St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Landbouwwet

 

REGELING  GLB-INKOMENSSTEUN  2006

Tekst zoals deze geldt op 26 januari 2012

 

  
 

 

 
     De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
     Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PbEU L 270);
     Gelet op Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 141);
     Gelet op Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 141);
     Gelet op Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen (PbEU L345);
     Overwegende dat toepassing moet worden gegeven aan de hiervoor genoemde verordeningen en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Raads- en Commissieverordeningen;
     Overwegende dat de bepalingen van genoemde verordeningen rechtstreekse werking hebben in de Nederlandse rechtssfeer, zij het dat ten behoeve van de juiste uitvoering en nadere invulling van deze bepalingen regelgeving noodzakelijk is;
     Voorts gelet op de artikelen 15, 19, 23, 26, 27 en 28 van de Landbouwwet;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Paragraaf 1. Definities

 

Artikel 1

1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

b. DR: Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

c. AID: Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

d. sloot: sloot, met inbegrip van het talud;

2. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. richtlijn 91/629/EEG: Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PbEG L 340);

b. richtlijn 91/630/EEG: Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEG L 340);

c. verordening 1760/2000: Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG L 204);

d. verordening 21/2004: Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie-en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PbEU L 5);

e. verordening 852/2004: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU L 139);

f. verordening 853/2004: Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 226);

g. verordening 183/2005: Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PbEU L 35);

h. verordening 885/2006: Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO (PbEU L 171);

i. verordening 1156/2006: Verordening (EG) nr. 1156/2006 van de Commissie van 28 juli 2006 tot vaststelling, voor 2006, van de begrotingsmaxima voor de gedeeltelijke of facultatieve uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling, de jaarlijkse totaalbedragen voor de regeling inzake één enkele areaalbetaling en de maximumbedragen voor de toekenning van de afzonderlijke suikerbetaling waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad voorziet, en tot wijziging van die verordening (PbEG L 208);

j. verordening 552/2007: Verordening (EG) nr. 552/2007 van de Commissie van 22 mei 2007 tot vaststelling van het maximumbedrag van de communautaire bijdrage in de financiering van de activiteitenprogramma’s in de sector olijfolie, tot vaststelling, voor 2007, van de begrotingsmaxima voor de gedeeltelijke of facultatieve uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling en de jaarlijkse totaalbedragen voor de regeling inzake één enkele areaalbetaling waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad voorziet, en tot wijziging van die verordening (PbEG L 131);

k. verordening 834/2007: Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU L 189);

l. richtlijn 2008/71/EG: richtlijn 2008/71/EG van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2008 met betrekking tot de identificatie en registratie van varkens (PbEU L 213);

n. verordening 765/2008: Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93, (PbEU L 218);

o. verordening 674/2008: Verordening (EG) nr. 674/2008 van de Commissie van 16 juli 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad en Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad en tot vaststelling, voor 2008, van de begrotingsmaxima voor de gedeeltelijke of facultatieve uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling en de jaarlijkse totaalbedragen voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet (PbEU L 189);

p. verordening 889/2008: Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PbEU L 250);

q. verordening 73/2009: Verordening (EG) Nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30);

r. verordening 1120/2009: Verordening (EG) Nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 316);

s. verordening 1121/2009: Verordening (EG) nr. 1121/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen (PbEU L 316);

t. verordening 1122/2009: Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PbEU L 316);

u. verordening 784/2011: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 784/2011 van de Commissie van 5 augustus 2011 inzake de vanaf 16 oktober 2011 te betalen voorschotten op de rechtstreekse betalingen uit hoofde van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 203).

3. In verordening 73/2009 of de daarop gebaseerde verordeningen vastgestelde definities zijn van overeenkomstige toepassing.

4. In de Regeling identificatie en registratie van dieren vastgestelde definities zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

 

Artikel 2

1. Overeenkomstig verordening 73/2009 en met inachtneming van ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen en deze regeling:

1. wijst de minister op aanvraag aan landbouwers toeslagrechten op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder ii en iv, van verordening 73/2009 in het kader van de bedrijfstoeslagregeling toe.

2. verstrekt de minister op aanvraag aan landbouwers:

a. een bedrijfstoeslag, of

b. specifieke steun op grond van Hoofdstuk 2a van deze regeling.

2. De Minister beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onder 2, uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar van indiening van de aanvraag.

3. Vanaf 16 oktober 2011 betaalt de minister op grond van artikel 1 van verordening 784/2011, voorschotten van 50% van de betalingen voor de steunaanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2, onder a, die in 2011 zijn gedaan op voorwaarde dat voor die steunaanvragen de toetsing is afgerond van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, bedoeld in artikel 20 van verordening 73/2009.

 

Artikel 3

Een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor één van de in artikel 2 genoemde steunregelingen neemt de volgende bepalingen in acht:

a. de in de artikelen 4 en 5 van verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen, opgenomen in bijlage 1, en

b. de in artikel 6 van verordening 73/2009 bedoelde minimumeisen inzake de goede landbouw- en milieuconditie, opgenomen in bijlage 2.

 

Artikel 4

1. De minister kan met inachtneming van artikel 4, eerste lid, van verordening 1122/2009 bepalen dat het landbouwers verboden is blijvend grasland om te zetten in land voor andere vormen van grondgebruik, behoudens voorafgaande ontheffing.

2. Een verzoek tot ontheffing wordt ingediend op een door DR vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. Bij de indiening van het verzoek tot ontheffing legt de landbouwer alle bewijsstukken over die DR nodig acht voor de beoordeling van het verzoek.

 

Artikel 5

1. Indien het aandeel van het blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening 1122/2009 met meer dan 10% dreigt af te nemen ten opzichte van het aandeel blijvend grasland in 2003, is de landbouwer die beschikt over land dat van blijvend grasland is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik, verplicht tot het opnieuw omzetten van land in blijvend grasland. De minister stelt de betrokken landbouwer in kennis van deze verplichting en de oppervlakte waarop deze betrekking heeft.

2. De landbouwer aan wie de kennisgeving bedoeld in het eerste lid is gegeven, is verplicht tot het omzetten van land in blijvend grasland voor het moment van indienen van de eerstvolgende verzamelaanvraag en overeenkomstig de voorwaarden van de kennisgeving.

 

Artikel 6

Met ingang van 1 januari 2011 komen niet voor verstrekking van steun ingevolge deze regeling in aanmerking:

a. rechtspersonen, bedoeld in artikel 2:1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek,

b. bestuursorganen, bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en

c. al dan niet als belastingplichtige aangemerkte lichamen, bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

 

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 8a [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 9

1.De bedragen die een landbouwer op grond van de in artikel 2 genoemde steunregelingen aan subsidies ontvangt, worden conform het bepaalde in artikel 7 van verordening 73/2009 procentueel verlaagd ten behoeve van modulatie.

2.De minister past in voorkomend geval de lineaire verlaging toe, bedoeld in artikel 8, eerste lid, laatste volzin, van verordening 73/2009.

 

Hoofdstuk 2. Bedrijfstoeslagregeling

 

Paragraaf 1. Toewijzen van toeslagrechten

 

Artikel 10

Overeenkomstig de artikelen 64 en 65 van verordening 73/2009 verhoogt de minister de waarde van de toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2010 in eigendom hebben, of wijst de minister aan landbouwers nieuwe toeslagrechten toe, volgens de berekening, opgenomen in bijlage 4.

 

Artikel 11

1. Overeenkomstig de artikelen 64 en 65 van Verordening 73/2009 verhoogt de minister de waarde van de toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2010 in eigendom hebben, of wijst de minister aan landbouwers nieuwe toeslagrechten toe die op grond van de volgende bepalingen in aanmerking komen voor toewijzing van toeslagrechten:

a. artikel 31 van verordening 73/2009,

b. artikel 26 van verordening 1120/2009, of

c. artikel 27 van verordening 1120/2009.

2. Landbouwers kunnen verzoeken om toepassing van het eerste lid, onderdeel a, indien hun productie gedurende een of meer relevante referentiejaren als bedoeld in bijlage 4, door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 31 van verordening 73/2009, dat zich vóór of gedurende die periode heeft voorgedaan is verminderd, hetgeen rechtstreeks ertoe heeft geleid dat de ontvangen directe betalingen in enig jaar van de relevante periode met meer dan€ 500,– zijn verminderd. In dat geval wijst de minister de toeslagrechten van de landbouwer toe op basis van referentiejaren als bedoeld in bijlage 4, waarvan de productie niet is beïnvloed door het geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Indien de productie in alle relevante referentiejaren, bedoeld in bijlage 4, door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden is beïnvloed, wijst de minister de toeslagrechten van de landbouwer toe op basis van een door de minister te bepalen periode waarin de productie niet is beïnvloed door het geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

3. Landbouwers die hun aanspraak op toeslagrechten, bedoeld in artikel 10, voor 15 mei 2010 hebben overgedragen in combinatie met de overdracht van een onderneming met een UBN, kunnen verzoeken om toepassing van het eerste lid, onderdeel b. Houders van volwassen runderen of kalveren kunnen alleen een beroep doen op dit artikel ten aanzien van de dieren die in de referentieperiode, bedoeld in bijlage 4 waren geconstateerd op het UBN.

4. Landbouwers die hun aanspraak op toeslagrechten, bedoeld in artikel 10, voor 15 mei 2010 hebben verhuurd aan een onderneming met een UBN, kunnen verzoeken om toepassing van het eerste lid, onderdeel c, als:

a. het aantal verhuurde toeslagrechten niet hoger is dan het aantal verhuurde hectaren grond,

b. de verhuurovereenkomst uiterlijk op 15 mei 2010 ingaat, en

c. de verhuurovereenkomst na 15 mei 2010 afloopt.

5. De verhuurder kan toeslagrechten, bedoeld in het vierde lid, overdragen aan de huurder.

 

Artikel 12

Ter zake van de integratie van de gekoppelde steun voor de productie en verwerking van zetmeelaardappelen, verhoogt de minister overeenkomstig artikel 64 van verordening 73/2009 de waarde van toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2012 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten aan landbouwers toe, volgens de berekening, opgenomen in bijlage 9, punt 1.

