|
BESLUIT van 8 december 1997, houdende een stortverbod
binnen inrichtingen voor aangewezen categorieën van afvalstoffen (Besluit
stortverbod afvalstoffen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 4 november 1997, nr. MJZ97566861, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 8.44, eerste, vierde en
zesde lid, van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 26
november 1997, nr. W08.97.0711);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 december
1997, nr. MJZ97580608, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Stortverboden
Artikel 1
1. Het is verboden in inrichtingen behorende tot een van de
categorieën die zijn aangewezen in bijlage I, onder C, bij het
Besluit omgevingsrecht, de navolgende categorieën van afvalstoffen te
storten:
1. accu's;
2. batterijen;
3. gasontladingslampen of onderdelen daarvan;
4. kwikhoudende thermometers of onderdelen daarvan;
5. oliefilters;
6. afvalstoffen, aangewezen in de bijlage bij beschikking nr.
2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3
mei 2000 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen
overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en
Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot
vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen
overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke
afvalstoffen (PbEG L 226/3) met een van de afvalstoffencodes 18 01
01, 18 01 02, 18 01 03*, 18 01 04, 18 01 06*, 18 01 07, 18 01 08*,
18 01 09, 18 01 10*, 18 02 01, 18 02 02*, 18 02 03, 18 02 05*, 18
02 07*, 18 02 08, 20 01 31* of 20 01 32;
7. verpakkingen van chemicaliën;
8. andere verpakkingen dan verpakkingen van chemicaliën;
9. papier of karton;
10. groente-, fruit- en tuinafval;
11. elektrische en elektronische apparatuur;
12. oxykalkslik;
13. kunststofafval dat vrijkomt in de vorm van procesafval,
produktieafval of produktafval, afkomstig van de rubber- of
kunststofverwerkende industrie;
14.
a. kunststofafval, afkomstig van toepassing van folies in
landbouw;
b. kunststofafval, afkomstig van toepassing van folies in
tuinbouw;
15. banden, afkomstig van motorrijtuigen en aanhangwagens als
bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
16. autowrakken, zijnde motorrijtuigen op meer dan twee wielen
die een afvalstof zijn in de zin van artikel 1.1 van de Wet
milieubeheer, of onderdelen daarvan;
17. shredderafval, afkomstig van de verwerking van
afvalstoffen, behorende tot de categorieën 11 of 16;
18. vliegas die resteert na verbranding in een inrichting die
uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van
huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in een
roosteroven of een wervelbedoven;
19. bouw- en sloopafval en residuen, afkomstig van het bewerken
van bouw- en sloopafval;
20. zeefzand;
21. straalgrit;
22. houtafval;
23. slib, afkomstig van inrichtingen voor het biologisch
zuiveren van afvalwater;
24. grond welke verontreinigingen bevat die de
interventiewaarden als bedoeld in tabel 1 van bijlage 1 behorende
bij de Circulaire bodemsanering 2009 te boven gaan;
25. plantaardig afval, afkomstig van land- of tuinbouw;
26. veilingafval;
27. marktafval;
28. plantsoen- of groenafval;
29. drijfafval;
30.
a. huishoudelijke afvalstoffen;
b. deelstromen, afkomstig van het scheiden of sorteren van
huishoudelijke afvalstoffen;
c. residuen, afkomstig van het bewerken, anders dan door
middel van scheiden of sorteren, of verwerken van deelstromen
als bedoeld onder b;
31.
a. kantoor-, winkel- of dienstenafval;
b. deelstromen, afkomstig van het scheiden of sorteren van
kantoor-, winkel- of dienstenafval;
c. residuen, afkomstig van het bewerken, anders dan door
middel van scheiden of sorteren, of verwerken van deelstromen
als bedoeld onder b;
32.
a. industrieel afval, dat naar aard of samenstelling
overeenkomt met categorie 31, onder a;
b. deelstromen, afkomstig van het scheiden of sorteren van
industrieel afval als bedoeld onder a;
c. residuen, afkomstig van het bewerken, anders dan door
middel van scheiden of sorteren, of verwerken van deelstromen
als bedoeld onder b;
33. vloeibare afvalstoffen;
34. afvalstoffen die ontplofbaar, corrosief, oxiderend, licht
ontvlambaar of ontvlambaar zijn, zoals omschreven in bijlage III
bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;
35. niet-geďdentificeerde of nieuwe chemische stoffen, die
afkomstig zijn van onderzoek, ontwikkelingsactiviteiten of
onderwijs en waarvan de effecten op de volksgezondheid of het
milieu niet bekend zijn.
2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid, onder 1 tot en met 11,
geldt alleen voor zover deze afvalstoffen afzonderlijk zijn ingezameld
of afgegeven.
