| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Kernenergiewet (KEW)
BESLUIT
IN-, UIT- EN DOORVOER VAN
RADIOACTIEVE AFVALSTOFFEN EN BESTRAALDE
SPLIJTSTOFFEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 27 maart 2009, houdende
implementatie van Richtlijn nr. 2006/117/Euratom van de Raad van de
Europese Unie van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op
overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof (PbEU
L 337) en intrekking van het Besluit in-, uit- en doorvoer van
radioactieve afvalstoffen (Besluit in-, uit- en doorvoer van
radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 november
2008, nr. BJZ2008105972, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 2006/117/Euratom van de
Raad van de Europese Unie van 20 november 2006 betreffende toezicht en
controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde
splijtstof (PbEU L 337) en op artikel 67 van de Kernenergiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 12
december 2008, nr. W08.08.0507/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 maart
2009, nr. BJZ200901662, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
beheerder: degene die verantwoordelijk is voor het beheer van
de overbrenging binnen de eerste lidstaat van doorvoer;
bestraalde splijtstoffen: bestraalde splijtstoffen die
permanent verwijderd zijn uit een reactorkern en voor opwerking
bedoeld zijn;
derde staat: staat buiten de Europese Unie;
derde staat van bestemming: derde staat waarnaar een
overbrenging of een voorgenomen overbrenging van radioactieve
afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen plaatsvindt;
derde staat van doorvoer: derde staat, anders dan de derde
staat van herkomst en de derde staat van bestemming, over het
grondgebied waarvan een overbrenging of een voorgenomen
overbrenging van radioactieve afvalstoffen of bestraalde
splijtstoffen plaatsvindt;
derde staat van herkomst: derde staat van waaruit een
overbrenging of een voorgenomen overbrenging van radioactieve
afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen plaatsvindt;
eerste lidstaat van doorvoer: lidstaat van doorvoer waarin het
douanekantoor is gelegen waarlangs de radioactieve afvalstoffen of
de bestraalde splijtstoffen voor de eerste keer de Europese Unie
binnenkomen;
houder: degene die vóór de overbrenging verantwoordelijk is
voor de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
en die voornemens is die stoffen over te brengen of te doen
overbrengen;
ingekapselde bron: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, met dien
verstande dat onder radioactieve stoffen mede wordt verstaan:
splijtstoffen;
lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
lidstaat van bestemming: lidstaat waarnaar een overbrenging of
een voorgenomen overbrenging van radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen plaatsvindt;
lidstaat van doorvoer: lidstaat, anders dan de lidstaat van
herkomst en de lidstaat van bestemming, over het grondgebied
waarvan een overbrenging of een voorgenomen overbrenging van
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen plaatsvindt;
lidstaat van herkomst: lidstaat van waaruit een overbrenging of
een voorgenomen overbrenging van radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen plaatsvindt;
ontvanger: degene naar wie radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen worden overgebracht;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
a. radioactieve stof waarvan de activiteit van de
radionucliden of de activiteitsconcentratie van die stof hoger
is dan de in tabel 1 van bijlage 1 behorende bij het Besluit
stralingsbescherming genoemde waarde,
b. splijtstof of erts
radioactieve afvalstof: waarvoor geen gebruik of product- of
materiaalhergebruik is voorzien door het bevoegd gezag van de
lidstaat of derde staat van herkomst of van bestemming of door een
natuurlijke of rechtspersoon wiens beslissing door deze bevoegde
gezagsorganen wordt aanvaard, of die door een regelgevende
instantie als radioactieve afvalstof wordt aangemerkt
overeenkomstig het wet- en regelgevingskader van de lidstaten of
derde staten van herkomst en van bestemming;
richtlijn: richtlijn nr. 2006/117/Euratom van de Raad van de
Europese Unie van 20 november 2006 betreffende toezicht en
controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en
bestraalde splijtstof (PbEU L 337);
toestemming: ingevolge dit besluit of de richtlijn vereiste
toestemming met betrekking tot de aanvraag om een vergunning voor
een overbrenging van radioactieve afvalstoffen of bestraalde
splijtstoffen;
uniform document: door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen bij beschikking van 5 maart 2008 ter uitvoering van
de richtlijn vastgesteld document (PbEU L 107).
2.Voor de toepassing van dit besluit wordt als overbrengen
aangemerkt alle verrichtingen voor het verplaatsen van radioactieve
afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen van de lidstaat of derde
staat van herkomst naar de lidstaat of derde staat van bestemming.
Artikel 2. Uitzonderingen op reikwijdte
Dit besluit is niet van toepassing op de overbrenging van:
a. ingekapselde bronnen die niet langer worden gebruikt, noch
bestemd zijn om te worden gebruikt voor de handeling waarvoor een
vergunning is verleend, voor zover die bronnen worden overgebracht
naar:
1°. een leverancier als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
van het Besluit stralingsbescherming,
2°. een fabrikant van dergelijke bronnen, of
3°. een voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen
bestemde instelling;
b. radioactieve afvalstoffen bestaande uit natuurlijke bronnen,
voor zover deze niet zijn of worden bewerkt met het oog op hun
radioactieve eigenschappen;
c. bij de opwerking van bestraalde splijtstoffen vrijgekomen voor
verder gebruik geschikte restproducten.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen vergunningplicht
Artikel 3. Vergunning
1.Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:
a. uit Nederland afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in een andere
lidstaat, van Nederland naar de lidstaat van bestemming over te
brengen;
b. uit Nederland afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in Nederland, van
Nederland via een of meer lidstaten of derde staten van doorvoer
naar Nederland over te brengen;
c. uit een derde staat afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in Nederland, van de
derde staat van herkomst naar Nederland over te brengen;
d. uit Nederland afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in een derde staat,
van Nederland naar de derde staat van bestemming over te brengen;
e. uit een derde staat afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in een andere derde
staat, van de derde staat van herkomst via Nederland naar de derde
staat van bestemming over te brengen, indien Nederland eerste
lidstaat van doorvoer is.
2.Indien ingevolge artikel 10 van de richtlijn voor het overbrengen
van radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen naar of via
Nederland een vergunning van het bevoegd gezag van een andere lidstaat
is vereist, is het verboden zonder bedoelde vergunning die stoffen
naar of via Nederland over te brengen.