 

Artikel 13

Ter zake van de integratie van de gekoppelde steun voor de productie van zaaizaad van vezelvlas, verhoogt de minister overeenkomstig artikel 65 van verordening 73/2009 de waarde van toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2012 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten aan landbouwers toe, volgens de berekening, opgenomen inbijlage 9, punt 2.

 

Artikel 14

Ter zake van de integratie van de gekoppelde steun voor de verwerking van vezelvlas of hennep, verhoogt de minister overeenkomstig artikel 64 van verordening 73/2009 de waarde van toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2012 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten aan landbouwers toe, volgens de berekening, opgenomen in bijlage 9, punt 3.

 

Artikel 15

Ter zake van de integratie van de gekoppelde steun voor de verwerking van gedroogde voedergewassen, verhoogt de minister overeenkomstig artikel 64 van verordening 73/2009 de waarde van toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2012 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten aan landbouwers toe, volgens de berekening, opgenomen inbijlage 9, punt 4.

 

Artikel 15a

1. Op grond van deze paragraaf verhoogde toeslagrechten, of toegewezen toeslagrechten, overschrijden niet de waarde van € 5.000 per toeslagrecht.

2. Voor de uitvoering van de artikelen 12 tot en met 15 wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van bepaalde feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen ten doel hebben gehad, of dat die rechtshandelingen achterwege zouden zijn gebleven indien daarmee niet een kleiner aantal toeslagrechten zou zijn verkregen als bedoeld in artikel 64, tweede lid, van verordening 73/2009.

 

Artikel 15b

1. Landbouwers kunnen met een beroep op artikel 31 van verordening 73/2009 verzoeken om de verhoging van de waarde van toeslagrechten, of de toewijzing van nieuwe toeslagrechten, op grond van deze paragraaf op alternatieve wijze te berekenen.

2. Een verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan alleen worden gedaan indien:

a. de productie van de landbouwer rechtstreeks is getroffen door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, en

b. de directe betaling in enig jaar dat relevant is voor de van toepassing zijnde berekening, bedoeld in bijlage 9, daardoor verminderde met meer dan€ 500.

3. De alternatieve berekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in eerste instantie op basis van één of meerdere jaren, die relevant zijn voor de van toepassing zijnde berekening, bedoeld in bijlage 9, waarin de productie van de landbouwer niet is beïnvloed door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Indien door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden de productie is beïnvloed in alle relevante jaren voor de van toepassing zijnde berekening, bedoeld in bijlage 9, geschiedt de berekening op basis van het door de minister te bepalen meest recente jaar dat niet door deze omstandigheden is getroffen.

 

Artikel 15c

Landbouwers die hun aanspraak op toeslagrechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 15 hebben overgedragen in combinatie met de overdracht van een onderneming of een deel ervan, kunnen de minister verzoeken om toepassing van artikel 26 van verordening 1120/2009.

 

Artikel 15d

Na toepassing van het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 15c, verlaagt de minister op grond van artikel 69, zesde lid, onderdeel b, van verordening 73/2009, op 15 mei 2012 de waarde van aan landbouwers toegewezen toeslagrechten met 2,5%.

 

Paragraaf 2. Nationale reserve

 

Paragraaf 2.1. Vorming nationale reserve

 

Paragraaf 2.2. Toewijzen van toeslagrechten uit de nationale reserve

 

Artikel 16

1. De minister wijst op grond van artikel 21 van verordening 1120/2009 toeslagrechten uit de nationale reserve toe aan landbouwers.

2. Landbouwers kunnen verzoeken om toepassing van het eerste lid, indien zij ten genoegen van de minister aantonen dat:

a. zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 een investering in uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit hebben gerealiseerd van meer dan € 100.000,

b. de investering rechtstreeks heeft geleid tot een stijging van het aantal dieren dat de landbouwer uiterlijk op 1 april 2010 houdt,

c. de investering uiterlijk op 31 december 2009 volledig is gerealiseerd en ten minste tot en met 31 december 2010 in stand wordt gehouden.

 

Artikel 17

1. De toewijzing van toeslagrechten op grond van artikel 16, eerste lid, geschiedt aan de hand van de volgende berekening:

a. er worden vier diercategorieën en daarmee corresponderende vermenigvuldigingsfactoren vastgesteld, respectievelijk:

i. vleeskalveren voor witvlees en rosévlees, jonger dan 8 maanden, met vermenigvuldigingsfactor 1,9,

ii. vleeskalveren voor rosévlees, 8 maanden of ouder, met vermenigvuldigingsfactor 1,4,

iii. vleesstieren, met vermenigvuldigingsfactor 1,0, en

iv. overige volwassen runderen, met vermenigvuldigingsfactor 0,3,

b. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdeel i, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor vleeskalveren.

c. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdelen ii, iii en iv, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor volwassen runderen.

2. Het op grond van het eerste lid berekende bedrag wordt met 0,90 vermenigvuldigd, vervolgens verminderd met het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10 voor volwassen runderen of kalveren, daarna verminderd met € 500 en verder evenredig verlaagd indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van € 8.500.000 overstijgt.

3. Indien het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, met uitzondering van het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond vanartikel 10 voor volwassen runderen of kalveren, toegepast op het extra aantal dieren dat door de investering in stalcapaciteit kan worden gehouden, lager is dan het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, geldt het lagere bedrag voor de toewijzing op grond van artikel 16, eerste lid.

 

Artikel 18

Indienartikel 16 van toepassing is, verhoogt de minister de waarde van de toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2010 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten toe aan landbouwers overeenkomstig de artikelen 64 en 65 van verordening 73/2009.

 

Artikel 19

Indien als gevolg van overheidsinterventie de omvang van een bedrijf is verkleind, waardoor een landbouwer over minder hectaren subsidiabele grond beschikt dan het aantal dat overeenstemt met de toeslagrechten die hij in het kader van artikel 41, derde lid, van verordening 73/2009 zou krijgen, of heeft gekregen, komt de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 18 van verordening 1120/2009 in aanmerking voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve.

 

Paragraaf 3. Gebruik van toeslagrechten

 

Artikel 20

1. Voor betalingen op basis van toeslagrechten komen uitsluitend in aanmerking landbouwers die:

a. hun toeslagrechten activeren als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 73/2009 en daartoe subsidiabele hectaren aangeven, overeenkomstig artikel 35, eerste lid, van deze verordening, en

b. deze subsidiabele hectaren tot hun beschikking hebben op 15 mei van enig jaar.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 57, tweede lid, van verordening 1122/2009, worden toeslagrechten in een zodanige volgorde uitbetaald, dat het behoud van toeslagrechten zoveel mogelijk voorgaat op uitbetaling van toeslagrechten met de hoogste waarde.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 57, derde lid, van verordening 1122/2009, vindt de betaling op basis van toeslagrechten, in afwijking van het tweede lid, op verzoek van de landbouwer plaats volgens een door hem bepaalde volgorde, welke hij uiterlijk op 15 mei kenbaar maakt.

4. De minimumoppervlakte, bedoeld in artikel 13, negende lid, van verordening 1122/2009 bedraagt 0,01 ha.

 

Artikel 21

1. In afwijking van artikel 20 komen in aanmerking voor betalingen op basis van toeslagrechten, landbouwers die, zonder opgave van subsidiabele hectaren:

a. beschikken over bijzondere toeslagrechten waarop artikel 44 van verordening 73/2009 van toepassing is;

b. minimaal 50% van de tijdens de referentieperiode uitgeoefende landbouwactiviteit, uitgedrukt in GVE, handhaven; en

c. uiterlijk op 15 mei een verzoek doen, overeenkomstig artikel 14, derde lid, van verordening 1120/2009, tot toepassing van de speciale voorwaarden.

2. Ten bewijze van het voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorzover het schapen betreft, doet de landbouwer uiterlijk op 15 mei opgave op basis van zijn bedrijfsregister van het betrokken aantal dieren uitgedrukt in GVE.

3. Aan het minimumpercentage bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geacht te zijn voldaan indien het gemiddelde aantal GVE 50%, doch gedurende een periode van 6 maanden, in geen geval minder dan 25% is.

4. Als bijzondere toeslagrechten als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden overgedragen kan de verkrijger slechts in aanmerking komen voor het bepaalde in het eerste lid, indien:

a. de bijzondere toeslagrechten in 2009, 2010 of 2011 worden overgedragen, en

b. alle bijzondere toeslagrechten van de vervreemder worden overgedragen.

5. In zoverre in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt de te handhaven landbouwactiviteit, uitgedrukt in GVE, voor landbouwers die toeslagrechten krijgen toegewezen op basis van artikel 16, berekend volgens de formule, opgenomen in bijlage 5.

 

Artikel 21a

1. Heide en natuurlijk grasland worden als subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 73/2009 in aanmerking genomen indien deze percelen gedurende het betreffende premiejaar door gemiddeld minimaal 0,15 GVE per hectare worden begraasd door schapen, geiten of runderen.

2. Overeenkomstig artikel 34, vierde en vijfde lid, van verordening 1122/2009 worden met bomen beplante oppervlakten binnen een perceel landbouwgrond, met een plantdichtheid van meer dan 50 bomen per hectare, niet voor steun in aanmerking genomen.

3. Onder hakhout met een korte omlooptijd als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder a, van verordening 73/2009 wordt verstaan woudbomen met omlooptijd van maximaal 10 jaar en bestemd voor de energieproductie.

4. Indien naar het oordeel van de minister blijkt dat een perceel waarvoor steun is aangevraagd geheel of ten dele kennelijk niet voor de uitvoering van de landbouw wordt gebruikt of beschikbaar gehouden, dan komt de desbetreffende oppervlakte niet in aanmerking als subsidiabele landbouwgrond, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 73/2009.