3. Een wijziging in de bijlage van beschikking nr. 2000/532/EG gaat
voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag
waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
3. Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel 34, bedoelde
bijlage gaat voor de toepassing van dat onderdeel gelden met ingang
van de dag waarop aan de betreffende wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
4. Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen om te
voldoen aan de voorschriften, bedoeld inartikel 11f, eerste lid, onder
c.
Artikel 2
Het in artikel 1 gestelde verbod geldt niet met betrekking tot
afvalstoffen, behorende tot de categorieën, genoemd in artikel 1:
a. onder 8, voor zover het schoongespoelde verpakkingen van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden betreft;
b. onder 19, voor zover het niet herbruikbaar en niet
verbrandbaar bouw- en sloopafval, onderscheidenlijk niet
herbruikbare en niet verbrandbare residuen afkomstig van het
bewerken van bouw- en sloopafval al bedoeld in artikel 6 betreft;
c. onder 19, voor zover het bouw- of sloopafval betreft, dat is
verontreinigd met asbest als bedoeld in het
Asbestverwijderingsbesluit 2005, en voldaan is aan de eisen van dat
besluit;
d. onder 21, voor zover het niet reinigbaar straalgrit als
bedoeld in artikel 7 betreft;
e. onder 24, voor zover deze: worden aangeboden onder overlegging
van een verklaring van Onze Minister, waaruit blijkt dat de grond
niet reinigbaar is;
f. onder 33, voor zover het betreft metallisch kwik waarvan het
storten met het oog op de veilige opslag ervan is toegestaan bij of
krachtens verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement
en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van
metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de
veilige opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75).
Artikel 3
1. Het is verboden afvalstoffen, behorende tot de categorieën,
genoemd in artikel 1, op of in de bodem te brengen in inrichtingen als
bedoeld in categorie 28.1, onder d, van bijlage I, onder C, bij het
Besluit omgevingsrecht, anders dan voor het opslaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover
deze worden toegepast als bouwstof, grond of baggerspecie
overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:
a. categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de
categorieën 20, 21 en 24;
b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken
van grond of baggerspecie.
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 1 kan het bevoegd gezag bij het
verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning voor een inrichting
in de daaraan te verbinden voorschriften bepalen dat het in artikel 1
gestelde verbod niet geldt met betrekking tot het storten van
afvalstoffen, behorende tot een daarbij aangewezen, in dat artikel
genoemde categorie, voor zover dat in het belang van een doelmatig
beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, in gevallen waarin naar het
oordeel van het bevoegd gezag:
a. een tijdelijke stagnatie optreedt in de afzetmogelijkheden
van een produkt dat is verkregen door be- of verwerking van de
betrokken afvalstoffen, terwijl daarvoor geen andere be- of
verwerkingsmogelijkheid beschikbaar is, of
b. een tijdelijk gebrek aan beheersmogelijkheden voor de
betrokken afvalstoffen bestaat of ontstaat, of
c. door een ongewoon voorval het op een andere wijze beheren
van de betrokken afvalstoffen niet mogelijk is.
2. Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste lid,
zendt het een afschrift van de vergunning aan Onze Minister.
3. Het bevoegd gezag stemt slechts in met de toepassing van een op
grond van het eerste lid in de vergunning opgenomen voorschrift, voor
zover Onze Minister verklaart dat geen andere wijze van afvalbeheer
mogelijk is.
4. Onze Minister wijst bij ministeriële regeling de gegevens aan,
die het bevoegd gezag ten behoeve van het toepassen van het derde lid
aan hem verstrekt. Onze Minister kan categorieën van gevallen
aanwijzen, waarin het tweede en het derde lid niet van toepassing
zijn.
5. Het eerste lid geldt niet voor de categorieën van afvalstoffen,
genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 6, 15, 33, 34 en 35.
6. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning geen voorschrift
als bedoeld in het eerste lid, indien daardoor strijd zou ontstaan met
het ingevolge artikel 11f bepaalde.
Artikel 5 [Vervallen per 01-12-2009]
Artikel 6
1.Bij ministeriële regeling geeft Onze Minister de gevallen aan,
waarin bouw- en sloopafval en residuen afkomstig van het bewerken van
bouw- en sloopafval niet herbruikbaar zijn.
2.Bij ministeriële regeling kan Onze Minister voorts de gevallen
aangeven, waarin niet herbruikbaar bouw- en sloopafval en niet
herbruikbare residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en
sloopafval niet verbrandbaar zijn.
Artikel 7
Bij ministeriële regeling geeft Onze Minister de gevallen aan,
waarin straalgrit niet reinigbaar is.
Artikel 8 [Vervallen per 15-01-1998]
Artikel 9 [Vervallen per 15-01-1998]
Artikel 10
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 11
Voor een inrichting waarvoor een verbod als bedoeld in de artikelen 1
of 3 gaat gelden en waarin onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip
waarop dat verbod gaat gelden, handelingen plegen te worden verricht,
als waarop dat verbod betrekking heeft, blijft dat verbod met betrekking
tot die handelingen buiten toepassing gedurende 3 maanden na dat
tijdstip.
