|
BESLUIT van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19,
eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van
Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 23
augustus 1968, nr. 668/639 W.J.A., de Centrale Raad voor de Kernenergie
gehoord;
Gelet op de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 26, 29, 30, tweede lid,
31, 32 en 35 van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82);
De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1968,
nr. 88);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en
de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van
Verkeer en Waterstaat van 3 september 1969, nr. 669/585 W.J.A.;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
* collo: verpakking met radioactieve inhoud, gereed voor
verzending;
* handeling: vervoeren, binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen, of voorhanden hebben bij opslag in verband met
vervoer van een:
1º. splijtstof,
2º. erts,
3º. kunstmatige bron of
4º. natuurlijke bron, voorzover deze is of
wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen,
uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische
noodsituatie;
* lid van de bevolking: een persoon uit de bevolking binnen
of buiten een locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn
werktijd of een persoon die een radiologische verrichting ondergaat;
* locatie: inrichting, als bedoeld in artikel 15, onder b,
van de wet, of als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de
Wet milieubeheer of plaats, waar een handeling of een werkzaamheid
wordt verricht;
* ondernemer: degene onder wiens verantwoordelijkheid een
handeling of werkzaamheid wordt verricht;
* Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie;
* de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land:
richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van
gevaarlijke goederen over land (PbEG L 260);
* VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke
stoffen;
* VLG: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen;
* VSG: Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen;
* werkzaamheid: vervoeren, binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen, of voorhanden hebben bij opslag in verband met
vervoer van een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt
bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, uitgezonderd
bij een interventie, een ongeval of een radiologische noodsituatie;
* wet: Kernenergiewet.
2. Een wijziging van de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen
over land gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van
de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven.
3. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «activiteit», «besmetting»,
«blootstelling», «effectieve dosis», «equivalente dosis»,
«gezondheidsschade», «radiologische verrichting» en «schade»
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van
het Besluit stralingsbescherming.
4. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «bron», «kunstmatige bron»,
«open bron» en «natuurlijke bron» verstaan hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit
stralingsbescherming, voorzover dat betrekking heeft op radioactieve
stoffen.
5. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder «gehalte», «natuurlijk
uranium», «verrijkingsgraad» en «verrijkt uranium»
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van
het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
Artikel 1a
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen die een
integraal onderdeel vormen van het vervoermiddel;
b. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen die binnen een
inrichting of een locatie of tussen twee locaties binnen een
inrichting van de ondernemer worden vervoerd, indien het vervoer
onderworpen is aan regelgeving die op de inrichting van toepassing
is en het vervoer niet via de openbare weg plaatsvindt;
c. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen, die in het
menselijk lichaam of in levende dieren aanwezig zijn;
d. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen in bij regeling
van Onze Minister aangewezen producten bestemd voor gebruik op of in
de directe omgeving van personen;
e. natuurlijke bronnen waarmee werkzaamheden worden verricht,
indien de activiteitsconcentratie daarvan lager is dan of gelijk is
aan tien keer de waarden, vermeld in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1
bij de VSG.
Artikel 1b
Het bij of krachtens de artikelen 1, derde lid, 3, 4, eerste, tweede,
derde, zesde en zevende lid, 5, 7, tweede en vierde tot en met zevende
lid, 8, 9, tweede en vierde lid, 10, eerste en derde lid, 11, eerste,
tweede en zevende lid, 14, eerste, derde en vierde lid, 15, eerste en
vijfde lid, 16, 17, 20, eerste en tweede lid, 48 tot en met 51, 76 tot
en met 80, 83 tot en met 101, 112 tot en met 114, 116 tot en met 119,
122, eerste lid en 124 van het Besluit stralingsbescherming bepaalde,
met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald over toestellen, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 3, zesde lid, in
plaats van «bijlage 1, tabel 1 en tabel 2», wordt gelezen:
tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij de VSG;
b. met uitzondering van de
artikelen 7 en 9, tweede lid, in plaats van« deskundige» telkens
wordt gelezen: veiligheidsadviseur als bedoeld in de Regeling
veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen;
c. de overeenkomstige toepassing van artikel 10, eerste lid, onder
d, en 11, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geen
betrekking heeft op bronnen;
d. het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen
betreft, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
e. de artikelen 114 en 119 alleen van overeenkomstige toepassing
zijn voor het geval een categorie B ongeval wordt opgeschaald tot een
categorie A ongeval;
f. bij de overeenkomstige
toepassing van artikel 124 in plaats van «die van dit besluit
afwijken» wordt gelezen: die van de van overeenkomstige toepassing
verklaarde artikelen van het Besluit stralingsbescherming afwijken.
