|
BESLUIT van 24 februari 1920, tot vaststelling van een
reglement voor de tramwegen, genoemd in artikel 1, eerste lid, letter b,
en van een reglement ter uitvoering van het vijfde lid, onderdeel b,
van artikel 5 der Locaalspoor- en Tramwegwet
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onzen Minister van Waterstaat, van 12 Juli 1919, La. G.,
afdeeling Spoorwegen;
Gelet op artikel 5, vijfde lid, der Locaalspoor-
en Tramwegwet (Staatsblad n°. 99 van 1918);
Den Raad van State gehoord (advies van 5
Augustus 1919, n°. 25);
Gelet op het nader rapport van Onzen
voornoemden Minister van 20 Februari 1920, n°. 302, afdeeling
Spoorwegen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
met ingang van den dag, op welken de
Locaalspoor- en Tramwegwet in werking zal treden:
1°. in te trekken:
a. het algemeen reglement voor de
spoorwegen, bedoeld in artikel 2 der wet van 9 Juli 1900
(Staatsblad n°. 118), onder den titel Tramwegreglement 1902
vastgesteld bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1902 ( Staatsblad
n°. 162), het laatst gewijzigd bij Koninklijk besluit van 22
Augustus 1916 (Staatsblad n°. 421);
b. het reglement, houdende
vereenvoudigde bepalingen voor spoorwegen, als bedoeld in
artikel 1 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), op
welke geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten
hoogste vijf en dertig (35) kilometer per uur, onder den titel
Vereenvoudigd Locaalspoorwegreglement 1902 vastgesteld bij
Koninklijk besluit van 18 Augustus 1902 (Staatsblad n°. 170),
het laatst gewijzigd bij Koninklijk besluit van 15 September
1913 (Staatsblad n°. 366);
2°. vast te stellen:
a. het bij dit besluit gevoegde
reglement voor de tramwegen, genoemd in artikel 1, eerste lid,
letter b der Locaalspoor- en Tramwegwet, en getiteld
Tramwegreglement;
b. het bij dit besluit gevoegde
reglement ter uitvoering van het vijfde lid, onder b, van
artikel 5 der Locaalspoor- en Tramwegwet, en getiteld Bijzonder
Reglement Vervoer Tramwegen of B. R. V. T.
Afdeeling I. Van den weg en de seinen
Artikel 1. Onderhoud van weg en werken
1.De weg en de daartoe behoorende
werken worden voortdurend zoodanig onderhouden, dat zij veilig met de
grootste toegelaten snelheid kunnen worden bereden.
2.Bij toepassing van electrische
tractie met bovengrondschen stroomtoevoer is het in het eerste lid
bepaalde ook van toepassing op de contactgeleidingen met al hetgeen
tot hare bevestiging, ophanging, ondersteuning en beveiliging behoort.
3.Wanneer de grootste toegelaten
snelheid meer bedraagt dan 20 K.M. per uur, kan de Minister
voorschrijven, dat gedeelten van den weg, welke wegens de uitvoering
van werken of om andere redenen niet met die grootste toegelaten
snelheid kunnen worden bereden, zoowel bij nacht als bij dag,
gedurende den dienst, door van den trein duidelijk te herkennen seinen
aangewezen moeten worden, alsmede dat gedeelten, welke tijdelijk niet
te berijden zijn, door haltseinen, op voldoenden afstand geplaatst,
kenbaar moeten worden gemaakt, ook wanneer geen trein wordt verwacht.
Artikel 2. Regeling der
contactgeleidingen
Bij toepassing van electrische trekkracht
met bovengrondschen stroomtoevoer wordt, voor zoover geen
contactgeleidingen worden toegepast, waarvan de doorhang kan
verwaarloosd worden, of de constructie dezer geleidingen eene
automatische regeling van den doorhang waarborgt, ten minste twee maal
per jaar, in het voor- en najaar, de spanning en daarmede de doorhang
der geleidingen geregeld in overeenstemming met de gemiddelde zomer- en
wintertemperatuur.
Artikel 3. Periodiek onderzoek. Registers
van lijnonderzoek
1.Bij toepassing van electrische
trekkracht met bovengrondschen stroomtoevoer wordt op geregelde tijden
een onderzoek ingesteld:
a. naar den isolatieweerstand der
contactgeleidingen en stroomtoe- en afvoerleidingen, in haar
geheel en van elk onderdeel daarvan afzonderlijk;
b. naar den weerstand der
terugleiding door de spoorstaven in haar geheel en van elke
electrische spoorstaafverbinding afzonderlijk;
c. naar de doorsnede en den
weerstand van aardverbindingen en de doorsnede van overige
veiligheidsverbindingen;
d. naar de mate van afslijting der
contactgeleiding langs de geheele lijn en den toestand, waarin
zich alle onderdeelen der bovengrondsche geleiding bevinden.
2.De Minister kan van het bepaalde in
het eerste lid onder b ontheffing verleenen.
3.De tijdstippen, waarop de
onderzoekingen in het eerste lid genoemd plaats vinden, worden,
bestuurders gehoord, door de Minister vastgesteld.
4.Van de uitkomsten der onderzoekingen,
in het eerste lid genoemd en van de regeling der contactgeleidingen,
in artikel 2 omschreven, wordt geregeld aanteekening gehouden in een
register, daartoe met toestemming van de Minister door bestuurders aan
te leggen.
Artikel 4. Schouwing van de weg
1.De tramweg met zijn vaste
voorzieningen moet zodanig worden onderhouden, dat hij veilig kan
worden bereden.
2.De Minister bepaalt met welke
frequentie de sporen en de daarin gelegen wissels, kruisingen en
beweegbare bruggen moeten worden geschouwd.
3.De frequentie, bedoeld in het tweede
lid, bedraagt ten minste
a. voor sporen waarover
reizigerstreinen worden vervoerd en voor de daarin gelegen
wissels, kruisingen en beweegbare bruggen:
één maal per week;
b. voor sporen waarover uitsluitend
goederentreinen worden vervoerd: éénmaal per maand; voor de
daarin gelegen wissels, kruisingen en beweegbare bruggen: drie
maal per maand.
4.Bij elke schouw moet worden gelet
zowel op de toestand van de sporen, wissels en kruisingen als op de
toestand van de baan, de beweegbare bruggen, de overwegen en
seininrichtingen.
5.De bestuurders geven voorschriften
omtrent het schouwen van de bovenleiding en de elektrische spoorstaaf-,
de aard- en de overige veiligheidsverbindingen.
Artikel 5. Profielen van vrije ruimte
1.Voor elken tramweg worden door den
Minister, bestuurders gehoord, profielen van vrije ruimte vastgesteld.
2.Het is verboden zonder toestemming
van den Minister:
a. binnen deze profielen een
gebouw, muur, schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp op
te richten of te hebben;
b. binnen deze profielen en in de
strooken langs deze profielen, ter breedte van 0,50 M., boomen of
houtgewas te planten of te hebben.
3.Bestuurders doen er zooveel mogelijk
voor waken, dat zich binnen deze profielen geene voorwerpen bevinden,
welke den loop der treinen zouden kunnen belemmeren.
Artikel 6. Maatregelen ter voorkoming van
het ongewenscht met elkander in aanraking komen van voertuigen
1.Tusschen twee samenloopende of
elkander kruisende sporen wordt de grens aangeduid, tot welke zich
voertuigen op het eene spoor kunnen bewegen, zonder de beweging van
voertuigen op het andere spoor te hinderen. Tusschen die grens en den
wissel of het kruispunt mogen gelijktijdig op de beide sporen geen
voertuigen worden geplaatst of voortbewogen.
2.De wijze, waarop die grens wordt
aangeduid, wordt, bestuurders gehoord, door de Minister vastgesteld.
Artikel 7. Overwegen
1.Bestuurders kunnen, met toestemming
van de Minister, bij overwegen Andreaskruisen volgens model J12 of J13
van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, of hekken plaatsen. De
Minister kan aan de toestemming het voorschrift verbinden dat de
overweg wordt beveiligd.
2.Op overwegen waar op grond van het
bepaalde in het eerste lid Andreaskruisen of hekken zijn geplaatst, is
het bepaalde in de artikelen 20, 21, 22 en 23, tweede tot en met
vierde lid, van het Reglement Dienst Hoofd- en Lokaalspoorwegen van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8. Seinen ten behoeve van den
tramweg
1.De plaats en inrichting van alle
seinen ten behoeve van den tramweg behoeven de instemming van de
Minister.
2.Waar de Minister zulks in het belang
van het veilig verkeer bepaalt, moeten bestuurders voor het opstellen
en bedienen van seinen of voor het wijzigen van bestaande seinen zorg
dragen.
3.Bedraagt de grootste toegelaten
snelheid meer dan 20 K.M. per uur, dan moeten bestuurders daar, waar
de Minister zulks in het belang van het veilig verkeer bepaalt, zorgen
voor het aanleggen en bedienen van telegraaf- of telefoonlijnen met
bijbehoorende toestellen.
4.Bestuurders zorgen, dat beweegbare
bruggen in den tramweg van seinen zijn voorzien, waardoor op
voldoenden afstand aan het personeel der treinen kenbaar wordt
gemaakt, of de brug al dan niet veilig kan worden bereden, en doen die
seinen behoorlijk bedienen en verlichten. De afstand van deze seinen
tot en hun verband met de brug behoeven de instemming van de Minister.
5.De Minister kan van het bepaalde in
het vierde lid ontheffing verleenen.
Artikel 9. Treinseinen bij nacht
1.De treinen voeren 's nachts van voren
tenminste twee witte lichten en van achteren tenminste een rood licht.
2.De plaats en inrichting van deze
lichten behoeven de instemming van de Minister.
3.Treinen die op het moment van het van
kracht worden van dit besluit zijn uitgerust om van voren slechts een
wit licht te kunnen tonen, voeren 's nachts van voren een wit licht en
van achteren tenminste een rood licht.
Artikel 10. Seinreglement
1.Alle seinen, welke bij de uitoefening
van den dienst op een tramweg gegeven kunnen worden, worden omschreven
en hun gebruik wordt geregeld in een reglement, seinreglement genoemd,
dat na instemming van den Minister door bestuurders wordt vastgesteld.