Paragraaf 2. Bepalingen met betrekking tot stortplaatsen
Artikel 11a
In het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt verstaan onder:
anorganische afvalstoffen: afvalstoffen met een organisch
stofgehalte van ten hoogste tien procent;
behandeling: fysische, thermische, chemische of biologische
processen, met inbegrip van het sorteren, die de eigenschappen van
de afvalstoffen zodanig veranderen dat het volume of de gevaarlijke
eigenschappen worden gereduceerd, de behandeling wordt
vergemakkelijkt of de nuttige toepassing wordt bevorderd;
cel: stortvak of een deel daarvan met een bepaalde hoogte;
inerte afvalstoffen: onbrandbare afvalstoffen die geen
significante fysische, chemische of biologische veranderingen
ondergaan;
korrelvormige afvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde
monolithische afvalstoffen;
monolithische afvalstoffen: afvalstoffen die door menging met
toeslagstoffen of andersoortige bewerkingen zijn omgevormd tot
afvalstoffen met een beperkte uitloging en een duurzame vaste vorm;
omschrijving: omschrijving als bedoeld in artikel 10.39, eerste
lid, onder a, van de Wet milieubeheer;
ondergrondse stortplaats: stortplaats waar afvalstoffen in de
diepe ondergrond worden gebracht;
Raad voor Accreditatie: Stichting Raad voor Accreditatie te
Utrecht;
regelmatige afvalstoffen: afvalstoffen die regelmatig tijdens
hetzelfde proces ontstaan en een constante samenstelling hebben;
stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen: gevaarlijke
afvalstoffen waarvan het uitlooggedrag onder normale omstandigheden
niet in ongunstige zin verandert;
stortplaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 8.47,
eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer;
vergunning: een omgevingsvergunning voor een inrichting.
Artikel 11b [Vervallen per 21-07-2009]
Artikel 11c
1. Aan de vergunning verbindt het bevoegd gezag voorschriften of
beperkingen, waarin ten minste is opgenomen:
a. tot welke van de hierna volgende klassen de stortplaats, dan
wel de onderscheiden delen van de stortplaats, behoort:
1°. stortplaats voor inerte afvalstoffen, niet zijnde een
ondergrondse stortplaats;
2°. stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet
zijnde een ondergrondse stortplaats;
3°. stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde
een ondergrondse stortplaats;
4°. ondergrondse stortplaats;
b. een lijst van de afvalstoffen die op de stortplaats of het
desbetreffende deel van de stortplaats worden gestort;
c. de hoeveelheid afvalstoffen die ten hoogste op de
stortplaats wordt gestort;
d. maatregelen voor het voorkomen of beperken van overlast en
risico's ten gevolge van:
– stank en stof,
– zwerfvuil,
– lawaai en verkeer,
– vogels, ongedierte en insekten,
– aërosolen, en
– brand.
2. Ten aanzien van de toegankelijkheid van de stortplaats verbindt
het bevoegd gezag aan de vergunning:
a. voorschriften, inhoudende dat de omheining zodanig is dat
vrije toegang tot de stortplaats niet mogelijk is, en
b. voorschriften, inhoudende een controle- en toegangssysteem
dat bestaat uit een programma van maatregelen om illegaal storten
van afvalstoffen op de stortplaats op te sporen of tegen te gaan.
3. Voorts verbindt het bevoegd gezag aan een zodanige vergunning
voorschriften, inhoudende dat ten minste eenmaal per jaar aan het
bevoegd gezag verslag wordt uitgebracht over de soorten en
hoeveelheden afvalstoffen die op de stortplaats zijn gestort.
Artikel 11d
Het bevoegd gezag kan bij het verlenen of wijzigen van een vergunning
afwijken van de voorschriften die in de bijlage bij dit besluit zijn
opgenomen, voor zover dit uitdrukkelijk in die bijlageis vermeld.
Artikel 11e
1. Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor een
inrichting voor de opslag van afvalstoffen het voorschrift dat opslag
van afvalstoffen is toegestaan voor een termijn van ten hoogste één
jaar.
2. Indien de vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag
aantoont dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige
toepassing van afvalstoffen, kan het bevoegd gezag, in afwijking van
het eerste lid, aan een zodanige vergunning het voorschrift verbinden
dat de opslag van afvalstoffen is toegestaan voor een termijn van ten
hoogste drie jaar.
3. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede
lid, aan een vergunning voor een inrichting voor de opslag in
oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke
afvalstof als bedoeld in de Wet milieubeheer het voorschrift verbinden
dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten hoogste tien
jaar.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid gelden met betrekking
tot de bij voorschrift aan een vergunning, voor de opslag van
metallisch kwik, te verbinden termijnen de daarover bij of krachtens
verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad
van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch
kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van
metallisch kwik (PbEU L 304/75) gestelde regels.
