|
BESLUIT van 4 september 1969 tot uitvoering van de
artikelen 16, 17, 19, eerste lid, en 21 van de Kernenergiewet
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken
en Volksgezondheid van 8 mei 1968, nr. 668/372 W.J.A., gedaan in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Centrale
Raad voor de Kernenergie gehoord;
Gelet op de artikelen 16, 17, 19, eerste lid,
21, 26, 73 en 76, eerste lid, van de Kernenergiewet (Stb. 1963,
82);
De Raad van State gehoord (advies van 10 juli
1968, nr. 42);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Volksgezondheid van 3 september 1969, nr. 669/609 W.J.A., uitgebracht in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bron
splijtstof of erts;
buiten-ontwerpongeval
ongeval waarvan de kans dat het zich
voordoet geringer is dan elk van de gepostuleerde
begin-gebeurtenissen en waarbij niet is uit te sluiten dat door het
vrijkomen van splijtstoffen of radioactieve stoffen de bij artikel
18 vastgestelde limietwaarden voor de gepostuleerde
begin-gebeurtenissen worden overschreden;
gehalte
massagehalte van de elementen
uranium, thorium en plutonium in splijtstoffen;
gepostuleerde begin-gebeurtenissen
redelijkerwijs mogelijk te achten
voorvallen die bij juist functioneren van de daartoe speciaal
ontworpen veiligheidssystemen tot voorzienbare bedrijfsgevolgen of
ongevalsomstandigheden leiden die een besmetting of een
blootstelling van de omgeving kunnen veroorzaken;
gevaarlijke stoffen
gevaarlijke stoffen als bedoeld in
artikel 1, onder b, van het Besluit risico’s zware ongevallen
1999;
handeling
handeling als genoemd in artikel 15
van de wet, niet zijnde het vervoeren van, het voorhanden hebben bij
opslag in verband met vervoer, of het binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen,
uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische
noodsituatie;
hoogactieve bron
ingekapselde bron die een splijtstof
bevat waarvan de activiteit op het tijdstip waarop de bron is
gefabriceerd, of indien dat niet bekend is, voor het eerst op de
markt wordt gebracht, gelijk is aan of hoger is dan het
desbetreffende activiteitsniveau in bijlage 5 bij het Besluit
stralingsbescherming, zolang de activiteit van dat radionuclide niet
lager is dan het activiteitsniveau dat voor dat nuclide is opgenomen
in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming;
ingekapselde bron
splijtstoffen of ertsen die zijn
ingebed in of gehecht aan vast dragermateriaal of zijn omgeven door
een omhulling van materiaal met dien verstande dat hetzij het
dragermateriaal hetzij de omhulling voldoende weerstand biedt om
onder normale gebruiksomstandigheden elke verspreiding van
splijtstoffen of ertsen te voorkomen;
lid van de bevolking
een persoon uit de bevolking binnen
of buiten een locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn
werktijd of een persoon die een radiologische verrichting ondergaat;
locatie
inrichting of uitrusting als bedoeld
in artikel 15, onder b of c, van de wet of als aangewezen krachtens
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer of plaats waar een
handeling wordt verricht;
natuurlijk uranium
door een chemisch scheidingsproces
verkregen uranium waarin de uraniumisotopen zich in de natuurlijke
verhouding bevinden;
nucleaire drukapparatuur
speciaal voor nucleair gebruik in
inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet
ontworpen drukapparatuur die bij defecten de verspreiding van
radioactiviteit kan veroorzaken, met uitzondering van
splijtstofstaven en opslag- en transportverpakkingen;
ondernemer
degene onder wiens
verantwoordelijkheid een handeling of werkzaamheid wordt verricht;
ontmantelingsplan:
plan met een beschrijving van de
wijze waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van
de wet buiten gebruik wordt gesteld en ontmanteld;
Onze Minister
Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie;
splijtstof of erts bevattende afvalstof
splijtstof die, of erts dat krachtens
artikel 19 van dit besluit in samenhang met artikel 38, eerste en
tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming als zodanig is
aangemerkt en niet wordt geloosd;
verrijkingsgraad
massagehalte van uranium-235 en
uranium-233 tezamen in verrijkt uranium;
verrijkt uranium
uranium met een hoger massapercentage
uranium-235 dan in natuurlijk uranium;
wet
Kernenergiewet.
2. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «activiteit», «blootstelling»,
«deskundige», «effectieve dosis», «equivalente dosis»,
«gezondheidsschade», «omgevingsdosisequivalent», «radiotoxiciteitsequivalent»,
«schade», «werkzaamheid» en «wet» verstaan hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit
stralingsbescherming.
3. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «besmetting», «lozing in de
lucht», «lozing in het openbare riool» en «lozing in het
oppervlaktewater» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in
artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, met dien
verstande dat in plaats van «radioactieve stoffen» telkens
«splijtstoffen of ertsen» wordt gelezen.
4. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «lid van de bevolking» verstaan
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het
Besluit stralingsbescherming, met dien verstande dat daarbij onder
«locatie» wordt verstaan hetgeen daaronder in artikel 1, eerste lid,
van dit besluit wordt verstaan.
5. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «voorhanden hebben» mede verstaan:
het vervaardigen, bewerken, hanteren en opslaan.
6. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder drukvaten, installatieleidingen,
veiligheidsappendages en onder druk staande appendages verstaan
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Warenwetbesluit
drukapparatuur.
Artikel 1a
Het in artikel 1, eerste lid, onder b,
van de wet bedoelde percentage van in splijtstoffen aanwezig uranium,
plutonium of thorium is onderscheidenlijk een tiende, een tiende en
drie, gerekend naar het gewicht.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op het
vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer
en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen
van splijtstoffen of ertsen.
Hoofdstuk II. Aanvragen om vergunningen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 3
1. De aanvraag om een vergunning voor
handelingen binnen een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b,
van de wet, of als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de
Wet milieubeheer, wordt ingediend door degene die de inrichting
drijft.
2. Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid betreft niet de handelingen die worden verricht door een
persoon die in het bezit is van een vergunning voor het op steeds
wisselende plaatsen verrichten van zodanige handelingen.
3. De aanvraag bevat:
a. naam en adres van de aanvrager;
b. een feitelijke omschrijving van
hetgeen de aanvrager met de betrokken splijtstoffen of ertsen
wenst te doen onderscheidenlijk een aanduiding van de betrokken
inrichting of uitrusting, onder vermelding van het gebruik, dat de
aanvrager van die inrichting of uitrusting wenst te maken;
c. voor zover een of meer der in de
artikelen 4 tot en met 11 vervatte bepalingen op de betrokken
aanvraag van toepassing zijn, de gegevens, welke de aanvraag uit
dien hoofde in het bijzonder dient te bevatten dan wel, ingeval
zodanige gegevens in een bij de aanvraag behorende bijlage zijn
vermeld, een korte aanduiding van de aard en de inhoud dezer
gegevens met verwijzing naar de betrokken bijlage;
d. een opgave van de tijdsduur,
waarvoor de vergunning wordt verlangd;
e. indien een vergunning wordt
aangevraagd voor een handeling die in de krachtens artikel 19 in
samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit
stralingsbescherming geldende regeling, als gerechtvaardigd is
bekendgemaakt, een verwijzing naar die bekendmaking;
f. indien een vergunning wordt
aangevraagd voor een handeling die niet of als
niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt in de krachtens artikel 19
in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit
stralingsbescherming geldende regeling, een verzoek om
rechtvaardiging van die handeling en tevens de gegevens met
betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de
betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die
erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de
beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.