2.In het seinreglement wordt omschreven
welke seinen des daags en welke des nachts zullen worden gegeven. Bij
mistig weder, sneeuwjacht en bij andere omstandigheden waardoor de
dagseinen niet duidelijk te onderscheiden zijn moeten des daags,
voorzover het dagsein niet door een lichtsein wordt gegeven, naast de
dagseinen ook de nachtseinen worden getoond, tenzij de Minister
afwijking hiervan toestaat.
3.Bestuurders zorgen, dat voldoende
middelen aanwezig zijn, om de in het seinreglement omschreven seinen
te geven.
Artikel 11. Gebruik van niet voor het
openbaar verkeer openstaande wegen
1.Een ieder is verplicht op overwegen
in wegen die niet voor het openbaar verkeer open staan, treinen,
rangeerdelen en bijzondere voertuigen voor te laten gaan en daarbij de
gehele overweg vrij te laten.
2.Het is een ieder verboden een overweg
als bedoeld in het eerste lid, op te gaan, tenzij hij direct kan
doorgaan en de overweg geheel vrij kan maken.
3.Het is een ieder verboden een overweg
als bedoeld in het eerste lid, op te gaan indien een verkeerslicht,
als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b en c , rood
licht of rood knipperlicht toont, dan wel een stopteken als bedoeld in
artikel 20, eerste lid, onderdeel e , wordt getoond.
Artikel 12. Kruisingen van tram- en
spoorwegen op gelijke hoogte
1.De treinen moeten bij kruising op
gelijke hoogte van den tramweg met een tramweg of anderen spoorweg
steeds op ten minste twintig meter voor het kruispunt stilhouden en
daar blijven staan, totdat een treinbeambte zich naar het kruispunt
heeft begeven, en van daar uit door een sein heeft bericht, dat de
bewaker van den te kruisen spoorweg toestemming geeft tot den
overgang, of bij ontstentenis van bewaker, dat naar zijn oordeel de
kruising veilig bereden kan worden.
2.De Minister kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verleenen, wanneer naar zijn oordeel op
voldoende wijze in de beveiliging van de kruising is voorzien.
Artikel 13. Brandstrooken. Gewijzigde
toepasselijkverklaring van artikel 33a der wet van 9 April 1875
(Staatsblad n°. 67)
1.De Minister kan voor de niet op
openbare wegen aangelegde gedeelten van tramwegen, die door of langs
bosch-, veen-, of heidegronden of gronden met andere licht brandbare
gewassen begroeid, aangelegd zijn, bepalen, dat en op welke van die
gedeelten maatregelen genomen moeten worden, om bij het ontstaan van
brand op het terrein van den tramweg het overslaan van den brand op de
aangrenzende eigendommen te belemmeren.
2.Op die baangedeelten zorgen
bestuurders, dat het terrein van den tramweg door het graven van
slooten, door het omspitten of bedekken met onbrandbare stoffen van
een doorgaande strook grond, of door eenig ander middel van de
aangrenzende eigendommen zoodanig wordt afgescheiden, dat het
bovengenoemde gevaar voor het overslaan van brand naar het oordeel van
de Minister voldoende beperkt wordt.
Artikel 14. Verbod van bebouwing, enz.
langs den tramweg. Gewijzigde toepasselijkverklaring van de artikelen
36-41 en 68 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67)
1. Het is verboden langs de niet op
openbare wegen aangelegde gedeelten van tramwegen een gebouw, muur,
schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp op te richten of
boomen of houtgewas te planten:
a. binnen den afstand van 5 M. uit
de as van het meest nabijgelegen spoor, zoowel op de rechte baan
als langs de buitenzijde van den boog, waar de tramweg in gebogen
richting is aangelegd;
b. binnen den afstand van 10 M. uit
die as langs de binnenzijde van den boog, waar de tramweg in
gebogen richting is aangelegd;
c. binnen den afstand van 10 M. uit
die as over eene lengte van 25 M. wederzijds van en gemeten uit
het midden van openbare wegen, die den tramweg kruisen.
2. Het is verboden langs de niet op
openbare wegen aangelegde gedeelten van tramwegen binnen den afstand
van 10 M. uit de as van het meest nabijgelegen spoor riet- of
stroodaken te plaatsen, licht ontvlambare stoffen neer te leggen, of
binnen dien afstand ontgravingen te verrichten.
3. De Minister kan van het bepaalde in
het eerste en tweede lid ontheffing verleenen, waar het zonder nadeel
voor de openbare veiligheid en voor den tramweg kan geschieden.
4. Hetgeen vòòr het in werking treden
van dit reglement binnen de in het eerste en in het tweede lid
bepaalde afstanden is opgericht, geplaatst, neergelegd of gegraven,
wordt, zoo de openbare veiligheid het vordert, tegen voorafgaande
schadeloosstelling op last van den Minister door en voor rekening van
bestuurders weggenomen of gedicht. De schadeloosstelling wordt bij
gebreke van minnelijke schikking door den rechter bepaald.
Afdeeling II. Van het rollend materieel
A. Van de trekvoertuigen in het algemeen
Artikel 15. Voorschriften betreffende de
inrichting der trekvoertuigen
1.Elk trekvoertuig moet voorzien zijn:
a. voor en achter van
spoorstaafruimers en van eene veerkrachtige koppeling;
b. van een zich onder het
onmiddellijk bereik van de machinist of de wagenvoerder bevindende
inrichting om geluidseinen te geven;
c. van de noodige lantaarns en
seinlampen;
d. van eene krachtige gemakkelijk
te bedienen rem, werkende op alle assen of wielen;
e. van inrichtingen, waardoor
zooveel mogelijk wordt voorkomen, dat menschen en dieren, die
worden aangereden, onder de wielen geraken.
2.De Minister kan ontheffing verleenen
van het voorschrift onder d, voor zooveel daarin wordt bepaald, dat de
rem op alle assen of wielen moet werken, en van het voorschrift onder
e.
Artikel 16. Inzending van teekeningen van
trekvoertuigen
1.Alvorens trekvoertuigen aan te
schaffen, bieden bestuurders aan den Minister eene volledig
uitgewerkte, algemeene teekening dier voertuigen ter instemming aan,
voor trekvoertuigen, door stoomkracht bewogen, bovendien eene volledig
uitgewerkte ketelteekening en voor trekvoertuigen, middellijk of
onmiddellijk door electriciteit gedreven, bovendien volledig
uitgewerkte schakelschema's. Zij geven daarbij tevens op, welk aantal
trekvoertuigen volgens de aangeboden teekeningen zal worden
aangeschaft. Voor aanschaffing van een grooter aantal wordt opnieuw
instemming van de bovenbedoelde teekeningen en schakelschema's
vereischt.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt
ook voor tijdelijk in het voertuigpark op te nemen trekvoertuigen,
tenzij daarvoor door bestuurders van een anderen tramwegdienst reeds
aan deze bepalingen voldaan is.
3.Van elk der in het eerste en tweede
lid bedoelde trekvoertuigen zenden bestuurders aan de Minister vóór
de indienststelling eene opgaaf omtrent het door weging gevonden
gewicht van het trekvoertuig in dienstvaardigen toestand.
Artikel 17. Indienststelling van
trekvoertuigen
1.Trekvoertuigen worden niet in dienst
gesteld dan na door de Minister te zijn onderzocht en geaccordeerd.
2.Ten bewijze van die akkoordverklaring
strekt de in artikel 18 bedoelde akte van vergunning of de krachtens
dat artikel verleende voorloopige vergunning.
Artikel 18. Akte van vergunning.
Voorloopige vergunning
1.Wanneer het onderzoek van een
trekvoertuig bevredigende uitkomsten heeft opgeleverd en overigens
voldaan is aan de bepalingen van dit reglement (voor trekvoertuigen,
door stoomkracht bewogen, met name aan de artikelen 23 en 25; voor
trekvoertuigen, door andere drijfkracht dan stoom bewogen, met name
aan de artikelen 32 en 34), dan wordt door de Minister eene akte van
vergunning uitgereikt.
2.In afwachting van de uitreiking van
deze akte kan de met het onderzoek belaste rijksambtenaar eene
voorloopige schriftelijke vergunning tot indienststelling geven. Deze
vergunning vervalt, indien zij niet binnen een door genoemden
ambtenaar bepaalden termijn door uitreiking van de akte van vergunning
is gevolgd.
3.In de akte van vergunning worden
vermeld:
a. de naam van den tramwegdienst,
die het trekvoertuig in gebruik neemt;
b. het volgnummer en de korte
omschrijving van het trekvoertuig;
c. de datum, waarop het onderzoek
heeft plaats gehad;
d. de afwijkingen van dit
reglement, die zijn toegestaan of gevorderd volgens artikel 47.
4.Indien het trekvoertuig door
stoomkracht wordt bewogen, houdt de akte van vergunning bovendien in:
a. den vorm en de afmetingen van
den ketel en de grootte van het verwarmd oppervlak;
b. het aantal van de
veiligheidstoestellen en hunne voornaamste afmetingen;
c. de grootste toegelaten
werkelijke stoomdrukking in kilogrammen per vierkanten centimeter;
d. de gegevens, vermeld in het
zesde lid onder III j tot en met l.
5.Indien het trekvoertuig door een
verbrandingsmotor wordt gedreven, houdt de akte van vergunning
bovendien in de gegevens, vermeld in het zesde lid onder II 1°. a tot
en met h, en onder III j tot en met l, alsmede eene omschrijving van
het stelsel van overbrenging van de drijfkracht.
6.Indien het trekvoertuig middellijk of
onmiddellijk door electriciteit wordt bewogen, houdt de akte van
vergunning bovendien in:
I. voor trekvoertuigen, welke eene
accumulatorenbatterij voor drijfkracht medevoeren:
a. den naam en de woonplaats
van den fabrikant, het jaar van aanbouw en het type der
accumulatorencellen;
b. het totaal aantal cellen,
waaruit de accumulatorenbatterij bestaat, benevens het aantal
regelcellen;
c. de normale ontlaadspanning
en de minimum toegelaten ontlaadspanning der
accumulatorenbatterij in volt;
d. de maximum toegelaten laad-
en ontlaadstroomen der accumulatorenbatterij in ampère;
e. de capaciteit der
accumulatorenbatterij in ampère-uren bij den in maximum
toegelaten ontlaadstroom;
f. de gegevens, vermeld onder
IIIc tot en met l.
