BESLUIT van 26 juni 1967, houdende vaststelling van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 28, eerste en
tweede lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 13
juni 1967 nr. 57776 Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen,
Directie Sociale Verzekering, Afdeling Algemene Zaken;
Gelet op artikel 28, eerste en tweede lid, van
de Liquidatiewet ongevallenwetten;
De Raad van State gehoord (advies van 21 juni
1967 nr. 66);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid van 23 juni 1967, nr. 58082,
Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale
Verzekering, Afdeling Algemene Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. de risicodragers ingevolge de ongevallenwetten: de
risicodragers, opgesomd in artikel 1, onder e t/m g, van de
Liquidatiewet ongevallenwetten;
b. de liquidatiedatum: de datum, waarop artikel 19 van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking treedt;
c. de datum van overdracht: de liquidatiedatum onderscheidenlijk
de data waarop de overdrachten plaatsvinden overeenkomstig het
bepaalde in artikel 14.
§ 2. Berekening contante waarde van uitkeringen aan getroffenen op
de liquidatiedatum
Artikel 2
De verplichtingen wegens anders dan voorlopig toegekende renten als
bedoeld in artikel 16 der Ongevallenwet 1921, artikel 37 der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, eerste lid, der
Zeeongevallenwet 1919 ter zake van ongevallen, plaatsgehad hebbend een
jaar of langer vóór de liquidatiedatum - met uitzondering van de
verplichtingen wegens renten, welke zijn toegekend ter zake van silocose
-, worden door of namens de risicodragers, te wier laste deze
verplichtingen werden vastgesteld, per de liquidatiedatum omgerekend tot
hun contante waarde.
Artikel 3
De verplichtingen wegens voorlopig toegekende renten als bedoeld in
artikel 16 der Ongevallenwet 1921, artikel 37 der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, eerste lid, der
Zeeongevallenwet 1919 ter zake van ongevallen, plaatsgehad hebbend een
jaar of langer vóór de liquidatiedatum - met uitzondering van de
verplichtingen wegens renten, welke zijn toegekend ter zake van silicose
-, worden door of namens de risicodragers, te wier laste deze
verplichtingen werden vastgesteld, per de liquidatiedatum omgerekend tot
hun contante waarde.
Artikel 4
De verplichtingen wegens renten als bedoeld in artikel 16 der
Ongevallenwet 1921 toegekend ter zake van silicose en aangevangen een
jaar of langer vóór de liquidatiedatum, worden door of namens de
risicodragers, te wier laste deze verplichtingen werden vastgesteld, per
de liquidatiedatum omgerekend tot hun contante waarde.
Artikel 5
1. De berekening der contante waarden als bedoeld in artikel 2,
vindt plaats op basis van de grondslagen - met uitzondering van de
rentevoet - die per 31 december 1961 ingevolge het besluit van de
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 26 juni 1962, nr.
3294, werden gebruikt voor de opstelling van de wetenschappelijke
balans van het Ongevallenfonds.
2. De berekening der contante waarden als bedoeld in de artikelen
3 en 4, vindt plaats op basis van de grondslagen - met uitzondering van
de rentevoet - die per 31 december 1961 ingevolge het besluit van de
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 26 juni 1962, nr.
3294, werden gebruikt voor de opstelling van de wetenschappelijke balans
van het Ongevallenfonds, met dien verstande, dat:
a. ten aanzien van het ontstaan van eventuele nagelaten
betrekkingen met het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de wet van
9 april 1959, Stb. 140, houdende een interimregeling inzake
beperking van samenloop van pensioenen en uitkeringen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet met renten en uitkeringen ingevolge de
Ongevallenwetten, bijslagen op die renten en uitkeringen en toeslagen
op renten krachtens de Invaliditeitswet, naar de op 1 januari 1967
geldende situatie wordt rekening gehouden;
b. voor zover het de in artikel 4 bedoelde gevallen betreft,
bovendien een reductie van 2% wordt toegepast op het gedeelte der
contante waarden, dat betrekking heeft op het ontstaan van eventuele
nagelaten betrekkingen en bepaalde in de sterftekansen verwerkte
veiligheidsmarges buiten toepassing worden gelaten.