Artikel 4. Vergunningaanvraag
Een aanvraag om een vergunning krachtens artikel 3, eerste lid, wordt
ingediend door:
a. in het geval van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, b
en d: de houder;
b. in het geval van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c: de
ontvanger;
c. in het geval van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e: de
beheerder.
Artikel 5. Gebruik uniform document
Het uniforme document wordt gebruikt:
a. door de aanvrager bij het indienen van een aanvraag om een
vergunning krachtens artikel 3, eerste lid, en
b. door Onze Minister:
1°. bij het indienen van een verzoek om toestemming bij het
bevoegd gezag van een andere lidstaat of een derde staat van
bestemming,
2°. bij het verzenden van een ontvangstbevestiging op grond
van dit besluit en
3°. bij het nemen van een beslissing op de aanvraag om een
vergunning krachtens artikel 3, eerste lid, en op een verzoek om
toestemming als bedoeld in de richtlijn.
Artikel 6. Taal
1.Een aanvraag om een vergunning krachtens artikel 3, eerste lid,
en een verzoek om toestemming en de daarbij behorende verklaringen en
overige bijlagen worden ingevuld onderscheidenlijk verstrekt in een
taal die voor Onze Minister aanvaardbaar is.
2.Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag van de derde staat
of lidstaat van bestemming of een lidstaat van doorvoer een
authentieke vertaling van de in het eerste lid bedoelde documenten
noodzakelijk is, draagt de houder zorg voor een authentieke vertaling
in een voor dat bevoegd gezag aanvaardbare taal.
Artikel 7. Beslistermijn
De beslissing op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 3,
eerste lid, wordt genomen binnen zes maanden nadat Onze Minister
overeenkomstig dit besluit de datum van ontvangst op het uniforme
document heeft aangetekend.
Artikel 8. Uniform document vergezelt overbrenging
Het ingevulde en van de vereiste bijlagen voorziene uniforme document
vergezelt elke overbrenging van de betrokken radioactieve afvalstoffen
en bestraalde splijtstoffen.
Artikel 9. Vergunning voor meerdere overbrengingen
Indien een aanvraag om een vergunning krachtens artikel 3, eerste
lid, betrekking heeft op het meer dan één keer naar, van of via
Nederland overbrengen van radioactieve afvalstoffen of bestraalde
splijtstoffen, kan de vergunning worden verleend voor meerdere keren
indien:
a. de betrokken stoffen in wezen dezelfde fysische, chemische en
radioactieve kenmerken vertonen,
b. de overbrenging plaatsvindt van dezelfde houder naar dezelfde
ontvanger en dezelfde bevoegde gezagsorganen bij de overbrenging
betrokken zijn en
c. indien de overbrenging via een of meer derde staten van
doorvoer plaatsvindt: de doorvoer plaatsvindt via dezelfde grenspost
van binnenkomst of uitreis van de Europese Unie en via dezelfde
grenspost van de derde staat of staten van doorvoer, tenzij de
betrokken bevoegde gezagsorganen anders zijn overeengekomen.
Artikel 10. Geldigheidsduur vergunning
1.Een vergunning krachtens artikel 3, eerste lid, wordt verleend
voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste drie
jaar.
2.Bij het stellen van de termijn wordt rekening gehouden met de
eventuele voorwaarden die de bevoegde gezagsorganen van de andere bij
de overbrenging betrokken lidstaten of de derde staat van bestemming
aan hun toestemming hebben verbonden.
Hoofdstuk 3. Het overbrengen van radioactieve afvalstoffen en
bestraalde splijtstoffen tussen lidstaten van de Europese Unie
Titel 3.1. Overbrenging van Nederland naar de lidstaat van bestemming
Artikel 11. Dagtekening
Indien het uniforme document dat bij de aanvraag om een vergunning
krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is gebruikt,
volledig en juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen,
tekent Onze Minister op dat document de datum van ontvangst aan.
Artikel 12. Beoordeling op volledigheid
1.Na de in artikel 11 bedoelde dagtekening verzoekt Onze Minister
onder toezending van het uniforme document onverwijld het bevoegd
gezag van de lidstaat van bestemming alsmede het bevoegd gezag van
eventuele lidstaten van doorvoer:
a. te beoordelen of de aanvraag om een vergunning volledig en
juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen en
b. toestemming te verlenen met betrekking tot de aanvraag om
een vergunning nadat de ontvangstbevestiging van het bevoegd gezag
van de lidstaat van bestemming als bedoeld in artikel 8 van de
richtlijn is ontvangen.
2.Onze Minister doet de toezending van het uniforme document
vergezeld gaan van informatie omtrent de vergunning en de daarbij te
volgen procedure.
3.Indien het bevoegd gezag van een lidstaat waaraan een verzoek op
grond van het eerste lid is gericht, binnen de termijn van 20 dagen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn, een verzoek
indient om ontbrekende informatie te verstrekken, verstrekt Onze
Minister zo spoedig mogelijk de betreffende informatie. Onze Minister
zendt een afschrift van deze informatie aan het bevoegd gezag van de
andere betrokken lidstaten.
Artikel 13. Beslissing op vergunningaanvraag
1.Onze Minister beschikt afwijzend op de aanvraag om een vergunning
indien:
a. het bevoegd gezag van een lidstaat waaraan om toestemming is
verzocht, toestemming heeft geweigerd;
b. wettelijke voorschriften inzake het beheer of vervoer van
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen zich tegen
de overbrenging verzetten;
c. het beheer of vervoer van de radioactieve afvalstoffen of de
bestraalde splijtstoffen onnodige risico’s voor de openbare
veiligheid of het milieu met zich meebrengt.
2.Indien Onze Minister van het bevoegd gezag van een lidstaat
waaraan om toestemming is verzocht, niet binnen de in artikel 9,
eerste lid, van de richtlijn bedoelde termijn een beslissing op dat
verzoek heeft ontvangen, mag Onze Minister ervan uitgaan dat
toestemming is verleend.
3.Aan de vergunning kunnen met het oog op het beheer en vervoer van
de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
voorschriften worden verbonden. Indien toestemming onder voorwaarden
is verleend, worden aan de vergunning in elk geval de voorschriften
verbonden die gelet op die voorwaarden noodzakelijk zijn.
4.Onze Minister zendt de beslissing op de aanvraag onverwijld toe
aan de aanvrager. Onze Minister deelt de beslissing tevens onverwijld
mede aan het bevoegd gezag van de lidstaten waaraan om toestemming is
verzocht.