II. Voor trekvoertuigen, welke een
verbrandingsmotor gekoppeld met een electrischen generator voor
drijfkracht medevoeren:
1°. voor zoover het den
verbrandingsmotor met toebehooren betreft;
a. den naam en de woonplaats
van den fabrikant, benevens het jaar van aanbouw;
b. eene omschrijving van het
stelsel;
c. eene opgave van de
constructiehoofdmaten, bij cylindermotoren de
cylindermiddellijn en de lengte van den zuigerslag;
d. eene opgave van het aantal
omwentelingen per minuut;
e. eene opgave van het
vermogen van den verbrandingsmotor in effectieve
paardekrachten;
f. eene omschrijving van het
stelsel der koelinrichting (radiator) en eene opgave van het
aantal vierkante meters koeloppervlak per paardekracht;
g. een opgave van het stelsel
van de brandstoftoevoer;
h. eene opgave van den inhoud
van het vat, waarin de vloeibare brandstof wordt medegevoerd
en van de wijze, waarop dit vat wordt gevuld en afgetapt;
i. eene omschrijving van de
koppeling van den verbrandingsmotor aan den electrischen
generator;
2°. voor zoover het den
electrischen generator betreft:
j. den naam en de woonplaats
van den fabrikant, benevens het jaar van aanbouw;
k. eene opgave van het aantal
omwentelingen per minuut, van de normale bedrijfsspanning in
volt en van het vermogen in kilowatt;
l. eene opgave van de regel-
en meetinrichtingen;
m. de gegevens, vermeld onder
IIIc tot en met l.
III. Voor trekvoertuigen, welke
drijfkracht ontleenen aan eene electrische boven- of
ondergrondsche geleiding:
a. het aantal en stelsel der
stroomafnemers;
b. het aantal en stelsel der
spanningsveiligheden (bliksemafleiders);
c. den naam en de woonplaats
van den fabrikant, het type en aantal der aandrijvende
electromotoren, benevens het jaar van aanbouw;
d. de bedrijfsspanning in volt;
e. de normale
maximum-bedrijfsstroom in ampère;
f. het uurvermogen der
electromotoren in kilowatt;
g. het stelsel van overbrenging
van de motorassen op de drijfassen en de
overbrengingsverhouding;
h. het aantal en stelsel der
wagenschakelaars, benevens eene opgave van de schakelingen,
welke zij veroorloven tot stand te brengen;
i. het aantal en stelsel der
weerstanden, drijf- en stuurstroombeveiligingstoestellen en
nooduitschakelaars;
j. het aantal en stelsel der
remmiddelen;
k. het aantal en stelsel der
zandsstrooiinrichtingen;
l. het aantal en stelsel der
geluidseinmiddelen.
7.De akte van vergunning moet te allen
tijde ter inzage aanwezig zijn in een door een der rijksambtenaren,
belast met het toezicht op de spoorwegen, aan te wijzen werkplaats of
kantoor van de tramwegdienst, waaronder het trekvoertuig behoort.
B. Van trekvoertuigen, door stoomkracht
bewogen
Artikel 19. Voorschriften betreffende de
inrichting der trekvoertuigen, welke door stoomkracht worden bewogen
1.Elk trekvoertuig, dat door
stoomkracht wordt bewogen, moet voorzien zijn:
a. van een goed aansluitenden
aschbak, voorzien van eene of meer trekkleppen, die van de
standplaats van den machinist of, indien zich een tweede beambte
op het trekvoertuig bevindt, althans van die van dezen beambte,
kunnen worden bewogen; de bak moet zoodanig zijn ingericht, dat
bij geopende klep het uitvallen van brandende stoffen zooveel
mogelijk voorkomen wordt;
b. van eene inrichting om het
ontwijken van vonken en brandende stoffen uit den schoorsteen
zooveel mogelijk te voorkomen;
c. van twee van elkander
onafhankelijke voedingsinrichtingen, die elk voor zich voldoende
zijn om ruimschoots in de waterbehoefte van den ketel te voorzien,
en waarvan ten minste één niet door het werktuig wordt gedreven.
Elke dier voedingsinrichtingen moet aan den ketel verbonden zijn
door eene afsluitinrichting met klep en kraan.
2.De Minister kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verleenen.
Artikel 20. Voorschriften betreffende de
inrichting van de ketels der trekvoertuigen, welke door stoomkracht
worden bewogen
1.De ketel van elk door stoomkracht
bewogen trekvoertuig moet voorzien zijn:
a. van een met goed leesbaar
volgnummer gemerkten manometer, welke, rechtstreeks met de
stoomruimte van den ketel door eene waterhoudende pijp met
afsluitkraan verbonden, de drukking van den stoom duidelijk
aangeeft en welke ten minste twee kilogram per vierkanten
centimeter meer drukking kan aanwijzen dan de grootste toegelaten
werkelijke drukking, welke laatste op de wijzerplaat door een
duidelijk merk moet zijn aangewezen;
b. van eene gebogen afsluitbare
pijp met flens van veertig millimeter middellijn en vijf
millimeter dikte, om daaraan een contrôle-manometer te kunnen
verbinden:
c. van een waterpeilglas met
afsluit- en doorblaaskranen, en van ten minste twee proefkranen of
een tweede peilglas; de waterpeilglazen en de proefkranen moeten
van elkander onafhankelijk, dus niet aan dezelfde pijp aangebracht
zijn; de waterpeilglazen moeten bovendien, tenzij de Minister
hiervan ontheffing verleent, voorzien zijn van een schermkoker,
zoodanig ingericht, dat het waterpeil goed waarneembaar blijft;
d. van een zelfwerkend middel,
waardoor watergebrek in den ketel onafhankelijk van de bediening
wordt kenbaar gemaakt; als zoodanig kunnen dienen een of meer in
de hemelplaat van de vuurkist geschroefde doorboorde pluggen,
gevuld met een metaal, dat smelt, alvorens de plaat gevaarlijk
oververhit wordt; de kleinste doorsnede dezer vulling, die ten
minste eens per jaar vernieuwd moet worden, mag niet kleiner zijn
dan een halve vierkante centimeter;
e. van een spuikraan en van de
noodige waschgaten;
f. van ten minste twee
veiligheidskleppen, voldoende aan de bepalingen van artikel 21.
2.Zoowel de waterstand als de
stoomdrukking in den ketel moeten van de plaats van den machinist op
het trekvoertuig gemakkelijk kunnen worden waargenomen.
3.De toegelaten laagste waterstand
alsmede de toegelaten grootste stoomdrukking moeten zoodanig op den
ketel zijn aangegeven, dat zij van de plaats van den machinist op het
trekvoertuig zijn waar te nemen.
4.De toegelaten laagste waterstand is
ten minste honderd millimeter boven het hoogste punt van de vuurkist.
5.De stand van het peilglas moet
zoodanig zijn, dat het water daarin niet lager dan vijftig milimeter
beneden den toegelaten laagsten waterstand zichtbaar blijft.
6.Alle kranen aan den ketel, waarvan de
aanvoeropening grooter is dan dertig milimeter, moeten zoodanig zijn
ingericht, dat bij het breken van de pakking- of opsluitbouten de
pluggen niet weggeslingerd kunnen worden.
7.De steunschroefbouten, waarmede de
wanden van de vuurkist en van den ketel onderling verbonden zijn,
moeten over de lengte geheel of ten deele doorboord zijn.
8.Het gebruik van gegoten ijzer is voor
die deelen van den ketel, welke aan de stoomdrukking bloot staan,
verboden.
9.De Minister kan van het bepaalde in
het tweede en derde lid ontheffing verleenen.
Artikel 21. Veiligheidskleppen
1.De in artikel 20, eerste lid, letter
f , bedoelde veiligheidskleppen moeten zoodanig ingericht en op den
ketel of den stoomhouder geplaatst worden, dat zij, wanneer de ketel
in werking is, gemakkelijk onderzocht en gedurende den rit ontlast
kunnen worden.
2.Aantal, afmetingen, vorm en belasting
der veiligheidskleppen worden met inachtneming van de overige
bepalingen in dit artikel zoodanig gekozen, dat in den ketel geene
stoomdrukking kan ontstaan, welke de toe te laten grootste drukking,
bedoeld in artikel 23, tweede lid, letter g , met meer dan 5% daarvan
overschrijdt.
3.Behoudens het bepaalde in het vijfde
lid is de middellijn van de in het eerste lid bedoelde kleppen niet
kleiner te nemen dan die, berekend met de formule:
In deze formule is: d. de
klepmiddellijn in millimeters; p. de grootste toe te laten overdruk
van den stoom in kilogrammen per vierkanten centimeter; R. het
roosteroppervlak in vierkante meters.
4.Heeft een ketel meer dan twee
veiligheidskleppen, dan moet de som van de oppervlakten der
klepopeningen ten minste gelijk zijn aan de som van de oppervlakten,
die de openingen zouden moeten hebben, indien de ketel van slechts
twee kleppen ware voorzien.
5.De middellijn van elke klepopening
mag niet kleiner zijn dan dertig millimeter.
6.De veiligheidskleppen moeten met
vlakke randen op hare zittingen sluiten; de breedte van het draagvlak
mag ten hoogste het twintigste gedeelte van de middellijn der opening
bedragen, doch mag in geen geval grooter zijn dan drie millimeter.
Voor de toepassing van veiligheidskleppen van bijzondere constructie,
waarvan de kleppen met schuine randen op hare zittingen sluiten, kan
door de Minister vergunning worden verleend.
7.De kleppen moeten middellijk of
onmiddellijk door veeren worden belast; deze zijn zoodanig te maken,
dat de klep, alvorens de druk in den ketel den grootsten toegelaten
druk met een kilogram per vierkanten centimeter overschrijdt, ten
minste twee millimeter wordt gelicht. De kleppen moeten ten minste
drie millimeter gelicht kunnen worden en geborgd zijn tegen het
wegslingeren voor het geval, dat een veer mocht breken.