 

Artikel 21b

Voor de toepassing van artikel 9 van verordening 1120/2009 wordt landbouwgrond die niet meer dan 90 dagen per jaar voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte landbouwgrond.

 

Paragraaf 4. Overdracht van toeslagrechten

 

Artikel 22

1. Overdracht van toeslagrechten geschiedt met inachtneming van artikel 43 van verordening 73/2009 en de artikelen 26 en 27 van verordening 1120/2009.

2. Onverminderd de in verordening 73/2009, 1120/2009, 1122/2009 en 1121/2009 aan de betaling op basis van toeslagrechten gestelde voorwaarden kan de aanspraak op betaling in enig premiejaar op basis van de overgedragen toeslagrechten slechts worden gemaakt indien de cedent de minister uiterlijk op 31 maart van het desbetreffende premiejaar in kennis stelt van de overdracht.

 

Hoofdstuk 2a. Specifieke steun

 

Paragraaf 1. Premiesteun voor brede weersverzekering

 

Artikel 23

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. open teelten: open teelten van de sectoren akkerbouw, vollegrondsgroententeelt, bollenteelt, sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij;

b. premie: premie, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

c. schade-expert: deskundige die de gedragscode van expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars of een daarmee gelijk te stellen gedragscode in acht neemt;

d. verzekeraar: verzekeraar, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

e. verzekering: verzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

f. verzekeringspolis: bewijs van verzekering tussen landbouwer en verzekeraar.

 

Artikel 24

1. De minister verstrekt specifieke steun aan landbouwers in de vorm van een financiële bijdrage voor premies ten behoeve van verzekeringen, die overeenkomstig artikel 26, derde lid, zijn goedgekeurd.

2. De steun bedraagt 65% van de verzekeringspremie, met dien verstande dat het steunpercentage evenredig wordt verlaagd voor alle voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van€ 11.480.000 per jaar overstijgt.

3. De steun betreft uitsluitend de premie, exclusief belastingen.

4. Geen steun wordt verstrekt indien de landbouwer van overheidswege een andere bijdrage ontvangt voor de premie, bedoeld in het eerste lid.

5. Geen steun wordt verstrekt indien de landbouwer zijn teelt niet tegen alle ongunstige weersomstandigheden, bedoeld in artikel 26, derde lid, onderdeel b, heeft verzekerd.

 

Artikel 25

1. De landbouwer verstrekt de volgende gegevens aan de minister:

a. het polisnummer van de verzekering,

b. een kopie van de verzekeringspolis, en

c. een bewijs van betaling van de definitieve verzekeringspremie.

2. De landbouwer is van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vrijgesteld indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, voor de in artikel 55d, vijfde lid, vastgestelde termijn door de verzekeraar worden verstrekt.

 

Artikel 26

1. De voorwaarden van de verzekeringen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, worden op aanvraag goedgekeurd door de minister.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van:

a. een onderbouwing van de premie;

b. een verklaring dat de verzekeraar vooraf toestemming verleent aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling;

c. een verklaring van de verzekeraar dat hij zijn administratie die betrekking heeft op de verzekeringsvoorwaarden ten minste 4 kalenderjaren na afloop van de verzekering ter beschikking houdt van de minister;

d. het standaardmodel van de verzekeringspolis, en

e. documenten waarin de verzekeraar ten genoegen van de minister aantoont dat de verzekeringsvoorwaarden voldoen aan het bepaalde in deze regeling.

3. De minister verleent uitsluitend goedkeuring aan de verzekeringsvoorwaarden indien:

a. het financieel verlies van de landbouwer wordt gedekt:

i. voor zover dat meer is dan 30% van de gemiddelde jaarproductie in de laatste drie jaar,

ii. als gevolg van een lagere opbrengst in kwantiteit of kwaliteit,

iii. dat optreedt op een aaneengesloten stuk grond waarop één enkel gewas wordt geteeld, en

iv. redelijkerwijs is toe te rekenen aan ongunstige weersomstandigheden,

b. onder ongunstige weersomstandigheden in elk geval zijn begrepen:

i. weersomstandigheden die volgens een schade-expert of het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en

ii. de volgende ongunstige weersomstandigheden: regenval; droogte; (nacht)vorst; sneeuw; ijzel; storm; hagel; erosie en brand door blikseminslag;

c. alle open teelten verzekerd kunnen worden;

d. geen eisen worden gesteld aan de aard of hoeveelheid van de toekomstige productie door de verzekerde;

e. de voorwaarde wordt gesteld dat de schade wordt vastgesteld door een schade-expert;

f. niet wordt uitgekeerd voorzover de landbouwer van overheidswege een tegemoetkoming in de schade ontvangt die ertoe leidt dat hij meer compensatie ontvangt dan hij schade heeft geleden;

g. slechts één keer tot uitkering wordt gekomen voor een en de zelfde gebeurtenis bij dezelfde teelt,

h. de verzekering wordt aangegaan per kalenderjaar,

i. de verzekering geen dekking biedt voor:

i. genomen preventiemaatregelen, en

ii. bereddingsmaatregelen die genomen zijn op grond van de verzekeringspolis of artikel 7:957 BW, maar waarbij geen verlies, bedoeld in onderdeel a, is opgetreden, en

j. de verzekeraar verklaart dat hij niet meer dan een keer dezelfde schade van de landbouwer verzekert.

4. De weersomstandigheden bedoeld in het derde lid, onderdeel b, worden geacht vooraf te zijn erkend door de minister, als bedoeld in artikel 70, vierde lid, tweede alinea, van verordening 73/2009. De minister kan in aanvulling daarop, na overleg met de brancheorganisatie van verzekeraars, ook andere ongunstige weersomstandigheden erkennen.

5. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, mag een verzekering ook tot uitkering komen bij een financieel verlies van minder dan 30%, mits de verzekeraar ten genoegen van de minister onderscheidt welk deel van de premie betrekking heeft op vergoeding van het financieel verlies van de landbouwer van minder dan 30%. In dat geval heeft de steun slechts betrekking op het gedeelte van de premie dat ziet op verzekeringsvoorwaarden die in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze paragraaf.

6. Het onderscheid, bedoeld in het vijfde lid, moet helder zijn omschreven in de verzekeringsvoorwaarden.

7. In afwijking van het derde lid, onderdeel h, mag een verzekering voor meer dan een kalenderjaar worden aangegaan, mits de premie jaarlijks wordt betaald en de jaarlijkse premie betrekking heeft op de productie van één kalenderjaar.

8. De minister publiceert de goedgekeurde verzekeringsvoorwaarden op www.minlnv.nl.

9. De minister keurt alleen een verzekering goed indien de verzekeraar verklaart dat de minister in kennis wordt gesteld van eventuele aanpassingen in de administratie van de verzekeraar, voorzover deze aanpassingen negatieve gevolgen hebben voor de betrouwbaarheid van de daarin verwerkte gegevens.

 

Artikel 27

1. In afwijking van artikel 26, derde lid, onderdeel e, mag de schade worden vastgesteld op basis van een rekenmodel.

2. Het rekenmodel wordt tezamen met de verzekeringsvoorwaarden goedgekeurd door de minister.

3. De minister keurt het rekenmodel uitsluitend goed indien de verzekeraar aantoont dat de uitkomsten van het rekenmodel vergelijkbaar zijn met een schadebeoordeling door een schade-expert. Het rekenmodel bevat daartoe tenminste de noodzakelijke gegevens om de schade vast te kunnen stellen aan de hand van bedrijfsspecifieke gegevens van het landbouwbedrijf zoals het gewas en grondsoort op perceelsniveau en de feitelijke weersomstandigheid die de schade veroorzaakt.

4. De verzekeraar onderzoekt elk gebruik van het rekenmodel met behulp van een steekproef. De resultaten worden ter beschikking gehouden van de minister.

 

Paragraaf 2. Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen

 

Artikel 28

In deze paragraaf wordt verstaan onder integraal duurzame stal of houderijsysteem: stal of houderijsysteem dat voldoet aan bovenwettelijke normen op het gebied van dierenwelzijn en minimaal voldoet aan wettelijke normen op de gebieden: milieu, energie, diergezondheid, landschappelijke inpasbaarheid en arbeidsomstandigheden.

 

Artikel 29

1. De minister verstrekt op aanvraag steun aan melkvee-, vleesvee-, schapen-,geiten-, varkens-, vleeskalveren-, pluimvee-, eenden-, kalkoenen- of konijnenhouders voor:

a. de bouw van een integraal duurzame stal of houderijsysteem,

b. de verbouwing van een bestaande stal of houderijsysteem tot een integraal duurzame stal of houderijsysteem, of

c. de installatie van het noodzakelijke materieel voor de werking van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het integraal duurzame en diervriendelijke houderijsysteem.

2. Het steunpercentage bedraagt 50% voor onderdelen van het investeringsplan die zijn gerealiseerd in de periode vanaf de datum van de aanvraag tot steunverlening tot 1 maart van het daaropvolgende jaar.

3. Indienartikel 34, vierde lid, onderdeel c, van toepassing is, bedraagt het steunpercentage 40% voor onderdelen van het investeringsplan die zijn gerealiseerd in de periode die begint na de in het tweede lid bedoelde periode, tot 1 maart van het daaropvolgende jaar.

4. De minister verstrekt ten hoogste € 250.000 steun per aanvraag tot steunverlening.

5. Het steunplafond voor betalingen op grond van het eerste lid bedraagt in 2012 € 14.200.000, verminderd met het bedrag waarop landbouwers aanspraak kunnen maken op grond van:

a. in 2010 verleende steun, waarbij toestemming als bedoeld in artikel 34, vierde lid, onderdeel c, is verleend, en waarvoor in 2012 een aanvraag als bedoeld in artikel 37, eerste lid, wordt ingediend, en

b. in 2011 verleende steun, waarvoor in 2012 aanvragen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, of artikel 37, eerste lid, worden ingediend.

 

Artikel 30

1. De landbouwer verzoekt door middel van een aanvraag tot steunverlening om toekenning van steun op grond van artikel 29, eerste lid.