Artikel 14. Bericht van ontvangst
Onze Minister zendt de houder onverwijld een afschrift van het
bericht van ontvangst van de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde
splijtstoffen, dat Onze Minister van het bevoegd gezag van de lidstaat
van bestemming heeft ontvangen.
Artikel 15. Niet-uitgevoerde overbrenging
1.Onze Minister kan bepalen dat de overbrenging niet kan worden
uitgevoerd indien:
a. niet langer wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen
eisen, de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a,
verleende vergunning of een krachtens de richtlijn verleende
toestemming of
b. de overbrenging feitelijk niet kan worden uitgevoerd.
2.Onze Minister stelt het bevoegd gezag van de betrokken andere
lidstaten en de houder onverwijld in kennis van een door hem op grond
van het eerste lid genomen besluit.
3.Indien het bevoegd gezag van een betrokken andere lidstaat op
grond van artikel 12, eerste lid, van de richtlijn heeft besloten dat
de overbrenging niet kan worden uitgevoerd, stelt Onze Minister de
houder van dat besluit in kennis.
Artikel 16. Terugnameplicht
1.Indien Onze Minister overeenkomstig artikel 15, eerste lid, heeft
bepaald dat een overbrenging niet kan worden uitgevoerd, of indien
Onze Minister de houder een kennisgeving als bedoeld in artikel 15,
derde lid, heeft gezonden, bepaalt hij dat de houder de betrokken
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen terugneemt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien ten genoegen van
Onze Minister een andere veilige regeling kan worden getroffen.
3.Degene die verantwoordelijk is voor de overbrenging, neemt indien
nodig corrigerende veiligheidsmaatregelen.
4.De houder is aansprakelijk voor alle kosten die verband houden
met het niet kunnen uitvoeren van de overbrenging.
Titel 3.2. Overbrenging van de lidstaat van herkomst naar Nederland
Artikel 17. Beoordeling op volledigheid; ontvangstbevestiging
1.Onze Minister beoordeelt op verzoek van het bevoegd gezag van de
lidstaat van herkomst of een aanvraag om een vergunning voor het naar
Nederland overbrengen van uit eerstgenoemde lidstaat afkomstige
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen met een
bestemming in Nederland, volledig en juist is ingevuld en is voorzien
van de vereiste bijlagen. De beoordeling geschiedt binnen 20 dagen na
ontvangst van het verzoek.
2.Indien de aanvraag naar het oordeel van Onze Minister volledig en
juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen en het
bevoegd gezag van eventuele lidstaten van doorvoer bij het bevoegd
gezag van de lidstaat van herkomst geen verzoek heeft ingediend om
ontbrekende informatie te verstrekken, zendt Onze Minister uiterlijk
10 dagen na afloop van de termijn van 20 dagen, bedoeld in het eerste
lid, een ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van de lidstaat
van herkomst. Onze Minister zendt een afschrift van de
ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van eventuele lidstaten van
doorvoer.
3.Indien de aanvraag naar het oordeel van Onze Minister niet
volledig en juist is ingevuld of niet is voorzien van de vereiste
bijlagen, dient Onze Minister bij het bevoegd gezag van de lidstaat
van herkomst een verzoek in om de ontbrekende informatie te
verstrekken. Onze Minister zendt een afschrift van het verzoek aan het
bevoegd gezag van eventuele lidstaten van doorvoer.
4.Indien het derde lid van toepassing is, of indien Onze Minister
een afschrift heeft ontvangen van een verzoek dat het bevoegd gezag
van een lidstaat van doorvoer heeft ingediend bij het bevoegd gezag
van de lidstaat van herkomst om ontbrekende informatie te verstrekken,
zendt Onze Minister aan het bevoegd gezag van de lidstaat van herkomst
niet eerder een ontvangstbevestiging dan nadat 10 dagen zijn
verstreken na ontvangst van de betreffende informatie, en in elk geval
niet eerder dan na afloop van de termijn van 20 dagen, bedoeld in het
eerste lid. Onze Minister zendt een afschrift van de
ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van eventuele lidstaten van
doorvoer.
5.De in dit artikel opgenomen termijnen voor het verzenden van een
ontvangstbevestiging kunnen worden ingekort indien Onze Minister en
het bevoegd gezag van eventuele lidstaten van doorvoer zich ervan
hebben vergewist dat de aanvraag volledig en juist is ingevuld en is
voorzien van de vereiste bijlagen.
Artikel 18. Beslistermijn; toestemming van rechtswege
1.Onze Minister beslist binnen twee maanden na de datum van de
ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 17, en met inachtneming van
het tweede lid, omtrent toestemming met betrekking tot de aanvraag om
een vergunning. Hij zendt het besluit op een zodanig tijdstip aan het
bevoegd gezag van de lidstaat van herkomst dat dit besluit voor het
einde van de termijn van twee maanden door dat bevoegd gezag is
ontvangen.
2.Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde termijn met ten
hoogste een maand verlengen. Hij doet hiervan mededeling aan het
bevoegd gezag van de andere betrokken lidstaten.
3.De toestemming wordt geacht te zijn verleend indien het besluit
omtrent toestemming door het bevoegd gezag van de lidstaat van
herkomst nog niet is ontvangen op de laatste dag van de termijn van
twee maanden, dan wel, indien het tweede lid van toepassing is, op de
laatste dag van de verlengde termijn.
Artikel 19. Weigeringsgronden
Toestemming wordt geweigerd indien:
a. de ontvanger niet bevoegd is de radioactieve afvalstoffen of
de bestraalde splijtstoffen voorhanden te hebben,
b. geen schriftelijke verklaring kan worden overgelegd, waarbij
de ontvanger zich bereid toont die stoffen in ontvangst te nemen,
c. wettelijke voorschriften inzake het beheer of vervoer van
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen zich tegen de
overbrenging verzetten of
d. het beheer of vervoer van de radioactieve afvalstoffen of de
bestraalde splijtstoffen onnodige risico’s voor de openbare
veiligheid of het milieu met zich meebrengt.
Artikel 20. Voorwaarden
1.Toestemming kan onder voorwaarden worden verleend.
2.De voorwaarden kunnen slechts verband houden met:
a. wettelijke voorschriften inzake het beheer van radioactieve
afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen;
b. de grond, genoemd in artikel 19, onder d;
c. nationale, communautaire of internationale wettelijke
voorschriften inzake het vervoer van radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen.