Artikel 6
De rekenrente voor de berekening der contante waarden, bedoeld in de
voorgaande artikelen, wordt vastgesteld op het percentage, dat op de
liquidatiedatum gemiddeld geldt voor obligatieleningen aan
overheidsinstanties en openbare nutsbedrijven met een looptijd van
gemiddeld circa 12 jaar zonder de mogelijkheid van vervroegde aflossing,
met dien verstande dat het percentage naar boven wordt afgerond op een
veelvoud van 1/8 %.
Artikel 7
1. De contante waarden, bedoeld in de artikelen 2 en 4, worden
verhoogd met 1% in verband met verplichtingen wegens
schadeloosstellingen als bedoeld in artikel 14 der Ongevallenwet 1921,
artikel 35 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2,
achtste lid, der Zeeongevallenwet 1919.
2. De contante waarden, bedoeld in artikel 3, worden verhoogd met
6% in verband met verplichtingen wegens schadeloosstellingen als bedoeld
in artikel 14 der Ongevallenwet 1921, artikel 35 der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, achtste lid der
Zeeongevallenwet 1919.
§ 3. Berekening contante waarden van uitkeringen aan getroffenen na
de liquidatiedatum
Artikel 8
1. De verplichtingen wegens renten als bedoeld in artikel 16
der Ongevallenwet 1921, artikel 37 der Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 en artikel 2, eerste lid, der Zeeongevallenwet 1919, ter zake van
ongevallen, plaatsgehad hebbend minder dan een jaar vóór de
liquidatiedatum, worden door of namens de risicodragers, te wier laste
deze verplichtingen werden vastgesteld, per de datum, waarop een jaar
na de dag van het ongeval is verstreken, omgerekend tot hun contante
waarde. Ten aanzien van de renten als bedoeld in de vorige volzin, ter
zake waarvan artikel 5, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt,
wordt als de datum, waarop een jaar na de dag van het ongeval is
verstreken, aangemerkt de liquidatiedatum, onderscheidenlijk de datum,
met ingang waarvan genoemd artikel 11, eerste lid, toepassing vindt.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde omrekening is
artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
3. De contante waarden, bedoeld in het eerste lid, worden
verhoogd met interest tot aan de in artikel 14, onder a,
onderscheidenlijk b , bedoelde datum van overdracht.
4. De rekenrente voor de berekening der contante waarden, evenals
die voor de vaststelling van de interest, bedoeld in het derde lid,
wordt vastgesteld op het percentage, dat een half jaar,
onderscheidenlijk een jaar, na de liquidatiedatum gemiddeld geldt voor
obligatieleningen aan overheidsinstanties en openbare nutsbedrijven met
een looptijd van gemiddeld circa 12 jaar zonder de mogelijkheid van
vervroegde aflossing met dien verstande dat het percentage naar boven
wordt afgerond op een veelvoud van 1/8 %.
Artikel 9
1. De volgens het voorgaande artikel berekende bedragen worden
verhoogd met een opslag in verband met verplichtingen wegens
schadeloosstellingen als bedoeld in artikel 14 der Ongevallenwet 1921,
artikel 35 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2,
achtste lid, der Zeeongevallenwet 1919.
2. Een overeenkomstige opslag wordt berekend van de uitkeringen
als bedoeld in de artikelen 15 en 16 der Ongevallenwet 1921, de
artikelen 36 en 37 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2,
eerste lid der Zeeongevallenwet 1919, toegekend ter zake van ongevallen
plaatsgehad hebbend minder dan een jaar vóór de liquidatiedatum, welke
sedert de liquidatiedatum, zijn verstrekt gedurende het eerste jaar na
de dag van het ongeval, met uitzondering van de uitkeringen verstrekt
tot en met de 42e dag na die van het ongeval.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde opslag bedraagt:
a. 1% voor bedragen en uitkeringen, berekend of vastgesteld ter
zake van silicose;
b. 6% voor de overige bedragen en uitkeringen.