Artikel 11f
1. Het is verboden op een stortplaats afvalstoffen te accepteren:
a. die geen behandeling hebben ondergaan,
b. indien aan degene die de stortplaats drijft, met betrekking
tot de afvalstoffen geen omschrijving is verstrekt die voldoet aan
artikel 10 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen, of
c. die blijkens de omschrijving die aan degene die de
stortplaats drijft is verstrekt, in geval van:
1°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste
lid, onder a, onder 1°: niet voldoen aan de bij of krachtens
onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit gestelde
voorschriften;
2°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste
lid, onder a, onder 2°: niet voldoen aan de bij of krachtens
onderdeel 2 van de bijlage bij dit besluit gestelde
voorschriften;
3°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste
lid, onder a, onder 3°: niet voldoen aan de bij of krachtens
onderdeel 3 van de bijlage bij dit besluit gestelde
voorschriften;
4°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste
lid, onder a, onder 4°: niet voldoen aan de bij of krachtens
onderdeel 4 van de bijlage bij dit besluit gestelde
voorschriften.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt
niet ten aanzien van:
a. inerte afvalstoffen: indien de behandeling technisch niet
realiseerbaar is, en
b. andere afvalstoffen: indien de behandeling niet bijdraagt
aan het beperken van de negatieve gevolgen van het storten voor de
volksgezondheid of het milieu.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt
niet ten aanzien van monolithische afvalstoffen.
4. Degene die een stortplaats drijft:
a. bewaart de in het eerste lid, onder c, bedoelde omschrijving
gedurende vijf jaar nadat de laatste partij afvalstoffen waarop de
omschrijving betrekking heeft, is geaccepteerd, en
b. stelt het bevoegd gezag onverwijld in kennis van een
weigering om afvalstoffen te accepteren, waarbij melding wordt
gemaakt van de naam van degene van wie de afvalstoffen afkomstig
zijn en van de aard van de afvalstoffen.
5. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de acceptatie van gevaarlijke, anorganische,
monolithische afvalstoffen. Bij de regeling, bedoeld in de eerste
volzin, worden tevens regels gesteld met betrekking tot de wijze van
storten van zodanige afvalstoffen.
Artikel 11g
1. Degene die een stortplaats drijft, verricht alvorens
afvalstoffen te accepteren, achtereenvolgens de volgende handelingen:
a. hij controleert de volledigheid van de in de omschrijving,
bedoeld inartikel 11f, eerste lid, onder c, opgenomen gegevens;
b. hij onderwerpt de afvalstoffen aan een visuele inspectie.
2. De visuele inspectie, bedoeld in het eerste lid, kan
plaatsvinden op de plaats van verzending van de afvalstoffen naar de
stortplaats, in gevallen waarin de stortplaats deel uitmaakt van
dezelfde inrichting als de inrichting waarbinnen de afvalstoffen zijn
vrijgekomen.
3. Het bevoegd gezag kan voorschriften aan de vergunning verbinden,
inhoudende een verplichting om de afvalstoffen aan een uitgebreide
inspectie te onderwerpen. Indien toepassing wordt gegeven aan de
eerste volzin, worden aan de vergunning voorschriften verbonden met
betrekking tot de wijze waarop, de frequentie waarmee en de plaats
waar de uitgebreide inspectie moet plaatsvinden.
4. De monsters die in het kader van de visuele inspectie zijn
genomen, worden gedurende een periode van ten minste een maand nadat
deze zijn genomen, bewaard.
5. De persoon, bedoeld in het eerste lid, registreert de datum, het
tijdstip en de resultaten van de visuele inspectie.
Artikel 11h
1. Degene die een stortplaats drijft, draagt er zorg voor dat ten
minste eenmaal per jaar door middel van het nemen en analyseren van
monsters wordt gecontroleerd of de regelmatige afvalstoffen die hij
accepteert:
a. in overeenstemming zijn met de omschrijving, bedoeld in
artikel 11f, eerste lid, onder c, en
b. voldoen aan de ingevolge dat onderdeel van toepassing zijnde
voorschriften.
2. Hij draagt er tevens zorg voor dat met betrekking tot de
monsterneming en analyse van monsters gegevens worden geregistreerd.
3. De analyse van de monsters wordt uitgevoerd door een persoon of
instelling die beschikt over een bewijs waarmee de Raad voor
Accreditatie of een daaraan gelijkwaardig instituut in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, kenbaar heeft
gemaakt dat gedurende de periode waarin deze worden uitgevoerd, een
gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de betrokken persoon of
instelling competent is voor het uitvoeren van de analyse
overeenkomstig de krachtens het vierde lid gestelde regels. Met
toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie als bedoeld in de
eerste volzin.
4. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent de monsterneming, de analyse van monsters en de registratie.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen waarvoor
ingevolge artikel 10a, tweede lid, onder a, b, c, d, f of g, van het
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen de in
het eerste lid van dat artikel gestelde verplichting niet geldt.