4. Aanvragen om een vergunning, welke
vallen onder verschillende bepalingen van de paragrafen 2 en 3,
kunnen, voor zover die aanvragen betrekking hebben op dezelfde
inrichting dan wel op inrichtingen, die tezamen een geheel vormen en
die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen in de vorm van een
enkele, samengestelde aanvraag worden ingediend. Op zodanige aanvraag
zijn alle bepalingen van toepassing, welke betrekking hebben op de
afzonderlijke aanvragen, waaruit zij is samengesteld, met dien
verstande dat in gevallen, waarin onverkorte toepassing dezer
bepalingen zou leiden tot meervoudige vermelding van eenzelfde
gegeven, met een enkelvoudige vermelding kan worden volstaan.
5. Indien een aanvraag om een
vergunning betrekking heeft op een inrichting of uitrusting, ten
aanzien waarvan reeds eerder een aanvraag is ingediend, kan, voor
zover bepaalde gegevens reeds bij de eerdere aanvraag zijn verstrekt
en geen wijziging hebben ondergaan, naar die eerdere aanvraag worden
verwezen.
6. Onze Minister kan de indiening van
verdere afschriften van de aanvraag of van daarbij behorende bijlagen
verlangen.
Artikel 3a
1. Indien binnen een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, of als aangewezen
krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer reeds
splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen voorhanden zijn, of
toestellen worden gebruikt, heeft de risicoanalyse, bedoeld in de
artikelen 4, eerste lid, onder e, en derde lid, onder e, 5, eerste
lid, onder d, en tweede lid, onder d,6, eerste lid, onder h, en 9,
eerste lid, onder f, betrekking op de totaal ten gevolge van die
inrichting ontvangen effectieve dosis. De berekening van de effectieve
dosis, bedoeld in de eerste volzin, heeft geen betrekking op de
effectieve dosis ten gevolge van handelingen van een persoon als
bedoeld inartikel 3, tweede lid.
2. Bij regeling van Onze Ministers van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de risicoanalyses, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onder e,
en derde lid, onder e, 5, eerste lid, onder d, en tweede lid, onder d,
6, eerste lid, onder h en i, 9, eerste lid, onder f, en 10, tweede
lid, onder b, ten 6°.
§ 2. Aanvragen om een vergunning voor
het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen
Artikel 4
1. De aanvraag om een vergunning voor
het voorhanden hebben van splijtstoffen bevat in ieder geval:
a. een opgave van de hoeveelheden,
de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de
verrijkingsgraad, zomede, voor wat bestraalde splijtstoffen
betreft, een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de activiteit der
splijtstoffen;
b. een opgave van het doel,
waarvoor de aanvrager de splijtstoffen voorhanden wenst te hebben;
c. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar de splijtstoffen voorhanden worden gehouden, dan
wel, indien ten aanzien van de inrichting of uitrusting, waarin de
splijtstoffen voorhanden worden gehouden, een vergunning als
bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet is vereist, een
opgave van die inrichting of uitrusting, onder verwijzing naar de
ten aanzien daarvan verleende vergunning, dan wel naar de aanvraag
om een zodanige vergunning;
d. een beschrijving van de
maatregelen die door of vanwege de aanvrager zullen worden
getroffen ter voorkoming van schade;
e. een risicoanalyse van de schade
van het voorhanden hebben van de onder a bedoelde splijtstoffen
buiten de onder c bedoelde plaats, inrichting of uitrusting;
f. een opgave van alle handelingen
en werkzaamheden met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen
en toestellen binnen de locatie die meldingsplichtig of
vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit
stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen
en radioactieve stoffen.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een ingekapselde bron, bevat zij voorts een opgave van de chemische
en fysische toestand en vorm waardoor deze splijtstoffen een
ingekapselde bron vormen alsmede een aanduiding van de constructie en
de kwaliteit van de bron.
3. De aanvraag om een vergunning voor
het voorhanden hebben van ertsen bevat in ieder geval:
a. een opgave van de aard, de
hoeveelheid en het gemiddelde uranium- of thoriumgehalte der
ertsen;
b. een opgave van het doel,
waarvoor de aanvrager de ertsen voorhanden wenst te hebben;
c. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar de ertsen voorhanden zullen worden gehouden;
d. een beschrijving van de
maatregelen, die door of vanwege de aanvrager zullen worden
getroffen ter voorkoming van schade;
e. een risicoanalyse van de schade
van het voorhanden hebben van ertsen buiten de onder c bedoelde
plaats;
f. een opgave van alle handelingen
en werkzaamheden met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen
en toestellen binnen de locatie die meldingsplichtig of
vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit
stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen
en radioactieve stoffen.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een hoogactieve bron, bevat de aanvraag voorts:
a. informatie over het volume van
de bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;
b. schriftelijk bewijs dat de
krachtens artikel 19 in samenhang met artikel 20d, eerste lid, van
het Besluit stralingsbescherming vereiste financiële zekerheid is
gesteld.
Artikel 5
1.De aanvraag om een vergunning voor
het zich ontdoen van splijtstoffen bevat in ieder geval:
a. een opgave van de hoeveelheden,
de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de
verrijkingsgraad, zomede een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de
activiteit der splijtstoffen;
b. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar en de wijze, waarop de aanvrager zich van de
splijtstoffen wenst te ontdoen;
c. een beschrijving van de
maatregelen, welke door of vanwege de aanvrager zullen worden
getroffen ter voorkoming van schade;
d. een risicoanalyse van de schade
buiten de onder b bedoelde plaats als gevolg van de handeling
waarvoor vergunning wordt gevraagd;
e. een opgave van alle handelingen
en werkzaamheden met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen
en toestellen binnen de locatie die meldingsplichtig of
vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit
stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen
en radioactieve stoffen.
2.De aanvraag om een vergunning voor
het zich ontdoen van ertsen bevat in ieder geval:
a. een opgave van de aard, de
hoeveelheid en het gemiddelde uranium- of thoriumgehalte der
ertsen;
b. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar en de wijze, waarop de aanvrager zich van de
ertsen wenst te ontdoen;
c. een beschrijving van de
maatregelen, welke door of vanwege de aanvrager zullen worden
getroffen ter voorkoming van schade;
d. een risicoanalyse van de schade
buiten de onder b bedoelde plaats als gevolg van de handeling
waarvoor vergunning wordt gevraagd;
e. een opgave van alle handelingen
en werkzaamheden met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen
en toestellen binnen de locatie die meldingsplichtig of
vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit
stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen
en radioactieve stoffen.