Artikel 22. Wijziging van de inrichting
van trekvoertuigen na de indienststelling
1.Wijzigingen van de inrichting van
trekvoertuigen behoeven de akkoordverklaring van den Minister, indien
de constructie naar zijn oordeel ten gevolge van die wijzigingen niet
meer zou overeenstemmen met die, op de in artikel 16 bedoelde
teekeningen en schakelschema's aangegeven.
2.Gewijzigde trekvoertuigen mogen niet
opnieuw in dienst gesteld worden, tenzij aan het bepaalde in het
eerste lid is voldaan en alvorens zij door de Minister zijn onderzocht
en geaccordeerd.
Artikel 23. Ingebruikneming van
stoomketels
1.Stoomketels op trekvoertuigen worden
niet in gebruik genomen dan na door de Minister te zijn onderzocht,
beproefd en geaccordeerd.
2.Voor zoover de hieronder bedoelde
gegevens niet vermeld zijn op de teekeningen, bedoeld in artikel 16,
zenden bestuurders van elken op een trekvoertuig in gebruik te nemen
ketel aan de Minister eene opgave, behelzende:
a. het dienstnummer, het
fabrieksnummer, den naam en de woonplaats van den fabrikant en het
jaar van aanbouw;
b. de materialen, waaruit de
verschillende onderdeelen van den ketel en van bijbehoorende,
onder druk te bezigen, toestellen zijn gemaakt, alsmede de eischen,
waaraan die materialen bij hunne keuring hebben voldaan;
c. de grootte van het verwarmd
oppervlak van den ketel, waaronder is te verstaan het oppervlak
der met vuur en onafgewerkte rookgassen in aanraking zijnde
wanden, voor zoover deze voor de verdamping van het water in den
ketel dienstbaar zijn, alsmede de grootte van het verwarmd
oppervlak der te bezigen voorwarmers, in aanraking met afgewerkten
stoom of met afgewerkte rookgassen;
d. de grootte van het verwarmd
oppervlak van den oververhitter, in aanraking met de niet
afgewerkte rookgassen;
e. de afmetingen van de
veiligheidskleppen en toebehooren;
f. de toestellen, dienende om het
waterpeil waar te nemen, die om het op de gevorderde hoogte te
houden en die, bestemd om watergebrek te verraden;
g. de gewenschte grootste
werkelijke drukking (overdrukking) in kilogrammen per vierkanten
centimeter;
h. ingeval de ketel elders dienst
heeft gedaan, den datum van eerste ingebruikneming en de
herstellingen, die hij in de laatste zes jaren heeft ondergaan.
Artikel 24. Beproeving en onderzoek van
stoomketels na de indienststelling
1.Behalve vóór de indienststelling
worden de stoomketels der trekvoertuigen door de Minister beproefd en
onderzocht:
a. telkenmale na het inwendig
onderzoek, bedoeld in het tweede lid van dit artikel;
b. na elke belangrijke herstelling;
c. uiterlijk drie jaren na de
voorafgaande beproeving;
d. wanneer de Minister zulks om
redenen van veiligheid noodig acht.
2.Ten hoogste acht jaren na de
indienststelling van een nieuwen stoomketel en daarna telkens na zes
jaren wordt de ketel door de Minister inwendig nagezien, nadat daartoe
alle vlampijpen zijn uitgenomen.
3.De Minister is bevoegd aan
bestuurders te vergunnen, dat eene, ingevolge het bepaalde in het
eerste lid onder c te verrichten beproeving wordt uitgesteld, alsmede,
dat voor een, ingevolge het bepaalde in het tweede lid in te stellen
onderzoek niet alle vlampijpen worden uitgenomen.
Artikel 25. Beproeving van stoomketels
1.De stoomketels worden in onbekleeden,
of, met goedvinden van de Minister, in bekleeden toestand beproefd.
2.De beproeving geschiedt met water op
eene werkelijke drukking, bedragende vijf kilogrammen per vierkanten
centimeter meer dan de gewenschte werkelijke stoomdrukking.
3.Zij duurt zoo lang als noodig is om
de verschillende deelen van den ketel behoorlijk te onderzoeken. De
proefdrukking moet direct worden gemeten met een proefmanometer, welks
aanwijzing van tijd tot tijd wordt onderzocht.
4.Bij gelegenheid van elke beproeving
wordt de juistheid van de belasting der veiligheidskleppen en van de
aanwijzing van den manometer nagegaan.
5.De uitkomst van eene beproeving is
onvoldoende, zoo eenig deel van den ketel eene nadeelige vervorming
heeft ondergaan, of zoo andere belangrijke gebreken aan den dag zijn
gekomen.
Artikel 26. Voorschriften voor het geval,
dat de beproeving of het onderzoek na de indienststelling onvoldoende
uitkomsten oplevert
1.Indien eenige beproeving of eenig
onderzoek na de indienststelling onvoldoende uitkomsten heeft
opgeleverd, mag de stoomketel niet weer in gebruik worden genomen, dan
nadat de door de Minister noodig geachte voorzieningen zijn
aangebracht.
2.Blijkt uit zoodanige beproeving of
zoodanig onderzoek, dat de stoomketel van een trekvoertuig niet meer
onder de vroeger toegelaten hoogste stoomdrukking veilig werken kan,
zoo wordt door de Minister aan bestuurders de keus gelaten de door den
Raad noodig geachte voorzieningen aan te brengen, of wel de ketel
voortaan met aanwending van eene op te geven lagere drukking te
gebruiken. In het laatste geval wordt de vroeger voor het
trekvoertuig, waarop de ketel gebruikt wordt, verleende akte van
vergunning door eene nieuwe vervangen.
Artikel 27. Register van
ketelbeproevingen
1.Van elke beproeving en van elk
onderzoek, als in de artikelen 23 en 24 bedoeld, wordt door den
daarmede belasten rijksambtenaar aanteekening gehouden in een
register, daartoe door bestuurders onder instemming van de Minister
aan te leggen.
2.In dat register wordt tevens
aanteekening gehouden van de wijzigingen en de belangrijke
herstellingen, die de ketel sedert de vorige beproeving heeft
ondergaan, en van zijnen toestand.
Artikel 28. Maatregelen bij
ketelbeproevingen door den tramwegdienst te nemen
Bij elke beproeving en bij elk inwendig
onderzoek in artikel 24 bedoeld van den stoomketel op een trekvoertuig
wordt door bestuurders zorg gedragen, dat:
a. de ketel, indien deze op het
trekvoertuig ter beproeving wordt aangeboden, geplaatst zij boven
een droogliggenden aschkuil, en in elk geval te bekwamer hoogte voor
het onderzoek;
b. de vuur- en rookkast en de pijpen
behoorlijk gereinigd en de aschbak, roosters, vuurbrug, enz.
verwijderd zijn.
C. Van trekvoertuigen, welke door andere
drijfkracht dan stoom worden bewogen
Artikel 29
1.Krachtvoertuigen door een of meer
electromotoren voortbewogen, zijn voorzien van:
a. inrichtingen die beveiligen
tegen te grote sterkte van de electrische stroom en inrichtingen
die beveiligen tegen overspanning tenzij deze laatste inrichtingen
elders zijn ondergebracht;
b. geleidende verbindingen tussen
de spoorstaven en alle delen van het krachtvoertuig, die, indien
zij tengevolge van breuk in de bovenleiding of door andere
oorzaken onder spanning zouden komen, gevaar opleveren.
2.Blanke stroomleidingen, verbindingen
met het onderstel uitgezonderd, mogen slechts worden gebruikt indien
zij onwrikbaar op isolatoren zijn bevestigd en buiten bereik van
onbevoegden zijn aangebracht.
Artikel 30. Aanvullende voorschriften
Bijaldien de bedrijfsspanning ten
opzichte van aarde hooger is dan 1200 volt kunnen de voorschriften van
artikel 29 voor elk geval in het bijzonder door de Minister worden
aangevuld.
Voorschriften betreffende de inrichting
van trekvoertuigen, gedreven door verbrandingsmotoren.
Artikel 30a
Bij trekvoertuigen, gedreven door een of
meer verbrandingsmotoren, moeten:
a. de vaten waarin de vloeibare
brandstof wordt medegevoerd en de leidingen voor deze vloeistof
zodanig ingericht zijn, dat daarin geen ongewilde overdruk kan
ontstaan en dat zij zoveel mogelijk gewaarborgd zijn tegen het
ontstaan van lekken;
b. de vulopeningen dezer vaten zich
buiten het voertuig bevinden, voorzover hiermede reizgers of post
vervoerd worden;
c. de ruimten, waarin deze vaten zijn
aangebracht, van het inwendige van het voertuig door dichte
onbrandbare wanden gescheiden zijn en met de buitenlucht op zodanige
wijze in gemeenschap staan, dat buiten de vaten geraakte vloeibare
brandstof of brandbare gassen aanstonds naar buiten worden
afgevoerd;
d. de leidingen voor de afvoer van
afgewerkte motorgassen, voorzover zij zich in de inwendige ruimte
van het trekvoertuig bevinden, ononderbroken en, waar zij gevaar
voor brand opleveren, geïsoleerd zijn en aan het einde buiten het
voertuig uitgerust met een inrichting waarin de afgewerkte gassen in
die mate worden afgekoeld, dat zij bij het verlaten van die
inrichting geen brand kunnen veroorzaken;
e. indien de voertuigen ingericht
zijn voor het vervoer van reizigers, de motoren geplaatst zijn in
door onbrandbare, of met een onbrandbare stof beklede, wanden
omgeven ruimten, die niet toegankelijk zijn voor de reizigers.
Artikel 31. Toepasselijkheid van
voorschriften voor rijtuigen en wagens op trekvoertuigen
Op trekvoertuigen, tevens ingericht voor
her vervoer van personen of (en) goederen, zijn mede van toepassing de
voorschriften, vervat in de artikelen 39, 42, 83 en 84.
Artikel 32. Ingebruikneming van
mechanische en electrische inrichtingen op trekvoertuigen, welke door
andere drijfkracht dan stoom worden bewogen
1.Mechanische en electrische
inrichtingen op trekvoertuigen, welke door andere drijfkracht dan
stoom worden bewogen, worden niet in gebruik genomen dan na door de
Minister te zijn onderzocht, beproefd en geaccordeerd.