Artikel 1c
Geen vergunning krachtens dit besluit wordt verleend indien:
a. niet aan de krachtens artikel 1b in samenhang met de artikelen
4, 5, 6 en 48 van het Besluit stralingsbescherming geldende
voorwaarden betreffende rechtvaardiging, optimalisatie en
dosislimieten is voldaan;
b. voor een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie
bevindt, als gevolg van de handeling of werkzaamheid waarvoor de
vergunning is aangevraagd en ten gevolge van andere handelingen en
werkzaamheden binnen en buiten deze locatie, een van de volgende
doses wordt overschreden:
1º. een effectieve dosis van 1 mSv in
een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:
2º. een equivalente dosis van 50 mSv in
een kalenderjaar voor de huid gemiddeld over enig huidoppervlak van
1 cm2;
c. de handeling of werkzaamheid waarvoor de vergunning is
aangevraagd, behoort tot een categorie die overeenkomstig de
krachtens artikel 1b in samenhang met de in artikel 4, tweede lid,
van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling als
gerechtvaardigd is bekendgemaakt, maar het specifieke karakter van
deze handeling of werkzaamheid op grond van artikel 4, eerste lid,
van dat besluit niet gerechtvaardigd is.
Artikel 1d
Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de beveiliging van
het vervoer, de opslag in verband met het vervoer en het binnen of
buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van de in
artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
bedoelde splijtstoffen en ertsen en de in artikel 20ca van het Besluit
stralingsbescherming bedoelde radioactieve stoffen.
Hoofdstuk II. Het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in
verband met het vervoer
Afdeling 1. Algemene bepalingen
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 2
1. Het in artikel 15, onder a, van de wet
vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben
bij opslag in verband met het vervoer van splijtstoffen of ertsen,
indien binnen de locatie:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstoffen
of ertsen lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 bij het VSG vermelde
grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending, of
b. de activiteitsconcentratie van die stoffen of ertsen lager is
dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 bij het VSG vermelde waarde voor de
activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bestraalde
splijtstoffen beoordeeld naar onbestraalde toestand.
3. Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid,
van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij regeling van Onze
Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in
daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een
te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de
bevolking.
Artikel 3
1. De aanvraag om een vergunning voor het
vervoeren van splijtstoffen of voor het voorhanden hebben van genoemde
stoffen bij opslag in verband met het vervoer bevat de volgende
gegevens:
a. naam en adres van de aanvrager;
b. naam en adres van de afzender;
c. naam en adres van degene, voor wie de splijtstoffen bestemd
zijn;
d. het traject of de trajecten, waarlangs het vervoer zal
plaatsvinden;
e. een omschrijving van het vervoermiddel of de vervoermiddelen,
waarmede het vervoer zal worden verricht;
f. de vermoedelijke datum van het vervoer of de duur, waarvoor
vergunning wordt gevraagd;
g. de hoeveelheid te vervoeren splijtstoffen;
h. in gevallen van colli met het type B(M) of indien de bepalingen
voor verpakkingen met splijtstoffen in hoofdstuk 6.4 van bijlage 1 bij
de VSG van toepassing zijn:
1°. een afschrift van certificaten van
goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als
bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze
Minister dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met
toepassing van het tweede lid aangewezen land,
2°. de gegevens, bedoeld in 6.4.23.2(c) van
bijlage 1 bij de VSG;
i. in het geval dat radioactieve stoffen op grond van een speciale
regeling als bedoeld in 1.7.4 worden vervoerd: de gegevens, bedoeld in
6.4.23.3 van bijlage 1 bij de VSG;
j. in gevallen, waarin een met toepassing van het tweede lid
aangewezen land als eerste bij de verzending is betrokken: de door de
bevoegde autoriteit van dat land afgegeven certificaten van
goedkeuring van verzending, bedoeld in 5.1.5.3.1(c) en 5.1.5.3.1(b)
van bijlage 1 bij de VSG;
k. naam en adres van degene, die
de verzekering of andere financiële zekerheid, bedoeld in artikel 4,
zal verstrekken;
l. in voorkomend geval een nauwkeurige aanduiding van de plaats of de
plaatsen, waar opslag van de betrokken splijtstoffen in verband met het
vervoer zal plaatsvinden;
m. indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die
overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4,
tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, geldende regeling
alsgerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die
bekendmaking;
n. een opgave van alle handelingen en werkzaamheden met
splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen en toestellen binnen de
locatie die meldingsplichtig of vergunningplichtig zijn krachtens dit
besluit, het Besluit stralingsbescherming of het Besluit
kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
2. Een aanwijzing van landen als bedoeld in het eerste lid, onder
h en j, geschiedt bij een door plaatsing in de Staatscourant
bekend te maken besluit van Onze Minister.