§ 4. Berekening contante waarden renten aan nagelaten betrekkingen
Artikel 10
1. De op de liquidatiedatum voortdurende verplichtingen wegens
renten aan nagelaten betrekkingen als bedoeld in artikel 19, onder 2e,
der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2e, der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, tweede lid, der
Zeeongevallenwet 1919, worden onderscheiden in:
a. verplichtingen ter zake van renten, waarvan de ingangsdatum ligt
vóór 1 oktober 1959;
b. verplichtingen ter zake van renten, waarvan de ingangsdatum ligt
op of na 1 oktober 1959.
2. De vaststelling der verplichtingen, bedoeld in het eerste lid,
onder b, geschiedt met inachtneming van de vermindering, die het
gevolg is van de toepassing van artikel 7 van de wet van 9 april 1959, Stb.
140, houdende een interimregeling inzake beperking van samenloop van
pensioenen en uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met
renten en uitkeringen ingevolge de Ongevallenwetten, bijslagen op die
renten en uitkeringen en toeslagen op renten krachten de
Invaliditeitswet.
Artikel 11
1. De in artikel 10 bedoelde verplichtingen worden per de
liquidatiedatum door of namens de risicodragers omgerekend tot hun
contante waarde.
2. De berekening van de contante waarden geschiedt op basis van
de grondslagen - uitgezonderd de rentevoet - die per 31 december 1961
ingevolge het besluit van de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid van 26 juni 1962, nr. 3294, werden gebruikt voor de
opstelling van de wetenschappelijke balans van het Ongevallenfonds.
3. Voor de bij de berekening der in dit artikel bedoelde contante
waarden te gebruiken rentevoet is artikel 6 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
De overeenkomstig het voorgaande artikel berekende contante waarden
worden verminderd met 2%.
§ 5. De over te dragen bedragen
Artikel 13
De overeenkomstig de paragrafen 2 en 4 berekende bedragen worden door
de risicodragers per de liquidatiedatum overgedragen aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel 14
De overeenkomstig paragraaf 3 berekende bedragen worden door de
risicodragers aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds overgedragen:
a. voor zover het betreft de ingevolge artikel 8 en artikel 9,
eerste en derde lid, berekende bedragen, betrekking hebbend op
renten, ter zake waarvan het jaar, als in artikel 8, eerste lid,
laatstbedoeld, verstrijkt binnen 6 maanden na de liquidatiedatum,
per 6 maanden na de liquidatiedatum.
b. voor zover het betreft de ingevolge artikel 8 en artikel 9,
eerste en derde lid, berekende bedragen, betrekking hebbend op
renten, ter zake waarvan het jaar, als in artikel 8, eerste lid,
laatstbedoeld, verstrijkt 6 maanden of later na de liquidatiedatum,
per 12 maanden na de liquidatiedatum;
c. voor zover het betreft de ingevolge artikel 9, tweede en derde
lid, berekende bedragen, per het einde van het eerste en het tweede
halfjaar na de liquidatiedatum, waarin de uitkeringen, waarover de
opslag verschuldigd is, worden uitgekeerd.
§ 6. De overdracht
Artikel 15
De ingevolge paragraaf 5 door de risicodragers aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds af te dragen bedragen kunnen worden
overgedragen in de vorm van:
a. ter beurze genoteerde obligaties en pandbrieven Nederlands
courant, waaronder begrepen inschrijvingen in grootboek en
schuldregisters en rentespaarbrieven;
b. onderhandse leningen aan overheidsinstanties en
semi-overheidslichamen, dan wel door deze gegarandeerd, evenals aan
in Nederland gevestigde particuliere ondernemingen en instellingen,
waarvan de solvabiliteit en de boniteit niet aan twijfel onderhevig
is;
c. schatkistpromessen en schatkistbiljetten;
d. andere objecten, die de instemming verwerven van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds;
e. contanten;
f. een schuldbekentenis, aflossende in 23 gelijke jaarlijkse
termijnen tegen een rente, die gelijk is aan het percentage, bedoeld
in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid, voor zover de
risicodragers is de Staat, een provincie, een gemeente van ten
minste 20 000 zielen, de N.V. Nederlandse Spoorwegen of de N.V.