2.Bestuurders zenden van elk zoodanig
trekvoertuig aan de Minister eene opgave behelzende:
a. de gegevens, vermeld in artikel
18, lid 5, 6, I, lid 6, II, of lid 6, III;
b. ingeval zoodanig trekvoertuig
elders dienst heeft gedaan, den datum van eerste ingebruikneming
en de herstellingen, die het in de laatste zes jaren heeft
ondergaan.
3.Indien de in artikel 16 bedoelde
teekeningen of schakelschema's niet voldoende duidelijk zijn, moeten
de door de Minister nader noodig geoordeelde detailteekeningen of
nader uitgewerkte schakelschema's worden overgelegd.
Artikel 33. Beproeving en onderzoek van
mechanische en electrische inrichtingen op trekvoertuigen, welke door
andere drijfkracht dan stoom worden bewogen, na de indienststelling
1.Behalve voor de indienststelling
worden de mechanische en electrische inrichtingen op trekvoertuigen,
welke door andere drijfkracht dan stoom worden bewogen, door de
Minister onderzocht en beproefd:
a. na elke belangrijke herstelling;
b. in elk geval om de drie jaren.
2.De Minister kan aan bestuurders
vergunnen, dat een ingevolge het bepaalde in het eerste lid onder a of
b te verrichten onderzoek of beproeving wordt uitgesteld.
Artikel 34. Beproeving van de electrische
inrichtingen
De beproeving van de electrische
inrichtingen van trekvoertuigen, welke middellijk of onmiddellijk door
electrische drijfkracht bewogen worden, omvat:
1°. eene beproeving van den
isolatieweerstand der geleidingen en electrische motoren,
schakelings-, regelings-, bedienings-, beveiligings- en
verlichtingstoestellen.
2°. eene beproeving van de
automatische hoofdstroomuitschakelaars.
De beproeving onder 1°. geschiedt met
eene spanning ten minste gelijk aan de bedrijfsspanning gedurende vijf
minuten tot en met eene bedrijfsspanning van 750 volt. Boven eene
bedrijfspanning van 750 volt geschiedt de beproeving met wisselstroom
gedurende vijf minuten en wel bij indienststelling met eene spanning
gelijk aan het drievoud der bedrijfsspanning en bij latere beproevingen
met eene spanning gelijk aan het anderhalfvoud der bedrijfsspanning een
en ander met uitzondering van de op het trekvoertuig aanwezige
laagspanningstoestellen en leidingen, die beproefd worden met de in het
bedrijf in deze toestellen en leidingen optredende maximum-spanning. Bij
de beproeving onder 2°. genoemd wordt nagegaan, of de automatische
hoofdstroomuitschakelaar op de juiste stroombelasting in werking treedt.
De proefspanningen en de proefstroombelastingen hierboven bedoeld worden
gemeten met nauwkeurigheids-, volt- of ampèremeters, welke op geregelde
tijden worden geijkt. De uitkomsten van eene beproeving zijn
onvoldoende, indien bij de beproeving blijkt van eenigen stroomovergang
op daarvoor niet bestemde deelen, de isolatie op eenige plaats is
doorgeslagen, de automatische hoofdstroomuitschakelaar niet op de juiste
stroombelasting in werking treedt of na het in werking treden de
onderbrekingsvlamboog blijft bestaan of zoo andere gebreken aan den dag
zijn gekomen.
Artikel 35. Voorschriften voor het geval,
dat de beproeving of het onderzoek van de mechanische en electrische
inrichtingen na de indienststelling onvoldoende uitkomsten oplevert
Indien eenige beproeving of eenig
onderzoek van de mechanische en electrische inrichtingen onvoldoende
uitkomsten heeft opgeleverd, mag het trekvoertuig niet in gebruik worden
gesteld, dan nadat de door de Minister noodig geoordeelde voorzieningen
zijn aangebracht.
Artikel 36. Register van beproevingen van
de mechanische en electrische inrichtingen
1.Van elke beproeving en van elk
onderzoek, als bedoeld in artikel 34, wordt door den daarmede belasten
rijksambtenaar aanteekening gehouden in een daartoe door bestuurders,
onder instemming van de Minister, aan te leggen register.
2.In dat register wordt tevens
aanteekening gehouden van de wijzigingen en belangrijke herstellingen,
welke de mechanische en electrische inrichtingen van het trekvoertuig
sedert de vorige beproeving hebben ondergaan, en van haar toestand.
Artikel 37. Maatregelen bij de beproeving
van de mechanische en electrische inrichtingen door bestuurders te nemen
Bij elke beproeving of onderzoek van de
mechanische en electrische inrichtingen van een trekvoertuig wordt door
bestuurders gezorgd:
a. dat het trekvoertuig geplaatst is
boven een droogliggenden werkkuil en in elk geval te bekwamer
hoogte;
b. dat het trekvoertuig in allen
deele in- en uitwendig behoorlijk gereinigd is;
c. dat alle voor het onderzoek of de
beproeving benoodigde hulpmiddelen en inrichtingen benevens
benoodigde hulpkrachten ter beschikking staan van den met het
onderzoek of de beproeving belasten rijksambtenaar.
Artikel 38. Gebruik van buitenlandsche
trekvoertuigen
1.Trekvoertuigen, behoorende aan
buitenlandsche spoorwegdiensten en bestemd om dienst te doen op een
baanvak, dat ten deele op Nederlandsch grondgebied, ten deele op dat
van een naburig Rijk gelegen is, mogen krachtens eene vergunning van
de Minister op het op Nederlandsch grondgebied gelegen gedeelte van
het baanvak gebruikt worden, zonder dat de bepalingen van dit
reglement het onderzoek en de beproeving van trekvoertuigen
betreffende worden toegepast, mits:
a. de trekvoertuigen, wat de
algemeene inrichting en de hoofdafmetingen aangaat, zonder gevaar
voor de veiligheid kunnen worden toegelaten, en
b. door bestuurders het bewijs
wordt geleverd, dat voor die trekvoertuigen voldaan is aan de
bepalingen dienaangaande in het naburige Rijk van kracht.
2.Door bestuurders moeten aan de
Minister aangaande de in het eerste lid bedoelde trekvoertuigen de
opgaven worden verstrekt, bedoeld in artikel 23, onderscheidenlijk
artikel 32, alsmede die, welke de Raad bovendien voor het toezicht
noodig oordeelt.
3.De Minister kan te allen tijde eene
vergunning, als in het eerste lid bedoeld, intrekken.
D. Van rijtuigen en wagens
Artikel 39. Voorschriften betreffende de
inrichting van rijtuigen en wagens
1.De rijtuigen en wagens moeten op
veeren rusten en onderling en met het trekvoertuig door veerkrachtige
koppelingen verbonden kunnen worden.
2.De balcons der rijtuigen moeten van
door de Minister goed te keuren beweegbare afsluitingen worden
voorzien.
3.De rijtuigen moeten voorzien zijn van
lampen. Het aantal, de lichtsterkte en de lichtbron behoeven de
instemming van de Minister.
4.De inrichtingen, die dienen voor
verwarming van de rijtuigen, behoeven de instemming van de Minister.
Artikel 40. Inzending van teekeningen van
rijtuigen en wagens
1.Alvorens rijtuigen of wagens aan te
schaffen of tijdelijk in het voertuigpark op te nemen, bieden
bestuurders aan den Minister volledig uitgewerkte algemeene
teekeningen van die voertuigen ter instemming aan.
2.Van rijtuigen en wagens, welke van
electrische inrichtingen zullen worden voorzien, moeten tevens
voldoend toegelichte schakelschema's dier inrichtingen ter instemming
worden overgelegd.
3.Bestuurders geven daarbij tevens op
welk aantal rijtuigen of wagens volgens de aangeboden teekeningen zal
worden aangeschaft of tijdelijk in het voertuigpark opgenomen. Voor
aanschaffing of tijdelijke opneming in het voertuigpark van een
grooter aantal wordt opnieuw instemming van de bovenbedoelde
teekeningen en schakelschema's vereischt.
4.Van elk rijtuig en van elken wagen,
bedoeld in het eerste of in het derde lid, zenden bestuurders vóór
de indienststelling aan de Minister eene opgaaf omtrent het door
weging gevonden gewicht van het voertuig in onbeladen toestand.
Artikel 41. Eischen, waaraan electrische
inrichtingen en leidingen aan, op of in rijtuigen en wagens moeten
voldoen
Electrische inrichtingen en leidingen
aan, op of in rijtuigen en wagens moeten aan dezelfde eischen voldoen
als aan die inrichtingen en leidingen aan, op of in trekvoertuigen
gesteld, met name in artikel 29 en artikel 34.
Artikel 42. Indienststelling van
rijtuigen en wagens. Vaststelling maximum-belasting
1.Rijtuigen en wagens worden niet in
dienst gesteld, voordat zij door de Minister zijn onderzocht en
geaccordeerd, en voordat door of van wege dezen Raad eene
schriftelijke vergunning tot ingebruikneming is uitgereikt.
2.Bij die akkoordverklaring wordt door
de Minister voor de rijtuigen het maximum-aantal personen, dat in elk
rijtuig of elke afdeeling en op elk balcon mag worden vervoerd, en
voor de wagens het draagvermogen vastgesteld.
Artikel 43. Wijziging van de inrichting
van rijtuigen en wagens na de indienststelling
Wijzigingen van de inrichting van
rijtuigen en wagens behoeven de instemming van den Minister, indien de
constructie, naar het oordeel van de Minister, tengevolge van die
wijzigingen niet meer zou overeenstemmen met die, op de in artikel 40
bedoelde teekeningen en schakelschema's aangegeven.
Artikel 44. Gebruik van buitenlandsche
rijtuigen en wagens
1.Rijtuigen en wagens, behoorende aan
buitenlandsche spoorwegdiensten, mogen op tramwegen hier te lande voor
doorgaand vervoer worden gebruikt, zonder dat de bepalingen van dit
reglement, het onderzoek van rijtuigen en wagens betreffende, worden
toegepast, mits:
a. die rijtuigen en wagens, wat de
algemeene inrichting en hoofdafmetingen betreft, niet meer
afwijken van de voorschriften van dit reglement dan zonder bezwaar
voor de veiligheid op de tramwegen kan worden toegelaten;
b. het uiterlijk geen twijfel laat
aangaande de deugdelijkheid en den goeden staat van onderhoud van
het materieel;
c. de rijtuigen inwendig zindelijk
onderhouden en voor het gemak der reizigers niet minder goed
ingericht zijn dan op Nederlandsche tramwegen wordt geëischt.