Uitsluitend aangewezen kunnen worden landen die naar het oordeel van
Onze Minister toepassing geven aan de ter zake door de Internationale
Atoomorganisatie gedane aanbevelingen.
3. Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die
niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de
krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het
Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de aanvraag om een
vergunning tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De
aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking
tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken
handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan
worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de
gerechtvaardigdheid van de handeling.
Artikel 4
1. Aan een vergunning voor het vervoeren van plutonium of
verrijkt uranium bevattende splijtstoffen of voor het voorhanden
hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer
wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de
vergoeding, aan derden toekomende voor schade, hun toegebracht, het
voorschrift verbonden, dat het vervoer over, of het voorhanden hebben
binnen Nederlands grondgebied slechts mag geschieden, indien degene,
die voor schade als bedoeld in een bijzondere wetteli jke
regeling van de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie,
veroorzaakt tijdens het vervoer of de opslag van de splijtstoffen,
aansprakelijk kan zijn, ter dekking van die aansprakelijkheid beschikt
over een verzekering of andere financiële zekerheid als in die
wettelijke regeling bedoeld of over een door Onze Minister van
Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid,
welke niet meer behoeft te bedragen dan € 195 125 492,92.
2. Het vervoeren van plutonium of verrijkt
uranium bevattende splijtstoffen over, en het voorhanden hebben van
genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer binnen Nederlands
grondgebied, waarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a
, van de wet vervatte verbod niet geldt, mogen slechts geschieden,
indien degene, die voor schade als bedoeld in een bijzondere wettelijke
regeling van de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie,
veroorzaakt tijdens het vervoer of de opslag van de splijtstoffen,
aansprakelijk kan zijn, ter dekking van die aansprakelijkheid beschikt
over een verzekering of andere financiële zekerheid als in die
bijzondere wettelijke regeling bedoeld of over een door Onze Minister
van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid,
welke niet meer behoeft te bedragen dan € 195 125 492,92.
3. Het eerste en tweede lid gelden niet
voor het vervoeren en het voorhanden hebben van de daargenoemde stoffen
van een verrijkingsgraad of in hoeveelheden, waarop de daarbedoelde
wettelijke regeling niet van toepassing is.
Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4b
Met betrekking tot het vervoer van splijtstoffen of ertsen over de
spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de
binnenwateren en de met dit vervoer samenhangende laad- en
loswerkzaamheden is de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke
stoffen van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Radioactieve stoffen
Artikel 4c
1. De ondernemer die een radioactieve
stof vervoert, meldt dit vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag
in verband met dat vervoer ten minste drie weken tevoren aan Onze
Minister.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het
vervoeren of het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat
vervoer van een kunstmatige bron of een natuurlijke bron, voorzover deze
is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen,
indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve
stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG
vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in tabel
2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de
activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen, of
c. artikel 5 van toepassing is.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het
vervoeren of het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat
vervoer van een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt
bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken natuurlijke
bron lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG
vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,
b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron
lager is dan tienmaal de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het
VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde
stoffen, of
c. artikel 5 van toepassing is.
4. Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en
achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor bij
regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en werkzaamheden, die
een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
Artikel 4d
1. Een melding, als bedoeld in artikel 4c, eerste lid, bevat in
ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de melding doet, alsmede van
de afzender en de ontvanger van de betrokken radioactieve stof;
b. de wijze van vervoer en opslag in verband met dat vervoer,
waarop de melding betrekking heeft;
c. de hoeveelheid radioactieve stoffen waarop de melding betrekking
heeft, zo mogelijk onder vermelding van symbool, massagetal en
energietoestand van de betrokken radionucliden, van de maximale
activiteit van de stoffen en van de chemische en fysische toestand en
de vorm, waarin deze zich bevinden;
d. de vermoedelijke data waarop het vervoer en het voorhanden
hebben bij de opslag in verband met dat vervoer plaatsvinden;
e. indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden
hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, dat krachtens artikel
1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit
stralingsbescherming, als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een
verwijzing naar die bekendmaking.
2. Indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden
hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, dat niet of als
niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens
artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit
stralingsbescherming geldende regeling, omvat de melding tevens een
verzoek om rechtvaardiging van dat vervoer en het voorhanden hebben bij
de opslag in verband met dat vervoer. De melding bevat dan tevens de
gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen
van het betrokken vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in
verband met dat vervoer en met betrekking tot de gezondheidsschade die
erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de
beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het vervoer en het voorhanden
hebben bij de opslag in verband met dat vervoer.
3. De ondernemer meldt wijzigingen van de in het eerste lid
genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat het vervoer en het
voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, waarop zij
betrekking hebben, plaatsvindt aan Onze Minister.
4. De ondernemer verstrekt Onze Minister op zijn verzoek nadere
gegevens.
Artikel 5
1. Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod
zonder vergunning radioactieve stoffen te vervoeren of voorhanden te
hebben geldt voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in
verband met het vervoer van stoffen in colli van het type B(M) als
bedoeld in hoofdstuk 6.4 van bijlage 1 bij de VSG, tenzij het model
van het collo voldoet aan de eisen met betrekking tot type B(M) zonder
voortdurende druknivellering, gesteld in 6.4.9.1 en 6.4.7.5 van
bijlage 1 bij de VSG, en
a. de activiteit van de radioactieve stoffen niet meer bedraagt dan
aangegeven in 5.1.5.2.2 van bijlage 1 bij de VSG, dan wel
b. zulks in een door Onze Minister afgegeven certificaat van
goedkeuring of erkenning van het model van het te vervoeren collo is
bepaald.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt eveneens voor
radioactieve stoffen, die worden vervoerd:
a. op grond van een speciale regeling als bedoeld in 1.7.4 van
bijlage 1 bij de VSG, of
b. in colli van type B(M), waarvan de activiteit hoger is dan 3 x
103 A1, 3 x 103 A2 of 1000 TBq, waarbij de laagste van deze
waarden bepalend is.
Artikel 6
De aanvraag om een vergunning voor het vervoeren van radioactieve
stoffen en voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in
verband met het vervoer bevat de volgende gegevens:
a. de gegevens,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met g en l tot en met
n, en derde lid, met dien verstande dat telkens in plaats van "splijtstoffen"
wordt gelezen: "radioactieve stoffen"
en in plaats van "handeling":
"handeling of werkzaamheid";
b. in een geval als bedoeld in artikel 5, eerste lid:
1°. een afschrift van certificaten van
goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als
bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze
Minister dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met
overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede lid, aangewezen land,
2°. de gegevens, bedoeld in 6.4.23.2(c) van
bijlage 1 bij de VSG;
c. in een geval als bedoeld in artikel 5, tweede lid: de gegevens,
bedoeld in 6.4.23.3 van bijlage 1 bij de VSG;
d. in gevallen, waarin een met overeenkomstige toepassing van
artikel 3, tweede lid, aangewezen land als eerste bij de verzending is
betrokken: de door de bevoegde autoriteiten van dat land afgegeven
certificaten van goedkeuring van de verzending, bedoeld in
5.1.5.3.1(c) en 5.1.5.3.1(b) van bijlage 1 bij de VSG.
Artikel 6a
Met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen over de
spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de
binnenwateren en de met dit vervoer samenhangende laad- en
loswerkzaamheden is de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke
stoffen van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Vervoer over de spoorweg
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 7
1. Aan een vergunning voor het vervoeren
van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van
genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter
voorkoming van schade zodanige voorschriften verbonden, dat:
a. blootstelling en besmetting, zo veel als redelijkerwijs mogelijk
is, wordt voorkomen;
b. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk
is, deze zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt;
c. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk
is, het aantal aan ioniserende stralen blootgestelde personen, met
vermijding van een ontoelaatbaar te achten blootstelling of besmetting
per persoon, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen
behoren:
a. het voorschrift, dat het vervoer dient te geschieden onder
daarbij aan te wijzen geleide, dan wel de opslag onder daarbij aan te
wijzen toezicht;
b. het voorschrift, dat het vervoer dient plaats te vinden langs
een daarbij aan te geven route;
c. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer,
onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden op grond van andere
voorschriften, zodanige maatregelen dienen te worden genomen, dat
schade zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet
worden voldaan aan door Onze Minister gestelde nadere eisen.