§ 3. Aanvragen om een vergunning ten
aanzien van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de
wet
Artikel 6
1. De aanvraag om een vergunning voor
het oprichten van een inrichting, waarin kernenergie kan worden
vrijgemaakt, bevat in ieder geval:
a. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar de inrichting zal worden gevestigd, onder
vermelding van alle terzake doende omstandigheden van
geografische, geologische, klimatologische en andere aard;
b. een beschrijving van de
inrichting met inbegrip van de daarin te bezigen installaties,
alsmede van de werking van die inrichting en installaties, met
opgave van de leveranciers van die onderdelen, welke voor de
beoordeling van de veiligheid van belang zijn, en onder vermelding
van het hoogste vermogen, waarop de inrichting zal werken;
c. een opgave van de chemische en
fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad der
splijtstoffen, welke in de inrichting zullen worden gebruikt,
onder vermelding van de hoeveelheid der onderscheidene
splijtstoffen, welke ten hoogste te eniger tijd in de inrichting
aanwezig zal zijn;
d. een beschrijving van de wijze,
waarop de onder c bedoelde splijtstoffen in de inrichting zullen
worden gebruikt, en van de wijze, waarop de splijtstoffen voor en
na het gebruik zullen worden bewaard;
e. een globale opgave van het
totaal aantal personen, dat bij normaal bedrijf in de inrichting
werkzaam zal zijn, alsmede een opgave van het aantal deskundigen
en het aantal andere leden van het personeel, dat rechtstreeks bij
het vrijmaken van kernenergie betrokken zal zijn, en van de
onderlinge taakverdeling tussen die personeelsleden, zomede - voor
wat betreft toezichthoudend personeel - van de gronden, waarop zij
geacht kunnen worden voldoende deskundigheid voor het verrichten
van hun taak te bezitten;
f. een beschrijving van de wijze,
waarop de aanvrager voornemens is zich na gebruik te ontdoen van
de onder c bedoelde splijtstoffen;
g. een beschrijving van de wijze,
waarop de aanvrager voornemens is zich te ontdoen van radioactieve
stoffen, welke tijdens het gebruik van de onder c bedoelde
splijtstoffen zullen ontstaan;
h. een veiligheidsrapport,
inhoudende een beschrijving van de maatregelen, die door of
vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van
schade, of ter beperking van de kans op schade, waaronder begrepen
de maatregelen ter voorkoming van schade buiten de inrichting,
tijdens normaal bedrijf, en ter voorkoming van schade
voortvloeiende uit de in die beschrijving te vermelden
gepostuleerde begin-gebeurtenissen, alsmede een risicoanalyse van
de schade buiten de inrichting als gevolg van die gebeurtenissen;
i. een risicoanalyse van de schade
buiten de inrichting als gevolg van buiten-ontwerpongevallen;
j. een opgave van de verzekering of
andere financiële zekerheid, welke de aanvrager ter voldoening
aan de Wet aansprakelijkheid kernongevallen zal hebben en in stand
houden, onder vermelding van alle ter zake doende gegevens.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het
in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat
lid bedoeld.
Artikel 7
1.De aanvraag om een vergunning voor
het oprichten van een inrichting, waarin splijtstoffen, welke
plutonium of verrijkt uranium bevatten, of bestraalde splijtstoffen
kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, bevat in ieder geval
de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, met dien verstande dat:
a. onder b in plaats van "het
hoogste vermogen, waarop de inrichting zal werken" wordt
gelezen: "de grootste hoeveelheid der onderscheidene
splijtstoffen, welke in een bepaald tijdvak in de inrichting kan
worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt";
b. telkens in plaats van
"gebruikt" onderscheidenlijk "het gebruik" of
"het vrijmaken van kernenergie" wordt gelezen:
"vervaardigd, bewerkt of verwerkt" onderscheidenlijk
"de vervaardiging, bewerking of verwerking".
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het in werking
brengen of in werking houden van een inrichting als in dat lid
bedoeld.
Artikel 8
1. De aanvraag om een vergunning voor
het oprichten van een inrichting, waarin splijtstoffen als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, worden opgeslagen, bevat in ieder geval:
a. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar de inrichting zal worden gevestigd, onder
vermelding van alle terzake doende omstandigheden van
geografische, geologische, klimatologische en andere aard;
b. een opgave van de chemische en
fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad,
zomede, voor wat bestraalde splijtstoffen betreft, een zo
nauwkeurig mogelijke opgave van de activiteit der splijtstoffen,
onder vermelding van de hoeveelheid der onderscheidene
splijtstoffen, welke ten hoogste te eniger tijd in de inrichting
aanwezig zal zijn;
c. een globale opgave van het
totaal aantal personen, dat bij normaal bedrijf in de inrichting
werkzaam zal zijn, alsmede een opgave van het aantal leden van het
personeel, dat rechtstreeks bij de opslag van splijtstoffen
betrokken zal zijn, en van de onderlinge taakverdeling tussen die
personeelsleden, zomede - voor wat betreft het toezichthoudend
personeel - van de gronden, waarop zij geacht kunnen worden
voldoende deskundigheid voor het verrichten van hun taak te
bezitten;
d. een veiligheidsrapport als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h;
e. een risicoanalyse als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder i;
f. een opgave van de verzekering of
andere financiële zekerheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onder j.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het
in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat
lid bedoeld.
Artikel 9
1. De aanvraag om een vergunning voor
het oprichten van een inrichting, waarin onbestraalde splijtstoffen,
welke geen plutonium of verrijkt uranium bevatten, kunnen worden
vervaardigd, bewerkt of verwerkt, bevat in ieder geval:
a. een opgave en beschrijving van
de plaats, waar de inrichting zal worden gevestigd;
b. een beschrijving van de
inrichting;
c. een opgave van de chemische en
fysische toestand, de vorm en het gehalte der splijtstoffen, onder
vermelding van de hoeveelheid der onderscheidene splijtstoffen,
welke ten hoogste te eniger tijd in de inrichting aanwezig zal
zijn;
d. een opgave van het aantal
personeelsleden, dat verantwoordelijk zal zijn voor het op
deskundige wijze vervaardigen, bewerken, of verwerken van
splijtstoffen, met vermelding van de gronden, waarop zij geacht
kunnen worden voldoende deskundigheid te bezitten;
e. een beschrijving van de
maatregelen, welke door of vanwege de aanvrager zullen worden
getroffen ter voorkoming van schade, waaronder begrepen de
maatregelen ter voorkoming van schade buiten de inrichting;
f. een risicoanalyse van de schade
buiten de inrichting, welke is verbonden aan het vervaardigen,
bewerken of verwerken in de inrichting van de onder c bedoelde
splijtstoffen.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het
in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat
lid bedoeld.
Artikel 10
1. Indien een aanvraag om een
vergunning tot wijziging van een inrichting als bedoeld in de
artikelen 6, 7, 8 of 9 mede strekt tot het buiten gebruik stellen of
ontmantelen van de inrichting of een deel daarvan, bevat de aanvraag
in ieder geval:
a. een opgave van de vergunning
krachtens welke de betrokken inrichting is opgericht dan wel in
werking gebracht of gehouden;
b. een ontmantelingsplan.