6. Degene die een stortplaats drijft, bewaart de resultaten van de
analyse van een monster gedurende vijf jaar nadat de analyse is
uitgevoerd.
7. Het is verboden te doen handelen in strijd met het derde lid.
8. Dit artikel is niet van toepassing op monolithische
afvalstoffen.
Artikel 11i
1. Degene die een stortplaats drijft, registreert de op de
stortplaats geaccepteerde afvalstoffen.
2. De registratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste een
overzicht van de stortvakken en stortlagen waar afvalstoffen zijn
gestort.
Paragraaf 3. Uitbreiding werkingssfeer
Artikel 11k
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder radioactieve
afvalstof, natuurlijke bron, activiteit en activiteitsconcentratie
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid,
van het Besluit stralingsbescherming.
2. Dit besluit is met uitzondering van paragraaf 1 van
overeenkomstige toepassing op radioactieve afvalstoffen van
natuurlijke bronnen van ioniserende straling, waarin:
a. de activiteit van de betrokken natuurlijke bronnen op enig
moment gelijk is aan of hoger is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij
het Besluit stralingsbescherming vermelde waarde, en
b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke
bronnen gelijk is aan of hoger is dan de in bijlage 1, tabel 1,
bij het Besluit stralingsbescherming vermelde waarde en lager is
dan tien maal deze waarde.
3. Voor zover ingevolge het tweede lid dit besluit van
overeenkomstige toepassing is op de in dat lid bedoelde afvalstoffen,
worden die afvalstoffen, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, van
de Wet milieubeheer, voor de toepassing van dit besluit en de daarop
berustende bepalingen mede aangemerkt als afvalstoffen in de zin van
die wet.
4. Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het tweede lid te
vermengen met of te voegen bij een afvalstof waarvoor ingevolge
paragraaf 1 een stortverbod geldt, teneinde die afvalstof te storten.
Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12
Na inwerkingtreding van dit besluit:
a. berusten de krachtens het Besluit stortverbod afvalstoffen
(Stb. 1995, 345) vastgestelde regels en andere besluiten op dit
besluit;
b. worden de met toepassing van het Besluit stortverbod
afvalstoffen (Stb. 1995, 345) vastgestelde regels en andere
besluiten gelijkgesteld met regels onderscheidenlijk besluiten,
vastgesteld met toepassing van dit besluit.
Artikel 12a
Dit besluit berust mede op artikel 32, eerste lid, van de
Kernenergiewet.
Artikel 13 [Vervallen per 21-07-2009]
Artikel 14
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier
weken zijn verstreken sedert de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst met uitzondering van artikel 1, eerste lid,
categorieën 11, 13, 17, 18, 23 en 25, artikel 2, onderdeel b, artikel
6, tweede lid, en artikel 9; deze artikelen of onderdelen daarvan
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend
kan worden vastgesteld.
2. Artikel 2, onder a, vervalt met ingang van een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 december 1997
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer a.i.,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de achttiende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage, behorend bij de artikelen 11d en 11f, eerste
lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden
afvalstoffen
Onderdeel 1. Afvalstoffen op een
stortplaats voor inerte afvalstoffen
Voorschrift 1.1
Op een stortplaats voor inerte
afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:
a. afvalstoffen die voldoen aan een
in de in tabel 1.1 opgenomen beschrijving en aan de daarbij
aangegeven restricties;
b. andere afvalstoffen dan bedoeld
onder a, waarvan de waarden van de parameters, genoemd in de
tabellen 1.2 en 1.3, gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de bij die
parameters aangegeven waarden.
Voorschrift 1.2
1. Op verzoek van de aanvrager van een
vergunning of de vergunninghouder kan het bevoegd gezag voor een
daarbij aangegeven afvalstof in de vergunning drie maal zo hoge
waarden vaststellen als de in de tabellen 1.2 en 1.3 aangegeven
waarden van de parameters, indien de emissies van de stortplaats voor
inerte afvalstoffen, waaronder de emissie van percolaat, op basis van
een bij dat verzoek gevoegde risicoanalyse geen extra risico’s
zullen opleveren voor het milieu.
2. Het eerste lid geldt niet voor de in
tabel 1.2 aangegeven waarde voor opgeloste organische koolstof (DOC)
en voor de in de tabel 1.3 aangegeven waarde voor BTEX, PCB’s en
minerale olie.
3. In afwijking van het eerste lid kan
het bevoegd gezag in de vergunning maximaal een twee maal zo hoge
waarde voor totaal organische koolstof (TOC) vaststellen dan de in
tabel 1.3 daarvoor aangegeven waarde.
4. Het bevoegd gezag kan in afwijking
van de in tabel 1.3 aangegeven waarde voor totaal organische koolstof
(TOC) in de vergunning bepalen dat in geval van grond een hogere
waarde wordt toegestaan, mits voor opgeloste organische koolstof (DOC)
een waarde van 500 mg/kg niet overschreven wordt bij L/S=10 l/kg en
bij de pH-waarde van grond zelf dan wel een pH-waarde tussen 7,5 en 8.