Nederlandse Staatsmijnen.
Artikel 16
Voor zover de overdracht plaatsvindt in de vorm van obligaties en
pandbrieven worden deze gewaardeerd en in betaling genomen tegen de
beurskoers op de datum van overdracht. Voor zover op deze datum geen
notering plaatsvindt, geldt de laatste notering in de vooafgaande
periode van 4 weken. Vond in deze 4-wekelijkse periode geen notering
plaats, dan wordt de koers aangehouden van effecten die qua looptijd,
aflossing en debiteur het naast verwant zijn.
Artikel 17
1. Voor zover de overdracht plaatsvindt in de vorm van
onderhandse leningen met op de datum van overdracht een langere
gemiddelde looptijd dan een jaar, worden deze gewaardeerd tegen de
contante waarde op genoemde datum. De daarbij te bezigen rekenrente is
voor elke lening verschillend naar gelang van de gemiddelde looptijd
en wordt vastgesteld op basis van het volgende schema: Gemiddelde
looptijd
> 1 jaar < 2 jaar
> 2 jaar < 3 jaar
> 3 jaar < 5 jaar
> 5 jaar < 10 jaar
> 10 jaar < 20 jaar
> 20 jaar
De rekenrente van de groep
> 10 jaar < 20 jaar
wordt daarbij al naar gelang de datum van overdracht gelijkgesteld
aan die, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid.
De rekenrente van de overige groepen worden van de in de vorige volzin
bedoelde rekenrente afgeleid in overeenstemming met de verschillen in
rentestand voor de verschillende looptijden op de datum van overdracht.
2. Indien bij de onderhandse leningen als in het vorige lid
bedoeld de debiteur zich de mogelijkheid van vervroegde aflossing heeft
voorbehouden, wordt, uitsluitend voor zover de nominale rente der lening
de rekenrente, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde
lid, overtreft, voor de bepaling van de gemiddelde looptijd, alsook van
de contante waarde van de lening uitgegaan van de veronderstelling, dat
de lening een einde neemt op de datum, waarop vervroegde aflossing voor
het eerst mogelijk is. Indien de vervroegde aflossing gepaard gaat met
betaling van een boete, wordt daarmede voor de berekening der contante
waarde rekening gehouden.
3. Indien bij onderhandse leningen als in het eerste lid bedoeld
de geldgever zich de mogelijkheid van vervroegde tussentijdse opzegging
heeft voorbehouden, wordt, uitsluitend voor zover de nominale rente der
lening lager is dan de rekenrente, bedoeld in artikel 6,
onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid, voor de bepaling van de
gemiddelde looptijd alsook van de contante waarde van de lening
uitgegaan van de veronderstelling, dat de lening een einde neemt op de
datum, waarop opzegging voor het eerste mogelijk is.
Artikel 18
1. Voor zover de overdracht plaatsvindt in de vorm van
schatkistbiljetten of schatkistpromessen, worden deze gewaardeerd en
in betaling genomen onder aftrek van het op de datum van overdracht
geldende disconto.
2. Voor zover de overdracht plaatsvindt in de vorm van
onderhandse leningen met een looptijd van gemiddeld korter dan een jaar,
worden deze gewaardeerd op soortgelijke wijze als schatkistbiljetten met
dien verstande, dat in deze gevallen het disconto wordt afgeleid van het
geldende rentepercentage voor kasgeldleningen aan overheidsinstellingen.