2. Een aanvraag om een vergunning als
bedoeld in het eerste lid bevat tevens, indien het betrekking heeft op
een inrichting:
a. als bedoeld in de artikelen 6, 7
of 8: een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onder h, en een risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onder i,
b. als bedoeld in artikel 9: een
beschrijving van maatregelen als bedoeld inartikel 9, eerste lid,
onder e, en een risicoanalyse als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onder f, met dien verstande dat het veiligheidsrapport, de
beschrijving van maatregelen en de risicoanalyses betrekking
hebben op de buitengebruikstelling of de ontmanteling.
3. De aanvraag voor het wijzigen van
een vergunning als bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:
a. een opgave van de vergunning
krachtens welke de betrokken inrichting buiten gebruik is gesteld
of wordt ontmanteld;
b. een beschrijving van de
voorgenomen wijziging;
c. indien de voorgenomen wijziging
van invloed is op een of meer gegevens als vermeld in het
ontmantelingsplan genoemd in het eerste lid, onder b, een
desbetreffende aanvulling van dat plan.
4. Gelijktijdig met de aanvraag om een
vergunning voor het buiten gebruik stellen van een inrichting als
bedoeld in het eerste lid, wordt een aanvraag ingediend om een
vergunning voor het ontmantelen van die inrichting.
Artikel 11
1.De aanvraag om een vergunning voor
het wijzigen van een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7, 8 of 9
bevat in ieder geval:
a. een opgave van de vergunning,
krachtens welke de betrokken inrichting is opgericht dan wel in
werking gebracht of gehouden;
b. een beschrijving van de
voorgenomen wijziging;
c. indien de aanvraag betrekking
heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 en de
voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens als
vermeld in het ter verkrijging van de onder a bedoelde vergunning
overgelegde veiligheidsrapport of de risicoanalyse, bedoeld in
artikel 6, onder h, een desbetreffende aanvulling hiervan;
d. indien de aanvraag betrekking
heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 en de
voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens als
vermeld in de ter verkrijging van de onder a bedoelde vergunning
overgelegde risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder
i, een desbetreffende aanvulling van die risicoanalyse;
e. indien de aanvraag betrekking
heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 9 en de voorgenomen
wijziging van invloed is op een of meer gegevens als vermeld in de
ter verkrijging van de onder a bedoelde vergunning overgelegde
risicoanalyse als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, een
desbetreffende aanvulling van die risicoanalyse.
2.Indien de vergunning met betrekking
tot een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 is verkregen op
een tijdstip waarop ter verkrijging van die vergunning geen
risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i, behoefde
te worden overgelegd, wordt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste
lid, indien de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer van
de gegevens die doorgaans worden vermeld in een zodanige
risicoanalyse, een risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onder i, gevoegd, die niet alleen betrekking heeft op de wijziging,
maar ook op het in werking zijn van de inrichting.
3.Dit artikel is niet van toepassing op
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 10.
Artikel 11a
In gevallen waarin de vergunning
betrekking heeft op het oprichten of wijzigen van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, dat tevens is aan te merken
als een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verstrekt de aanvrager:
a. indien de aanvraag om vergunning
voor die bouwactiviteit tegelijk met de aanvraag om de vergunning
krachtens deze wet is ingediend, een afschrift van de aanvraag om
vergunning voor die bouwactiviteit bij zijn aanvraag;
b. indien de aanvraag om vergunning
voor die bouwactiviteit niet tegelijk met de aanvraag om de
vergunning krachtens deze wet wordt ingediend, een afschrift van de
aanvraag om vergunning voor die bouwactiviteit aan het bevoegd gezag
gelijktijdig met de indiening van die aanvraag.
§ 4 [Vervallen per 01-10-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 01-10-2002]
Artikel 13 [Vervallen per 01-10-2002]
Artikel 14 [Vervallen per 01-10-2002]
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende
beschikkingen ter zake van vergunningen als bedoeld in hoofdstuk II
§ 1. Beschikkingen op de voorbereiding
waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is
Artikel 15
Bij de voorbereiding van beschikkingen
met betrekking waartoe op grond van artikel 17 of 20, eerste lid, van de
wet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is,
worden – anders dan als adviseurs –betrokken:.
a. in gevallen waarin de beschikking
een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 betreft: de besturen
van de provincie en de gemeente waar de inrichting geheel of in
hoofdzaak is of zal zijn gelegen, de besturen van de provincies en
gemeenten welker gebied is gelegen op minder dan 10 kilometer van de
plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn, alsmede de organen
die belast zijn met het kwalitatieve beheer van oppervlaktewateren
die gelegen zijn op minder dan 10 kilometer van de plaats waar de
inrichting gelegen is of zal zijn;
b. in gevallen waarin de beschikking
een inrichting als bedoeld in artikel 9 betreft: het bestuur van de
gemeente of gemeenten, waar de inrichting gelegen is of zal zijn.
§ 2. Beschikkingen op de voorbereiding
waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling
13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn
Artikel 16
Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet
van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen ter zake van het
voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen:
a. indien het betreft plutonium met
een maximale activiteit van 37 gigabecquerel, mits dit plutonium op
zodanige wijze is opgenomen in een omhulsel dat daardoor
redelijkerwijze voldoende weerstand wordt geboden om elke
verspreiding van of besmetting met dit plutonium te voorkomen;
b. indien het betreft verarmd
uranium, natuurlijk uranium of natuurlijk thorium.
Artikel 17
Van het geven van een beschikking op de
voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn,
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
§ 3. Weigering van vergunningen
Artikel 18
1. Geen vergunning als bedoeld in
artikel 15 van de wet wordt verleend indien:
a. niet is voldaan aan de
voorwaarden betreffende rechtvaardiging, optimalisatie en
dosislimieten, geldend krachtens artikel 19 in samenhang met de
artikelen 4, 5, 6 en 48 van het Besluit stralingsbescherming;
b. voor een lid van de bevolking
dat zich buiten de locatie bevindt, als gevolg van de handeling
waarvoor de vergunning is aangevraagd en ten gevolge van andere
handelingen binnen en buiten deze locatie, een van de volgende
doses wordt overschreden:
1. een effectieve dosis van 1
mSv in een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:
2. een equivalente dosis van 50
mSv in een kalenderjaar voor de huid gemiddeld over enig
huidoppervlak van 1 cm2;
c. de handeling waarvoor de
vergunning is aangevraagd behoort tot een categorie, die in de
krachtens artikel 19 in samenhang met artikel 4, tweede lid, van
het Besluit stralingsbescherming geldende regeling als
gerechtvaardigd is bekendgemaakt, maar het specifieke karakter van
deze handeling op grond van artikel 4, eerste lid, van dat besluit
niet gerechtvaardigd is.
