| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Landbouwkwaliteitswet
(LKW)
TUCHTRECHTBESLUIT
LANDBOUWKWALITEITSWET
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 juli 1979, houdende regelen krachtens
artikel 13, derde lid, Landbouwkwaliteitswet
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Landbouw en Visserij en van Justitie
van 8 februari 1979 (Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische
Zaken, nr. J 435, en van Justitie van 8 maart 1979, Stafafdeling
Wetgeving Publiekrecht, nr. 127/679);
Gelet op artikel 13, derde lid, van de
Landbouwkwaliteitswet (Stb. 1971, 371);
De Raad van State gehoord (advies van 21 maart
1979, nr. 14);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 5 juli 1979 (Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J 2299);
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene Bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
"bestuur"; het orgaan van de controle-instelling,
overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de leiding, dan wel
de dagelijkse leiding van de controle-instelling;
"tuchtgerecht": orgaan van de controle-instelling,
overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de uitoefening van
de tuchtrechtspraak over de betrokkenen;
"centraal tuchtgerecht": het orgaan van de
controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast
met de behandeling van het beroep tegen een tuchtbeschikking, gegeven
door een tuchtgerecht;
"tuchtreglement": het door de controle-instelling
vastgestelde reglement, regelende het aantal, de samenstelling en
bevoegdheden van de met de uitoefening van tuchtrechtspraak belaste
organen, alsmede de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding;
"voorzitter": de voorzitter van een tuchtgerecht,
onderscheidenlijk centraal tuchtgerecht, dan wel degene die als zodanig
optreedt;
"betrokkene": degene als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
van de Landbouwkwaliteitswet.
Artikel 1a
Dit besluit berust op artikel 13, tweede lid, van de
Landbouwkwaliteitswet.
Artikel 2
De controle-instelling is gehouden bij de vaststelling van haar
tuchtreglement het bij dit besluit bepaalde in acht te nemen. Een
zodanig reglement behoeft alvorens het in werking treedt de goedkeuring
van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
Artikel 3
1. De controle-instelling kan een of meer tuchtgerechten
instellen.
2. Indien de controle-instelling twee of meer tuchtgerechten
instelt, stelt zij tevens een centraal tuchtgerecht in.
§ 2. Samenstelling en bevoegdheid van het tuchtgerecht en het
centraal tuchtgerecht
Artikel 4
1. Het tuchtgerecht,
onderscheidenlijk het centraal tuchtgerecht is samengesteld uit een
lid-voorzitter, zo nodig een of meer leden-vice-voorzitter, alsmede
leden. Het wordt bijgestaan door een secretaris en zo nodig een of meer
adjunct-secretarissen. Het houdt zitting met ten minste drie leden, de
voorzitter daaronder begrepen.
2. Zij die deel uitmaken van een tuchtgerecht kunnen niet tevens
deel uitmaken van het centraal tuchtgerecht.
Artikel 5
1. De voorzitter, de vice-voorzitters, de secretaris en de
adjunct-secretarissen van een tuchtgerecht, onderscheidenlijk centraal
tuchtgerecht moeten voldoen aan de eisen voor benoeming, genoemd in
artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
2. Ingeval van toepassing van artikel 3, tweede lid, is het
bepaalde in het voorgaande lid slechts in zoverre van toepassing op de
tuchtgerechten, dat ter zitting hetzij de voorzitter, hetzij de
fungerend secretaris aan de in dat lid genoemde vereisten moeten
voldoen.
Artikel 6
1. De controle-instelling regelt de bevoegdheid van het
tuchtgerecht te oordelen over de overtredingen, door betrokkenen
begaan, van het bij en krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit
bepaalde, alsmede de bevoegdheid ter zake daarvan maatregelen op te
leggen. Indien artikel 3, tweede lid, toepassing vindt, bepaalt het
tuchtreglement dat een belanghebbende tegen een beschikking
administratief beroep kan instellen bij het centraal tuchtgerecht.
2. Het tuchtreglement houdt een voorziening in voor het in
artikel 18, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet (Stb. 1971,
371) bedoelde overleg.
Artikel 7
De controle-instelling bepaalt de plaats, waar het tuchtgerecht,
onderscheidenlijk het centraal tuchtgerecht zitting houdt. Het
tuchtgerecht kan, indien het tuchtreglement daarin voorziet, in
bijzondere gevallen, in dat reglement aangegeven, ook buiten die plaats
zitting houden.