2.Bestuurders zorgen, dat de algemeene
inrichting en de toestand van rijtuigen en wagens van buitenlandsche
spoorwegdiensten, die in een trein van hun dienst overgaan, vooraf
onderzocht worden, teneinde na te gaan, dat zij aan de eischen, in het
eerste lid gesteld, voldoen, en dat die rijtuigen en wagens niet in
den trein worden geplaatst, indien zij daaraan niet voldoen.
E. Bepalingen van algemeenen aard
Artikel 45. Onderhoud van het materieel
en onderzoek na de indienststelling
1.Het materieel moet voortdurend in
goeden staat van onderhoud worden gehouden.
2.Alle voertuigen moeten ten minste
eenmaal in de drie jaren, en voorts zoo dikwijls en zoodra de Minister
zulks noodig acht, worden gelicht en onderzocht, waarbij de assen,
potten en draagveeren worden verwijderd. De termijn van drie jaren
wordt gerekend van den dag, waarop het voertuig na het laatste
onderzoek is in dienst gesteld.
3.Bij het onderzoek van trekvoertuigen,
welke door stoomkracht worden bewogen, wordt de juistheid van de
belasting der veiligheidskleppen en van de aanwijzing van den
manometer nagegaan.
4.Bij het onderzoek van trekvoertuigen,
welke niet door stoomkracht bewogen worden, strekt het onderzoek zich
uit tot de aanwezige deelen onder artikel 34 genoemd en wordt
nagegaan, of de mechanische en electrische inrichtingen aan de daaraan
in dit artikel gestelde eischen voldoen.
Artikel 46. Verplichtingen van
bestuurders ten aanzien van onderzoekingen en beproevingen door de
Minister
Voor alle onderzoekingen en beproevingen
van rollend materieel of ketels, welke vóór of na de indienststelling
door de Minister geschieden, worden door bestuurders de noodige
hulpmiddelen, werktuigen en werklieden kosteloos beschikbaar gesteld.
Artikel 47. Rollend materieel van
bijzondere inrichting
1.Ten behoeve van rollend materieel van
bijzondere inrichting, of ten behoeve van bijzondere inrichtingen aan
dit materieel, in dit reglement niet voorzien, kunnen de bepalingen
van dit reglement door den Minister buiten toepassing verklaard en
door andere bepalingen vervangen worden.
2.De buiten toepassing verklaarde
bepalingen van dit reglement en de gestelde voorwaarden of nieuwe
bepalingen worden in de vergunning vermeld.
Artikel 48. Voorschriften betreffende de
wielen der voertuigen
1.De wielen van alle voertuigen moeten
spoorkransen hebben van voldoende afmetingen.
2.De Minister kan, voor een voertuig
met meer dan twee vaste assen, van het bepaalde in het eerste lid
ontheffing verleenen voor de wielen der assen, gelegen tusschen de
buitenste assen.
3.De breedte van de wielen aan den
omtrek moet zoo groot zijn, dat bij de grootst voorkomende speelruimte
en geheel naar eenen kant verschoven as, de buitenkant van het wiel
ten minste vijf en veertig millimeter voorbij den binnenkant van de
spoorstaaf reikt.
Artikel 49. Opschriften op het rollend
materieel
1.Op eene zichtbare plaats wordt
duidelijk aangegeven:
a. op alle voertuigen: de naam of
het merk van den tramwegdienst, het volgnummer, de datum van
indienststelling en die van de laatste lichting, de radstand en
het gewicht met en zonder wielen en assen;
b. op de rijtuigen: de klasse,
waartoe elk rijtuig of elke afdeeling behoort, zoo er althans
verschillende klassen zijn, alsmede in elk rijtuig of elke
rijtuigafdeeling en op elk balcon het door de Minister krachtens
artikel 42 vastgestelde maximum-aantal personen, dat zich daarin
of daarop mag bevinden;
c. op de wagens: het door de
Minister krachtens art. 42 vastgestelde draagvermogen.
2.Op de balcons en in de rijtuigen
moeten, indien de Minister zulks in het belang van de veiligheid der
reizigers bepaalt, waarschuwingen voor de reizigers tegen het
uitsteken van lichaamsdeelen buiten het rijtuigprofiel en tegen het op
eene gevaarlijke wijze verlaten van de rijtuigen worden aangebracht.
Artikel 50. Omgrenzingsprofiel
Alle voertuigen, die in het voertuigpark
van een tramwegdienst worden opgenomen, moeten blijven binnen het
omgrenzingsprofiel, dat door den Minister bestuurders gehoord, wordt
vastgesteld.
Artikel 51. Registers rollend materieel
1.Door bestuurders worden een of meer
registers aangelegd, waarin voor elk voertuig afzonderlijk de
herstellingen en de wijzigingen, alsmede de data van en de bevindingen
bij de in artikel 45 bedoelde onderzoekingen worden opgeteekend.
2.In die registers wordt bovendien van
elk trekvoertuig eene korte omschrijving opgenomen, benevens, zoo het
trekvoertuig door stoomkracht wordt bewogen, de data van en de
bevindingen bij de in de artikelen 23 en 24 bedoelde beproevingen en
onderzoekingen; zoo het trekvoertuig niet door stoomkracht bewogen
wordt, de data van en de bevindingen bij de in de artikelen 32 en 33
bedoelde beproevingen en onderzoekingen.
Artikel 52. Materieel van spoorwegen,
waarop dit reglement niet van toepassing is. Gebruik van materieel van
een tramweg op een anderen tramweg
1.Rollend materieel van spoorwegen,
waarop dit reglement niet van toepassing is, mag op de onder dit
reglement vallende tramwegen niet gebruikt worden dan met voorafgaande
instemming van de Minister en met inachtneming van de daarbij te
stellen voorwaarden.
2.Rollend materieel van een onder dit
reglement vallenden tramweg mag op een anderen tramweg worden
gebruikt, tenzij dit gebruik door de Minister verboden wordt.
Afdeeling III. Van de treinen
Artikel 53. Plaatsing van de
trekvoertuigen in de treinen; plaats van den wagenvoerder
1.Het trekvoertuig wordt steeds aan het
hoofd van den trein geplaatst; bij electrische trekkracht moet de
wagenvoerder den trein van het voorste balcon van het voorste voertuig
af of van eene daarmede gelijk te stellen plaats besturen.
2.Wanneer de snelheid niet grooter is
dan tien K. M. per uur en het in de richting der beweging zich
bevindende voorste voertuig aan de voorzijde goed wordt bewaakt, is
het duwen van treinen toegelaten en mag bij electrische trekkracht de
wagenvoerder den trein van eene andere plaats, dan in het eerste lid
is voorgeschreven, besturen.
3.Meer dan twee trekvoertuigen mogen
zich niet in een trein bevinden. Zij vormen steeds de eerste twee
voertuigen. De machinist of wagenvoerder van het voorste trekvoertuig
geeft de noodige seinen.
4.De Minister kan bij electrische
trekkracht, bij trekkracht van een verbrandingsmotor en in bijzondere
gevallen ook bij stoom als trekkracht ontheffing van het bepaalde in
de eerste drie leden verleenen.
Artikel 54. Treinbeambten,
treininrichting en treinlengte
1.Op het trekvoertuig moeten twee
beambten aanwezig zijn indien geen inrichting aanwezig is die wanneer
hij niet voortdurend of met korte tussenpozen door de bestuurder wordt
bediend, het voertuig automatisch tot stilstand brengt;
2.In rijtuigen voor reizigersvervoer
hoeft tijdens de rit geen beambte aanwezig te zijn indien de rijtuigen
uitgerust zijn met een noodrem, aangebracht op een goed zichtbare en
bereikbare plaats.
3.Het totaal aantal wielassen van een
trein mag niet meer dan zestig bedragen. De Minister kan een hoger
maximum aantal assen toestaan of een lager maximum aantal assen
voorschrijven.
Artikel 55. Remmen
1.Voor treinen, waarmede uitsluitend
reizigers en de bij hen behoorende bagage worden vervoerd, is het
gebruik van zelfwerkend doorgaand remwerk, werkende op ten minste de
helft van het aantal voertuigassen, verplicht:
a. bij een grootste snelheid van 20
K.M. per uur, zoodra de trein bestaat uit meer dan 18
voertuigassen;
b. bij een grootste snelheid van 35
K.M. per uur, zoodra de trein bestaat uit meer dan 10
voertuigassen.
Bij grootere snelheid dan 35 K.M. per
uur moet de doorgaande rem op alle voertuigassen werken.
2.Voor treinen, waarmede zoowel
reizigers en bagage als goederen worden vervoerd, moet de beremming
ten minste zijn als volgt:
|
grootste snelheid in K.M. per uur: |
aantal beremde voertuigassen: |
|
tot en met 20 km |
de helft van het aantal
voertuigassen
boven de 18 assen;
|
|
van 21 tot en met 35 km |
de helft van het aantal
voertuigassen
boven de 10 assen;
|
|
meer dan 35 km |
alle voertuigassen. |
3.Voor treinen, waarmede geene
reizigers worden vervoerd, moeten zooveel voertuigassen beremd
worden als in den volgenden staat is aangegeven:
|
grootste snelheid in K.M. per uur: |
van het totaal aantal voertuigassen
moet beremd zijn: |
|
tot en met 20 km |
1/10 met een minimum van 2
voertuigassen; |
|
van 21 tot en met 45 km |
1/2 met een minimum van 2
voertuigassen; |
|
meer dan 45 km |
alle voertuigassen. |
4.Bij toepassing van het
remvoorschrift, gegeven in het tweede en derde lid, wordt van ledige
wagens elke as slechts voor een halve as in rekening gebracht. Het
bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op treinen, waarvan
de snelheid die van 10 K.M. per uur niet overschrijdt.