3.De voorwaarden mogen niet strenger zijn dan de voorwaarden die
voor soortgelijke overbrengingen binnen Nederland zijn of kunnen
worden gesteld.
Artikel 21. Bericht van ontvangst
1.Degene die de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde
splijtstoffen heeft ontvangen, zendt binnen 15 dagen na de ontvangst
een bericht van ontvangst aan Onze Minister.
2.Onze Minister stuurt onverwijld een afschrift van het bericht van
ontvangst aan het bevoegd gezag van de lidstaat van herkomst en het
bevoegd gezag van eventuele lidstaten en derde staten van doorvoer.
Artikel 22. Niet-uitgevoerde overbrenging
1.Onze Minister kan bepalen dat de overbrenging niet kan worden
uitgevoerd indien:
a. niet langer wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen
eisen, de door het bevoegd gezag van de lidstaat van herkomst
verleende vergunning of een krachtens de richtlijn verleende
toestemming of
b. de overbrenging feitelijk niet kan worden uitgevoerd.
2.Onze Minister stelt het bevoegd gezag van de lidstaat van
herkomst en het bevoegd gezag van eventuele lidstaten van doorvoer
onverwijld in kennis van een door hem op grond van het eerste lid
genomen besluit.
3.De houder is aansprakelijk voor alle kosten die verband houden
met het niet kunnen uitvoeren van de overbrenging.
Titel 3.3. Overbrenging van de lidstaat van herkomst via Nederland
naar de lidstaat van bestemming
Artikel 23. Van overeenkomstige toepassing verklaring titel 3.2
Op het overbrengen van uit een andere lidstaat afkomstige
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen met een bestemming
in een andere lidstaat, van de lidstaat van herkomst via Nederland naar
de lidstaat van bestemming is titel 3.2 van overeenkomstige toepassing,
met uitzondering van de artikelen 17, tweede, vierde en vijfde lid, 19,
aanhef en onder a en b, 20, tweede lid, onder a, en 21, en met dien
verstande dat:
a. in artikel 17, eerste lid, in plaats van «naar Nederland
overbrengen» wordt gelezen «via Nederland overbrengen» en in
plaats van «in Nederland» wordt gelezen: in de lidstaat van
bestemming;
b. in artikel 17, derde lid, in plaats van «eventuele lidstaten
van doorvoer» wordt gelezen: eventuele andere lidstaten van
doorvoer;
c. artikel 19, aanhef en onder c en d, uitsluitend van toepassing
is voor zover het betreft vervoer;
d. artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
e. in artikel 22, tweede lid, in plaats van «en het bevoegd
gezag van eventuele lidstaten van doorvoer» wordt gelezen: , het
bevoegd gezag van eventuele andere lidstaten van doorvoer en het
bevoegd gezag van de lidstaat van bestemming.
Artikel 24. Toestemming voor terugzending
Indien hij toestemming heeft verleend met betrekking tot een aanvraag
om een vergunning, verleent Onze Minister, in afwijking van artikel 23,
in de navolgende situaties toestemming met betrekking tot een aanvraag
om een vergunning voor terugzending:
a. de oorspronkelijke toestemming had betrekking op materiaal dat
werd overgebracht voor bewerkings-, verwerkings- of
opwerkingsdoeleinden indien de terugzending betrekking heeft op
radioactieve afvalstoffen of andere producten die gelijkwaardig zijn
aan het oorspronkelijke materiaal na bewerking, verwerking of
opwerking, en alle relevante voorschriften zijn nageleefd;
b. er is sprake van een niet-uitgevoerde overbrenging als bedoeld
in artikel 22, eerste lid, of het bevoegd gezag van een andere
betrokken lidstaat beslist op grond van artikel 12, eerste lid, van
de richtlijn dat de overbrenging niet kan worden uitgevoerd, indien
de terugzending op dezelfde voorwaarden en met dezelfde
specificaties wordt verricht.
Titel 3.4. Overbrenging van Nederland via een of meer lidstaten of
derde staten van doorvoer naar Nederland
Artikel 25. Van overeenkomstige toepassing verklaring titel 3.1
Op het overbrengen van uit Nederland afkomstige radioactieve
afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen met een bestemming in
Nederland, van Nederland via een of meer lidstaten of derde staten van
doorvoer naar Nederland is titel 3.1 van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van de artikelen 12 en 14, en met dien verstande dat in de
artikelen 11 en 15, eerste lid, in plaats van «artikel 3, eerste lid,
aanhef en onder a» wordt gelezen: artikel 3, eerste lid, aanhef en
onder b.
Artikel 26. Beoordeling op volledigheid; ontvangstbevestiging
1.Na de in artikel 11 bedoelde dagtekening verzoekt Onze Minister
onder toezending van het uniforme document onverwijld het bevoegd
gezag van de lidstaat of lidstaten van doorvoer:
a. te beoordelen of de aanvraag om een vergunning volledig en
juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen;
b. toestemming te verlenen met betrekking tot de aanvraag om
een vergunning nadat een afschrift van de ontvangstbevestiging van
Onze Minister op grond van dit artikel is ontvangen.
2.Onze Minister doet de toezending van het uniforme document
vergezeld gaan van informatie omtrent de vergunning en de daarbij te
volgen procedure.
3.Indien het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten waaraan een
verzoek op grond van het eerste lid is gericht, binnen de termijn van
20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn, geen
verzoek heeft ingediend om ontbrekende informatie te verstrekken,
stelt Onze Minister uiterlijk 10 dagen na afloop van genoemde termijn
van 20 dagen de datum van ontvangstbevestiging vast. Onze Minister
deelt deze datum mede aan het bevoegd gezag van de lidstaat of
lidstaten van doorvoer.
4.Indien het bevoegd gezag van een lidstaat waaraan een verzoek op
grond van het eerste lid is gericht, binnen de termijn van 20 dagen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn, een verzoek
indient om ontbrekende informatie te verstrekken, verstrekt Onze
Minister zo spoedig mogelijk de betreffende informatie. Onze Minister
zendt een afschrift van deze informatie aan het bevoegd gezag van
eventuele andere lidstaten van doorvoer.
5.Indien het vierde lid van toepassing is, stelt Onze Minister de
datum van ontvangstbevestiging niet eerder vast dan nadat 10 dagen
zijn verstreken na ontvangst van de betreffende informatie, en in elk
geval niet eerder dan na afloop van de termijn van 20 dagen, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn. Onze Minister deelt deze
datum mede aan het bevoegd gezag van eventuele andere lidstaten van
doorvoer.