Artikel 8
1. Met betrekking tot het vervoeren van splijtstoffen of ertsen
over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij
opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG
van toepassing. Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de
spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag
in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel
15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt, kan Onze Minister aan
een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden,
voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat
toelaat.
2. Bij het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen bij
opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, indien
daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet
vervatte verbod niet geldt, onverminderd de bepalingen, welke terzake
gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te
worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is,
wordt voorkomen.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste
lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen. Een zodanige ontheffing kan
onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
4. De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan
alleen worden uitgeoefend in de gevallen en onder de voorwaarden,
bedoeld in artikel 6, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn
vervoer gevaarlijke goederen over land.
§ 2. Radioactieve stoffen
Artikel 9
1. Aan een vergunning voor het vervoeren
van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben
van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden
ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel
7, eerste lid.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren
voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a en b.
Artikel 10
1. Met betrekking tot het vervoeren van radioactieve stoffen
over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij
opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG
van toepassing. Indien voor het vervoeren van radioactieve stoffen
over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen
bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in
artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod geldt, kan Onze
Minister aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften
verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over
land dat toelaat.
2. Bij het voorhanden hebben van radioactieve stoffen bij opslag
in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, onverminderd de
bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste
volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als
redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen. Daarbij moet worden voldaan
aan door Onze Minister gestelde nadere eisen.
3. Ten aanzien van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde
bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 3. Vervoer over land, anders dan over de spoorweg
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 11
Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over land,
anders dan over de spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde
stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 7 en
8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van
«VSG» telkens wordt gelezen: VLG.
§ 2. Radioactieve stoffen
Artikel 12
1. Ten aanzien van het
vervoeren van radioactieve stoffen over land, anders dan over de
spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in
verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 9 en 10, eerste en tweede
lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats
van «VSG» wordt gelezen: VLG.
2. Ten aanzien van de krachtens het eerste
lid van toepassing zijnde bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid,
van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Vervoer te water
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 13
Het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod geldt
niet voor het vervoeren van splijtstoffen over de Nederlandse
territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren.
Artikel 14
1. Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen
naar en van zee of over zee zijn de artikelen 7 en 8, eerste, tweede
en derde lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. telkens in plaats van "VSG" wordt gelezen: de
International Maritime Dangerous Goods Code, bedoeld in hoofdstuk VII,
deel A-1, van het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag
voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij
dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;
b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods
Code voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt
aangemerkt;
c. in plaats van een ingevolge de International Maritime Dangerous
Goods Code voor het model van verpakkingen vereiste goedkeuring door
de bevoegde autoriteiten van een of meer daarbij aangewezen landen is
vereist een zodanige goedkeuring, welke is verleend:
1°. hetzij door Onze Minister,
2°. hetzij door de bevoegde autoriteit van
een ander land, dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3,
tweede lid, is aangewezen en dat bij het vervoer betrokken is of waar
het model is ontworpen;
d. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder
Nederlandse vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de
zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
e. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder
vreemde vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de
zending en van het model van de verpakking door de voor Nederland
bevoegde autoriteit niet geldt.
2. Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over
de binnenwateren, anders dan van en naar zee, en het voorhanden hebben
van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de
artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande, dat telkens in plaats van "VSG"
wordt gelezen: VBG.
§ 2. Radioactieve stoffen
Artikel 15
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder
vergunning van Onze Minister radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in
afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve
stoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse
wateren.
Artikel 16
1. Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen naar
en van zee of over zee zijn de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste
en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. in artikel 10, eerste lid, in plaats van "VSG" wordt
gelezen: de International Maritime Dangerous Goods Code, bedoeld in
hoofdstuk VII, deel A-1, van het op 1 november 1974 te Londen
totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb.