3. Met betrekking tot de hoogte van het disconto-
onderscheidenlijk rentepercentage, bedoeld in het eerste en het tweede
lid, wordt een schema opgesteld, dat, uitgaande van verschillende
looptijden, zo goed mogelijk aansluit bij de marktnoteringen.
Artikel 19
1. Ongeacht het tijdstip, waarop de feitelijke overdracht van
de in artikel 15 bedoelde objecten en middelen plaatsvindt, komen alle
baten, welke met deze objecten en middelen worden behaald - onder
aftrek van de erop drukkende kosten - van de datum van overdracht af
ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
2. Voor- of nadelen als gevolg van na de datum van overdracht
plaatsvindende aflossing of uitloting boven of onder de waardering
volgens een der in deze paragraaf voorafgaande artikelen, komen ten
gunste of ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden contanten al naar
gelang de datum van overdracht geacht een rente op te brengen ter hoogte
van de rekenrente, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8,
vierde lid.
§ 7. De procedure van de overdracht
Artikel 20
Vooruitlopend op de definitieve overdracht wordt door elke
risicodrager uiterlijk een maand vóór de liquidatiedatum aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds verstrekt:
a. een voorlopige opgave van de bedragen, bedoeld in artikel 13,
uitgaande van een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uiterlijk 2 maanden vóór de
liquidatiedatum op te geven voorlopige rekenrente;
b. een opgave van objecten en middelen, bedoeld in artikel 15,
dienende ter effectuering van de overdracht, met dien verstande dat
de waarde dezer objecten en middelen het onder a bedoelde
bedrag met ten minste 10 en ten hoogste 40% zal overtreffen.
Artikel 21
1. Het Arbeidsongeschiktheidsfonds heeft gedurende 6 weken na
ontvangst van de in artikel 20, onder b , genoemde opgave het
recht te verlangen, dat de risicodrager een op de opgave voorkomende
schuldvordering vervangt door een andere, indien het de solvabiliteit
van de debiteur in twijfel trekt. De risicodrager voldoet aan een
dergelijk verlangen, behoudens het recht zich te beroepen op de in
artikel 27 bedoelde commissie.
2. Eenzelfde recht als in het eerste lid bedoeld zonder enige
beperking en zonder de mogelijkheid van verweer door de risicodrager
heeft het Arbeidsongeschiktheidsfonds voor wat betreft objecten, genoemd
in artikel 15, onder d .
Artikel 22
1. De op de opgave, bedoeld in artikel 20, onder b ,
voorkomende contanten worden uiterlijk een maand na de liquidatiedatum
door de risicodrager in het bezit van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
gesteld.
2. De feitelijke overdracht van andere objecten, voorkomende op
de opgave volgens artikel 20, onder b , vindt zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk 4 maanden na de liquidatiedatum plaats in
zodanige omvang, dat te zamen met hetgeen volgens het eerste lid werd
overgedragen, de overdracht van ten minste 90% van het krachtens artikel
20, onder a , opgegeven bedrag als geëffectueerd kan worden
beschouwd.
Artikel 23
1. Uiterlijk een jaar na de liquidatiedatum verstrekt elke
risicodrager aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds:
a. een definitieve opgave van de bedragen, bedoeld in artikel 13;
b. zo nodig een opgave van objecten als bedoeld in artikel 15, ter
aanvulling van de volgens artikel 20, onder b , verstrekte
opgave. Daarbij is het bepaalde in artikel 21 van overeenkomstige
toepassing.
2. Tegelijkertijd met de verstrekking van de in het eerste lid
bedoelde opgaven vindt de aanvullende feitelijke overdracht - of ingeval
vroeger teveel werd overgedragen, de teruggave - plaats van objecten en
middelen waardoor deze overdracht te zamen met de voorlopige overdracht
ingevolge artikel 22, het totale in het eerste lid, onder a,
bedoelde bedrag omvat.