6.De in dit artikel opgenomen termijnen voor het vaststellen van de
datum van ontvangstbevestiging kunnen worden ingekort indien Onze
Minister en het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer zich ervan hebben vergewist dat de aanvraag volledig en juist
is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
Artikel 27. Bericht van ontvangst
1.Degene die de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde
splijtstoffen heeft ontvangen, zendt binnen 15 dagen na de ontvangst
een bericht van ontvangst aan Onze Minister.
2.Onze Minister stuurt onverwijld een afschrift van het bericht van
ontvangst aan het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer, het bevoegd gezag van eventuele derde staten van doorvoer en
de houder.
Hoofdstuk 4. Het overbrengen van radioactieve afvalstoffen en
bestraalde splijtstoffen tussen een lidstaat van de Europese Unie en een
derde staat
Titel 4.1. Overbrenging van de derde staat van herkomst naar
Nederland
Artikel 28. Vergunningaanvraag; terugnameplicht
De ontvanger doet zijn aanvraag om een vergunning krachtens artikel
3, eerste lid, aanhef en onder c, vergezeld gaan van een door hem
ondertekende verklaring waaruit blijkt dat hij een door het bevoegd
gezag van de derde staat van herkomst aanvaarde regeling heeft getroffen
met de in die staat gevestigde houder, inhoudende dat laatstgenoemde die
stoffen zal terugnemen indien de overbrenging niet kan worden uitgevoerd
als bedoeld in artikel 33.
Artikel 29. Dagtekening
Indien het uniforme document dat bij de aanvraag om een vergunning is
gebruikt, volledig en juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste
bijlagen, tekent Onze Minister op dat document de datum van ontvangst
aan.
Artikel 30. Beoordeling op volledigheid; ontvangstbevestiging
1.Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de overbrenging
via een of meer lidstaten van doorvoer plaatsvindt.
2.Na de in artikel 29 bedoelde dagtekening verzoekt Onze Minister
onder toezending van het uniforme document onverwijld het bevoegd
gezag van de lidstaat of lidstaten van doorvoer:
a. te beoordelen of de aanvraag om een vergunning volledig en
juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen;
b. toestemming te verlenen met betrekking tot de aanvraag om
een vergunning nadat een afschrift van de ontvangstbevestiging van
Onze Minister op grond van dit artikel is ontvangen.
3.Onze Minister doet de toezending van het uniforme document
vergezeld gaan van informatie omtrent de vergunning en de daarbij te
volgen procedure.
4.Indien het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer binnen de termijn van 20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, van de richtlijn, geen verzoek indient om ontbrekende informatie
te verstrekken, stelt Onze Minister uiterlijk 10 dagen na afloop van
genoemde termijn van 20 dagen de datum van ontvangstbevestiging vast.
Onze Minister deelt deze datum mede aan het bevoegd gezag van de
lidstaat of lidstaten van doorvoer.
5.Indien het bevoegd gezag van een lidstaat van doorvoer binnen de
termijn van 20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
richtlijn, verzoekt om ontbrekende informatie te verstrekken,
verstrekt Onze Minister zo spoedig mogelijk de betreffende informatie.
Onze Minister zendt een afschrift van deze informatie aan het bevoegd
gezag van eventuele andere lidstaten van doorvoer.
6.Indien het vijfde lid van toepassing is, stelt Onze Minister de
datum van ontvangstbevestiging niet eerder vast dan nadat 10 dagen
zijn verstreken na ontvangst van de betreffende informatie, en in elk
geval niet eerder dan na afloop van de termijn van 20 dagen, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn. Onze Minister deelt deze
datum mede aan het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer.
7.De in dit artikel opgenomen termijnen voor het vaststellen van de
datum van ontvangstbevestiging kunnen worden ingekort indien Onze
Minister en het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer zich ervan hebben vergewist dat de aanvraag volledig en juist
is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
Artikel 31. Beslissing op vergunningaanvraag
1.Onze Minister beschikt afwijzend op de aanvraag indien:
a. het bevoegd gezag van een lidstaat waaraan om toestemming is
verzocht, toestemming heeft geweigerd,
b. de ontvanger niet bevoegd is de radioactieve afvalstoffen of
de bestraalde splijtstoffen voorhanden te hebben,
c. geen schriftelijke verklaring kan worden overgelegd, waarbij
de ontvanger zich bereid toont die stoffen in ontvangst te nemen,
d. wettelijke voorschriften inzake het beheer of vervoer van
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen zich tegen
de overbrenging verzetten of
e. het beheer of vervoer van de radioactieve afvalstoffen of de
bestraalde splijtstoffen onnodige risico’s voor de openbare
veiligheid of het milieu met zich meebrengt.
2.Indien Onze Minister van het bevoegd gezag van een lidstaat
waaraan om toestemming is verzocht, niet binnen de in artikel 9,
eerste lid, van de richtlijn bedoelde termijn een beslissing op dat
verzoek heeft ontvangen, mag Onze Minister ervan uitgaan dat
toestemming is verleend.
3.Aan de vergunning kunnen met het oog op het beheer en vervoer van
de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
voorschriften worden verbonden. Indien toestemming onder voorwaarden
is verleend, worden aan de vergunning in elk geval de voorschriften
verbonden die gelet op die voorwaarden noodzakelijk zijn.
4.Onze Minister zendt de beslissing op de aanvraag onverwijld toe
aan de aanvrager. Onze Minister deelt de beslissing tevens onverwijld
mede aan het bevoegd gezag van:
a. de derde staat van herkomst;
b. eventuele lidstaten of derde staten van doorvoer.
Artikel 32. Bericht van ontvangst
1.De ontvanger zendt Onze Minister binnen 15 dagen nadat hij de
radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen heeft
ontvangen, een bericht van ontvangst.
2.Onze Minister stuurt onverwijld een afschrift van het bericht van
ontvangst aan de in artikel 31, vierde lid, genoemde bevoegde
gezagsorganen.
Artikel 33. Niet-uitgevoerde overbrenging
1.Onze Minister kan bepalen dat de overbrenging niet kan worden
uitgevoerd indien:
a. niet langer wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen
eisen, de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c,
verleende vergunning of een krachtens de richtlijn verleende
toestemming of
b. de overbrenging feitelijk niet kan worden uitgevoerd.