1976, 158) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen,
aanhangsels en bijlagen;
b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods
Code voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt
aangemerkt;
c. in plaats van een ingevolge de International Maritime Dangerous
Goods Code voor het model van verpakkingen vereiste goedkeuring door
de bevoegde autoriteiten van een of meer daarbij aangewezen landen is
vereist een zodanige goedkeuring, welke is verleend:
1°. hetzij door Onze Minister,
2°. hetzij door de bevoegde autoriteit van
een ander land, dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3,
tweede lid, is aangewezen en dat bij het vervoer betrokken is of waar
het model is ontworpen;
d. voor vervoer als bedoeld in artikel 15 met een schip onder
Nederlandse vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de
zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
e. voor vervoer als bedoeld in artikel 15 met een schip onder
vreemde vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de
zending en van het model van de verpakking door de voor Nederland
bevoegde autoriteit niet geldt.
2. Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen over de
binnenwateren, anders dan van en naar zee, en het voorhanden hebben van
genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de
artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid, van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in artikel 10, eerste
lid, in plaats van "VSG" wordt gelezen: VBG.
Afdeling 5. Vervoer in een luchtvaartuig
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 17
Het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod geldt
niet voor het vervoeren van splijtstoffen in een luchtvaartuig, waarbij
geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.
Artikel 18
1. Aan een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen in
een luchtvaartuig of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen
bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van
schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen
behoren:
a. het voorschrift dat bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december
1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale
burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij
behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the
safe transport of dangerous goods by air), in acht dienen te worden
genomen, met dien verstande dat voor de toepassing van die regels voor
Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
b. voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c en
d.
Artikel 19
1. Bij het vervoeren van splijtstoffen of ertsen in een
luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij
opslag in verband met zodanig vervoer dienen, indien daarvoor
ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte
verbod niet geldt, bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te
Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke
luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij behorende
technische voorschriften (Technical Instructions for the safe
transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met
dien verstande dat:
a. voor de toepassing van die regels voor Nederland Onze Minister
als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
b. voor het vervoer als bedoeld in artikel 17 in een Nederlands
luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een
zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
c. voor vervoer als bedoeld in artikel 17 in een niet-Nederlands
luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een
zending of van het model van de verpakking door de voor Nederland
bevoegde autoriteit niet geldt.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bepalingen is
artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Radioactieve stoffen
Artikel 20
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder
vergunning van Onze Minister radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in
afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve
stoffen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands
grondgebied plaatsvindt.
Artikel 21
Aan een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een
luchtvaartuig of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij
opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade
voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
Artikel 22
1. Bij het vervoeren van radioactieve stoffen in een
luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij
opslag in verband met zodanig vervoer dienen bijlage 18 (annex 18) van
het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de
burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij
behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the
safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen,
met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van die regels voor Nederland Onze Minister
als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
b. voor vervoer als bedoeld in artikel 20 in een Nederlands
luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een
zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
c. voor vervoer als bedoeld in artikel 20 in een niet-Nederlands
luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een
zending of van het model van de verpakking door de voor Nederland
bevoegde autoriteit niet geldt.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bepalingen is
artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen en
doen brengen
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 23
1. Het in artikel 15, onder a, van de wet
vervatte verbod geldt niet voor het binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstoffen
en ertsen lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het
VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde
zending; of
b. de activiteitsconcentratie van die stoffen en ertsen lager is
dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde
voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bestraalde
splijtstoffen beoordeeld naar onbestraalde toestand.
3. Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid,
van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij regeling van Onze
Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in
daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een
te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de
bevolking.
Artikel 24
1. De aanvraag om een vergunning voor het
binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van
splijtstoffen bevat de volgende gegevens:
a. naam en adres van de aanvrager;
b. de soort handeling, waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. naam en adres van degene, voor wie de splijtstoffen bestemd
zijn;
d. de hoeveelheid, de chemische en fysische toestand, de vorm, het
gehalte en de verrijkingsgraad van de splijtstoffen;
e. het land van herkomst van de splijtstoffen;
f. het land van bestemming van de splijtstoffen;
g. de vermoedelijke datum, waarop de splijtstoffen binnen
Nederlands grondgebied zullen worden gebracht, of de duur, waarvoor
vergunning wordt gevraagd;
h. de plaats, waar de splijtstoffen binnen, onderscheidenlijk
buiten Nederlands grondgebied zullen worden gebracht;
i. indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die
overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4,
tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, geldende regeling
als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die
bekendmaking.
2. Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die
niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de
krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het
Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de aanvraag om een
vergunning tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De
aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking
tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken
handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan
worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de
gerechtvaardigdheid van de handeling.
Artikel 25
1. Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen van splijtstoffen kunnen ter voorkoming van schade
de volgende voorschriften worden verbonden:
a. het voorschrift, dat de splijtstoffen uitsluitend binnen
Nederlands grondgebied mogen worden gebracht, indien zij bestemd zijn
voor een persoon die bevoegd is die stoffen voorhanden te hebben, of
voor een persoon in een ander land dan Nederland;
b. het voorschrift, dat de splijtstoffen uitsluitend binnen,
onderscheidenlijk buiten Nederlands grondgebied mogen worden gebracht
op de plaats die in het voorschrift is vermeld;
c. het voorschrift, dat de vergunning of een gewaarmerkt afschrift
daarvan desverlangd aan een op grond van artikel 58, eerste lid, van
de wet aangewezen ambtenaar ter inzage moet worden gegeven.
2. Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands
grondgebied doen brengen van splijtstoffen kunnen de volgende
voorschriften worden verbonden:
a. het voorschrift, dat de houder van de vergunning uitsluitend
splijtstoffen binnen Nederlands grondgebied mag doen brengen, indien
zij bestemd zijn voor een persoon, die bevoegd is die stoffen
voorhanden te hebben, of voor een persoon in een ander land dan
Nederland;
b. het voorschrift, dat de houder van de vergunning de
splijtstoffen uitsluitend binnen, onderscheidenlijk buiten Nederlands
grondgebied mag doen brengen op een plaats die in het voorschrift is
vermeld;
c. het voorschrift, dat de houder van de vergunning de vergunning
of een gewaarmerkt afschrift daarvan ter beschikking moet stellen aan
degene, die de splijtstoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied
brengt;
d. het voorschrift, dat de houder van de vergunning er voor dient
zorg te dragen, dat aan de voor het betrokken vervoer geldende
voorschriften met betrekking tot de verpakking en de daarop aan te
brengen opschriften en gevaarsetiketten wordt voldaan.
Artikel 26
1. Degene, die splijtstoffen binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengt, draagt, indien voor het binnen Nederlands
grondgebied brengen of doen brengen van die splijtstoffen een
vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet is vereist, ervoor
zorg dat de vergunning of een gewaarmerkt afschrift daarvan tijdens
het vervoer bij de splijtstoffen aanwezig is.
2. Degene, die splijtstoffen of ertsen binnen of buiten
Nederlands grondgebied doet brengen in een geval waarin ingevolge dit
besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet
geldt, draagt ervoor zorg dat aan de voor het betrokken vervoer geldende
voorschriften met betrekking tot de verpakking en de daarop aan te
brengen opschriften en gevaarsetiketten wordt voldaan.
§ 2. Radioactieve stoffen
Artikel 27
1. Het in artikel 29, eerste lid, van de
wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister radioactieve
stoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen
brengen geldt voor:
a. geneesmiddelen en
b. gebruiksartikelen,
waaraan bij de productie en fabricage opzettelijk radioactieve
stoffen zijn toegevoegd.
2. Het in het eerste lid, onder b, bedoelde verbod geldt niet
voor een kunstmatige bron of een natuurlijke bron, voorzover deze is of
wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve
stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG
vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,
of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in tabel
2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de
activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.
3. Het in het eerste lid, onder b, bedoelde verbod geldt niet
voor een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt bewerkt met
het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken natuurlijke
bron lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG
vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,
of
b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron
lager is dan tienmaal de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het
VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde
stoffen.
4. Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en
achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
5. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor bij
regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en werkzaamheden die
een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
Artikel 28
De aanvraag om een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen of doen brengen van radioactieve stoffen als bedoeld
in artikel 27, eerste lid, bevat de volgende gegevens:
a. de gegevens, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, onder a, b en e tot en met i, en tweede lid,
met dien verstande dat in plaats van «splijtstoffen» telkens
wordt gelezen: «radioactieve stoffen» en in plaats van «handeling»
wordt gelezen: «handeling of werkzaamheid»;
b. een opgave en verklaring als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onder c, met dien verstande, dat in plaats van
"splijtstoffen", telkens wordt gelezen: "radioactieve
stoffen";
c. de hoeveelheid radioactieve stoffen, waarop de aanvraag
betrekking heeft, zo mogelijk onder vermelding van symbool, massagetal
en energietoestand van de betrokken nucliden, van de maximale
activiteit van de stoffen en van de chemische en fysische toestand en
de vorm, waarin deze zich bevinden;
d. een omschrijving van de geneesmiddelen of gebruiksartikelen,
waarin de radioactieve stoffen zich bevinden.
