| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kernenergiewet (KEW)
BIJDRAGENBESLUIT
KERNENERGIEWET 1981
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 juni 1981, houdende toepassing van artikel 74 van de
Kernenergiewet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Sociale Zaken van 5 februari
1981, nr. 681/54 W.J.A., gedaan in overeenstemming met Onze Ministers
van Verkeer en Waterstaat en van Financiën;
Gelet op de artikelen 74 en 76, eerste lid, van de Kernenergiewet (Stb.
1963, 82);
De Raad van State gehoord (advies van 21 april 1981,
nr. 810415/22);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Economische Zaken,
van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, en van Sociale Zaken van 19 juni
1981, nr. 681/457 W.J.A., uitgebracht in overeenstemming met Onze
Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder
wet: Kernenergiewet.
2.In dit besluit wordt onder
«activiteit», «ingekapselde bron» en «open bron» verstaan
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het
Besluit stralingsbescherming.
3.In dit besluit wordt onder
«voorhanden hebben» mede verstaan: vervaardigen, bewerken, hanteren
en opslaan.
§ 2. Bijdragen, verschuldigd ter zake
van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet
Artikel 2
Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het vervoeren van splijtstoffen, is verplicht aan de staat
een bedrag te betalen van € 358.
Artikel 3
1.Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen,
is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 4 476, indien de vergunning
wordt verleend ten behoeve van een inrichting als bedoeld in
artikel 15, onder b , van de wet voor de opwekking van elektrische
of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van
bestraalde splijtstoffen;
b. € 895, indien de vergunning
wordt verleend ten behoeve van een andere inrichting als bedoeld
in artikel 15, onder b , van de wet;
c. € 531, indien de vergunning
niet wordt verleend ten behoeve van een inrichting als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet, ingeval de activiteit van de bij
dat voorhanden hebben of zich ontdoen van betrokken splijtstoffen
meer bedraagt dan een miljoen maal de waarden, genoemd in de bij
het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1.
2.Artikel 25, derde en vierde lid, van
het Besluit stralingsbescherming is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat:
a. onder «locatie» mede wordt
verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de
wet;
b. onder «handeling» wordt
verstaan hetgeen daaronder in artikel 1, eerste lid, van het
Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen wordt verstaan.
§ 3. Bijdragen, verschuldigd ter zake
van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet
Artikel 4
Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel
15, onder b , van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te
betalen van:
a. € 266 795, indien het betreft
een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische
energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde
splijtstoffen;
b. € 8 893, indien het een andere
inrichting betreft.
Artikel 5
1.Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het in werking brengen van een inrichting als bedoeld in
artikel 15, onder b , van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag
te betalen van:
a. € 266 795, indien het betreft
een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische
energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde
splijtstoffen;
b. € 8 893, indien het een andere
inrichting betreft.
2.Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het in werking houden van een inrichting als bedoeld in
artikel 15, onder b , van de wet, is verplicht, zolang de vergunning
van kracht is, jaarlijks aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 686 386, indien het betreft
een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische
energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde
splijtstoffen;
b. € 20 592, indien het een
andere inrichting betreft.
3.De verplichting, bedoeld in het
tweede lid, vervalt indien de betrokken inrichting definitief buiten
gebruik is gesteld.
Artikel 5a
Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, is verplicht
aan de staat een bedrag te betalen van € 8 893.
§ 4. Bijdragen, verschuldigd ter zake
van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet
Artikel 6
1.Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het aanbrengen in een vaartuig van een uitrusting als
bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, is verplicht aan de staat
een bedrag te betalen van € 266 795.
2.Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het aangebracht houden of wijzigen van een uitrusting
als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, is verplicht aan de
staat een bedrag te betalen van € 3 581.
§ 5. Bijdragen, verschuldigd ter zake
van een vergunning als bedoeld in artikel 29 van de wet
Artikel 7
1.Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend om radioactieve stoffen te bereiden, voorhanden te hebben of
toe te passen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 358, indien het een
ingekapselde bron betreft waarvan de activiteit meer bedraagt dan
een miljoen maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit
stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1;
b. € 448, indien het een open
bron betreft, waarvan de activiteit gelijk is aan, of meer
bedraagt dan honderdmaal, doch niet meer dan honderd duizend maal
de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming
behorende bijlage 1, tabel 1;
c. € 716, indien het een open
bron betreft, waarvan de activiteit hoger is dan de onder b
bedoelde waarden.
2.Artikel 25, derde en vierde lid, van
het Besluit stralingsbescherming is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8 [Vervallen per 01-03-2002]
Artikel 9
Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend voor het vervoeren van radioactieve stoffen, is verplicht aan
de staat een bedrag te betalen van € 358.
§ 6. Bijdragen, verschuldigd ter zake
van een vergunning voor een ioniserende stralen uitzendend toestel
Artikel 10
Hij, aan wie een vergunning wordt
verleend als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit
stralingsbescherming is verplicht aan de staat een bedrag te betalen
van:
a. € 1 791, indien het betreft een
toestel als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, van dat
besluit;
b. € 400, en, ingeval de vergunning
wordt verleend voor meer dan één toestel, € 48 voor elk extra
toestel, indien het betreft een toestel als bedoeld in artikel 23,
eerste lid, onder a of b, van dat besluit.
§ 7. Bijdragen, verschuldigd ter zake
van rijksgeleide of rijkstoezicht
Artikel 11
1.Hij, aan wie een vergunning is
verleend voor het vervoeren van splijtstoffen of radioactieve stoffen
of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in
verband met het vervoer, is, indien daaraan het voorschrift is
verbonden, dat het vervoer of het voorhanden hebben dient te
geschieden onder rijksgeleide of onder rijkstoezicht, verplicht aan de
staat een bedrag te betalen van € 38 voor elk gewerkt uur of
gedeelte van een uur gedurende hetwelk begeleiding heeft
plaatsgevonden of toezicht is gehouden.