Tabel 1.1
| Euralcode |
Beschrijving |
Restricties |
|
101103 |
Vezelmateriaal op basis van
afvalglas |
Alleen zonder organische
bindmiddelen |
|
150107 |
Glasverpakking |
|
|
170101 |
Beton |
Alleen geselecteerd bouw- en
sloopafval* |
|
170102 |
Bakstenen |
Alleen geselecteerd bouw- en
sloopafval* |
|
170103 |
Tegels en keramiek |
Alleen geselecteerd bouw- en
sloopafval* |
|
170107 |
Mengsels van beton, bakstenen,
tegels en keramiek |
Alleen geselecteerd bouw- en
sloopafval* |
|
170202 |
Glas |
|
|
170504 |
Grond en stenen |
Uitgezonderd teelaarde, turf;
uitgezonderd grond en stenen afkomstig van vervuilde locaties |
|
191205 |
Glas |
|
|
200102 |
Glas |
Alleen gescheiden ingezameld glas |
|
200202 |
Grond en stenen |
Alleen afkomstig van tuin- en
parkafval; teelaarde en turf uitgezonderd |
* Geselecteerd bouw- en sloopafval: met
lage concentraties van andere typen materialen (zoals metalen,
kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van het
afval moet bekend zijn.
– Geen bouw- en sloopafval afkomstig
van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke
stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw,
bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere
gevaarlijke stoffen, tenzij duidelijk is aangetoond dat het gesloopte
gebouw niet ernstig was vervuild.
– Geen bouw- en sloopafval afkomstig
van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen
die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.
– De afvalstoffen bestaan uit één
afvaltype uit dezelfde bron. Verschillende afvalstoffen uit deze tabel
kunnen te zamen worden geaccepteerd, mits ze van dezelfde bron afkomstig
zijn.
Tabel 1.2
| Parameter |
Waarde bij L/S=10
l/kg
mg/kg droge stof |
|
As |
0,5 |
|
Ba |
20 |
|
Cd |
0,04 |
|
Cr totaal |
0,5 |
|
Cu |
2 |
|
Hg |
0,01 |
|
Mo |
0,5 |
|
Ni |
0,4 |
|
Pb |
0,5 |
|
Sb |
0,06 |
|
Se |
0,1 |
|
Zn |
4 |
|
Chloride |
800 |
|
Fluoride |
10 |
|
Sulfaat |
1000* |
|
Fenolindex |
1 |
|
Opgeloste organische koolstof (DOC)** |
500 |
|
Totaal opgeloste vaste stoffen (TDS)*** |
4.000 |
* Als de afvalstoffen niet aan deze
waarde voor sulfaat voldoen, is de restrictie dat de uitloging een
waarde van 1.500 mg/l uitgedrukt als C0 bij L/S = 0,1 l/kg en een waarde
van 6.000 mg/kg bij L/S = 10 1/kg niet overschrijdt. C0 is het eerste
eluaat van de kolomproef bij L/S = 0,1 l/kg.
** Als de afvalstoffen bij hun eigen
pH-waarde niet aan deze waarde voor opgeloste organische koolstof (DOC)
voldoen, is de restrictie dat de uitloging een waarde van 500 mg/kg niet
overschrijdt bij L/S = 10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,5 en 8,0.
*** De waarden voor totaal opgeloste
vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat
en chloride worden gebruikt.
Tabel 1.3
| Parameter |
Waarde
mg/kg |
|
Totaal organische koolstof (TOC) |
30.000 |
|
BTEX (benzeen, tolueen,
ethylbenzeen en xyleen) |
6 |
|
PCB’s (polychloorbifenylen, 7
ongeneren) |
1 |
|
Minerale olie (C10 t/m C40) |
500 |
|
PAK’s (polycyclische aromatische
koolwaterstoffen) |
40 |
Onderdeel 2. Afvalstoffen op een
stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen
Voorschrift 2.1
1. Op een stortplaats voor
niet-gevaarlijke afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:
a. afvalstoffen die ingevolge
voorschrift 1.1 mogen worden geaccepteerd op een stortplaats voor
inerte afvalstoffen;
b. andere niet-gevaarlijke
afvalstoffen, met dien verstande dat in geval zodanige
afvalstoffen in dezelfde cel worden geaccepteerd als stabiele,
niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen de waarden van de
parameters, genoemd in tabel 2.1, gelijk moeten zijn aan of
kleiner moeten zijn dan de bij die parameters aangegeven waarden;
c. niet-gevaarlijke afvalstoffen op
gipsbasis, met dien verstande dat in geval zodanige afvalstoffen
te zamen met andere afvalstoffen als bedoeld onder a of b worden
gestort, de waarden voor opgeloste organische koolstof (DOC) en
totaal organische koolstof (TOC) van die andere afvalstoffen
gelijk moeten zijn aan of kleiner moeten zijn dan de in de
tabellen 2.1 en 2.2 aangegeven waarden;
d. gevaarlijke afvalstoffen die
hechtgebonden asbest of door een bindmiddel gebonden of in
kunststof verpakte asbestvezels bevatten, en die geen andere
gevaarlijke stoffen dan asbest bevatten;
e. stabiele, niet-reactieve
gevaarlijke afvalstoffen, waarvan de waarden van de parameters,
genoemd in de tabellen 2.1 en 2.2, gelijk zijn aan of kleiner zijn
dan de bij die parameters aangegeven waarden en waarvan de
pH-waarde ten minste 6 bedraagt.