2.Onze Minister stelt het bevoegd gezag van de derde staat van
herkomst en de ontvanger onverwijld in kennis van een door hem op
grond van het eerste lid genomen besluit.
3.De ontvanger is aansprakelijk voor alle kosten die verband houden
met het niet kunnen uitvoeren van de overbrenging.
Titel 4.2. Overbrenging van de derde staat van herkomst via Nederland
naar de lidstaat van bestemming
Artikel 34. Beoordeling op volledigheid
Indien het bevoegd gezag van de lidstaat van bestemming verzoekt om
een aanvraag om een vergunning voor het via Nederland overbrengen van
uit een derde staat afkomstige radioactieve afvalstoffen of bestraalde
splijtstoffen met een bestemming in eerstgenoemde lidstaat, op
volledigheid te beoordelen, beoordeelt Onze Minister of de aanvraag
volledig en juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
De beoordeling geschiedt binnen 20 dagen na ontvangst van het verzoek.
Artikel 35. Van overeenkomstige toepassing verklaring titel 3.2
1.Titel 3.2 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de
artikelen 17, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 19, aanhef en
onder a en b, 20, tweede lid, onder a, en 21, en met dien verstande
dat:
a. in de artikelen 17, derde lid, 18, eerste en derde lid, en
22, eerste lid, onder a, in plaats van «de lidstaat van
herkomst» wordt gelezen: de lidstaat van bestemming;
b. in artikel 17, derde lid, in plaats van «eventuele
lidstaten van doorvoer» wordt gelezen: eventuele andere lidstaten
van doorvoer;
c. artikel 19, aanhef en onder c en d, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
d. artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
e. een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, tweede lid,
uitsluitend wordt gezonden aan het bevoegd gezag van de derde
staat van herkomst;
f. in artikel 22, derde lid, in plaats van «houder» wordt
gelezen: ontvanger.
2.Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Titel 4.3. Overbrenging van Nederland naar de derde staat van
bestemming
Artikel 36. Dagtekening
Indien het document dat bij de aanvraag om een vergunning krachtens
artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, is gebruikt, volledig en juist
is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen, tekent Onze
Minister op dat document de datum van ontvangst aan.
Artikel 37. Beoordeling op volledigheid; ontvangstbevestiging
1.Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de overbrenging
via een of meer lidstaten van doorvoer plaatsvindt.
2.Na de in artikel 36 bedoelde dagtekening verzoekt Onze Minister
onder toezending van het uniforme document onverwijld het bevoegd
gezag van de lidstaat of lidstaten van doorvoer:
a. te beoordelen of de aanvraag om een vergunning volledig en
juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen;
b. toestemming te verlenen met betrekking tot de aanvraag om
een vergunning nadat een afschrift van de ontvangstbevestiging van
Onze Minister op grond van dit artikel is ontvangen.
3.Onze Minister doet de toezending van het uniforme document
vergezeld gaan van informatie omtrent de vergunning en de daarbij te
volgen procedure.
4.Indien het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer binnen de termijn van 20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, van de richtlijn, geen verzoek indient om ontbrekende informatie
te verstrekken, stelt Onze Minister uiterlijk 10 dagen na afloop van
genoemde termijn van 20 dagen de datum van ontvangstbevestiging vast.
Onze Minister zendt een afschrift van de ontvangstbevestiging aan het
bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van doorvoer.
5.Indien het bevoegd gezag van een lidstaat van doorvoer binnen de
termijn van 20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
richtlijn, een verzoek indient om ontbrekende informatie te
verstrekken, verstrekt Onze Minister zo spoedig mogelijk de
betreffende informatie. Onze Minister zendt een afschrift van deze
informatie aan het bevoegd gezag van eventuele andere lidstaten van
doorvoer.
6.Indien het vijfde lid van toepassing is, stelt Onze Minister de
datum van ontvangstbevestiging niet eerder vast dan nadat 10 dagen
zijn verstreken na ontvangst van de betreffende informatie, en in elk
geval niet eerder dan na afloop van de termijn van 20 dagen, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn. Onze Minister zendt een
afschrift van de ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van de
lidstaat of lidstaten van doorvoer.
7.De in dit artikel opgenomen termijnen voor het vaststellen van de
datum van ontvangstbevestiging kunnen worden ingekort indien Onze
Minister en het bevoegd gezag van de lidstaat of lidstaten van
doorvoer zich ervan hebben vergewist dat de aanvraag volledig en juist
is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
Artikel 38. Verzoek om toestemming aan derde staat van bestemming
Na de in artikel 36 bedoelde dagtekening verzoekt Onze Minister
onverwijld het bevoegd gezag van de derde staat van bestemming onder
toezending van het uniforme document toestemming te verlenen met
betrekking tot de aanvraag om een vergunning.
Artikel 39. Beslissing op vergunningaanvraag
1.Onze Minister beschikt afwijzend op de aanvraag om een vergunning
indien:
a. het bevoegd gezag van de derde staat van bestemming of het
bevoegd gezag van een lidstaat waaraan om toestemming is verzocht,
toestemming heeft geweigerd,
b. de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
een bestemming hebben in een gebied ten zuiden van 60°
zuiderbreedte,
c. de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
een bestemming hebben binnen een derde staat die partij is bij de
op 23 juni 2000 in Cotonou (Benin) ondertekende
Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten
in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds,
en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (ACS-EG-Overeenkomst
van Cotonou; PbEU L 317), tenzij de overbrenging radioactieve
afvalstoffen betreft die na bewerking naar de derde staat van
herkomst worden teruggezonden,
d. de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
een bestemming hebben binnen een derde staat die naar het oordeel
van Onze Minister volgens de door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen vastgestelde criteria niet beschikt over de
technische, wettelijke of bestuurlijke middelen om die stoffen
veilig te beheren, zoals in het Gezamenlijk Verdrag inzake de
veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de
veiligheid van het beheer van radioactief afval (Wenen, 5
september 1997; Trb. 2001, 111) is vastgesteld, bij welke
beoordeling Onze Minister rekening houdt met alle relevante
informatie van andere lidstaten,
e. wettelijke voorschriften inzake het beheer of vervoer van
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen zich tegen
de overbrenging verzetten of
f. het beheer of vervoer van de radioactieve afvalstoffen of de
bestraalde splijtstoffen onnodige risico’s voor de openbare
veiligheid of het milieu met zich meebrengt.