2.Onverminderd het eerste lid is de
vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft
verplicht aan de staat te betalen:
a. indien het vervoer plaatsheeft
tussen 18.00 uur en 6.00 uur of op een zaterdag, een zondag dan
wel een algemeen erkende feestdag als genoemd in artikel 3 van de
Algemene termijnenwet, of een bij of krachtens dat artikel daarmee
gelijkgestelde dag, een bedrag van € 22 voor elk gewerkt uur of
gedeelte van een uur gedurende hetwelk begeleiding heeft
plaatsgevonden of toezicht is gehouden;
b. indien het in verband met
begeleiding of toezicht noodzakelijk is dat degene die begeleidt
of toezicht houdt voor, tijdens of na zijn dienst buiten zijn
standplaats nachtverblijf in een hotel moet houden, voor elk
nachtverblijf een bedrag van € 54;
c. indien het vervoer later
aanvangt dan het door of in overleg met de vervoerder of zijn
gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, vastgestelde
tijdstip, een bedrag van € 22 voor elk uur of gedeelte van een
uur van de daaruit voortvloeiende wachttijd van degene die
begeleidt of toezicht houdt.
3.Het tweede lid, onder a, is niet van
toepassing op het vervoer per spoor tussen 18.00 uur en 6.00 uur op
andere dan de in het tweede lid, onder a, genoemde dagen.
4.Onverminderd het tweede lid is de
vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft,
indien in een door of in overleg met de vervoerder of zijn gemachtigde
dan wel degene die voorhanden heeft, vastgesteld tijdstip van aanvang
van een transport op een zodanig tijdstip wijziging wordt gebracht dat
degene die begeleidt of toezicht houdt zich reeds heeft begeven of
reizende is naar de plaats waar het transport zou aanvangen, verplicht
aan de staat een bedrag te betalen van € 22 voor elk uur of gedeelte
van een uur van de daaruit voortvloeiende reistijd van degene die
begeleidt of toezicht houdt.
§ 8. Algemene bepalingen
Artikel 12
Indien gelijktijdig aan dezelfde persoon
meerdere, met elkaar samenhangende vergunningen worden verleend,
waarvoor bijdragen als in dit besluit bedoeld verschuldigd zijn, is
slechts één bijdrage verschuldigd, waarvan het bedrag gelijk is aan
het hoogste van de bedragen, welke op grond van dit besluit ter zake van
die vergunningen verschuldigd zouden zijn.
Artikel 13
1.Indien een vergunning wordt verleend
voor het oprichten of in werking brengen van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b , van de wet, dan wel voor het in een
vaartuig aanbrengen, aangebracht houden of wijzigen van een uitrusting
als bedoeld in artikel 15, onder c , van de wet en ten aanzien van die
inrichting of uitrusting in hetzelfde vaartuig reeds een vergunning
als hiervoor bedoeld gold ten behoeve van een ander, in wiens plaats
de aanvrager treedt, is geen bijdrage als in dit besluit bedoeld
verschuldigd.
2.Indien een vergunning wordt verleend
voor een handeling, waarvoor ingevolge artikel 15, onder a, 29 of 34
van de wet een vergunning is vereist, en voor een gelijke handeling
reeds een overeenkomstige vergunning gold ten behoeve van een ander,
in wiens plaats de aanvrager treedt, is geen bijdrage als in dit
besluit bedoeld verschuldigd.
Artikel 14
1.De verplichting tot het betalen van
een in dit besluit vastgestelde bijdrage ontstaat op de dag waarop de
beroepstermijn met betrekking tot de beschikking, waarbij de
vergunning werd verleend, is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, waarop op het beroep is beslist.
2.Indien het betreft een jaarlijkse
bijdrage als bedoeld in artikel 5, tweede lid, ontstaat de
verplichting tot betalen voor de eerste maal op de eerste dag waarop
de betrokken vergunning van kracht is nadat dertig dagen zijn
verstreken sinds de dag, waarop de beschikking, waarbij de vergunning
werd verleend, is verzonden en vervolgens elk volgend jaar op dezelfde
dag als waarop de verplichting voor de eerste maal ontstond.
Artikel 15
Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer deelt aan de betrokkene mede, welke
bijdrage deze is verschuldigd, op welke wijze betaling van de bijdrage
kan plaatsvinden en binnen welke termijn deze dient te geschieden.
§ 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 16
1.Artikel 5, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing ingeval een vergunning als daar bedoeld is
verleend vóór het in werking treden van dit besluit.
2.Ingeval op de dag van in werking
treden van dit besluit de vergunning van kracht is en dertig dagen
zijn verstreken sinds de dag, waarop de beschikking, waarbij de
vergunning werd verleend, is verzonden, ontstaat de verplichting tot
betalen in afwijking van artikel 14, tweede lid, voor de eerste maal
op de dag van in werking treden van dit besluit en vervolgens elk
volgend jaar op dezelfde dag als waarop de verplichting voor de eerste
maal ontstond.
Artikel 17
Het Bijdragenbesluit Kernenergiewet (Stb.
1969, 475) wordt ingetrokken.
Artikel 18
1. Dit besluit kan worden aangehaald
als: Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981.
2. Het treedt in werking met ingang van
de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State en aan de Algemene Rekenkamer.
Lage Vuursche, 25 juni 1981
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
G.M.V. van Aardenne
De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
L. Ginjaar
De Minister van Sociale Zaken,
Albeda
Uitgegeven de drieëntwintigste juli 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|
|
|