2. De aanvraag tot steunverlening gaat vergezeld van de documenten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, onderdeel D, eerste alinea, onderdelen a, b en c, van de Regeling LNV-subsidies.

3. De landbouwer meldt bij de aanvraag tot steunverlening of hij in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan, of dat hij deze heeft aangevraagd, en verklaart dat hij ermee bekend is dat het ontbreken van dergelijke vergunningen of de niet tijdige beschikbaarheid ervan geen grond is voor toepassing van artikel 35.

 

Artikel 31

1. De landbouwer kan slechts één aanvraag tot steunverlening per jaar indienen op grond van deze paragraaf.

2. De landbouwer komt alleen voor steun op grond van artikel 29, eerste lid, in aanmerking voor activiteiten die zijn verricht op of na de beslissing, bedoeld in artikel 34, derde lid.

3. De landbouwer realiseert het investeringsplan of de door de minister bepaalde onderdelen daarvan binnen de termijn die de minister heeft gesteld in de beschikking tot steunverlening.

4. De landbouwer dient de aanvragen op grond van deze paragraaf in bij de Directeur DR met gebruikmaking van een daartoe door DR verstrekt formulier en verklaart daarbij dat hij zich bewust is van de voorwaarden voor verkrijging van deze steun.

 

Artikel 32

1. Aanvragen voor steunverlening worden niet in behandeling genomen:

a. indien deze zijn ingediend na de daarvoor gestelde periode, of

b. indien de aanvraag tijdig is ingediend maar indien de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

2. Een landbouwer komt niet in aanmerking voor steun op grond van deze paragraaf indien op grond van artikel 2:38 van de Regeling LNV-subsidies al steun is verleend voor dezelfde subsidiabele activiteit.

3. De landbouwer verleent aan de minister, bij steunaanvragen op grond vanartikel 29, eerste lid, toestemming om zijn gegevens, inclusief persoonsgegevens, uit te wisselen met de minister van Financiën, ten behoeve van de controle op de naleving van de steunvoorwaarden van deze regeling en van de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009.

4. Indien het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, stelt de minister de landbouwer eerst in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens binnen 14 werkdagen aan te vullen, alvorens op de aanvraag te beslissen.

 

Artikel 33

1. In aanmerking komende kosten zijn de meerkosten van investeringen in:

a. de bouw of inrichting van integraal duurzame en diervriendelijke stallen en houderijsystemen,

b. de verbetering van bestaande stallen en houderijsystemen tot integraal duurzame en diervriendelijke stallen en houderijsystemen, of

c. de kosten voor de montage en installatie van het noodzakelijke materieel voor de werking van integraal duurzame en diervriendelijke stallen of houderijsystemen.

2. Een investering komt alleen voor steun op grond van deze paragraaf in aanmerking indien deze noodzakelijk is voor de realisatie van een integraal duurzame stal of houderijsysteem.

3. Gangbare, reguliere of vervangingsinvesteringen en investeringen die gericht zijn op het voldoen aan bestaande wettelijke eisen, komen niet voor steun in aanmerking op grond van deze paragraaf.

4. Een investering die al uit hoofde van andere openbare middelen is gesubsidieerd of gefinancierd komt niet voor steun in aanmerking.

5. Artikel 1:20, vijfde lid, van de Regeling LNV-subsidies is van overeenkomstige toepassing bij de verstrekking van steun op grond van artikel 29, eerste lid.

 

Artikel 34

1. De minister stelt een commissie in die advies uitbrengt over de onderdelen van het investeringsplan en over de rangschikking van de aanvragen voor steunverlening.

2. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate:

a. de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin de landbouwer investeert in de beginfase van marktintroductie verkeert,

b. de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft,

c. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde steunbedrag en de verbetering van het dierenwelzijn,

d. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde steunbedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid, arbeidsomstandigheden of landschappelijke inpasbaarheid, en

e. de landbouwer al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot steunverlening.

3. De minister beslist binnen vier maanden na de uiterste datum waarop aanvragen tot steunverlening kunnen worden ingediend als bedoeld inartikel 30, eerste lid.

4. De beschikking tot steunverlening bevat de volgende onderdelen:

a. het goedgekeurde investeringsplan, inclusief de essentiële onderdelen daarin,

b. de termijnen voor realisatie van onderdelen van het investeringsplan,

c. de toestemming om bij uitzondering bepaalde onderdelen van het investeringsplan te realiseren in het jaar dat volgt op het jaar waarin de aanvraag tot steunverlening is ingediend en om een aanvraag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, in te dienen,

d. de ten hoogste te verstrekken steun.

 

Artikel 35

1. Op aanvraag kan de minister de beschikking tot steunverlening wijzigen ten behoeve van een aanpassing van het investeringsplan. De steun die met de beschikking op grond van dit artikel wordt verstrekt is nooit hoger dan de steun die zou worden verstrekt op grond van de beschikking tot steunverlening.

2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gegrond op de afwezigheid of niet tijdige beschikbaarheid van voor de uitvoering van het investeringsplan noodzakelijke vergunningen.

 

Artikel 36

1. Indienartikel 34, vierde lid, onderdeel c, van toepassing is, betaalt de minister op aanvraag steun voor tijdig gerealiseerde onderdelen van het investeringsplan.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat in ieder geval vergezeld van documenten waaruit blijkt dat de landbouwer onderdelen van het investeringsplan heeft gerealiseerd en wat daarvoor de gemaakte kosten zijn.

3. De minister behandelt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid als een aanvraag tot steunvaststelling indien blijkt dat alle subsidiabele investeringen zijn gerealiseerd.

 

Artikel 37

1. Op aanvraag stelt de minister de steun vast.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat in ieder geval vergezeld van de documenten waaruit blijkt dat de landbouwer het investeringsplan heeft gerealiseerd en wat daarvoor de gemaakte kosten zijn.

3. Bij de steunvaststelling moet ten genoegen van de minister gebleken zijn dat de landbouwer heeft voldaan aan alle voorwaarden die bij de steunverlening zijn gesteld.

4. De minister vermindert het bedrag van de steun dat bij vaststelling wordt betaald met de steun die de aanvrager heeft ontvangen op grond vanartikel 36, eerste lid.

5. De minister stelt de steun ambtshalve vast indien er geen aanvraag is ingediend na afloop van de in artikel 55d, tweede lid, onderdeel c, gestelde relevante termijn.

 

Paragraaf 3. Specifieke steun voor het elektronisch merken van schapen of geiten

 

Artikel 38

In deze paragraaf en paragraaf 4 wordt verstaan onder:

a. I&R-systeem schapen en geiten: systeem, bedoeld in artikel 34, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren;

b. schaap of geit: schaap of geit, als bedoeld in artikel 1, onderdeel q onderscheidenlijk onderdeel r, van de Regeling identificatie en registratie van dieren;

c. elektronisch merken: het identificeren van een schaap of geit, overeenkomstig artikel 12e, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

 

Artikel 38a

1. De minister verstrekt éénmalig specifieke steun aan landbouwers in de vorm van een financiële bijdrage voor het elektronisch merken van schapen of geiten.

2. De specifieke steun bedraagt € 4 per schaap of geit, met dien verstande dat dit bedrag evenredig wordt verlaagd voor alle voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van€ 2.000.000 overstijgt.

 

Artikel 38b

1. De steun, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, kan alleen in 2010 worden aangevraagd door landbouwers die op 15 mei 2010 eigenaar of huurder zijn van een landbouwonderneming waaraan een UBN is toegekend en waarvan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, zoals dit luidde op 1 november 2009, is aangegeven dat er op grond van dat UBN op dat moment in totaal meer dan 100 schapen of geiten werden gehouden.

2. De minister verstrekt alleen steun voor het elektronisch merken van schapen en geiten die zijn geboren tot en met 31 december 2009.

3. De minister verleent uitsluitend steun indien 90% van de voor 1 januari 2010 geboren dieren die op 30 juni 2010 aanwezig zijn op het UBN, elektronisch gemerkt zijn op 30 juni 2010.

4. De minister betaalt de steun per schaap of geit dat tot en met 30 juni 2010 op naam van de landbouwer is geregistreerd in het I&R-systeem schapen en geiten.

5. In afwijking van het derde en vierde lid verleent de minister steun op grond van artikel 38a, eerste lid, aan landbouwers die in 2009 of 2010 zijn onderworpen aan de maatregel als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor het aantal schapen en geiten dat voldoet aan de overige voorschriften van deze paragraaf, dat wordt bepaald onvereenkomstig de berekening, omschreven in bijlage 10.

 

Paragraaf 4. Tegemoetkoming voor de schapen- en geitensector

 

Artikel 38c

1. De minister verstrekt steun in de vorm van een jaarlijkse financiële bijdrage van€ 540.

2. De steun wordt evenredig verlaagd voor alle voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van€ 1.500.000 per kalenderjaar overstijgt.

 

Artikel 38d

De steun, bedoeld in artikel 38c, kan in enig jaar alleen worden aangevraagd door landbouwers die in het desbetreffende jaar op 15 mei eigenaar of huurder zijn van een landbouwonderneming waaraan een UBN is toegekend en ter zake waarvan in het desbetreffende jaar het bedrag, bedoeld in artikel 43i, tweede lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren verschuldigd is.

 

Paragraaf 5. Vaarvergoeding

 

Artikel 38e

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. vaarvergoeding: vergoeding voor het verrichten van landbouwactiviteiten, als bedoeld in artikel 2, onder c, van verordening 73/2009, op een vaarperceel.

b. vaarperceel: perceel dat als zodanig is aangewezen in bijlage 3.

 

Artikel 38f

1. De minister verstrekt specifieke steun aan landbouwers in de vorm van een vaarvergoeding van € 500 per hectare per jaar voor vaarpercelen.

2. Indien voor het desbetreffende perceel reeds subsidie voor het uitrijden van ruige mest uit hoofde van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden provincies, de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies wordt toegekend, bedraagt de steun, bedoeld in het eerste lid, € 405,50 per hectare per jaar.