2. Een vergunning als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet wordt geweigerd, indien:
a. de waarden van de gegevens in de
risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, niet
voldoen aan de in onderstaande tabel opgenomen limietwaarden;
|
Gebeurtenisfrequentie
F per jaar |
Maximaal toegestane
effectieve dosis |
|
| |
personen vanaf 16 jaar |
personen tot 16 jaar |
|
F ≥ 10–1 |
0,1 mSv |
0,04 mSv |
|
10–1 > F ≥ 10–2 |
1 mSv |
0,4 mSv |
|
10–2 > F ≥ 10–4 |
10 mSv |
4 mSv |
|
F < 10–4 |
100 mSv |
40 mSv |
b. dan wel uit die risico-analyse
blijkt dat de effectieve schildklierdosis niet beperkt blijft
tot 500 mSv.
3. Een vergunning voor het oprichten,
in werking brengen of houden of wijzigen van een inrichting, waarin
kernenergie kan worden vrijgemaakt, kan worden geweigerd, indien de
waarden in de krachtens artikel 6, eerste lid, onder i, verrichte
risicoanalyse een van de volgende waarden overschrijden:
a. een kans van 10–6 per jaar
dat een persoon, die zich permanent en onbeschermd buiten de
desbetreffende inrichting zou bevinden, overlijdt als gevolg van
een buiten-ontwerpongeval;
b. een kans van 10–5 per jaar
dat buiten de desbetreffende inrichting een groep van ten minste
10 personen direct dodelijk slachtoffer is van een
buiten-ontwerpongeval, of voor n maal meer direct dodelijke
slachtoffers een kans die n2 maal kleiner is.
Hoofdstuk IIIa. Algemene regels
Artikel 19
Het bij of krachtens de artikelen 1,
derde lid, 3, 4, eerste, tweede, derde, zesde en zevende lid, 5, 6 tot
en met 17, 20 tot en met 20f, 36, 38, 48 tot en met 64, 66, 71 tot en
met 74, 76 tot en met 100, 112 tot en met 122, eerste lid, 123 en 124
van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is, met uitzondering van
hetgeen daarin is bepaald over toestellen en meldingen, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
a. bij de overeenkomstige toepassing
van artikel 113 in plaats van «Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» wordt gelezen: «Onze
Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
en van Economische Zaken» en onderdeel d buiten beschouwing wordt
gelaten;
b. bij de overeenkomstige toepassing
van artikel 124 in plaats van «die van dit besluit afwijken» wordt
gelezen: die van de van overeenkomstige toepassing verklaarde
artikelen afwijken.
Artikel 20
Onze Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet regels stellen waaraan het ontwerp en de
bedrijfsvoering in verband met de voorkoming van schade moeten voldoen.
Artikel 21
1.Het is verboden in een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, nucleaire drukapparatuur
te gebruiken, die niet is goedgekeurd aan de hand van door Onze
Minister daartoe in het belang van de veilige werking van zodanige
apparatuur vastgestelde voorschriften.
2.Onze Minister kan bij ministeriële
regeling bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod mede geldt
voor gebruik in een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van
de wet, van bij of krachtens die regeling aangewezen andere
drukapparatuur die bij defecten de verspreiding van radioactiviteit
kan veroorzaken.
3.Goedkeuring van nucleaire
drukapparatuur, die voor het in werking treden van dit artikel is
verleend aan de hand van een keuring overeenkomstig het Stoombesluit,
wordt gelijkgesteld met goedkeuring, verleend na een keuring aan de
hand van de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften.
4.Met de keuring zijn belast de door
Onze Minister aangewezen instellingen. Onze Minister stelt bij
ministeriële regeling regels met betrekking tot het aanwijzen van
instellingen, bedoeld in de eerste volzin. Hij kan regels stellen met
betrekking tot de wijze waarop de keuringen worden verricht.
Artikel 22
Onze Minister kan regels stellen ten
aanzien van de beveiliging van het voorhanden hebben en het zich ontdoen
van de in de bijlage bij dit besluit genoemde splijtstoffen en ertsen en
ten aanzien van de beveiliging van inrichtingen als bedoeld in artikel
15, onder b, van de wet.
Artikel 23
1. Het Besluit risico’s zware
ongevallen 1999 is, met uitzondering van de artikelen 26, 27 en 28,
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inrichtingen als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet waarin gevaarlijke stoffen
krachtens vergunning aanwezig mogen zijn of ten gevolge van het
onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden
gevormd.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing met betrekking tot gevaarlijke stoffen die tevens
radioactief zijn.
Artikel 24
Het veiligheidsrapport, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder h, en het document, bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, dan wel
het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 9 van dat besluit, kunnen tot
één veiligheidsrapport worden gecombineerd.
Artikel 25
De houder van een vergunning voor het
oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet beschikt over
een ontmantelingsplan.
Artikel 26
1. Een ontmantelingsplan bevat in ieder
geval een beschrijving van:
a. de periode waarin de
buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden;
b. de planning van de
buitengebruikstelling en de ontmanteling, waarbij een onderscheid
wordt gemaakt in de verschillende fasen waarin de
buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden;
c. de hoeveelheid en de activiteit
van de splijtstoffen of radioactieve stoffen die zich in de
verschillende fasen van de buitengebruikstelling en de
ontmanteling in de inrichting zullen bevinden;
d. de bij de buitengebruikstelling
en de ontmanteling betrokken medewerkers, hun deskundigheid en
onderlinge taakverdeling;
e. de bij de buitengebruikstelling
en de ontmanteling toe te passen technieken;
f. de relevante milieuaspecten, in
het bijzonder het beheer van radioactieve afvalstoffen die bij de
buitengebruikstelling en de ontmanteling vrijkomen.
2. Het ontmantelingsplan is gebaseerd
op een wijze van buitengebruikstelling en ontmanteling die voldoet aan
de artikelen 30 en 30a en de krachtensartikel 30b gestelde regels.
3. Bij regeling van Onze Minister en
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het
ontmantelingsplan. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels
slechts gelden in de aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 27
1. Het ontmantelingsplan van de houder
van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het
in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder
b, van de wet en wijzigingen van dat plan behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
2. Goedkeuring wordt geweigerd indien
het ontmantelingsplan niet voldoet aan de eisen die bij of krachtens
dit besluit zijn gesteld.
3. Onze Minister beslist op de aanvraag
om goedkeuring van het ontmantelingsplan binnen zes maanden na
ontvangst van de aanvraag.
4. Onze Minister kan aan de goedkeuring
voorschriften verbinden.
5. Onze Minister kan de goedkeuring
intrekken indien het ontmantelingsplan niet meer voldoet aan de eisen
die daaraan bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
Artikel 28
De houder van een vergunning voor het
oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet handelt
overeenkomstig het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan.
Artikel 29
1. Vanaf het tijdstip waarop een
vergunning voor het in werking brengen van een inrichting als bedoeld
in artikel 15, onder b, van de wet is verleend totdat een vergunning
voor het buiten gebruik stellen van die inrichting is verleend,
actualiseert de houder van de vergunning voor het in werking brengen
of het in werking houden van die inrichting het ontmantelingsplan ten
minste elke vijf jaar, of wanneer Onze Minister dit nodig acht.