2.Indien Onze Minister van het bevoegd gezag van een lidstaat
waaraan om toestemming is verzocht, niet binnen de in artikel 9,
eerste lid, van de richtlijn bedoelde termijn een beslissing op dat
verzoek heeft ontvangen, mag Onze Minister ervan uitgaan dat
toestemming is verleend.
3.Aan de vergunning kunnen met het oog op het beheer en vervoer van
de radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen
voorschriften worden verbonden. Indien toestemming onder voorwaarden
is verleend, worden aan de vergunning in elk geval de voorschriften
verbonden die gelet op die voorwaarden noodzakelijk zijn.
4.Onze Minister zendt de beslissing op de aanvraag onverwijld toe
aan de aanvrager. Onze Minister deelt de beslissing tevens onverwijld
mede aan het bevoegd gezag van:
a. de derde staat van bestemming;
b. eventuele lidstaten of derde staten van doorvoer.
5.Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b tot en
met d, houdt Onze Minister rekening met de criteria die de Commissie
van de Europese Gemeenschappen daaromtrent ingevolge artikel 16,
tweede lid, van de richtlijn heeft vastgesteld.
Artikel 40. Bericht van ontvangst
1.De houder stelt Onze Minister binnen 15 dagen nadat de
radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen in de derde
staat van bestemming zijn aangekomen, in kennis van het feit dat die
stoffen hun bestemming hebben bereikt. Daarbij wordt vermeld via welk
laatste douanekantoor in de Europese Unie de overbrenging heeft
plaatsgevonden.
2.Het bericht van ontvangst gaat vergezeld van een verklaring of
een bevestiging van de ontvanger, dat die stoffen de juiste bestemming
hebben bereikt, onder vermelding van het douanekantoor van binnenkomst
in de derde staat van bestemming.
Artikel 41. Niet-uitgevoerde overbrenging
1.Onze Minister kan bepalen dat de overbrenging niet kan worden
uitgevoerd indien:
a. niet langer wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen
eisen, de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d,
verleende vergunning of een krachtens de richtlijn verleende
toestemming of
b. de overbrenging feitelijk niet kan worden uitgevoerd.
2.Onze Minister stelt de houder onverwijld in kennis van een door
hem op grond van het eerste lid genomen besluit.
3.Indien het bevoegd gezag van een betrokken andere lidstaat op
grond van artikel 12, eerste lid, van de richtlijn heeft besloten dat
de overbrenging niet kan worden uitgevoerd, stelt Onze Minister de
houder van dat besluit in kennis.
Artikel 42. Terugnameplicht
1.Indien Onze Minister overeenkomstig artikel 41, eerste lid, heeft
bepaald dat een overbrenging niet kan worden uitgevoerd, of indien
Onze Minister de houder een kennisgeving als bedoeld in artikel 41,
derde lid, heeft gezonden, bepaalt hij dat de houder de betrokken
radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen terugneemt.
2.Artikel 16, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Titel 4.4. Overbrenging van de lidstaat van herkomst via Nederland
naar de derde staat van bestemming
Artikel 43. Beoordeling op volledigheid
Indien het bevoegd gezag van de lidstaat van herkomst verzoekt om een
aanvraag om een vergunning voor het via Nederland overbrengen van uit
eerstgenoemde lidstaat afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in een derde staat, op
volledigheid te beoordelen, beoordeelt Onze Minister of de aanvraag
volledig en juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
De beoordeling geschiedt binnen 20 dagen na ontvangst van het verzoek.
Artikel 44. Van overeenkomstige toepassing verklaring titel 3.2
1.Titel 3.2 is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van
de artikelen 17, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 19, aanhef en
onder a en b, 20, tweede lid, onder a, en 21, en met dien verstande
dat:
a. in artikel 17, derde lid, in plaats van «eventuele
lidstaten van doorvoer» wordt gelezen: eventuele andere lidstaten
van doorvoer;
b. artikel 19, aanhef en onder c en d, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
c. artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
d. een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, tweede lid,
uitsluitend wordt gezonden aan het bevoegd gezag van de lidstaat
van herkomst.
2.Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Titel 4.5. Overbrenging van de derde staat van herkomst via Nederland
naar de derde staat van bestemming
Paragraaf 4.5.1. Nederland als eerste lidstaat van doorvoer
Artikel 45. Vergunningaanvraag; terugnameplicht
De beheerder doet zijn aanvraag om een vergunning krachtens artikel
3, eerste lid,aanhef en onder e, vergezeld gaan van een door hem
ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de in de derde staat van
bestemming gevestigde ontvanger een door het bevoegd gezag van de derde
staat van herkomst aanvaarde regeling heeft getroffen met de in die
staat gevestigde houder, inhoudende dat laatstgenoemde die stoffen zal
terugnemen indien de overbrenging niet kan worden uitgevoerd als bedoeld
in artikel 50.
Artikel 46. Dagtekening
Indien het document dat bij de aanvraag om een vergunning is
gebruikt, volledig en juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste
bijlagen, tekent Onze Minister op dat document de datum van ontvangst
aan.
Artikel 47. Beoordeling op volledigheid; ontvangstbevestiging
1.Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de overbrenging
via een of meer andere lidstaten van doorvoer plaatsvindt.
2.Na de in artikel 46 bedoelde dagtekening verzoekt Onze Minister
onder toezending van het uniforme document onverwijld het bevoegd
gezag van de andere lidstaat of lidstaten van doorvoer:
a. te beoordelen of de aanvraag om een vergunning volledig en
juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen;
b. toestemming te verlenen met betrekking tot de aanvraag om
een vergunning nadat een afschrift van de ontvangstbevestiging van
Onze Minister op grond van dit artikel is ontvangen.
3.Onze Minister doet de toezending van het uniforme document
vergezeld gaan van informatie omtrent de vergunning en de daarbij te
volgen procedure.
4.Indien het bevoegd gezag van de andere lidstaat of lidstaten van
doorvoer binnen de termijn van 20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, van de richtlijn, geen verzoek indient om ontbrekende informatie
te verstrekken, stelt Onze Minister uiterlijk 10 dagen na afloop van
genoemde termijn van 20 dagen de datum van ontvangstbevestiging vast.
Onze Minister deelt deze datum mede aan het bevoegd gezag van de
andere lidstaat of lidstaten van doorvoer.