3. De vaarvergoeding wordt evenredig verlaagd voor alle voor vaarvergoeding in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de voor steun in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van € 1.100.000 per kalenderjaar overstijgt.

 

Artikel 38g

Een landbouwer komt uitsluitend in aanmerking voor steun op grond van deze paragraaf indien:

a. de totale oppervlakte van de vaarpercelen waarvoor hij steun op grond van deze paragraaf ontvangt tenminste 0,5 hectare bedraagt;

b. hij in de verzamelaanvraag heeft aangegeven in te stemmen met de verwerking door DR van de persoonsgegevens die betrekking hebben op de subsidie voor het uitrijden van ruige mest die DR heeft verkregen in het kader van de subsidieaanvraag op grond van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer, de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies.

 

Paragraaf 6 [Vervallen per 01-01-2012]

 

Artikel 38h [Vervallen per 01-01-2012]

 

Paragraaf 7. diervriendelijk produceren

 

Artikel 38i

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

1. diervriendelijke producten: dierlijke producten die zijn geproduceerd volgens bovenwettelijke dierenwelzijnsstandaarden die op meerdere onderdelen zoals: ruimte, daglicht, afleidingsmateriaal of voorkomen van ingrepen, een duidelijke verbetering van het dierenwelzijn betekenen ten opzichte van de wettelijke normen;

2. certificeringssysteem: voor certificatie geldend stelsel van privaatrechtelijke afspraken dat ertoe leidt dat de deelnemende partijen diervriendelijk gaan produceren volgens specifieke normen, voorschriften en procedures;

3. accreditatie: verklaring, bedoeld in artikel 2, punt 10, van verordening 765/2008;

4. certificaat: bewijs dat een landbouwer voldoet aan de voorwaarden om deel te nemen aan een door de minister goedgekeurd certificeringssysteem.

 

Artikel 38j

1. De minister verstrekt op aanvraag steun als tegemoetkoming voor de meerkosten van diervriendelijk produceren aan veehouders die blijkens een certificaat deelnemen aan een goedgekeurd certificeringssysteem in de sector vleeskuikens, leghennen, vleeskalveren, vleesrunderen of varkens.

2. Landbouwers kunnen de steun slechts éénmalig aanvragen tenzij, in vergelijking met hun vorige aanvraag voor steun op grond van deze paragraaf, de nieuwe steunaanvraag wordt gedaan voor het produceren van diervriendelijke producten volgens hogere dierenwelzijnsstandaarden.

3. De steun wordt niet verstrekt aan landbouwers die uit anderen hoofde een andere bijdrage van de overheid ontvangen voor het verrichten van de activiteiten bedoeld in het eerste lid, of die producten produceren overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 843/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU L 189).

4. Het steunplafond bedraagt:

a. € 200.000 voor de sector vleeskuikens,

b. € 200.000 voor de sector leghennen,

c. € 200.000 voor de sector vleeskalveren,

d. € 200.000 voor de sector vleesrunderen, en

e. € 200.000 voor de sector varkens.

5. De steun bedraagt maximaal 60% van de naar het oordeel van de minister in aanmerking komende forfaitaire steunbedragen voor diervriendelijk produceren, bedoeld inbijlage 6.

6. De steun, bedoeld in het vijfde lid, wordt evenredig verlaagd voor alle voor steun in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de goedgekeurde aanvragen het steunplafond voor de desbetreffende sector overstijgt.

 

Artikel 38k

1. De minister keurt een certificeringssysteem goed op aanvraag van de verantwoordelijke voor het systeem.

2. De minister keurt een certificeringssysteem uitsluitend goed indien dit naar zijn oordeel:

a. significant bijdraagt aan de realisering van het produceren van diervriendelijke producten,

b. aannemelijk maakt dat de op grond daarvan verrichte activiteiten daadwerkelijk worden verricht,

c. ervoor zorgt dat deelnemende landbouwers jaarlijks, administratief en ter plaatse, worden gecontroleerd op de naleving van de voorschriften van het certificeringssysteem,

d. in overeenstemming is met artikel 29, tweede lid, van verordening 1122/2009, en

e. aannemelijk maakt dat een onafhankelijke controleur, bijvoorbeeld blijkend uit een relevante accreditatie of anderszins, op de naleving van het certificeringssysteem controleert.

 

Artikel 38l

1. De aanvraag, bedoeld in artikel 38k, eerste lid, kan jaarlijks worden ingediend en gaat vergezeld van:

a. een onderbouwing van de wijze waarop het certificeringssysteem bijdraagt aan de productie van diervriendelijke producten,

b. de voorwaarden voor het toekennen van certificaten en het daaraan gerelateerde controlesysteem,

c. de standaardvoorwaarden voor toekenning van een certificaat, en

d. overige documenten waarin ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat het certificeringssysteem in overeenstemming is met deze regeling.

2. De minister besluit over aanvragen, bedoeld in artikel 38k, eerste lid, in de periode van 1 tot en met 15 februari in het kalenderjaar volgend op de in het eerste lid bedoelde periode.

3. De minister kan een certificeringssysteem voor meerdere jaren goedkeuren.

 

Artikel 38m

1. De landbouwer die steun aanvraagt op grond van artikel 38j, eerste lid, verstrekt zijn certificaat of een afschrift daarvan aan de minister.

2. De landbouwer is van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vrijgesteld indien de gegevens door de verantwoordelijke voor het certificeringssysteem aan de minister zijn verstrekt voor de in artikel 55d, derde lid, bedoelde termijn.

3. De verantwoordelijke voor het certificeringssysteem informeert de minister jaarlijks, voor 15 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarvoor de landbouwer de steun aanvraagt, over de resultaten van de controle bij de landbouwer indien:

a. voorschriften van het certificeringssysteem niet zijn nageleefd en het het certificaat om die reden is of zal worden ontnomen, of,

b. voorschriften, bedoeld in artikel 5 en 6 van Verordening 73/2009, niet zijn nageleefd.

 

Artikel 38n

Landbouwers komen niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 38j, eerste lid, indien zij:

a. tevens steun aanvragen op grond van artikel 38p, eerste lid, of artikel 38r, eerste lid, of

b. op enig moment in het kalenderjaar de voorschriften als bedoeld in artikel 38m, derde lid, onderdeel a, niet naleven.

 

Paragraaf 8. Verbetering van het welzijn van varkens

 

Artikel 38o

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. managementmaatregelen: besluiten, werkzaamheden en activiteiten die een varkenshouder structureel uitvoert om de productieprocessen en bedrijfsvoering aan te passen waardoor varkens met behulp van meer afleidingsmateriaal minder in elkaars lichaamsdelen bijten, uitgezonderd ten behoeve daarvan verrichte investeringen;

b. stal: ruimte als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van het Varkensbesluit;

c. varken: varken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Varkensbesluit;

d. vloervoederingssysteem: elektronisch of handmatig doseeringssysteem voor het verstrekken van voer op de grond van de stal ter afleiding van varkens, waarbij het voer niet wordt verstrekt in een trog.

 

Artikel 38p

1. De minister verstrekt op aanvraag steun in de vorm van een tegemoetkoming voor het verrichten van één of meerdere van de inbijlage 7 omschreven managementmaatregelen.

2. De steun bedraagt maximaal 60% van de forfaitaire kosten, omschreven inbijlage 7.

3. Het steunplafond bedraagt€ 500.000.

4. De steun, bedoeld in het eerste lid, wordt evenredig verlaagd voor alle voor steun in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de goedgekeurde aanvragen het steunplafond overstijgt.

5. Landbouwers verrichten de maatregelen waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd, bedoeld in het eerste lid, gedurende het hele kalenderjaar van het jaar waarin zij de steun aanvragen.

6. De steun wordt verstrekt per dierplaats, waarbij het aantal dierplaatsen waarvoor de steun wordt verstrekt niet hoger is dan het aantal varkens dat ingevolge artikel 4 en 4a van het Varkensbesluit mag worden gehouden.

7. Landbouwers die vanaf 2012 steun op grond van deze paragraaf aanvragen voor de in punt 13 van bijlage 7 omschreven maatregel, verrichten daarnaast één van de andere in bijlage 7 omschreven maatregelen.

 

Paragraaf 9. Verbetering van het welzijn van vleeskuikens

 

Artikel 38q

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. managementmaatregelen: besluiten, werkzaamheden en activiteiten die een vleeskuikenhouder structureel uitvoert om het ontstaan van contactdermatitis, zoals hakdermatitis en voetzoollaesies bij vleeskuikens te verminderen door het aanpassen van de productieprocessen en de bedrijfsvoering, uitgezonderd ten behoeve daarvan verrichte investeringen;

b. koppel: groep vleeskuikens als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Vleeskuikenbesluit 2010;

c. stal: gebouw als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van het Vleeskuikenbesluit 2010;

d. vleeskuiken: dier als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van het Vleeskuikenbesluit 2010.

 

Artikel 38r

1. De minister verstrekt op aanvraag steun in de vorm van een tegemoetkoming voor het verrichten van één of meerdere van de in bijlage 8omschreven managementmaatregelen.

2. De steun bedraagt maximaal 60% van de respectievelijke forfaitaire kosten, omschreven inbijlage 8.

3. Het steunplafond bedraagt€ 500.000.

4. Steun als bedoeld in het eerste lid, wordt evenredig verlaagd voor alle voor steun in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de goedgekeurde aanvragen het steunplafond overstijgt.

5. Landbouwers verrichten tenminste de in punt 6 van bijlage 8 omschreven maatregel.

6. Landbouwers verrichten de maatregelen, bedoeld in punt 3, 4 en 5 van bijlage 8 gedurende het hele kalenderjaar van het jaar waarin zij de steun aanvragen.

7. Landbouwers met een stal als bedoeld in punt E 5.6 of E 5.10, van de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij, komen niet in aanmerking voor steun voor managementmaatregelen, bedoeld in onderdeel 5, van punt 1, van bijlage 8.