Artikel 24
Het gestelde in de artikelen 20 tot en met 23 is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de overdrachten, bedoeld in artikel 14, met
dien verstande, dat in de plaats van de liquidatiedatum gelezen wordt de
data van overdracht, genoemd in laatstgenoemd artikel.
Artikel 25
De opgave, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a, alsmede
de overeenkomstige opgaven, voortvloeiende uit artikel 24, vereisen:
a. voor zover afkomstig van risicodragers in de zin van de
Ongevallenwet 1921 dan wel het Landbouwongevallenfonds de
akkoordbevinding door de directie van de Sociale verzekeringsbank of
haar wiskundig adviseur;
b. voor zover afkomstig van de overige risicodragers:
1e. voor wat betreft de toepassing van de grondslagen en de
actuariële berekeningen de akkoordbevinding van de directie van
de Sociale verzekeringsbank of haar wiskundig adviseur;
2e. voor wat betreft de omvang van de verplichtingen, waarop de
in de artikelen 13 en 14 bedoelde bedragen betrekking hebben, de
akkoordbevinding van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
§ 8. Slotbepalingen
Artikel 26
Panden, die de Sociale verzekeringsbank op grond van artikel 54 of
artikel 58, eerste lid, ten 3e, der Ongevallenwet 1921,
onderscheidenlijk artikel 17 of artikel 25, onder b, der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, in haar bezit heeft, alsmede de panden,
welke het Ministerie van Financiën op grond van artikel 6 van de
Zeeongevallenwet 1919 onder zijn berusting heeft, worden aan de
betrokken risicodragers teruggegeven:
a. voor zover uitmakende aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds
overeenkomstig de paragrafen 5, 6 en 7 over te dragen objecten dan
wel daarvan het equivalent vormende: op het tijdstip van de
feitelijke overdracht;
b. voor het overige: naar gelang de verplichtingen van
risicodragers, uit dit besluit voortvloeiend, dalen onder de waarde
der bovenbedoelde panden.
Artikel 27
1. De vaststelling der percentages als bedoeld in artikel 6,
artikel 8, vierde lid, artikel 17, eerste lid, en artikel 18, derde
lid, geschiedt door Onze Minister, gehoord een door hem op voordracht
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te benoemen
commissie van drie deskundigen, die zoveel mogelijk geacht kunnen
worden mede het vertrouwen te genieten van de risicodragers. Aan
bedoelde commissie wordt een door Onze Minister op voordracht van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te benoemen secretaris
toegevoegd.
2. De in het eerste lid bedoelde vaststelling vindt plaats binnen
een tijdsverloop van 3 maanden na de onderscheiden data van overdracht.
Artikel 28
De commissie als bedoeld in artikel 27 treedt tevens op als commissie
van scheidslieden in alle gevallen, waarin omtrent de uitlegging of
toepassing van enigerlei bepaling van dit besluit verschil van mening
bestaat tussen het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de risicodragers en
partijen overeenkomen om dit verschil van mening aan de uitspraak van
scheidslieden te onderwerpen.
Artikel 29
Onze Minister stelt regelen vast omtrent de aan de leden en de
secretaris van de in artikel 27 bedoelde commissie te verlenen
vergoedingen.
Artikel 30
1. De kosten, verbonden aan de opstelling en verstrekking van
de opgaven, bedoeld in de artikelen 20, 23 en 24, zijn voor rekening
van de betrokken risicodrager.
2. De kosten van de commissie, bedoeld in artikel 27, zijn voor
rekening van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel 31
Onze Minister kan ter uitwerking van het bepaalde in de artikelen 5,
8 en 11 tabellen vaststellen.
Artikel 32
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit overdracht contante
waarden verplichtingen ongevallenverzekering aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel 33
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die,
waarop het in het Staatsblad is geplaatst en werkt terug tot 1
juli 1967.
Onze Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 26 juni 1967
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
B. Roolvink
Uitgegeven de negenentwintigste juni 1967
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak