| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
BESLUIT
SPOORWEGBRUGGEN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 februari 1988, houdende vervanging van
het Reglement Spoorwegbruggen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 juli 1987,
nr. WBJ/V724276, Directoraat-Generaal van het Verkeer;
Gelet op de artikelen 27 van de Spoorwegwet (Stb.
1875, 67) 4a, derde en vierde lid, 5, vijfde lid en 6, tweede lid,
van de Locaalspoor- en Tramwegwet (Stb. 1918, 99);
De Raad van State gehoord (advies van 9
december 1987, nr. W09.87.0308);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 5 februari 1988, nr. WBJ/V820448,
Directoraat-Generaal van het Verkeer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. brug: een brug over water, gelegen in een spoorweg waarop
voorschriften, gegeven bij of krachtens de Spoorwegwet of de
Locaalspoor- en Tramwegwet van toepassing zijn, en die uitsluitend
of in hoofdzaak voor het verkeer over die spoorweg dient, met
inbegrip van de voor dat verkeer noodzakelijke installaties en van
de bij die brug behorende beschermingswerken;
c. vaartuig: elk voorwerp, hoe ook genaamd en van welke aard
ook, bestemd of in staat tot verplaatsing te water, waarbij voor
de toepassing van dit reglement een samenstel van vaartuigen als
sleep, als duwstel of anderszins met een vaartuig gelijk wordt
gesteld:
d. brugwachter: degene die als personeelslid van de
spoorwegdienst of uit anderen hoofde belast is met het bedienen
van een beweegbare brug, zomede degene die hem daarbij helpt;
e. schipper: degene die een vaartuig voert;
f. des daags: de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
g. des nachts: de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang.
2.Indien een brug uit ้้n of meer vaste overspanningen en ้้n
of meer beweegbare gedeelten bestaat, wordt voor de toepassing van dit
besluit onder een beweegbare brug mede verstaan elk beweegbaar
gedeelte van die brug.
3.Ten aanzien van spoorwegen onder beheer van een publiekrechtelijk
lichaam worden voor de naleving van dit besluit als bestuurders,
bedoeld in artikel 9 van de Spoorwegwet, aangemerkt zij, die door dit
publiekrechtelijk lichaam aan het hoofd van de spoorweg zijn gesteld.
Artikel 2
1.Onze Minister bepaalt:
a. voor welke beweegbare bruggen vaste openingstijden door hem
worden vastgesteld;
b. welke beweegbare bruggen op verzoek van de schipper worden
geopend volgens een door hem goed te keuren regeling van de
bestuurders;
c. welke beweegbare bruggen als regel geopend zijn, en alleen
gesloten worden indien een trein moet passeren;
d. bij welke beweegbare bruggen door hem voor te schrijven
communicatiemiddelen ten behoeve van de scheepvaart aanwezig
moeten zijn;
e. ten aanzien van welke bruggen de bestuurders door hem goed
te keuren voorwaarden voor de doorvaart vaststellen voor zover dit
in verband met de uit de afmetingen van schepen voortvloeiende
gevaren en beperkingen en met het oog daarop te nemen maatregelen
nodig is.
2.Onze Minister hoort alvorens hij zijn bevoegdheden ingevolge het
eerste lid, uitoefent, de bestuurders en de beheerder van het
vaarwater.
3.Onze Minister kan bepalen hoe lang v๓๓rdat een trein een brug
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, moet passeren, met het
sluiten van de brug kan of moet worden aangevangen.
4.Indien in een vaarweg ter plaatse van een beweegbare brug de
scheepvaart is gestremd, kan in afwijking van hetgeen in of krachtens
de vorige leden is bepaald, deze brug gesloten blijven.
5.Onze Minister kan voorschriften vaststellen omtrent het gebruik
van communicatiemiddelen.
Artikel 3
De beweegbare bruggen worden door Onze minister, naar het belang van
de vaarweg voor de scheepvaart en gelet op de plaatselijke
omstandigheden, ten aanzien van de te tonen tekens voor de doorvaart,
verdeeld in drie groepen, te weten A, B en C.
Artikel 4
1.De bestuurders dragen zorg dat bij de beweegbare bruggen van de
groepen A en B vaste tekens worden getoond:
- bij bruggen van groep A: op gelijke hoogte aan weerszijden
van de doorvaartopening
- bij bruggen van groep B: alleen aan stuurboordzijde of met
goedkeuring van Onze Minister alleen aan bakboordzijde van de
doorvaartopening
overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.26, vierde lid, onderdelen
a, b, d en e van het Binnenvaartpolitiereglement (Stb. 1983, 682).
2.De bestuurders dragen zorg dat bij bruggen van groep A bovendien
tekens worden getoond, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.26,
vierde lid, onderdelen c en f van het Binnenvaartpolitiereglement, met
dien verstande dat het teken, bedoeld in artikel 6.26, vierde lid,
onderdeel f, van het Binnenvaartpolitiereglement alleen wordt getoond,
indien Onze Minister zulks bepaalt of goedkeurt.