2. Op een stortplaats voor
niet-gevaarlijke afvalstoffen mogen niet worden geaccepteerd:
a. in cellen die zijn bestemd voor
biologisch-afbreekbare niet-gevaarlijke afvalstoffen: stabiele,
niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen en niet-gevaarlijke
afvalstoffen op gipsbasis;
b. in cellen die zijn bestemd voor
stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen: biologisch
afbreekbare huishoudelijke afvalstoffen die zijn ingedeeld als
ongevaarlijke afvalstoffen in hoofdstuk 20 van de Europese
afvalstoffenlijst, gescheiden ingezamelde ongevaarlijke fracties
van huishoudelijke afvalstoffen en dezelfde ongevaarlijke
materialen van andere oorsprong;
c. in cellen die bestemd zijn voor
asbesthoudende afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid, onder
d: andere afvalstoffen dan asbesthoudende afvalstoffen en
materiaal dat wordt gebruikt om de afvalstoffen af te dekken.
Voorschrift 2.2
1. Op verzoek van de aanvrager van een
vergunning of de vergunninghouder kan het bevoegd gezag voor een
daarbij aangegeven afvalstof in de vergunning drie maal zo hoge
waarden vaststellen als de in de tabellen 2.1 en 2.2 aangegeven
waarden van de parameters, indien de emissies van de stortplaats voor
niet-gevaarlijke afvalstoffen, waaronder de emissie van percolaat, op
basis van een bij dat verzoek gevoegde risicoanalyse geen extra risico’s
zullen opleveren voor het milieu.
2. Het eerste lid geldt in geval van
niet-gevaarlijke afvalstoffen niet voor de in de tabel 2.1 aangegeven
waarde voor opgeloste organische koolstof (DOC) en in geval van
stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen niet voor de in de
tabellen 2.1 en 2.2 aangegeven waarden voor opgeloste organische
koolstof (DOC), totaal organische koolstof (TOC) en zuurgraad (pH).
3. Het bevoegd gezag kan in afwijking
van de in tabel 2.2 aangegeven waarde voor totaal organische koolstof
(TOC) in de vergunning bepalen dat een hogere waarde wordt toegestaan,
mits voor opgeloste organische koolstof (DOC) een waarde van 800 mg/kg
droge stof niet overschreden wordt bij L/S=10 l/kg en bij de pH-waarde
van het materiaal zelf dan wel een pH-waarde tussen 7,5 en 8.
Tabel 2.1
| Parameters |
Waarde bij L/S=10
l/kg
mg/kg droge stof |
|
As |
2 |
|
Ba |
100 |
|
Cd |
1 |
|
Cr totaal |
10 |
|
Cu |
50 |
|
Hg |
0,2 |
|
Mo |
10 |
|
Ni |
10 |
|
Pb |
10 |
|
Sb |
0,7 |
|
Se |
0,5 |
|
Zn |
50 |
|
Chloride |
15.000 |
|
Fluoride |
150 |
|
Sulfaat |
20.000 |
|
Opgeloste organische koolstof (DOC)* |
800 |
|
Totaal opgeloste vaste stoffen (TDS)** |
60.000 |
* als afvalstoffen bij hun eigen
pH-waarde niet aan de waarde voor opgelost organische koolstof voldoen,
is testen bij L/S=10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,4 en 8.0 toegestaan,
mits daarbij voor opgeloste organische koolstof (DOC) een waarde van 800
mg/kg droge stof niet wordt overschreden. De opgelost organische
koolstof wordt vastgesteld overeenkomstig EN 14429: Karakterisering van
afval – Uitloogproef ter karakterisering – Invloed van pH op
uitloging door middel van initiële toevoeging van zuur/base.