5.Indien het bevoegd gezag van een andere lidstaat van doorvoer
binnen de termijn van 20 dagen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van
de richtlijn, een verzoek indient om ontbrekende informatie te
verstrekken, verstrekt Onze Minister zo spoedig mogelijk de
betreffende informatie. Onze Minister zendt een afschrift van deze
informatie aan het bevoegd gezag van eventuele andere lidstaten van
doorvoer.
6.Indien het vijfde lid van toepassing is, stelt Onze Minister de
datum van ontvangstbevestiging niet eerder vast dan nadat 10 dagen
zijn verstreken na ontvangst van de betreffende informatie, en in elk
geval niet eerder dan na afloop van de termijn van 20 dagen, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn. Onze Minister zendt een
afschrift van de ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van de
andere lidstaat of lidstaten van doorvoer.
7.De in dit artikel opgenomen termijnen voor het vaststellen van de
datum van ontvangstbevestiging kunnen worden ingekort indien Onze
Minister en het bevoegd gezag van de andere lidstaat of lidstaten van
doorvoer zich ervan hebben vergewist dat de aanvraag volledig en juist
is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
Artikel 48. Beslissing op vergunningaanvraag
1.Op de beslissing op de aanvraag om een vergunning is artikel 39,
eerste, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.Aan de vergunning kunnen met het oog op het vervoer van de
radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen voorschriften
worden verbonden. Indien toestemming onder voorwaarden is verleend,
worden aan de vergunning in elk geval de voorschriften verbonden die
gelet op die voorwaarden noodzakelijk zijn.
3.Onze Minister zendt de beslissing op de aanvraag onverwijld toe
aan de aanvrager. Onze Minister deelt de beslissing tevens onverwijld
mede aan het bevoegd gezag van de derde staat van herkomst en het
bevoegd gezag van eventuele lidstaten of derde staten van doorvoer.
Artikel 49. Bericht van ontvangst
1.De beheerder stelt Onze Minister binnen 15 dagen nadat de
radioactieve afvalstoffen of de bestraalde splijtstoffen in de derde
staat van bestemming zijn aangekomen, in kennis van de ontvangst.
Daarbij wordt vermeld via welk laatste douanekantoor in de Europese
Unie de overbrenging heeft plaatsgevonden.
2.Het bericht van ontvangst gaat vergezeld van een verklaring of
een bevestiging van de ontvanger, dat die stoffen de juiste bestemming
hebben bereikt, onder vermelding van het douanekantoor van binnenkomst
in de derde staat van bestemming.
Artikel 50. Niet-uitgevoerde overbrenging
1.Onze Minister kan bepalen dat de overbrenging niet kan worden
uitgevoerd indien:
a. niet langer wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen
eisen, de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e,
verleende vergunning of een krachtens de richtlijn verleende
toestemming of
b. de overbrenging feitelijk niet kan worden uitgevoerd.
2.Onze Minister stelt het bevoegd gezag van de derde staat van
herkomst en de beheerder onverwijld in kennis van een door hem op
grond van het eerste lid genomen besluit.
3.De beheerder is aansprakelijk voor alle kosten die verband houden
met het niet kunnen uitvoeren van de overbrenging.
Paragraaf 4.5.2. Nederland als latere lidstaat van doorvoer
Artikel 51. Beoordeling op volledigheid
Indien het bevoegd gezag van de eerste lidstaat van doorvoer verzoekt
om een aanvraag om een vergunning voor het via Nederland overbrengen van
uit eerstgenoemde lidstaat afkomstige radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen met een bestemming in een derde staat, op
volledigheid te beoordelen, beoordeelt Onze Minister of de aanvraag
volledig en juist is ingevuld en is voorzien van de vereiste bijlagen.
De beoordeling geschiedt binnen 20 dagen na ontvangst van het verzoek.
Artikel 52. Van overeenkomstige toepassing verklaring titel 3.2
1.Titel 3.2 is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van
de artikelen 17, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 19, aanhef en
onder a en b, 20, tweede lid, onder a, en 21, en met dien verstande
dat:
a. in de artikelen 17, derde lid, 18, eerste en derde lid, en
22, eerste lid, in plaats van «lidstaat van herkomst» wordt
gelezen: eerste lidstaat van doorvoer;
b. in artikel 17, derde lid, in plaats van «eventuele
lidstaten van doorvoer» wordt gelezen: eventuele andere lidstaten
van doorvoer;
c. artikel 19, aanhef en onder c en d, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
d. artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b, uitsluitend van
toepassing is voor zover het betreft vervoer;
e. een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, tweede lid,
uitsluitend wordt gezonden aan het bevoegd gezag van de derde
staat van herkomst;
f. in artikel 22, derde lid, in plaats van «houder» wordt
gelezen: beheerder.
2.De artikelen 24 en 39, eerste lid, aanhef en onder b tot en met d,
en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 53. Intrekking Biudras
Het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen wordt
ingetrokken.
Artikel 54. Overgangsrecht vergunningen
1.Indien voor 25 december 2008 voor de overbrenging van
radioactieve afvalstoffen een vergunning als bedoeld in artikel 3 van
het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen is
verleend, blijft dat besluit van toepassing op alle
overbrengingsverrichtingen die onder die vergunning vallen.
2.Onverminderd het derde lid, blijft het Besluit in-, uit- en
doorvoer van radioactieve afvalstoffen van toepassing op ontvankelijke
aanvragen om een vergunning voor de overbrenging van radioactieve
afvalstoffen als bedoeld in artikel 3 van dat besluit die voor 25
december 2008 zijn ingediend.
3.Bij het nemen van een beslissing op aanvragen om een vergunning
die voor 25 december 2008 zijn ingediend en die betrekking hebben op
meer dan één overbrenging van radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen naar een derde staat van bestemming, houdt
Onze Minister rekening met alle relevante omstandigheden en met name
met:
a. het geplande tijdschema voor de uitvoering van alle
overbrengingen die onder dezelfde aanvraag vallen;
b. de motivering voor het bundelen van alle overbrengingen in
dezelfde aanvraag;
c. de vraag of het niet wenselijk is een vergunning te verlenen
voor een aantal overbrengingen dat lager is dan het aantal waarop
de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 55. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit in-, uit- en doorvoer van
radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen.
Artikel 56. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 maart 2009
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de veertiende april 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|