2. De actualisatie, bedoeld in het
eerste lid, betreft in ieder geval:
a. de planning van de
buitengebruikstelling en de ontmanteling;
b. de bij de buitengebruikstelling
en de ontmanteling toe te passen technieken;
c. wijzigingen van de inrichting
voor zover deze gevolgen kunnen hebben voor de
buitengebruikstelling of de ontmanteling.
Artikel 30
1. De houder van een vergunning voor
een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet vangt
aan met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting
onmiddellijk nadat de normale bedrijfsvoering is beëindigd.
2. Onze Minister kan in bijzondere
omstandigheden toestaan dat op een later tijdstip met de
buitengebruikstelling en de ontmanteling van de inrichting wordt
aangevangen.
3. De houder van een vergunning voor
het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet voltooit de
buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting zo snel
als redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 30a
1. Bij de ontmanteling van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet worden de
feitelijke beperkingen die in de weg staan aan de realisatie van elke
volgende functie op het terrein waarop de inrichting was gevestigd,
weggenomen voor zover die beperkingen het gevolg zijn van die
inrichting.
2. Bij een vergunning voor het buiten
gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet kan Onze Minister in bijzondere
omstandigheden toestaan dat wordt afgeweken van het eerste lid.
Artikel 30b
Onze Minister en Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking
tot de wijze waarop de buitengebruikstelling en de ontmanteling van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet plaatsvinden.
Artikel 30c
Onze Minister beslist op een aanvraag tot
het intrekken van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting
als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet binnen zes maanden na
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 30d
1. Bij de aanvraag tot het intrekken
van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld
in artikel 15, onder b, van de wet toont de houder van die vergunning
ten genoegen van Onze Minister aan dat de ontmanteling is voltooid.
Hierbij toont hij in ieder geval aan dat aanartikel 30a is voldaan.
2. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de wijze waarop wordt aangetoond dat de
ontmanteling is voltooid.
Artikel 30e
De in de artikelen 26, derde lid, 30b en
30d, tweede lid, bedoelde regels kunnen tevens betrekking hebben op
radioactieve afvalstoffen.
Artikel 30f
1. De houder van een vergunning voor
een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet treft
tijdig bij een krachtens artikel 37, achtste lid, van het Besluit
stralingsbescherming of artikel 42, derde lid, onder e, aangewezen
instelling een voorziening voor de opslag van:
a. de splijtstof of erts bevattende
afvalstoffen die door het gebruik van die inrichting ontstaan,
b. de splijtstof of erts bevattende
afvalstoffen en de radioactieve afvalstoffen die terugkomen na
opwerking van de splijtstoffen die in die inrichting zijn gebruikt
en
c. de radioactieve afvalstoffen die
vrijkomen bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die
inrichting.
2. Onze Minister kan regels stellen
over de te treffen voorziening.
Hoofdstuk IV. Regelen betreffende aan een
vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet te verbinden
voorschriften
§ 1. Voorkoming van schade.
Artikel 31
1.Aan een vergunning als bedoeld in
artikel 15 van de wet worden zodanige voorschriften verbonden, dat:
schade, zoveel als redelijkerwijs
mogelijk is, wordt voorkomen;
in gevallen, waarin blootstelling
of besmetting onvermijdelijk is, schade, zoveel als redelijkerwijs
mogelijk is, wordt beperkt;
in gevallen, waarin blootstelling
of besmetting onvermijdelijk is, het aantal aan ioniserende
straling blootgestelde personen, met vermijding van een
ontoelaatbaar te achten blootstelling of besmetting per persoon,
zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt beperkt.
2.Tot de in het eerste lid bedoelde
voorschriften behoren voorschriften om te verzekeren dat de gebruikte
installatie en alles wat daartoe behoort in goede staat van onderhoud
verkeert.
Artikel 31a [Vervallen per 01-03-2002]
Artikel 32 [Vervallen per 01-03-2002]
Artikel 33
Ter voorkoming van schade of ter
beperking van de kans op schade buiten de inrichting kunnen aan een
vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b , van de wet ook andere
voorschriften worden verbonden dan bedoeld in artikel 31, eerste lid.
Artikel 34 [Vervallen per 01-10-2002]
§ 2. Veiligheid van de staat
Artikel 35
1. Aan een vergunning als bedoeld in
artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de
veiligheid van de staat verbonden, indien de vergunning uitsluitend of
mede betrekking heeft op het doen van verrichtingen:
a. met gebruikmaking van gegevens,
hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of een
uitrusting, ten aanzien waarvan naar het oordeel van Onze Minister
het belang van de veiligheid van de staat het opleggen van een
verplichting tot geheimhouding of een beperking ten aanzien van
het gebruik vereist, of
b. waarbij onderzoekingen worden
verricht of werkmethoden worden toegepast, ten aanzien waarvan
naar het oordeel van Onze Minister het belang van de veiligheid
van de staat het opleggen van een verplichting tot geheimhouding
vereist, of
c. welke blijkens een verklaring
van Onze Minister van vitaal belang zijn voor de militaire of
civiele verdediging.
2. Voorschriften als in het eerste lid
bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
a. ten aanzien van gegevens,
hulpmiddelen, materialen, een inrichting of een uitrusting dan wel
onderzoekingen of werkmethoden als in het eerste lid bedoeld de
geheimhouding te verzekeren;
b. gegevens, hulpmiddelen of
materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste
lid bedoeld met inachtneming van in het voorschrift aangegeven
beperkingen te gebruiken;
c. terreinen, gebouwen en ruimten,
waar verrichtingen als in het eerste lid bedoeld plaatsvinden dan
wel gegevens, hulpmiddelen of materialen, met gebruikmaking
waarvan zodanige verrichtingen plaatsvinden, worden bewaard, op
een bij het voorschrift bepaalde wijze te beveiligen;
d. het gebruik van gegevens,
hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of
uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede het aanwenden
van uit zodanig gebruik voortvloeiende kennis op een bij het
voorschrift bepaalde wijze te regelen;
e. Onze Minister of in het
voorschrift aangewezen Nederlandse controle-organen tijdig in
kennis te stellen van een voorgenomen vervanging van de met de
leiding van de onderneming of instelling, waaraan de vergunning is
verleend, belaste persoon of personen;
f. alle of bepaalde verrichtingen
uitsluitend te laten plaatsvinden door personen, ten aanzien van
wie Onze Minister heeft verklaard, dat naar zijn oordeel voldoende
waarborgen aanwezig kunnen worden geacht, dat zij de verplichting
met betrekking tot de geheimhouding naar behoren zullen vervullen;
g. bij het voorschrift aangewezen
organen, waaraan een taak is opgedragen terzake van de uitvoering
van de wet, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen
toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen, dan wel
een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld,
alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte
administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de
verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond;
h. Onze Minister of bij het
voorschrift aangewezen Nederlandse controle-organen onverwijld in
te lichten, indien ernstige inbreuken op de naleving van de met
het oog op de veiligheid van de staat gegeven voorschriften dan
wel spionage worden vermoed of ontdekt;
i. een aan de onderneming of
instelling verbonden functionaris aan te wijzen, speciaal belast
met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met het oog
op de veiligheid van de staat aan de vergunning verbonden
voorschriften, alsmede met het toezicht op de naleving van die
maatregelen.