5.Bij toepassing van een stelsel van
zelfwerkend doorgaand remwerk behoeft dit de instemming van de
Minister; het remwerk moet zoodanig zijn ingericht, dat de rem
zoowel op het trekvoertuig als op elk rijtuig, waarvan de assen
moeten worden beremd, in werking kan worden gebracht.
6.De rem van alle in voor reizigers
bestemde treinen aanwezige voertuigen, die van zelfwerkend doorgaand
remwerk zijn voorzien, moet zich in dienstvaardigen staat bevinden;
kan hieraan in bijzondere gevallen voor een rijtuig niet worden
voldaan, dan moet dit rijtuig buiten dienst worden medegenomen.
7.Bij treinen, welke over hellingen
sterker dan 1 op 50 met een hoogteverschil van drie meter of meer
worden vervoerd, moet het achterste voertuig van een bediend
remtoestel zijn voorzien.
8.De Minister kan van de bepalingen
in dit artikel ontheffing verleenen en is bevoegd de doorgaande rem
voor alle treinen voor reizigersvervoer op een tramweg verplicht te
stellen, zelfs al bedraagt de grootste toegelaten snelheid niet meer
dan 20 K.M. per uur, alsmede om voor gemengde en goederentreinen
eene krachtiger beremming, dan volgens het tweede en derde lid
geëischt wordt, voor te schrijven, indien zulks met het oog op het
lengteprofiel van den tramweg, de ligging van dezen ten opzichte van
bestaande wegen voor openbaar verkeer, de opeenvolging van de
treinen of andere omstandigheden wenschelijk mocht blijken.
9.Bij toepassing van de hierboven
gegeven voorschriften worden ter berekening van het aantal
voertuigassen, dat in den trein aanwezig is, de assen van het
trekvoertuig medegeteld, met dien verstande, dat voor meerassige
door stoomkracht bewogen trekvoertuigen niet meer dan twee assen
berekend mogen worden.
Artikel 56. Snelheid
1.De Minister stelt voor elken tramweg
de grootste toegelaten snelheid van vervoer vast. De snelheid,
waarmede de treinen worden vervoerd, mag de grootste toegelaten
snelheid niet overschrijden.
2.Ten aanzien van die baangedeelten,
waar de Minister zulks in het belang van het veilig verkeer over den
tramweg, gedeputeerde staten van de betrokken provincie en bestuurders
gehoord, bepaalt, moet:
a. eene beneden de in het eerste
lid bedoelde grens liggende, en door hem te bepalen
maximum-snelheid in acht worden genomen;
b. elke trein op de daarbij door
hem bepaalde punten van dat baangedeelte tot stilstand worden
gebracht en niet weder in beweging worden gebracht, vóórdat een
beambte van den tramwegdienst zich heeft overtuigd, dat het
aangrenzende baangedeelte veilig berijdbaar is;
c. een beambte van den
tramwegdienst gedurende het berijden van dat baangedeelte vóór
den trein uitgaan;
d. een beambte van den
tramwegdienst gedurende het berijden van dat baangedeelte het
publiek met behulp van door de Minister aan te wijzen seinmiddelen
op de komst van den trein opmerkzaam maken.
Artikel 57 [Vervallen per 26-03-1984]
Artikel 58. Nazien van de treinen
Bestuurders zorgen, dat elke trein,
voordat hij het station, waar hij is samengesteld, verlaat, geheel wordt
nagezien, waarbij er in het bijzonder op moet worden gelet, dat:
a. de voertuigen geene gebreken
vertoonen, die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen
opleveren;
b. het trekvoertuig en de andere
voertuigen onderling goed gekoppeld zijn, hieronder mede gerekend
alle gevorderde koppelingen voor doorgaande rem, electrische drijf-,
rem-, stuur- of lichtstroom, enz.
c. de gevorderde seinmiddelen
aanwezig en zoo noodig aangebracht zijn;
d. voor zoover de trein met doorgaand
remwerk is uitgerust en het stelsel van de reminrichting eene
beproeving bij stilstaanden trein toelaat, dit goed werkt.
Artikel 59. Verplichtingen van de
machinist of de wagenvoerder bij het voeren van een trein
De machinist of de wagenvoerder is
verplicht - in het bijzonder wanneer de trein zich bevindt op een voor
het openbaar verkeer openstaande weg, alsmede bij de nadering van een
niet beveiligde overweg, een niet beveiligd overpad of een andere niet
beveiligde tramwegovergang, dan wel van een gedeelte van de tramweg dat
in een voor het openbaar verkeer openstaande weg is gelegen -
waarschuwingsseinen te geven, de snelheid tijdig te verminderen of de
trein tot stilstand te brengen, wanneer de veiligheid van het verkeer
zulks vordert.
Artikel 60. Wijze van rijden bij dubbel
spoor
Waar dubbel spoor ligt, wordt onder
gewone omstandigheden tusschen de stations en halten het ten opzichte
van de richting van beweging rechts liggende spoor bereden. Bij
werktreinen, bij hulptreinen, bij ongevallen en bij andere buitengewone
omstandigheden kan onder verantwoordelijkheid van den beambte, die zulks
beveelt, van dezen regel worden afgeweken.
Artikel 61. Afstand tusschen
opeenvolgende treinen
Een trein mag een andere trein volgen als
de afstand tussen beide treinen tenminste zodanig is dat een trein
daarbinnen tot stilstand kan worden gebracht.
Artikel 62. Toezicht op trekvoertuigen in
dienstvaardigen staat
1.Trekvoertuigen in dienstvaardigen
staat staan voortdurend onder behoorlijk toezicht.
2.Van alle in dienstvaardigen staat
stilstaande trekvoertuigen moet het handel of de gangkruk in den
ruststand zijn gesteld en bij trekvoertuigen, welke hun drijfkracht
aan stoom ontleenen, de stoom zijn afgesloten, de cylinderkranen open
en de remmen vast staan.
Artikel 63. Rangeerende treinen
De bepalingen omtrent de treinen, vervat
in de artikelen 9, 53 onder 1 en 2, 54, 55, 57 en 61 zijn niet van
toepassing op rangeerende treinen.
Artikel 64. Maximum-belasting
Bestuurders zorgen, dat:
a. met de rijtuigen niet meer
personen vervoerd worden dan krachtens artikel 42 in elk rijtuig of
in elke afdeeling en op elk balcon mogen worden vervoerd;
b. de wagens niet beladen worden
boven het draagvermogen, krachtens artikel 42 vastgesteld.
Artikel 65. Verlichting en verwarming
1.De rijtuigen zijn gedurende den tijd,
dat zij ten dienste van het publiek gebruikt worden:
a. des nachts behoorlijk verlicht;
b. van 1 November tot 1 April
behoorlijk verwarmd.
2.De Minister kan van de verplichting
tot verwarming ontheffing verleenen.
Artikel 66. Voorschriften betreffende
treinen, geheel bestaande uit materieel van spoorwegen, voor welke geldt
de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67)
1.Treinen, geheel bestaande uit
materiëel van spoorwegen, voor welke de spoorwegwet geldt, daaronder
begrepen de locaalspoorwegen blijven enz.
2.De Minister kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verleenen.
Afdeeling IV. Bepalingen van
verschillenden aard
Artikel 67. Eischen aan de beambten te
stellen. Ontslag van ongeschikte beambten
Alle beambten, wier werkzaamheden op de
veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, moeten kunnen lezen
en schrijven alsmede een voldoend gehoorvermogen en een voldoende
gezichtsvermogen bezitten, voor zoover zulks voor de behoorlijke
uitoefening van hun dienst wordt vereischt.
Artikel 68. Bijzondere bepalingen voor
den machinist of den wagenvoerder
1.De machinist of de wagenvoerder moet
geheel bekend zijn met de inrichting van het trekvoertuig, met die der
andere voertuigen en met het gebruik van de verschillende toestellen,
handels, enz. op het trekvoertuig. Hij moet bovendien kleine
herstellingen aan het materieel kunnen uitvoeren.
2.Hij mag eerst indien hij ten minste
19 jaar oud is worden belast met het besturen van een trekvoertuig in
de rangeerdienst of van een trein waarmede uitsluitend goederen worden
vervoerd en eerst indien hij ten minste 21 jaar oud is met het
besturen van een trein waarmede reizigers worden vervoerd.
Artikel 69. Gebruik van dienstvoertuigen
Dienstvoertuigen al of niet door
mechanische kracht bewogen mogen op den tramweg slechts gebruikt worden
onder verantwoordelijkheid van een begeleidenden beambte en zoodanig,
dat het veilig en regelmatig verkeer over den tramweg daarvan geen
nadeel ondervindt.
Artikel 70. Buitengewone omstandigheden
en ongevallen
1.Indien zich gedurende den rit feiten
of omstandigheden voordoen, waardoor de veiligheid van het verkeer
over den tramweg in gevaar kan worden gebracht, geeft de beambte, aan
wien de leiding van den trein is opgedragen, zoo spoedig mogelijk
daarvan kennis aan den beambte van het meest nabij gelegen station.
2.Bij ongevallen neemt eerstgenoemde
beambte de noodige maatregelen tot beveiliging van den trein.
Artikel 71. Hulp bij ongevallen
Bestuurders moeten ten genoegen van de
Minister de noodige maatregelen nemen, waardoor wordt verzekerd, dat bij
een ongeval spoedig hulp kan worden verleend en zoo noodig de weg
ontruimd en hersteld.
Artikel 72. Kennisgeving van ongevallen
1.Van alle feiten, die de veiligheid
van het verkeer over den tramweg in gevaar hebben gebracht, ook dan
wanneer daaruit geenerlei noodlottige gevolgen zijn ontstaan, alsmede
van alle ongevallen, waarbij personen worden gedood of verwond, geven
bestuurders zoo spoedig mogelijk schriftelijk kennis aan een der
rijksambtenaren, belast met het toezicht op de spoorwegen.
2.Bij ernstige ongevallen wordt
bovendien na het onderzoek door bestuurders een verslag, waarin
zooveel mogelijk de oorzaken van het ongeval zijn vermeld, aan de
Minister en aan den bovenbedoelden rijksambtenaar toegezonden.