3.Alvorens een brug van groep C voor de doorvaart wordt gesloten en
tijdens het sluiten toont de brugwachter des daags een rode vlag en
des nachts een rood vast licht overeenkomstig Bijlage 7, teken A 1,
van het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5
1.De bestuurders kunnen eigener beweging zorgdragen of dragen,
indien Onze Minister zulks bepaalt, zorg dat boven elke
doorvaartopening vaste tekens worden getoond overeenkomstig het
bepaalde in de artikelen 6.25 en 6.26, vijfde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement.
2.Bij hefbruggen wordt voor de toepassing van het in het eerste lid
bepaalde onder gesloten toestand mede verstaan het in gedeeltelijk
geheven toestand verkeren van de hefbrug.
Artikel 6
Ingeval lichttekens gestoord zijn, dragen de bestuurders zorg dat in
plaats van een rood of groen licht een bord getoond wordt overeenkomstig
het bepaalde in artikel 6.26, zesde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement. Het tonen van borden in plaats van rode of
groene lichten kan beperkt blijven tot ้้n zijde van de
doorvaartopening.
Artikel 7
Indien een brug op korte afstand van ้้n of meer andere bruggen of
wegverkeersbruggen waarop tekens op grond van het
Binnenvaartpolitiereglement zijn aangebracht, is gelegen, kan Onze
Minister bepalen dat de tekens voor de vaart door die bruggen of die
wegverkeersbruggen geheel of voor een door hem te bepalen gedeelte in de
plaats treden van de tekens voor de vaart door de brug.
Artikel 8
1.Bij de vaart door een geopende beweegbare brug moet, indien twee
doorvaartopeningen aanwezig zijn, door de rechter opening worden
gevaren, tenzij het teken of de brugwachter anders aangeeft.
2.Artikel 6.26 van het Binnenvaartpolitiereglement is van
overeenkomstige toepassing, voorzover in dit besluit daar niet van
wordt afgeweken.
Artikel 9
Indien door tijdelijke obstakels aan of bij een brug de doorvaart
wordt belemmerd dragen de bestuurders zorg dat zulks wordt kenbaar
gemaakt door ้้n of meer van de borden bedoeld in Bijlage 7, onderdeel
C, van het Binnenvaartpolitiereglement. Deze borden moeten des nachts
worden verlicht.
Artikel 10
Onze Minister stelt de eisen vast waaraan de uitvoering en de
plaatsing van de tekens moet voldoen.
Artikel 11
1. Ingeval door een vaartuig een doorvaartopening is versperd,
waardoor de goede uitoefening van de spoorwegdienst wordt belemmerd of
dreigt te worden belemmerd, is de schipper van dit vaartuig verplicht
onmiddellijk de voor de opheffing van de versperring of voor de
beperking van de schade aan de werken, nodige maatregelen te treffen,
die redelijkerwijs in die situatie van hem kunnen worden verlangd.
2. De schipper is verplicht elke schade aan een brug terstond bij
de brugwachter of bij de bestuurders aan te melden.
Artikel 12
1.Het is verboden
a. te handelen in strijd met het krachtens artikel 2, eerste,
derde en vijfde lid, bepaalde;
b. voor de scheepvaart door de bruggen andere tekens te tonen
dan de voorgeschrevene;
c. bij de vaart te handelen in strijd met de getoonde tekens of
de door de brugwachter krachtens dit besluit gegeven aanwijzingen;
d. te handelen in strijd met het in artikel 8 bepaalde;
e. door een brug te varen indien niet redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat dit zonder gevaar voor beschadiging van de brug of
versperring van de doorvaartopening mogelijk is;
f. een doorvaartopening te versperren;
g. een brug te beschadigen;
h. een vaartuig aan enig bedeelte van een brug of in een
doorvaartopening te meren;
i. een brug te openen of te sluiten of enig gedeelte daarvan te
verzetten;
j. een vaartuig te verhalen anders dan aan de daarvoor bestemde
voorzieningen.
2.Niet strafbaar is hij die een in het eerste lid genoemde
handeling verricht uit de aard van zijn betrekking tot of met
toestemming van, de bestuurders.
Artikel 13
1.Het koninklijk besluit van 14 maart 1962 (Stb. 86) tot
vaststelling van een reglement voor de scheepvaart ter beveiliging van
de spoorwegbruggen (Reglement Spoorwegbruggen) wordt ingetrokken.
2.[Wijzigt het koninklijk besluit van 5 april 1966 (Stb.176)]
3.De beweegbare bruggen welke zijn aangewezen onderscheidenlijk
ingedeeld op grond van de artikelen 2, eerste lid, onder a, b of c, 7
onderscheidenlijk 3, van het in het eerste lid genoemde reglement,
worden geacht te zijn aangewezen onderscheidenlijk ingedeeld op grond
van de artikelen 2, eerste lid, onder a, b of c, 7 onderscheidenlijk 3
van dit besluit.
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 1988 met
uitzondering van artikel 4, dat in werking treedt met ingang van 1
januari 1989.
Artikel 15
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit spoorwegbruggen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 15 februari 1988
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smits-Kroes
Uitgegeven de negenentwintigste februari 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|