Artikel 29 [Vervallen per 28-07-2004]
Artikel 30 [Vervallen per 28-07-2004]
Artikel 31
1. Het binnen Nederlands grondgebied brengen en doen brengen
van radioactieve stoffen mag uitsluitend geschieden, indien die
stoffen bestemd zijn voor een persoon, die bevoegd is die stoffen
voorhanden te hebben, of voor een persoon in een ander land dan
Nederland.
2. Degene, die radioactieve stoffen binnen Nederlands grondgebied
doet brengen, is verplicht er voor zorg te dragen, dat aan de voor het
betrokken vervoer geldende voorschriften met betrekking tot de
verpakking en de daarop aan te brengen opschriften en gevaarsetiketten
wordt voldaan.
Artikel 32
1. De ondernemer die:
a. een radioactieve stof binnen Nederlands grondgebied brengt of
doet brengen vanuit een land buiten de Europese Unie of een
radioactieve stof vanaf Nederlands grondgebied buiten het grondgebied
van de Europese Unie brengt of doet brengen, of
b. een open bron vanaf Nederlands grondgebied naar het grondgebied
van een andere lidstaat van de Europese Unie brengt of doet brengen,
meldt dit tenminste drie weken voordat die handeling of werkzaamheid
plaatsvindt, aan Onze Minister.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor een
kunstmatige bron of een natuurlijke bron, voorzover deze is of wordt
bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve
stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG
vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,
of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in tabel
2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de
activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor een
natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt bewerkt met het oog op
zijn radioactieve eigenschappen, indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken natuurlijke
bron lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG
vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending;
of
b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron
lager is dan tienmaal de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het
VSG vermelde genoemde waarde voor de activiteitsconcentratie voor
vrijgestelde stoffen.
4. Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en
achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet:
a. voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en
werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot
gevolg hebben, of
b. indien artikel 27, eerste lid, van toepassing is.
Artikel 32a
1. De melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, bevat in
ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de melding doet, van de
afzender van de radioactieve stof of de open bron en van de ontvanger
daarvan;
b. de soort handelingen en werkzaamheden waarop de melding
betrekking heeft;
c. het land van herkomst van de radioactieve stoffen of de open
bron;
d. de hoeveelheid radioactieve stoffen of open bronnen, waarop de
melding betrekking heeft, zo mogelijk onder vermelding van symbool,
massagetal en energietoestand van de betrokken radionucliden, van de
maximale activiteit van de stoffen en van de chemische en fysische
toestand en de vorm, waarin deze zich bevinden;
e. de vermoedelijke data waarop de handelingen en werkzaamheden
plaatsvinden;
f. indien een melding wordt gedaan voor een handeling of
werkzaamheid die overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang
met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming,
geldende regeling als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing
naar die bekendmaking.
2. Indien een melding wordt gedaan voor een handeling of
werkzaamheid die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt
overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4,
tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling,
omvat de melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling
of werkzaamheid. De melding bevat dan tevens de gegevens met betrekking
tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken
handeling of werkzaamheid en met betrekking tot de gezondheidsschade die
erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de
beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling of werkzaamheid.
3. Degene die de melding heeft gedaan, meldt wijzigingen van de
in heteerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat de
handelingen of werkzaamheden plaatsvinden, waarop ze betrekking hebben,
aan Onze Minister.
Hoofdstuk IV. Inrichtingen, waarin splijtstoffen worden opgeslagen in
verband met het vervoer
Artikel 33
Het in artikel 15, onder b , van de wet vervatte verbod geldt
niet ten aanzien van een inrichting, waarin splijtstoffen uitsluitend
worden opgeslagen in verband met het vervoer daarvan.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 34
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervoer
splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
2. Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Onze Ministers van Economische
Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat
zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
Soestdijk, 4 september 1969
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
L. de Block
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
R.J.H. Kruisinga
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
M.J. Keijzer
Uitgegeven de negende oktober 1969
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|