|
De
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de Verordening (EG) nr. 104/2000 van
de Raad van 17 december 1999 (PbEG L 17), houdende een
gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten
en producten van de aquacultuur;
Gelet
op Verordening (EG) nr. 2508/2000 van de Commissie van 15 november 2000
(PbEG L 289) tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van
Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de werkprogramma's
in de visserijsector;
Overwegende dat toepassing moet worden gegeven
aan de hiervoor genoemde verordeningen;
Overwegende
dat de bepalingen van meergenoemde verordeningen rechtstreekse werking
in de Nederlandse rechtssfeer hebben, zij het dat ten behoeve van de
juiste uitvoering een nadere invulling van deze bepalingen noodzakelijk
is;
Voorts gelet op de artikelen 15, 19, 27 en 28
van de Landbouwwet;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. raadsverordening: Verordening (EG) nr.
104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een
gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten
en producten van de aquacultuur;
b. commissieverordening: Verordening (EG)
nr. 2508/2000 van de Commissie van 15 november 2000 tot vaststelling van
bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 104/2000 wat betreft
de werkprogramma's in de visserijsector;
c. Dienst Regelingen:Dienst Regelingen van
het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
d. producentenorganisatie: groepering van
producenten als bedoeld in artikel 5 van de Raadsverordening;
e. werkprogramma: programma voor het
visseizoen als bedoeld in artikel 9 van de Raadsverordening;
f. werkverslag: verslag over het visseizoen
als bedoeld in artikel 12 van de Commissieverordening.
Artikel 2
1. Het
visseizoen beslaat de periode van 1 januari tot en met 31 december.
2. In afwijking van
het eerste lid beslaat het seizoen voor de mosselcultuur de periode van
1 juni tot en met 31 mei van het daaropvolgende jaar.
Artikel 3
1. Een
producentenorganisatie legt binnen zeven weken na het begin van het
visseizoen haar werkprogramma ter goedkeuring voor aan de Minister.
2. De Minister
keurt, met inachtneming van het in de raadsverordening en de
commissieverordening bepaalde, de ingediende werkprogramma's goed binnen
twaalf weken na het begin van het visseizoen.
3. Een
producentenorganisatie dient binnen zeven weken na afloop van het
visseizoen haar werkverslag in bij de Minister.
Artikel 4
1. Een
goedgekeurd werkprogramma kan slechts als gevolg van onvoorziene
omstandigheden gedurende het visseizoen worden herzien.
2. Een
producentenorganisatie legt een herziening als bedoeld in het eerste lid
onmiddellijk en met redenen omkleed ter goedkeuring voor aan de
Minister.
3. Een besluit
omtrent de goedkeuring wordt binnen zes weken na ontvangst van de
herziening genomen.
Artikel 5
De Minister kan na afloop van het visseizoen aan
producentenorganisatie een vergoeding verstrekken, overeenkomstig
artikel 10 van de raadsverordening, in de kosten die verbonden zijn
geweest aan het opstellen van de werkprogramma's.
Artikel 6
Voor een vergoeding komt slechts in aanmerking een
producentenorganisatie die:
1. erkend is als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, van de raadsverordening;
2. beschikt over een goedgekeurd
werkprogramma;
3. tijdig een werkverslag heeft ingediend
waaruit ten genoegen van de Minister blijkt dat zij haar
verplichtingen krachtens artikel 9 van de Raadsverordening is
nagekomen.
Artikel 7
Onverminderd artikel 6 komen in aanmerking voor
vergoeding:
producentenorganisaties die vσσr 1
januari 2001 zijn erkend, gedurende een periode van vier jaar, te
rekenen vanaf 1 januari 2002;
producentenorganisaties die na 1 januari
2001 zijn erkend, gedurende een periode van vijf jaar volgend op het
jaar van hun erkenning.
Artikel 8
1. De
aanvraag voor vergoeding wordt binnen zeven weken na afloop van het
visseizoen ingediend door de producentenorganisatie bij de Dienst
Regelingen door middel van een daartoe vastgesteld formulier.
2. De vergoeding
wordt binnen vier maanden na afloop van het visseizoen uitbetaald door
de Dienst Regelingen.
Artikel 9
De Minister stelt de bedragen voor vergoeding vast
overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de raadsverordening.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling
werkprogramma's producentenorganisaties visserij- en aquacultuursector.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking met ingang van de
tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij
wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.
Deze regeling wordt met
toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Den Haag, 29 oktober 2002.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
B.J. Odink.
|