§ 3. Bewaring van splijtstoffen en
ertsen
Artikel 36
1. Aan een vergunning als bedoeld in
artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de bewaring
van splijtstoffen en ertsen verbonden, indien en voor zover zulks
nodig is voor de bescherming van de in artikel 15b, eerste lid, van de
wet, onder a, b, d of f bedoelde belangen.
2. Voorschriften als bedoeld in het
eerste lid kunnen de verplichting inhouden:
a. splijtstoffen of ertsen te
bewaren op een zodanige bij het voorschrift aan te geven plaats en
wijze, dat er geen schade kan optreden;
b. splijtstoffen of ertsen zodanig
te bewaren, dat zij zo veel mogelijk zijn beveiligd tegen brand of
het op andere wijze verloren gaan;
c. een of meer aan de onderneming
of instelling verbonden functionarissen aan te wijzen, speciaal
belast met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met
het oog op de bewaring aan de vergunning verbonden voorschriften,
alsmede met het toezicht op de naleving van die maatregelen.
§ 4. Energievoorziening
Artikel 37
1.Aan een vergunning als bedoeld in
artikel 15, onder a, van de wet worden voorschriften met het oog op de
energievoorziening verbonden, indien een geregelde voorziening met
splijtstoffen of ertsen niet in voldoende mate is gewaarborgd.
2.Voorschriften als bedoeld in het
eerste lid kunnen de verplichting inhouden splijtstoffen of ertsen
uitsluitend van bij het voorschrift aan te wijzen leveranciers te
betrekken dan wel aan daarbij aan te wijzen afnemers te leveren.
Artikel 38
1.Aan een vergunning als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet ten aanzien van een inrichting,
bestemd voor de opwekking van thermische of elektrische energie voor
de openbare energievoorziening, worden voorschriften met het oog op de
energievoorziening verbonden, indien:
a. een geregelde voorziening van
voor die inrichting vereiste splijtstoffen niet in voldoende mate
is gewaarborgd, dan wel
b. het ononderbroken in bedrijf
houden van de inrichting niet in voldoende mate is gewaarborgd.
2.Voorschriften als bedoeld in het
eerste lid, onder a, kunnen de verplichting inhouden tot het aanhouden
van een voorraad splijtstoffen van bij het voorschrift te bepalen aard
en samenstelling, in een daarbij te bepalen omvang, gedurende daarbij
te bepalen tijdvakken.
3.Voorschriften als bedoeld in het
eerste lid, onder b, kunnen de verplichting inhouden om de inrichting
op een landelijk koppelnet te doen aansluiten dan wel op een andere
wijze te beschikken over een zodanig reservevermogen, dat de
energievoorziening gedurende een bij het voorschrift te bepalen
tijdvak is gewaarborgd.
§ 5. Het zeker stellen van de betaling
van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade, hun toegebracht
Artikel 39
Aan een vergunning als bedoeld in artikel
15, onder b of c, van de wet, welke uitsluitend of mede betrekking heeft
op een inrichting of uitrusting, waarop de Wet aansprakelijkheid
kernongevallen dan wel de wet van 24 oktober 1973, houdende regelen
inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire
schepen (Stb. 536), van toepassing is, wordt met het oog op het zeker
stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor
schade, hun toegebracht, het voorschrift verbonden tot het hebben en in
stand houden van een zodanige verzekering of andere financiële
zekerheid als waartoe de houder van de vergunning ingevolge die
wettelijke regeling gehouden is.
§ 6. Nakoming van internationale
verplichtingen
Artikel 40
1.Aan een vergunning als bedoeld in
artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de nakoming
van internationale verplichtingen verbonden, indien die vergunning
uitsluitend of mede strekt tot het doen van verrichtingen met
gebruikmaking van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een
inrichting of uitrusting ten aanzien waarvan internationale
overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, welke
voor Nederland verbindend zijn en geheel of gedeeltelijk betrekking
hebben op het gebied van de kernenergie of van de ioniserende
straling, de staat verplichtingen opleggen.
2.Voorschriften als in het eerste lid
bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
a. ten aanzien van gegevens,
hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting
als in het eerste lid bedoeld de geheimhouding te verzekeren of
deze met inachtneming van in het voorschrift aangegeven
beperkingen te gebruiken;
b. aan bij het voorschrift
aangewezen organen, waaraan een taak is opgedragen ter zake van de
uitvoering van de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten of
besluiten, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen
toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel
een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld,
alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte
administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de
verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond.
Hoofdstuk V. Vrijstellingen van het in
artikel 15 van de wet vervatte verbod
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 41
1. Het in artikel 15, onder a, van de
wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van
splijtstoffen of ertsen, indien binnen een locatie:
a. de activiteit van de
radionucliden in de betrokken splijtstof of erts lager is dan de
in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming
genoemde waarde; of
b. de activiteitsconcentratie van
die stof of dat erts lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij
het Besluit stralingsbescherming genoemde waarde.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien:
a. splijtstoffen of ertsen worden
toegediend aan personen en, voorzover het de bescherming van
mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor:
1°. het stellen van medische
of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch
onderzoek;
a. splijtstoffen of ertsen worden
toegevoegd aan producten, bestemd voor gebruik op of in de directe
omgeving van personen.
3. Het bij en krachtens artikel 25,
derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming
bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan
worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij
aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog
risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
5. Het in artikel 15, onder a, van de
wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van
splijtstoffen of ertsen voor bij regeling van Onze Minister aangewezen
handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot
gevolg hebben.
Artikel 41a
1. Het in artikel 15, onder a, van de
wet vervatte verbod geldt niet voor handelingen met een ingekapselde
bron waarbij de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit
stralingsbescherming genoemde waarden voor de activiteit en de
activiteitsconcentratie worden overschreden, indien:
a. deze van een door Onze Minister
goedgekeurd type is en
b. deze onder normale
bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter van enige bereikbare
buitenzijde daarvan geen hogere omgevingsdosisequivalent kan geven
dan 1 μSv per uur.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot keuringen als bedoeld
in het eerste lid, onder a, en voor de opslag en de verwijdering van
ingekapselde bronnen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 42
1. Het in artikel 15, onder a, van de
wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen
of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of
ertsen bevattende afvalstoffen, indien:
a. de activiteit van de
radionucliden in de betrokken splijtstoffen of ertsen in een
kalenderjaar lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het
Besluit stralingsbescherming genoemde waarde of
b. de activiteitsconcentratie van
die stof of dat erts lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij
het Besluit stralingsbescherming genoemde waarde.