** De waarden voor totaal opgeloste vaste
stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en
chloride worden gebruikt
Tabel 2.2
| Parameter |
Waarde |
|
TOC (totaal organisch koolstof) |
5 gewichtsprocent |
|
Zuurgraad |
Minimaal 6 |
Onderdeel 3. Afvalstoffen op een
stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen
Voorschrift 3.1
Op een stortplaats voor gevaarlijke
afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:
a. afvalstoffen die ingevolge
voorschrift 1.1 mogen worden geaccepteerd op een stortplaats voor
inerte afvalstoffen;
b. afvalstoffen die ingevolge
voorschrift 2.1 mogen worden geaccepteerd op een stortplaats voor
niet-gevaarlijke afvalstoffen en voldoen aan de in tabel 3.1 voor
opgeloste organische koolstof aangegeven waarde;
c. gevaarlijke afvalstoffen waarvan
de waarden van de parameters, genoemd in de tabellen 3.1 en 3.2,
gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de bij die parameters aangegeven
waarden.
Voorschrift 3.2
1. Op verzoek van de aanvrager van de
vergunning of de vergunninghouder kan het bevoegd gezag voor een
daarbij aangegeven afvalstof in de vergunning drie maal zo hoge
waarden vaststellen als de in de tabellen 3.1 en 3.2 aangegeven
waarden van de parameters, indien de emissies van de stortplaats voor
gevaarlijke afvalstoffen, waaronder de emissie van percolaat, op basis
van een bij dat verzoek gevoegde risicoanalyse geen extra risico’s
zullen opleveren voor het milieu.
2. Het eerste lid geldt niet voor de in
de tabel 3.1 aangegeven waarde voor opgeloste organische koolstof (DOC)
en de in tabel 3.2 aangegeven waarde voor gewichtsverlies bij gloeien
(LOI) of totaal organische koolstof (TOC).
3. Het bevoegd gezag kan in afwijking
van de in tabel 3.2 aangegeven waarde voor totaal organische koolstof
(TOC) in de vergunning bepalen dat een hogere waarde wordt toegestaan,
mits voor opgeloste organische koolstof (DOC) een waarde van 1.000
mg/kg droge stof niet overschreden wordt bij L/S=10 l/kg en bij de
pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH-waarde tussen 7,5 en
8.
Tabel 3.1
| Parameters |
Waarde bij L/S=10
l/kg
Mg/kg droge stof |
|
As |
25 |
|
Ba |
300 |
|
Cd |
5 |
|
Cr totaal |
70 |
|
Cu |
100 |
|
Hg |
2 |
|
Mo |
30 |
|
Ni |
40 |
|
Pb |
50 |
|
Sb |
5 |
|
Se |
7 |
|
Zn |
200 |
|
Chloride |
25.000 |
|
Fluoride |
500 |
|
Sulfaat |
50.000 |
|
Opgeloste organische koolstof (DOC)* |
1000 |
|
Totaal opgeloste vaste stoffen (TDS)** |
100.000 |
* als afvalstoffen bij hun eigen
pH-waarde niet aan de waarde voor opgelost organische koolstof voldoen,
is testen bij L/S=10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,4 en 8.0 toegestaan,
mits daarbij voor opgeloste organische koolstof (DOC) een waarde van
1.000 mg/kg droge stof niet wordt overschreden. De opgelost organische
koolstof wordt vastgesteld overeenkomstig EN 14429: Karakterisering van
afval – Uitloogproef ter karakterisering – Invloed van pH op
uitloging door middel van initiële toevoeging van zuur/base.
** De waarden voor totaal opgeloste vaste
stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en
chloride worden gebruikt
Tabel 3.2
| Parameter |
Waarden |
|
LOI* |
10% (gewichtsprocent) |
|
Totaal organische koolstof (TOC) |
6% (gewichtsprocent) |
* Er kan een keuze gemaakt worden tussen
LOI of totaal organische koolstof (TOC). In ieder geval moet één van
deze parameters worden gebruikt.
Onderdeel 4. Afvalstoffen op een
ondergrondse stortplaats
Voorschrift 4.1
1. Op een ondergrondse stortplaats
mogen afvalstoffen slechts worden geaccepteerd, indien:
a. deze niet behoren tot een in
onderdeel 2.1 van bijlage A bij beschikking nr. 2003/33/EG van de
Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling
van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op
stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van
Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (Pb
EG L 11) aangewezen categorie,
b. deze in overeenstemming zijn met
de veiligheidsbeoordeling, bedoeld in artikel 5a, onder c, van het
Stortbesluit bodembescherming van die stortplaats,
c. voor zover het een ondergrondse
stortplaats voor inerte afvalstoffen betreft, de afvalstoffen
ingevolge voorschrift 1.1 mogen worden geaccepteerd op een
stortplaats voor inerte afvalstoffen, en
d. voor zover het een ondergrondse
stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen betreft, de
afvalstoffen ingevolge voorschrift 1.2 mogen worden geaccepteerd
op een stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen.
2. Een wijziging van onderdeel 2.1 van
bijlage A van de in het eerste lid bedoelde beschikking gaat voor de
toepassing van het eerste lid, onder a, gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij
bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt,
een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Bijlage I [Vervallen per 21-07-2009]
Bijlage II [Vervallen per 21-07-2009]
|