of aan wie blijkens de aanvraag goedkeuring zou zijn
gevraagd, indien niet op grond van het eerste of tweede lid zou zijn
geweigerd.
4. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3
ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid.
Hoofdstuk 4. Het buiten Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen die uit Nederland afkomstig zijn of binnen
Nederlands grondgebied zijn gebracht met het oog op bewerking
4.1 Algemene voorschriften
Artikel 21
1. Indien de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel
15, onder a , van de wet voor het buiten Nederlands grondgebied
brengen van splijtstoffen en ertsen, die uit Nederland afkomstig zijn
of binnen Nederlands grondgebied zijn gebracht met het oog op
bewerking, niet vergezeld gaat van een schriftelijke verklaring van
degene voor wie de splijtstoffen en ertsen bestemd zijn dat deze door
hem voor verder gebruik worden aangewend, worden door Onze Minister en
Onze andere Ministers de splijtstoffen en ertsen waarop de aanvraag
betrekking heeft, aangemerkt als radioactieve afvalstoffen.
2. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder
a , van de wet of als bedoeld in artikel 3 voor het buiten
Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen, die uit
Nederland afkomstig zijn of binnen Nederlands grondgebied zijn gebracht
met het oog op bewerking, wordt gedaan met gebruikmaking van het
document.
3. Het document, bedoeld in het tweede lid, is op aanvraag
verkrijgbaar bij Onze Minister.
4. De aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 23
Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a
, van de wet of artikel 3 voor het buiten Nederlands grondgebied brengen
van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid,
zijn de artikelen 12, zesde lid, en 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Indien uit het document blijkt dat:
a. de radioactieve afvalstoffen alvorens zij hun definitieve
bestemming binnen het grondgebied van een lidstaat bereiken binnen
het grondgebied van één of meer andere lidstaten moeten worden
gebracht, of
b. de radioactieve afvalstoffen alvorens zij hun definitieve
bestemming buiten de Europese Unie bereiken binnen het grondgebied
van één of meer lidstaten moeten worden gebracht,
verzoekt Onze Minister onverwijld na de dagtekening van het document
het bevoegd gezag van de lidstaat of de lidstaten onder toezending van
het gedagtekende document de aanvraag binnen negen weken na ontvangst
goed te keuren.
Artikel 25
Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a,
van de wet of artikel 3 voor het buiten Nederlands grondgebied brengen
van de in artikel 21, tweede lid, bedoelde radioactieve afvalstoffen
naar:
1°. een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een
lidstaat, of
2°. een definitieve bestemming buiten de Europese Unie maar door
of over het grondgebied van een lidstaat,
zijn de artikelen 14, tweede en derde lid, 15, 16 en 17 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het niet beslissen
zolang een lidstaat aan wie goedkeuring is gevraagd geen betrekking
heeft op een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, of 29,
eerste, tweede of derde lid.
4.2 Het buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve
afvalstoffen die uit Nederland afkomstig zijn naar een definitieve
bestemming binnen een lidstaat
Artikel 26
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend
op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a
, van de wet, ten behoeve van het buiten Nederlands grondgebied
brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21,
tweede lid, naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van
een lidstaat indien het vervoerstraject onnodige risico's voor de
openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
2. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de
afwijzende beschikking onverwijld mede aan degene die voornemens is de
radioactieve afvalstoffen, bedoeld in artikel 21, tweede lid, buiten het
Nederlands grondgebied te brengen en aan het bevoegd gezag van de
lidstaat of lidstaten waaraan goedkeuring is verzocht. Hij kan daarbij
het verzoek om goedkeuring intrekken.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3 ten behoeve
van het buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve
afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, naar een definitieve
bestemming binnen het grondgebied van een lidstaat.
4.3 Het buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve
afvalstoffen die uit Nederland afkomstig zijn naar een definitieve
bestemming binnen een Staat buiten de Europese Unie
Artikel 27
1. Onze Minister zendt een afschrift van het document, waarin
de aanvraag is opgenomen voor het buiten Nederlands grondgebied
brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21,
tweede lid, naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van
een Staat buiten de Europese Unie onverwijld na de dagtekening van het
document naar het bevoegd gezag van die Staat.
2. Onze Minister nodigt het bevoegd gezag van die Staat uit zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negen weken na ontvangst van het
aanvraagformulier zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Artikel 28
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend
op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a
, van de wet, voor het buiten Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, naar
een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten
de Europese Unie indien:
a. zich één van de omstandigheden voordoet als bedoeld in artikel
20, eerste lid, onder a, b of c, of
b. het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare
veiligheid of het milieu meebrengt.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers kunnen op een aanvraag
om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a , van de
wet, ten behoeve van een verrichting als bedoeld in het eerste lid
afwijzend beschikken, indien:
a. aan hem niet wordt overgelegd een afschrift van de overeenkomst
met degene door wie deze afvalstoffen in ontvangst zullen worden
genomen, of
b. hij redelijkerwijs kan aannemen dat de voorgenomen wijze van
opslag of vernietiging van de betrokken radioactieve afvalstoffen in
strijd zal zijn met het belang van de bescherming van het milieu, of
c. de opmerkingen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, daartoe
aanleiding geven.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de
afwijzende beschikking terstond mede aan de aanvrager en het bevoegd
gezag van de betrokken Staten. Hij kan daarbij het verzoek om
goedkeuring intrekken.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3
ten behoeve van het buiten Nederlands grondgebied brengen van
radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, naar
een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten
de Europese Unie.
Hoofdstuk 5. Slotbepaling
Artikel 29
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Artikel 30
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit in-, uit- en doorvoer van
radioactieve afvalstoffen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 november 1993
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer,
J.G.M. Alders
De Minister van Economische Zaken,
J.E. Andriessen
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de negende december 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|