2. Het bij en krachtens artikel 25,
derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming en
artikel 41, vierde lid, van dit besluit bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
3. Het in artikel 15, onder a, van de
wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen
of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of
ertsen bevattende afvalstoffen, indien het betreft:
a. ingekapselde bronnen die worden
teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of
geleverd;
b. een feitelijke levering van
splijtstoffen of ertsen door enkele overgave aan een derde met het
oog op:
1°. gebruik, product- of
materiaalhergebruik van splijtstoffen of ertsen,
2°. inzameling van
splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen;
c. een afgifte aan een krachtens
artikel 22, vierde lid, van de wet aangewezen instelling voor
ontvangst van in bezit genomen splijtstoffen of ertsen;
d. het zich ontdoen van
splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen door afgifte aan
een door Onze Minister erkende ophaaldienst van splijtstoffen of
ertsen bevattende afvalstoffen;
e. een afgifte aan een door Onze
Minister aangewezen instelling voor de ontvangst van splijtstoffen
of ertsen bevattende afvalstoffen.
4. Het derde lid geldt alleen indien de
ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is
van een vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins
gerechtigd is de stoffen te ontvangen.
5. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag
om een erkenning van een ophaaldienst of een aanwijzing van een
instelling voor de ontvangst van splijtstoffen of ertsen bevattende
afvalstoffen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 43
1. Het in artikel 15, onder a, van de
wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen
of ertsen door middel van lozing in de lucht, in het openbare riool of
in het oppervlaktewater, indien:
a. bij lozing in de lucht, de
activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde
hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de
locatie via een lozingspunt lager is dan 1
radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie, als bedoeld in bijlage
2 bij het Besluit stralingsbescherming;
b. bij lozing in het openbare
riool, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde
hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de
locatie via een lozingspunt lager is dan 10
radiotoxiciteitsequivalenten voor ingestie, als bedoeld in bijlage
2 bij het Besluit stralingsbescherming;
c. bij lozing in het
oppervlaktewater, de activiteit van de in totaal in een
kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het
verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 0,1
radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie, als bedoeld in bijlage 2
bij het Besluit stralingsbescherming.
2. De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt
in radiotoxiciteitsequivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch
verval door middel van de correctiefactoren zoals aangegeven in
bijlage 2 bij het Besluit stralingsbescherming.
§ 2. Inrichtingen
Artikel 44
Het in artikel 15, onder b, van de wet
vervatte verbod geldt niet voor het oprichten, in werking brengen, in
werking houden of wijzigen van een inrichting, waarin splijtstoffen
kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen
worden opgeslagen, in het geval, dat die inrichting niet is bestemd en
niet wordt gebruikt voor een met de splijtstoffenkringloop verband
houdend vervaardigingsproces of voor het voorhanden hebben van andere
dan onbestraalde splijtstoffen en:
a. de voorhanden splijtstoffen geen
plutonium of verrijkt uranium bevatten, dan wel
b. de grootste hoeveelheid
splijtstoffen, die te eniger tijd in de inrichting voorhanden wordt
gehouden, niet meer bevat dan 375 gram plutonium-239, plutonium-241
of uranium-233, dan wel niet meer dan 600 gram uranium-235, met dien
verstande, dat bij aanwezigheid van meer dan een van deze nucliden
de som van de breuken, verkregen door het aantal grammen van ieder
dier nucliden te delen door de voor dat nuclide hiervoor
vastgestelde maximale hoeveelheid, niet groter mag zijn dan 1.
Hoofdstuk Va. Aanvragen om goedkeuring
van financiële zekerheid als bedoeld in artikel 15f van de wet
Artikel 44a
1. Een aanvraag om goedkeuring voor de
wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld als bedoeld in
artikel 15f, eerste lid, van de wet wordt ingediend bij Onze Minister
met gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Minister van
Financiën.
2. Een aanvraag om goedkeuring als
bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. een overzicht van de
verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de
ontmanteling van de betrokken inrichting, bedoeld in artikel 15,
onder b, van de wet, waarbij wordt uitgegaan van het laatst door
Onze Minister goedgekeurde ontmantelingsplan en de voorschriften
die op grond van artikel 27, vierde lid, aan de goedkeuring van
het ontmantelingsplan zijn verbonden;
b. een berekening van de kosten
behorende bij de onder a bedoelde kostenposten, bepaald aan de
hand van een algemeen aanvaarde methode en op basis van het
prijspeil op het moment van de indiening van de aanvraag;
c. een omrekening van de
overeenkomstig onderdeel b bepaalde kosten naar de kosten op het
moment van de buitengebruikstelling en de ontmanteling, bepaald
aan de hand van een algemeen aanvaarde indexeringsmethode;
d. een overzicht waaruit blijkt dat
het bedrag van de berekening van de kosten op het moment van de
buitengebruikstelling en de ontmanteling is gedekt door
financiële zekerheid.
3. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de aanvraag om goedkeuring.
Artikel 44b
1. De houder van een vergunning voor
het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarin kernenergie kan
worden vrijgemaakt, actualiseert de wijze waarop financiële zekerheid
is gesteld nadat het ontmantelingsplan of een wijziging daarvan door
Onze Minister is goedgekeurd of wanneer Onze Minister of Onze Minister
van Financiën dit nodig acht.
2. De vergunninghouder, bedoeld in het
eerste lid, dient binnen zes maanden na goedkeuring van het
ontmantelingsplan onderscheidenlijk binnen zes maanden nadat Onze
Minister of Onze Minister van Financiën kenbaar heeft gemaakt
actualisatie van de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld,
nodig te achten, een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde
financiële zekerheid in.
Artikel 44c
1. Gelijktijdig met de aanvraag om een
vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarin
kernenergie kan worden vrijgemaakt, wordt een aanvraag ingediend om
goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld.
2. Indien het eerste lid van toepassing
is, wordt in afwijking van artikel 44a, tweede lid, onder a, bij het
overzicht van de verschillende kostenposten voor de
buitengebruikstelling en de ontmanteling uitgegaan van het
ontmantelingsplan zoals dat is ingediend bij de aanvraag om een
vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van de
inrichting.
Artikel 44d
1. De houder van een vergunning voor
het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarin kernenergie kan of
kon worden vrijgemaakt, actualiseert de wijze waarop financiële
zekerheid is gesteld na wijziging van die vergunning, voor zover die
wijziging betrekking heeft op het ontmantelingsplan.
2. De vergunninghouder, bedoeld in het
eerste lid, dient binnen zes maanden na wijziging van de vergunning
een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële
zekerheid in.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 45
1. Dit besluit kan worden aangehaald
als: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
2. Het treedt in werking op een door
Ons te bepalen tijdstip.
Onze
Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en
Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat
met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 4 september 1969
JULIANA
De Minister van
Economische Zaken,
L. de Block De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R.J.H. Kruisinga
Uitgegeven
de negende oktober 1969
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Bijlage behorende bij artikel 22 van
het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in
artikel 22 zijn:
1. Onbestraald plutonium in
hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan
plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
2. Onbestraald uranium, verrijkt
tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
3. Onbestraald uranium, verrijkt
tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235,
in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
4. Onbestraald uranium, verrijkt
tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10%
uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
5. Onbestraald uranium-233 in
hoeveelheden van meer dan 15 gram
6. Bestraalde splijtstoffen
|