Artikel 8
1. De controle-instelling bepaalt het aantal leden en regelt de
wijze van de benoeming van de voorzitter, de vice-voorzitters, de
andere leden, de secretaris en de adjunct-secretarissen van het
tuchtgerecht, onderscheidenlijk het centraal tuchtgerecht, alsmede de
tijd, gedurende welke zij hun functie vervullen. De benoeming van de
voorzitter en de vice-voorzitters behoeft de goedkeuring van Onze
Minister.
2. Echtgenoten, bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad
ingesloten, kunnen niet te zamen zijn voorzitter, vice-voorzitter, lid,
secretaris of adjunct-secretaris van een tuchtrecht, onderscheidenlijk
van het centraal tuchtgerecht.
3. Indien het huwelijk eerst mocht worden aangegaan na de
benoeming, zal de jongstbenoemde zijn functie niet kunnen behouden.
4. Indien de zwagerschap eerst mocht zijn ontstaan na de
benoeming, zal degene, die haar veroorzaakte, zijn functie niet kunnen
behouden, behoudens goedkeuring door Onze Minister en Onze Minister van
Veiligheid en Justitie. De zwagerschap houdt op door de ontbinding van
het huwelijk, dat haar veroorzaakte.
Artikel 9
De controle-instelling regelt de gevallen, waarin de voorzitter, de
vice-voorzitters en de andere leden ontslag kan worden verleend,
onderscheidenlijk die, waarin zij op non-actief kunnen worden gesteld.
Artikel 10
Een belanghebbende kan tegen een besluit tot ontslag,
onderscheidenlijk tot het stellen op non-activiteit beroep instellen bij
Onze Minister.
§ 3. Rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding
Artikel 11
1. Een zaak wordt door of
namens het bestuur binnen een redelijke termijn na de constatering van
de overtreding aanhangig gemaakt door middel van een verklaring.
2. De verklaring waarbij een zaak wordt aanhangig gemaakt
vermeldt alle relevante feiten. Daarbij worden alle op de zaak
betrekking hebbende stukken overgelegd.
3. Een zaak wordt niet aanhangig gemaakt dan ingevolge overleg
met de Officier van Justitie.
Artikel 12
Afschrift van de in artikel 11 bedoelde verklaring en van de daarbij
behorende stukken wordt, ook al wordt de zaak ingevolge artikel 11,
derde lid, niet aanhangig gemaakt, gezonden aan de Officier van Justitie
bij de rechtbank van het arrondissement waar de overtreding werd
gepleegd, tenzij de Officier van Justitie heeft laten weten dat daarvan
kan worden afgezien.
Artikel 13 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 14
1. De betrokkene wordt, onverminderd het bepaalde in artikel
13, binnen een termijn van ten hoogste acht weken, nadat de zaak bij
het tuchtgerecht aanhangig is gemaakt, bij aangetekende brief
opgeroepen om op door de voorzitter te bepalen dag en uur ter zitting
te verschijnen. De oproeping wordt ten minste twee weken voor de dag
der zitting aan hem toegezonden en vermeldt de plaats van de zitting.
2. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van de in
artikel 11 bedoelde verklaring en van alle op de zaak betrekking
hebbende stukken.
3. De oproeping houdt in:
a. indien getuigen en deskundigen ter zitting zijn opgeroepen, de
namen, het beroep en de woonplaats van deze personen;
b. de mededeling, dat de betrokkene bevoegd is getuigen en
deskundigen ter zitting mede te brengen.
4. Degene, die de zaak aanhangig heeft gemaakt, wordt eveneens
ter zitting opgeroepen.
Artikel 15
Tegen de betrokkene, die ter zitting niet is verschenen of, ingeval
zijn persoonlijke verschijning niet is bevolen, zich niet heeft laten
vertegenwoordigen, wordt verstek verleend. De behandeling wordt daarna
voortgezet.
Artikel 16
1. Het tuchtgerecht kan de behandeling ter zitting schorsen
onder opgaaf van redenen.
2. Indien bij schorsing geen tijdstip voor hervatting van de
behandeling is bepaald, doet de secretaris zo spoedig mogelijk aan de
betrokkene en aan degene, die de zaak aanhangig heeft gemaakt,
mededeling van het daarvoor op zo kort mogelijke termijn vastgestelde
tijdstip. Het tijdstip van hervatting kan niet liggen binnen 6 dagen na
de datum van die mededeling.
3. De in het tweede lid bedoelde mededeling gaat vergezeld van
een afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, voor
zover niet reeds toegezonden ingevolge artikel 14, tweede lid.
Artikel 17
1. Het is aan de voorzitter en de andere leden verboden buiten
de zitting:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen bekend te maken;
b. de gevoelens te openbaren, welke in de raadkamer over aanhangige
zaken zijn geuit;
c. over een voor hen aanhangige zaak of een zaak, die naar zij
weten, zouden kunnen weten of vermoeden voor hen aanhangig zal worden,
zich uit te laten in enig onderhoud of gesprek met de betrokkene of
zijn raadsman of van deze enige bijzondere inlichting of schriftelijk
stuk aan te nemen.
2. De in het eerste lid omschreven verbodsbepalingen gelden mede
voor de secretaris en de adjunct-secretaris, voor zover de aard van hun
werkzaamheden niet anders vordert.
3. De geheimhoudingsplicht geldt ook na
beëindiging van de functie.
Artikel 18
1. De tuchtzitting is
openbaar, tenzij naar het oordeel van de voorzitter dringende redenen
zich daartegen verzetten.
2. Het tuchtgerecht beraadslaagt en beslist in raadkamer, zo
mogelijk in aansluiting aan de behandeling ter zitting. Terstond na
raadkamer wordt ter zitting uitspraak gedaan. Wanneer dat niet mogelijk
is, kan de voorzitter een nadere datum voor de uitspraak bepalen, welke
binnen drie weken, nadat de behandeling ter zitting is afgesloten, moet
plaatshebben.
3. Het tuchtgerecht grondt zijn uitspraak uitsluitend op hetgeen
ter zitting is gebleken.
Artikel 19
Indien artikel 3, tweede lid, niet van toepassing is, wordt bij de
bekendmaking van de tuchtbeschikking, als bedoeld in artikel 18, tevens
vermeld dat daartegen voorziening als bedoeld in Titel IV van de Wet
tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie openstaat.
Artikel 20
Ingeval van toepassing van artikel 3, tweede lid, kunnen degene, die
de zaak aanhangig heeft gemaakt, en de aangeslotene overeenkomen de zaak
rechtstreeks aanhangig te maken bij het centraal tuchtgerecht. Alsdan is
het bepaalde in deze paragraaf op de behandeling voor het centraal
tuchtgerecht van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Bijzondere bepalingen ten aanzien van de rechtsgang van het
tuchtrechtelijk geding in tweede aanleg
Artikel 21
1. De secretaris van het
centraal tuchtgerecht zendt bericht van het ingestelde beroep aan de in
artikel 12 bedoelde Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten
dat daarvan kan worden afgezien.
2. Partijen worden binnen een termijn van ten hoogste acht weken,
nadat de zaak bij het centraal tuchtgerecht aanhangig is gemaakt, bij
aangetekende brief opgeroepen om op door de voorzitter te bepalen dag en
uur ter zitting te verschijnen. De oproeping wordt ten minste twee weken
voor de dag der zitting aan hen toegezonden. Het bepaalde in de
artikelen 14, tweede en derde lid, tot en met 18 is van overeenkomstige
toepassing voor de behandeling van het beroep op het centraal
tuchtgerecht.
Artikel 22
Bij de bekendmaking van de tuchtbeschikking wordt tevens vermeld dat
daartegen voorziening als bedoeld in Hoofdstuk V van de Wet
tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 openstaat.
§ 5. Overgangs- en Slotbepalingen
Artikel 23
De controle-instelling regelt hetgeen overigens bevorderlijk is voor
de goede gang van het tuchtrechtelijk geding.
Artikel 24
De zaken, welke bij een tuchtgerecht aanhangig zijn op het tijdstip
van inwerkingtreding van het tuchtreglement, dat overeenkomstig het
bepaalde in dit besluit is vastgesteld, worden afgedaan met inachtneming
van de regelen inzake de rechtsgang van het tuchtrechtelijke geding,
welke golden vóór dat tijdstip.
Artikel 25
1. Dit besluit kan worden
aangehaald als: Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet.
2. Het treedt in werking met ingang van 1 januari 1980.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 12 juli 1979
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Uitgegeven de drieëntwintigste augustus 1979
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|
|
|