| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Liquidatiewet
ongevallenwetten
BESLUIT
BEREKENING AFKOOPSOMMEN ONGEVALSUITKERINGEN 2008
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
Besluit vervalt m.i.v. 2 augustus 2017
|
|
|
BESLUIT van 19 mei 2008, houdende regels over de berekening van
afkoopsommen van ongevalsuitkeringen (Besluit berekening afkoopsommen
ongevalsuitkeringen 2008)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 april 2008, nr. SV/WV/2008/8885;
Gelet op de artikelen 19 en 26 van de
Liquidatiewet ongevallenwetten;
De Raad van State gehoord (advies van 23 april
2008, nr. W12.08.0122/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 mei 2008, nr. SV/WV/2008/12772;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder de
ongevallenwetten: de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919.
§ 2. Aanspraken krachtens artikel 18 van de Liquidatiewet
ongevallenwetten
Artikel 2
Voor de berekening van de contante waarde, betrekking hebbend op
gevallen als bedoeld in artikel 18 van de Liquidatiewet
ongevallenwetten, worden deze gevallen onderscheiden in:
a. gevallen, waarin tussen de datum, waarop het ongeval
plaatsvond en de eerste dag van de maand, waarin de betrokkene 65
jaar wordt, ten minste 2 jaar is verstreken;
b. gevallen, waarin tussen de datum, waarop het ongeval
plaatsvond en de eerste dag van de maand, waarin de betrokkene 65
jaar wordt, minder dan 2 jaar is verstreken, doch die een zodanig
blijvend karakter hebben, dat de mate van ongeschiktheid tot werken
als definitief kan worden beschouwd;
c. de overige gevallen.
Artikel 3
1. De contante waarde in de gevallen, bedoeld in het voorgaande
artikel, wordt vastgesteld per de eerste dag van de maand, waarin de
betrokkene 65 jaar wordt.
2. De contante waarde in de gevallen, bedoeld onder a en b van het
voorgaande artikel, omvat de op het in het eerste lid bedoelde
tijdstip op contante basis berekende toekomstige uitkering, waarop de
betrokkene aanspraak zou hebben gemaakt, indien de ongevallenwetten
niet waren ingetrokken, met dien verstande, dat die uitkering niet in
aanmerking wordt genomen, voor zover zij hoger zou zijn geweest dan de
uitkering, waarop de betrokkene op eerderbedoeld tijdstip aanspraak
zou hebben gehad.
3. De contante waarde in de gevallen, bedoeld onder c van het
voorgaande artikel, omvat de per een datum liggende 2 jaar na de datum
van het ongeval op contante basis berekende toekomstige uitkering,
waarop de betrokkene aanspraak zou hebben gehad, indien de
ongevallenwetten niet waren ingetrokken met dien verstande, dat
die uitkering niet in aanmerking wordt genomen voor zover zij hoger
zou zijn geweest dan de uitkering, waarop de betrokkene op de in het
eerste lid bedoelde dag aanspraak zou hebben gehad vermeerderd met
de uitkeringen, welke tot aan eerstbedoelde datum op grond van artikel
5, eerste lid, aan de betrokkene zou zijn verstrekt.
4. Indien de betrokkene vσσr de in het voorgaande lid
eerstbedoelde datum, per welke de toekomstige uitkering op contante
basis wordt berekend, herstelt of overlijdt, omvat de contante waarde
de uitkeringen, welke op grond van artikel 5, eerste lid, aan de
betrokkene zijn verstrekt.
Artikel 4
1. De rekenrente voor de berekening van de contante waarde, bedoeld
in het voorgaande artikel, wordt bepaald op 5%.
2. Indien de ontwikkeling van de rentestand daartoe aanleiding
geeft, kan Onze Minister wijziging brengen in het in het voorgaande
lid genoemde percentage.
3. De duur van de in het voorgaande artikel bedoelde toekomstige
uitkering wordt, onverminderd het bepaalde in het volgende lid, geacht
overeen te stemmen met een levensduur, welke wordt afgeleid van de
gemiddelde sterftekansen volgens de tabel, die krachtens het besluit
van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 26 juni 1962,
nr. 3294, werd gebruikt bij de opstelling van de wetenschappelijke
balans van het Ongevallenfonds voor anders dan voorlopig vastgestelde
renten ingevolge artikel 16 van de Ongevallenwet 1921.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt, voor
gevallen, bedoeld in artikel 2, onder c, waarin met redelijke
waarschijnlijkheid is te voorzien, dat de uitkering wegens herstel
binnen afzienbare tijd zou zijn beλindigd, indien de ongevallenwetten
niet zouden zijn ingetrokken, de in het derde lid bedoelde duur
beperkt tot aan de verwachte datum van herstel.
Artikel 5
1. Gedurende de periode, die verstrijkt tussen het tijdstip, per
hetwelk volgens artikel 3, eerste lid, de contante waarde wordt
vastgesteld, en het tijdstip, per hetwelk volgens artikel 3, derde
lid, in de in dat lid bedoelde gevallen de uitkering op contante basis
wordt berekend, worden indien en voor zolang de betrokkene
aanspraak op uitkering zou hebben gehad, indien de ongevallenwetten
niet zouden zijn ingetrokken door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan hem maandelijkse uitkeringen verstrekt,
welke overeenstemmen met de uitkering, waarop hij alsdan aanspraak zou
hebben gehad, met dien verstande, dat de maandelijkse uitkeringen niet
hoger zijn dan de uitkering, waarop hij op eerstbedoeld tijdstip
aanspraak zou hebben gehad.
2. Gedurende de periode, die verstrijkt tussen het tijdstip, waarop
volgens artikel 3, tweede en derde lid, de uitkering op contante basis
wordt berekend en het tijdstip van uitbetaling van de afkoopsom,
bedoeld in paragraaf 3, kunnen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de betrokkene voorschotten worden
verstrekt.
§ 3. De afkoopsom
Artikel 6
1. De afkoopsom wordt gelijkgesteld aan de op grond van de
voorgaande paragraaf berekende contante waarde.
2. De betaling van de afkoopsom vindt plaats op of zo spoedig
mogelijk na het tijdstip, per hetwelk volgens artikel 3, tweede en
derde lid, de uitkering op contante basis wordt berekend.
3. Op het uit te betalen bedrag worden in mindering gebracht:
a. de ingevolge artikel 5, eerste lid, verstrekte maandelijkse
uitkeringen;
b. de ingevolge artikel 5, tweede lid, verstrekte voorschotten.
4. Indien tussen het tijdstip, bedoeld in het tweede lid en het
tijdstip van uitbetaling van de afkoopsom meer dan een maand verloopt,
wordt over het bedrag van de afkoopsom, na vermindering met de
uitkeringen, bedoeld in het derde lid, onder a, en met verstrekte
voorschotten, bedoeld in het derde lid, onder b, een rente vergoed van
5% 's jaars van het eerstgenoemde tijdstip af. Ten aanzien van het in
de vorige volzin genoemde percentage is het bepaalde bij of krachtens
artikel 4, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit berekening afkoopsommen
ongevalsuitkeringen 2008.
Artikel 8
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 9 maart 2007.
2. Dit besluit vervalt met ingang van 2 augustus 2017.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 mei 2008
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de negenentwintigste mei 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|