8. De steun wordt verstrekt per dierplaats, waarbij bij aanvang van iedere ronde minimaal 17 dieren per m2 worden uitgezet in de vleeskuikenstal en waarbij de normen van het Besluit welzijn productiedieren en het Vleeskuikenbesluit 2010 in acht worden genomen.

 

Paragraaf 10. Aanpassing steunplafonds

 

Artikel 38s

De volgende steunplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato van de toegekende aanvragen verhoogd:

a. de steunplafonds, bedoeld in artikel 38j, vierde lid, met het bedrag of de bedragen die zijn overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van deze subsidieplafonds;

b. de steunplafonds, bedoeld in artikel 38p, derde lid, en 38r, derde lid, met het bedrag of de bedragen die na het toepassen van onderdeel a zijn overgebleven door het niet bereiken van een steunplafond, bedoeld inartikel 38j, vierde lid;.

c. het steunplafond, bedoeld in artikel 38p, derde lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van het steunplafond, bedoeld inartikel 38r, derde lid;

d. het steunplafond, bedoeld in artikel 38r, derde lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van het steunplafond, bedoeld inartikel 38p, derde lid;

e. de steunplafonds, bedoeld in artikel 38j, vierde lid, met het bedrag of de bedragen die na het toepassen van de onderdelen c en d zijn overgebleven door het niet bereiken van de steunplafonds, bedoeld in deartikelen 38r, derde lid, en 38p, derde lid.

 

Paragraaf 11. Landbouwapparatuur met GPS of verduurzaming bewaarplaatsen

 

Artikel 38t

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

GPS: plaatsbepalingssysteem met behulp van satellieten.

 

Artikel 38u

De minister verstrekt op aanvraag steun aan landbouwers in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de onderstaande activiteiten:

1. de aanschaf van:

a. een ploeg die wordt gestuurd met behulp van GPS;

b. spuit- en schoffelapparatuur die wordt gestuurd met behulp van GPS;

c. bemestingsapparatuur die wordt gestuurd met behulp van GPS;

d. computergestuurde beregeningapparatuur met vochtsensoren die precisieberegening mogelijk maakt en wordt gestuurd met behulp van GPS;

e. poot- en zaaiapparatuur die wordt gestuurd met behulp van GPS;

2. het verwijderen van asbest in een bewaarplaats;

3. het isoleren van vloeren, wanden of plafonds van een bewaarplaats van landbouwproducten, waardoor een warmteweerstand wordt bereikt als vastgesteld in artikel 1, onderdeel A, onder 2, sub 2.1.C, punt a, van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001;

4. regulering van het klimaat in een bewaarplaats door middel van een computer, inclusief daarmee verband houdende aanpassingen aan ventilatiesystemen.

 

Artikel 38v

1. De steun, bedoeld in artikel 38u, bedraagt 30% van de in aanmerking komende kosten met dien verstande dat zij ten hoogste€ 50.000 steun per landbouwer bedraagt.

2. Het steunplafond bedraagt€ 10.000.000.

3. De landbouwer komt alleen voor steunverlening in aanmerking indien de totale kosten voor de uitvoering van de volledige activiteit hoger zijn dan€ 15.000.

4. Gemaakte arbeidskosten komen voor steun in aanmerking indien deze zijn gemaakt door een aannemer of een leverancier, overeenkomstig de in artikel 1:15, vijfde lid, van de Regeling LNV-subsidies, omschreven berekeningsmethode.

 

Artikel 38w

1. De landbouwer kan slechts een aanvraag per jaar indienen voor steunverlening op grond van artikel 38u.

2. De aanvraag voor steunverlening gaat vergezeld van:

a. een omschrijving van de steunwaardige activiteit, inclusief een conceptfactuur of offerte,

b. het adres waar de landbouwer de steunwaardige activiteit realiseert, en

c. een verklaring van de landbouwer waarin hij de minister toestemming geeft om zijn gegevens, inclusief persoonsgegevens, uit te wisselen met de minister van Financiën, ten behoeve van de controle op de naleving van deze specifieke steunregeling en de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009.

3. De landbouwer kan steun aanvragen voor de aanschaf van meerdere in artikel 38u, onderdeel 1, omschreven apparaten.

4. De landbouwer kan geen steun aanvragen op grond van meer dan één van de in artikel 38u onderscheiden onderdelen.

5. De landbouwer kan alleen steun aanvragen voor activiteiten die verricht worden na de steunverlening.

6. De minister verleent de steun door middel van de in artikel 1:5 van de Regeling LNV-subsidies beschreven procedure.

 

Artikel 38x

1. De landbouwer aan wie steun is verleend als bedoeld in38u:

a. verstrekt bewijsmateriaal waaruit ten genoegen van de minister blijkt dat de steunwaardige activiteiten zijn verricht en welke kosten daarvoor zijn gemaakt, en

b. bewaart het bewijsmateriaal in een administratie die voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 1:12, derde en vierde lid, van de Regeling LNV-subsidies.

2. Artikel 1:20, vijfde lid, van de Regeling LNV-subsidies is van overeenkomstige toepassing bij de betaling van steun op grond van artikel 38u.

3. Indien bij de verstrekking van het bewijsmateriaal, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, blijkt dat de landbouwer een andere activiteit heeft verricht, dan komt deze activiteit, met inachtneming van de voorschriften van deze paragraaf, eveneens voor steun in aanmerking, met dien verstande dat de minister niet meer steun aan de landbouwer betaalt dan hem is verleend op grond van artikel 38w, zesde lid.

 

Hoofdstuk 3 [Vervallen per 01-01-2012]

 

Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 40a [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 40b [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 40c [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 40d [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2012]

 

Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2012]

 

Artikel 43a [Vervallen per 01-04-2009]

 

Hoofdstuk 4. Overige bepalingen

 

Artikel 44

Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers indien het totaalbedrag van de in een bepaald kalenderjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen vóór toepassing van de in de artikelen 21 en 23 van verordening 73/2009 vastgestelde verlagingen en uitsluitingen lager is dan€ 500.

 

Hoofdstuk 4a [Vervallen per 01-04-2009]

 

Artikel 54a [Vervallen per 01-04-2009]

 

Artikel 54b [Vervallen per 01-04-2009]

 

Hoofdstuk 5. Procedurele bepalingen

 

Paragraaf 1. Procedurele bepalingen

 

Artikel 55

1. De landbouwer die aanspraak maakt op steun in het kader van een van de in artikel 2, eerste lid, onder 2, bedoelde steunregelingen, maakt gebruik van de verzamelaanvraag, tenzij deze regeling een specifieke aanvraagprocedure voorschrijft.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

4. Bij de verzamelaanvraag legt de landbouwer alle bewijsstukken over die het betrokken betaalorgaan nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag.

5. Van de wijziging, verbetering of intrekking van de verzamelaanvraag overeenkomstig Deel II, Titel II, van verordening 1122/2009 stelt de landbouwer DR schriftelijk in kennis.

6. De landbouwer die aanspraak maakt op steun, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verstrekt tevens de volgende informatie bij de verzamelaanvraag:

a. toestemming aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling,

b. een verklaring dat hij zich bewust is van alle voorwaarden voor verkrijging van deze steun,

c. de naam van de verzekeraar met wie de verzekering is afgesloten, en

d. een verklaring dat hij zich niet meer dan een keer verzekert voor dezelfde schade.

7. De landbouwer die in aanmerking wil komen voor steun, bedoeld in deartikelen 38a, eerste lid, 38d, eerste lid, 38f, eerste lid of 38j, eerste lid, verklaart op de verzamelaanvraag dat hij zich bewust is van de voorwaarden voor het ontvangen van deze steun.

8. De landbouwer die in aanmerking wil komen voor steun, bedoeld in deartikelen 38a, eerste lid en 38d, eerste lid, verleent de minister toestemming om de gegevens die zijn opgenomen in het I&R-systeem schapen en geiten en die betrekking hebben op zijn UBN te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling.

9. Landbouwers die steun aanvragen, bedoeld in artikel 38j, eerste lid, vermelden op de verzamelaanvraag:

a. het UBN waarop het certificaat betrekking heeft,

b. een verklaring dat ze zullen voldoen aan het bepaalde in artikel 38m, eerste lid,

c. de sector waarin zij produceren overeenkomstig de voorwaarden van het certificeringssysteem,

d. de dierenwelzijnsstandaard, bedoeld in bijlage 6, waaraan zij zullen voldoen,

e. dat zij zich bewust zijn van alle voorwaarden voor het verkrijgen van deze steun,

f. dat zij toestemming verlenen om de relevante gegevens, persoonsgegevens daaronder begrepen, uit te wisselen tussen de minister en de verantwoordelijke voor het certificeringssysteem ten behoeve van de controle op de naleving van de steunvoorwaarden.

10. Varkenshouders die steun aanvragen op grond van artikel 38p, eerste lid, vermelden op de verzamelaanvraag:

a. het UBN waar de managementmaatregel plaatsvindt,

b. de maatregel of maatregelen, omschreven in bijlage 7, die zij genomen hebben,

c. het aantal dierplaatsen waarvoor de managementmaatregelen worden genomen,

d. dat zij zich bewust zijn van alle voorwaarden voor het verkrijgen van deze steun, en

e. dat zij toestemming verlenen om de relevante gegevens, persoonsgegevens daaronder begrepen, over aanwezigheid en behaalde resultaten, uit te wisselen tussen de minister en de aanbieder van de cursus, bedoeld in punt 13 van bijlage 7.

11. Vleeskuikenhouders die steun aanvragen op grond van artikel 38r, eerste lid, vermelden op de verzamelaanvraag:

a. het UBN waar de managementmaatregel plaatsvindt,

b. de maatregel of maatregelen, omschreven in bijlage 8, die zij genomen hebben,

c. het aantal dierplaatsen waarvoor de managementmaatregelen worden genomen,

d. dat zij zich bewust zijn van alle voorwaarden voor het verkrijgen van deze steun, en

e. dat zij toestemming verlenen om de relevante gegevens, persoonsgegevens daaronder begrepen, over aanwezigheid en behaalde resultaten, uit te wisselen tussen de minister, het PPE, of de aanbieder van de cursus, bedoeld in punt 6 vanbijlage 8.

12. De landbouwer die het in aanmerking komende oppervlak van een perceel landbouwgrond wil uitbreiden met sloten als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 1122/2009, identificeert deze op de verzamelaanvraag.

13. Landbouwers vragen om toepassing van de artikelen 12 tot en met 15, artikel 15b ofartikel 15c, door het indienen van de verzamelaanvraag.

14. Landbouwers die een verzoek als bedoeld in artikel 15b willen indienen, verstrekken ten genoegen van de minister de benodigde informatie voor het vaststellen van het relevante jaar of de relevante jaren.

15. Landbouwers die een verzoek als bedoeld in artikel 15c willen indienen, verstrekken:

a. een kopie van het verkoopcontract,

b. een omschrijving van de overgedragen aanspraken op bedrijfstoeslag,

c. een omschrijving van de overgedragen deel van de landbouwonderneming, of landbouwondernemingen,

d. een omschrijving van het aantal overgedragen hectares landbouwgrond.

16. Met expliciete toestemming van de verkoper mag een koper het verzoek en de gegevens, bedoeld in het vijftiende lid, indienen op zijn verzamelaanvraag.

 

Artikel 55a

1. De landbouwer die gebruik wil maken van artikel 10, maar geen toeslagrechten in eigendom heeft op 15 mei 2010, vraagt toeslagrechten aan door het indienen van een door DR vastgesteld aanvraagformulier bij de Directeur DR.

2. De landbouwer dient het aanvraagformulier, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk in op 15 mei 2010.

 

Artikel 55b

1. De landbouwer die gebruik wil maken van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, verstrekt ten genoegen van de minister de benodigde informatie voor het vaststellen van het relevante referentiejaar of referentiejaren.

2. De landbouwer die gebruik wil maken van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, verstrekt het een kopie van het verkoopcontract en een omschrijving van de overgedragen aanspraken op toeslagrechten, bedoeld in artikel 10. Daarbij worden ook de overgedragen landbouwondernemingen waaraan een UBN is toegekend en het aantal overgedragen hectares omschreven.

3. Een aanvraag en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, mogen met expliciete toestemming van de verkoper ook met aanvraag van de koper worden ingediend.

4. De landbouwer die gebruik wil maken van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, verstrekt een kopie van het verhuurcontract en het aantal hectaren waarvoor hij de toeslagrechten verhuurt.

5. De landbouwer die gebruik wil maken van artikel 16, eerste lid, verstrekt ten genoegen van de minister de benodigde informatie voor het vaststellen van het voldoen aan de voorwaarden van deze regeling.

6. De landbouwer dient de gegevens, bedoeld in dit artikel in voor 15 mei 2010, met een door DR vastgesteld formulier, bij de Directeur DR.

 

Artikel 55c

1. Indien uit een ingediende verzamelaanvraag, een ingediende aanvraag om gebruik te maken van artikel 11, eerste lid, of een ingediende aanvraag om gebruik te maken van artikel 16, eerste lid, kennelijk en zonder voorbehoud blijkt dat een landbouwer een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten heeft willen doen, wordt de ingediende aanvraag beschouwd als een aanvraag als bedoeld in artikel 55a, tweede lid, ofartikel 55b, zesde lid.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de aanvraag behandeld als een aanvraag die is ontvangen op 11 juni 2010.

 

Artikel 55d

1. Aanvragen of gegevensverstrekkingen op grond van dit artikel worden bij de minister ingediend met gebruikmaking van het daartoe door DR verstrekte formulier en gaan vergezeld van een verklaring dat de landbouwer zich bewust is van alle voorwaarden voor het verkrijgen van de steun.

2. De landbouwer die steun aanvraagt op grond van artikel 29, eerste lid:

a. dient de aanvraag, bedoeld in artikel 30, eerste lid, in bij de minister in de periode van 1 januari tot en met 31 januari,

b. dient de aanvraag, bedoeld in artikel 36, eerste lid, in bij de minister in de periode van 1 december van het jaar waarin de steun is verleend, tot 1 maart van het daaropvolgende jaar, en

c. dient de aanvraag, bedoeld inartikel 37, eerste lid, in bij de minister:

1°. in de periode van 1 december van het haar waarin de steun is verleend tot 1 maart van het daaropvolgende jaar, of

2°. in de periode van 1 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de aanvraag tot steunverlening is ingediend en waarop artikel 34, vierde lid, onderdeel c, van toepassing is, tot 1 maart van het daaropvolgende jaar.

3. De landbouwer die steun aanvraagt op grond van artikel 38j, eerste lid, verstrekt de in artikel 38m, eerste lid, bedoelde gegevens aan de minister voor 1 augustus van het jaar waarvoor de steun is aangevraagd.

4. De landbouwer die steun aanvraagt op grond van artikel 38u:

a. dient de aanvraag tot steunverlening in bij de minister in de periode van 1 januari tot en met 31 januari, en

b. dient de in artikel 38w, eerste lid, onderdeel a, omschreven gegevens, in bij de minister voor 1 november van het jaar waarin de steun is verleend.

5. De landbouwer die steun aanvraagt op grond van artikel 24, eerste lid, verstrekt de in artikel 25, eerste lid, bedoelde gegevens aan de minister voor 1 november van het jaar waarin de steun is aangevraagd.

6. De aanvraag, bedoeld in artikel 26, eerste lid, artikel 38l, eerste lid, wordt uiterlijk ingediend bij de minister voor 1 december voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de verzekering betrekking heeft.

 

Artikel 56

Bewijsstukken als bedoeld in artikel 55, vierde lid, overlegt de landbouwer schriftelijk voor zover deze niet elektronisch overgelegd kunnen worden.

 

Artikel 57

De landbouwer, verzekeraar, verantwoordelijke voor een certificeringssysteem of controleur ten behoeve van een certificeringssysteem zijn verplicht op verzoek van DR alle gewenste nadere inlichtingen, ter zake van de gegevens verschaft bij de ingediende aanvragen op grond van deze regeling, terstond en naar waarheid te verstrekken.

 

Artikel 58

1. De bedrijfsadministratie wordt door de landbouwer op eerste vordering aan de met toezicht op de naleving van deze regeling belaste persoon ter inzage gegeven.

2. De landbouwer bewaart de bedrijfsadministratie op zijn bedrijf ten minste drie jaar na afloop van het jaar waarin subsidie is aangevraagd.

 

Artikel 59

1. Indien een bedrijf volledig wordt overgedragen nadat een verzamelaanvraag is ingediend en voordat aan alle voorwaarden voor het verstrekken van subsidie is voldaan, of indien een bedrijf volledig wordt overgedragen nadat de voor de toekenning van de steun vereiste handelingen zijn begonnen, maar voordat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de steun is voldaan, wordt de aangevraagde subsidie overeenkomstig het tweede en derde lid verstrekt aan de overnemer, bedoeld in artikel 82 van verordening 1122/2009, dan wel aan de oorspronkelijke aanvrager.

2. De desbetreffende aangevraagde subsidie wordt verstrekt aan de overnemer indien:

a. DR de schriftelijke melding van de overdracht uiterlijk op de laatste dag van de in artikel 55, derde lid, bedoelde termijn voor het indienen van de verzamelaanvraag ontvangt van de overnemer,

b. de overnemer het betrokken betaalorgaan uiterlijk op de laatste dag van de in artikel 55, derde lid, bedoelde termijn verzoekt om betaling van de door de wederpartij aangevraagde subsidie,

c. de overnemer alle door DR verlangde bewijsstukken overlegt, en

d. wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de verstrekking van de steun.

3. De desbetreffende aangevraagde subsidie wordt verstrekt aan de oorspronkelijke aanvrager indien:

a. DR de in het tweede lid, onder a, bedoelde melding niet of na de in artikel 55 derde lid bedoelde termijn van de overnemer heeft ontvangen,

b. wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de verstrekking van de steun, en

c. de oorspronkelijke aanvrager alle door DR verlangde bewijsstukken overlegt.

 

Artikel 59a

Een uitvoerende instantie zoals genoemd in de artikelen 63 tot en met 65 is voor de regelingen die zij uitvoert bevoegd om het bedrag aan subsidie dat aan de landbouwer is toegekend te verrekenen met bestuursrechtelijke geldschulden die de desbetreffende landbouwer aan haar is verschuldigd.

 

Artikel 60

1. Indien verordening 73/2009 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen een beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden mogelijk maken in verband met het niet nakomen van voorwaarden of verplichtingen, meldt de landbouwer een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden overeenkomstig artikel 75 van verordening 1122/2009 schriftelijk aan DR met betrekking tot de inartikel 63, bedoelde regelingen binnen 10 werkdagen na de dag vanaf welke dit voor hem mogelijk is.

2. De landbouwer voegt bij de melding bewijsstukken bij ter ondersteuning van zijn beroep op overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 61

1. Indien een bedrag aan subsidie ten onrechte is uitbetaald, wordt dit bedrag en de rente daarover overeenkomstig artikel 80 van verordening 1122/2009 teruggevorderd.

2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente in Nederland geldende op de laatste dag van de kalendermaand waarin de subsidie is betaald.

3. Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet meer bedraagt dan € 100,– exclusief rente, wordt overeenkomstig artikel 5 bis van verordening 885/2006 afgezien van terugvordering.

 

Artikel 62

DR, organisaties die bewijsmateriaal leveren als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van verordening 1122/2009 en de ondernemingen die betrokken zijn bij de uitvoering van steunverstrekking op grond van Hoofdstuk 2a, paragraaf 1, alsmede de instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving van de inartikel 3 en Hoofdstuk 2a, paragraaf 1, bedoelde voorwaarden wisselen de gegevens uit betreffende aanvragers die relevant zijn in het kader van bedoeld toezicht.

 

Paragraaf 2. Uitvoerende instanties

 

Artikel 63

DR is belast met de uitvoering van

a. de bedrijfstoeslagregeling;

b. de specifieke steun, bedoeld in Hoofdstuk 2a.

 

Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2012]

 

Artikel 65

Het bestuur van het Productschap Zuivel is belast met de uitvoering van de steun voor melkveehouders, bedoeld in artikel 38h.

 

Artikel 66

1. Bij de constatering van de oppervlakte van percelen landbouwgrond worden voor sloten die zijn gelegen tussen percelen landbouwgrond en die niet breder zijn dan 4 meter overeenkomstig door de Europese Commissie aanvaarde meetmethoden gerekend tot de volledig gebruikte oppervlakte van de desbetreffende percelen, waarbij de breedte van de sloot voor de helft aan elk van de aan weerskanten van de sloot gelegen percelen wordt toegerekend.

2. Bij de constatering van de oppervlakte van percelen landbouwgrond worden sloten die zijn gelegen in een perceel landbouwgrond en die niet breder zijn dan 2 meter overeenkomstig door de Europese Commissie aanvaarde meetmethoden gerekend tot de volledig gebruikte oppervlakte van het desbetreffende perceel.

3. De minimumoppervlakte, bedoeld in artikel 13, negende lid, van verordening 1122/2009 van sloten, bedraagt 0,01 ha.

 

Artikel 67

De AID is verantwoordelijk voor de coördinatie van de controles ter plaatse op de naleving van de regeling als bedoeld in de artikelen 20 en 22 van verordening 73/2009.

 

Paragraaf 3. Verlagingen en sancties

 

Artikel 68

1. Indien een landbouwer één of meer verplichtingen op grond van artikel 3 niet naleeft, wordt overeenkomstig Deel II, Titel IV, hoofdstuk III van verordening 1122/2009 een korting opgelegd op het totale bedrag dat op grond van de in artikel 2 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend.

2. Onverminderd artikel 77 van verordening 1122/2009, bedraagt de hoogte van de korting 1, 3 of 5% van het totale bedrag dat op grond van de in artikel 3 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend en wordt in geval van herhaalde of opzettelijke niet-naleving verhoogd overeenkomstig artikel 71 en 72 van verordening 1122/2009.

 

Artikel 69

Indien een landbouwer andere dan de in artikel 68 bedoelde voorwaarden of verplichtingen voortvloeiend uit verordening 73/2009 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen niet naleeft, wordt door DR met betrekking tot de in artikel 63, eerste lid, bedoelde regelingen overeenkomstig Deel II, Titel IV, hoofdstuk II van verordening 1122/2009 een korting opgelegd op het bedrag dat op grond van de betrokken steunregeling aan de landbouwer is of moet worden toegekend.

 

Artikel 70

Indien een landbouwer niet alle in artikel 13, achtste lid, van verordening 1122/2009 bedoelde oppervlakten opgeeft en daarbij het verschil tussen enerzijds de totale in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die in dat jaar aan die landbouwer moet worden gedaan, als volgt verlaagd:

a. indien het verschil groter is dan 3% en kleiner dan of gelijk aan 10% bedraagt de verlaging 1%;

b. indien het verschil groter is dan 10% en kleiner dan of gelijk aan 20% bedraagt de verlaging 2%;

c. indien het verschil groter is dan 20% bedraagt de verlaging 3%.

 

Artikel 70a

1. Aanvragen, bedoeld in artikel 55d, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk vierde lid, onderdeel a, komen niet voor steunverlening in aanmerking indien de landbouwer deze verstrekt na de in die leden vastgestelde termijn.

2. De steun, bedoeld in artikel 24, eerste lid, artikel 29, eerste lid,artikel 38j, eerste lid, respectievelijk artikel 38u, wordt verlaagd overeenkomstig de omschreven systematiek in artikel 23, eerste lid, van verordening 1122/2009, indien de landbouwer de in artikel 55d, tweede lid, onderdelen b of c, derde lid, vierde lid, onderdeel b, respectievelijk het vijfde lid, omschreven aanvragen of gegevens verstrekt na de daarin bepaalde termijn.

3. Aanvragen, bedoeld in artikel 55d, zesde lid, komen niet voor goedkeuring in aanmerking indien deze worden ingediend na de in dat lid vastgestelde termijn.

 

Artikel 70b

Voor de toepassing van de artikelen 7, 8, 23 en 28 van verordening 73/2009 en artikel 55 van verordening 1122/2009, gelden aanvragen voor betalingen op grond van artikel 36, eerste lid, en 37, eerste lid, als ingediend in de periode van 1 tot en met 31 december van het jaar waarin de steun is verleend, respectievelijk als ingediend in de periode van 1 tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de aanvraag tot steunverlening is ingediend.

 

Artikel 70c

De steun, bedoeld in Hoofdstuk 2a, paragraaf 5, wordt verlaagd overeenkomstig artikel 58 van verordening 1122/2009, indien blijkt dat de oppervlakte van de gezamenlijke vaarpercelen waarvoor de steun is aangevraagd groter is dan de oppervlakte van de vaarpercelen die op grond van artikel 57 van verordening 1122/2009 zijn geconstateerd.

 

Artikel 70d

Indien komt vast te staan dat de landbouwer de voorwaarden voor betaling van steun, bedoeld in artikel 24, eerste lid, artikel 29, eerste lid,artikel 38j, eerste lid, artikel 38p, eerste lid, artikel 38r, respectievelijk artikel 38u, niet heeft nageleefd, stelt de minister de steun vast op nihil.

 

Artikel 70e

1. Behoudens wijzigingen in de beschikking tot steunverlening als bedoeld inartikel 35 stelt de minister de steun, bedoeld in artikel 29, eerste lid, vast op nihil als de aanvrager afwijkt van het investeringsplan voor de realisatie waarvan de minister aan de aanvrager steun heeft verleend.

2. Indien komt vast te staan dat de aanvrager in de documenten, bedoeld inartikel 37, derde lid, opzettelijk een foutieve weergave heeft gegeven van de werkelijk gemaakte kosten en de door aanvrager opgegeven kosten hoger zijn dan de werkelijke kosten, stelt de minister de steun vast op nihil.

3. Indienartikel 34, vierde lid, onderdeel c, van toepassing is, en de in het tweede lid bedoelde feiten betrekking hebben op de vaststelling van de steun voor het jaar waarin de steun is verleend, stelt de minister de steun voor het jaar volgend op het jaar waarin steun is verleend eveneens op nihil vast.

4. Indienartikel 34, vierde lid, onderdeel c, van toepassing is, en de in het tweede lid bedoelde feiten betrekking hebben op de vaststelling van de steun voor het jaar volgend op het jaar waarin steun is verleend, trekt de minister tevens de beschikking tot steunvaststelling voor het jaar waarin steun is verleend in en stelt de steun voor dat jaar alsnog vast op nihil.

5. Indien in het geval, bedoeld in het tweede lid, de door aanvrager opgegeven kosten meer dan 20% hoger zijn dan de werkelijk gemaakte kosten, wordt de aanvrager voor het kalenderjaar volgend op het laatste jaar waarvoor de steun is verleend, uitgesloten van verlening van steun als bedoeld in artikel 29, eerste lid.

 

Artikel 70f

1. De minister stelt de steun op grond van de betreffende steunregeling vast op nihil indien blijkt dat door, of ten behoeve van, de landbouwer een document, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel c, artikel 36, tweede lid, artikel 37, derde lid, artikel 38j, eerste lid, artikel 38w, tweede lid, onderdeel a, of artikel 38x, eerste lid, onderdeel a, heeft vervalst of valselijk is opgemaakt, waardoor de opgegeven kosten hoger zijn dan de werkelijke kosten.

2. Indien in het geval, bedoeld in het eerste lid, de door, of ten behoeve van, de landbouwer opgegeven kosten meer dan 20% hoger zijn dan de werkelijk gemaakte kosten, wordt de landbouwer voor het kalenderjaar volgend op het jaar waarvoor de steun is verleend, uitgesloten van steun op grond van de betreffende steunregeling.

3. Indien komt vast te staan dat door, of ten behoeve van, de landbouwer, het certificaat als bedoeld in artikel 38j, eerste lid, is vervalst, valselijk is opgemaakt, of de door de aanvrager opgegeven kosten meer dan 20% hoger zijn dan de werkelijk gemaakte kosten, wordt de landbouwer voor het kalenderjaar volgend op het jaar waarvoor de steun is verleend, uitgesloten van steunverlening op grond van de artikelen 38j, eerste lid, 38p, eerste lid, en 38r, eerste lid.

4. De landbouwer die in hetzelfde kalenderjaar meer dan een aanvraag indient, bedoeld in artikel 38w, eerste lid, komt niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 38u.

 

Artikel 70g

Aanvragen als bedoeld in artikel 55, dertiende lid, die na 15 mei 2012 bij de minister worden ingediend, worden gereduceerd of uitgesloten volgens de in artikel 24 van verordening 1122/2009 vastgestelde systematiek.

 

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 71

De Regeling GLB-inkomenssteun wordt ingetrokken, maar blijft evenwel van toepassing op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van de onderhavige regeling waarop nog niet onherroepelijk is beslist en, in geval van slacht, op slachtingen en export verricht vóór de inwerkingtreding van de onderhavige regeling.

 

Artikel 71a

De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 zoals die luidde vóór 1 januari 2009 blijft van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2009.

 

Artikel 72

[Wijzigt de Overdrachtsregeling bevoegdheden Landbouwwet 1966 Algemeen]

 

Artikel 73

[Wijzigt de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer]

 

Artikel 74

[Wijzigt de Subsidieregeling natuurbeheer 2000]

 

Artikel 75

[Wijzigt de Regeling superheffing en melkpremie 2004]

 

Artikel 76

[Wijzigt deze regeling]

 

Artikel 77

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

 

Artikel 78

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 1 december 2005.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
.

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Landbouwwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x