3.Zo het voorval de dood of de
verwonding, anders dan van lichte aard, van één of meer personen
tengevolge heeft gehad, geschiedt de in het eerste lid bedoelde
kennisgeving telegrafisch of telefonisch en wordt van het gebeurde
door bestuurders onmiddellijk telefonisch bericht gegeven aan de
burgemeester der gemeente, in welke het ongeval heeft plaatsgehad, en
aan de Officier van Justitie bij de rechtbank, onder welke die
gemeente ressorteert. Tot lijkschouwing zal slechts in overleg met de
laatstgenoemde ambtenaar mogen worden overgegaan.
Afdeeling V. Dienst- en rusttijden
Artikel 73. Verklaring van in deze
afdeeling gebezigde uitdrukkingen
In deze afdeeling wordt verstaan:
A. onder "beambten" alle
personen, die bij eene tramwegonderneming in dienst zijn, met
uitzondering van de personen, op wier arbeid van toepassing zijn de
hoofdstukken IV en V der "Arbeidswet 1919" en van hen, te
wier aanzien de Minister verklaart, dat aan toepasselijkheid van
deze afdeeling geen behoefte bestaat;
B. onder "diensttijd" de
tijdruimte, gelegen tusschen twee onafgebroken rusttijden en (of)
rustdagen, als genoemd in de artikelen 75 en 76, na aftrek van de
daarin gelegen rusttijden. Deze aftrek wordt niet toegelaten:
voor rusttijden van minder dan een
half uur;
voor rusttijden, gelegen tusschen
negen uur namiddag en negen uur voormiddag;
voor rusttijden, welke niet op
dienstrooster aangegeven, bij algemeene aanschrijving geregeld of op
andere wijze vóór den aanvang van de dienstindeeling vastgesteld
zijn;
voor rusttijden van ander dan
onderhoudspersoneel, welke niet op de standplaats genoten kunnen
worden;
C. onder "rusttijd" of
"rustdag" de tijdruimte, waarin de beambte geheel vrij is
van elke bemoeienis met den tramweg;
D. onder "week" de
kalenderweek;
E. onder "standplaats" de
plaats of plaatsen, waar zich bevindt het kantoor, de werkplaats,
het station, de halte of de post, het baanvak of het
locomotiefdepot, waarbij het personeel is ingedeeld;
F. onder "jeugdige
personen" beambten beneden 18 jaar.
Artikel 74. Diensttijden
1.Een diensttijd mag twee malen in een
tijdvak van twee (2) achtereenvolgende weken meer dan twaalf (12) doch
niet meer dan veertien (14) uren bedragen en de overige malen niet
meer dan twaalf (12) uren.
2.De gezamenlijke duur van diensttijden
en gedeelten van diensttijden mag per twee (2) achtereenvolgende weken
niet meer bedragen dan:
a. voor machinisten en
wagenvoerders honderd veertien (114) uren;
b. voor niet onder a vallende
treinbeambten honderd twintig (120) uren;
c. voor beambten, die naar het
oordeel van de Minister uitsluitend of in hoofdzaak belast zijn
met bewakingsdiensten honderd vier en veertig (144) uren;
d. voor beambten, werkzaam in
werkplaatsen, hieronder begrepen die, welke zijn belast met
dagelijksch onderhoud van rollend materieel, zoo in als buiten die
werkplaatsen, honderd (100) uren;
e. voor beambten, werkzaam in
remises, hieronder begrepen poetsers van rijtuigen, zoo in als
buiten die remises, honderd twintig (120) uren;
f. voor het overig personeel
honderd acht en twintig (128) uren.
3.Met betrekking tot het afwisselend
verrichten van werkzaamheden, waarvoor verschillende
maximum-diensttijden zijn vastgesteld, geldt het volgende:
a. wanneer in den loop van twee (2)
achtereenvolgende weken diensten worden verricht, waarvoor
verschillende maximum-diensttijden zijn vastgesteld, zal het voor
den betrokkene in den regel geldend maximum per twee (2)
achtereenvolgende weken worden verhoogd of verlaagd met zooveel
maal het verschil tusschen de maxima der desbetreffende gemiddelde
diensttijden per dag, als het aantal dagen bedraagt, dat door hem
volledig dienst wordt gedaan voor het verrichten van
werkzaamheden, waarvoor een hooger of lager maximum in twee (2)
achtereenvolgende weken is vastgesteld;
b. onder maximum van den
gemiddelden diensttijd wordt verstaan het cijfer, dat verkregen
wordt door het maximum, voor twee (2) achtereenvolgende weken
vastgesteld, door twaalf (12) te deelen;
c. worden in één diensttijd
werkzaamheden verricht, waarvoor verschillende
maximum-diensttijden zijn vastgesteld, dan wordt dat maximum
toegepast, hetwelk van toepassing is op die werkzaamheden, die
meer dan den halven diensttijd in beslag nemen. Ingeval geene der
verschillende werkzaamheden meer dan den halven diensttijd
beslaan, gelden de bepalingen, waaronder de betrokkene in den
regel werkzaam is.
4.Voor de door den Minister aan te
wijzen beambten mag intusschen de diensttijd en de gezamenlijke duur
van de diensttijden of gedeelten van diensttijden per twee (2)
achtereenvolgende weken niet meer bedragen dan een door den Minister
te bepalen aantal uren, hetwelk lager - doch ten hoogste vier (4) uren
voorzooveel betreft den diensttijd en ten hoogste achttien (18) uren
voorzooveel betreft den gezamenlijken duur per twee (2) weken - is dan
voor die beambten ingevolge het eerste en het tweede lid zou gelden.
Artikel 74bis. Nachtdienst
Behalve wanneer en voor zoover de
Minister in bepaalde gevallen vergunning heeft gegeven, mogen
a. voor de beambten, genoemd in
artikel 74, tweede lid, letter d , in een tijdvak van drie (3)
achtereenvolgende weken niet meer dan twaalf (12) diensttijden
geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in de tijdruimte tusschen twaalf
(12) uur des nachts en zes (6) uur des voormiddags;
b. voor de beambten, genoemd in
artikel 74, tweede lid, letter e , in een tijdvak van drie (3)
achtereenvolgende weken niet meer dan twaalf (12) diensttijden
geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in de tijdruimte tusschen twaalf
(12) uur des nachts en vier (4) uur des voormiddags.
Artikel 75. Rusttijden en -poozen
1.Aan de beambten moet in een tijdvak
van twee (2) achtereenvolgende weken tusschen twee opeenvolgende
diensttijden twee malen een onafgebroken rusttijd van ten minste tien
(10) uren en de overige malen een van ten minste twaalf (12) uren
worden gegeven.
2.Op de door den Minister, bestuurders
gehoord, te bepalen stations, halten, baanvakken of posten kan
voorwaardelijk of onvoorwaardelijk voor de door hem aan te wijzen
beambten die onafgebroken rusttijd tot ten minste tien (10) uren
worden beperkt.
3.Tusschen twee onafgebroken rusttijden
en (of) rustdagen, als in dit artikel en in het volgende genoemd, mag
geene grootere tijdruimte dan veertien (14) uren gelegen zijn.
4.Aan de beambten moeten boven de in
het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde rusttijden gedurende
den diensttijd de noodige korte rustpoozen voor het gebruiken van de
maaltijden worden toegestaan.
Artikel 75a. Dienst doen van jeugdige
personen
1.Jeugdige personen mogen tussen 18.00
en 7.00 uur geen dienst doen.
2.In afwijking van het bepaalde in
artikel 75, eerste en tweede lid, moet aan jeugdige personen tussen
twee opeenvolgende diensttijden een onafgebroken rusttijd van
tenminste twaalf uren worden gegeven.
3.Voor jeugdige personen geldt een
dagelijkse arbeidstijd van ten hoogste acht uur.
4.Aan jeugdige personen moet na een
arbeidstijd van ten hoogste 4½ uur een ononderbroken rusttijd van
tenminste een half uur worden gegeven.
Artikel 76. Rustdagen en Zondagsrust
1.De beambten genieten elke week op hun
standplaats een rustdag, waarvan in een tijdvak van drie (3)
achtereenvolgende weken ten minste één moet omvatten den tijd
tusschen Zondag 2 uur voormiddag en Maandag 4 uur voormiddag.
2.De duur van elk dier rustdagen moet,
indien zij niet onafgebroken op elkander volgen, ten minste dertig
(30) uren bedragen; volgen eenige rustdagen elkander op, dan behoeft
de duur van den tweeden rustdag en van de volgende rustdagen niet meer
dan vier en twintig (24) uren te bedragen.
3.Voor beambten, behoorende tot een
Kerkgenootschap, dat den wekelijkschen rustdag niet op Zondag viert,
wordt, wanneer zij aan bestuurders hun verlangen daartoe kenbaar
hebben gemaakt, de Zondag als rustdag vervangen door den dag, die door
hun Kerkgenootschap als wekelijksche rustdag is aangenomen.
4.Jeugdige personen mogen op zaterdag
en zondag geen arbeid verrichten.
5.Indien op grond van artikel 77 van
het bepaalde in het vierde lid ontheffing is verleend geldt voor
jeugdige personen een wekelijkse rusttijd van tenminste 60 uren of
twee ononderbroken rusttijden van elk tenminste 36 uren, met dien
verstande dat die rusttijd van tenminste 60 uren of een van die
rusttijden van tenminste 36 uren een volle zaterdag of zondag omvat.
Artikel 77. Ontheffingen
De Minister kan van de bepalingen van de
artikelen 74, 74bis, 75, 75a, eerste en vierde lid, 76, eerste tot en
met vierde lid, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing verlenen.
Artikel 78. Dienstroosters en
dienstregisters
1.De dienst- en rusttijden der
beambten, behalve voor personen, werkzaam op treinen of op
trekvoertuigen, voor wie registers als genoemd in het derde lid worden
bijgehouden, worden, voor zoover deze niet bij algemeene aanschrijving
zijn geregeld, opgenomen in dienstroosters, waarin achter den naam van
elk hunner melding gemaakt wordt van de strekking, de dagteekening en
het nummer der hem betreffende beschikkingen van den Minister
krachtens artikel 73, onder A., 74, vierde lid, 75, tweede lid en
artikel 77 genomen. De dienst- en rusttijden van het reserve-personeel,
zoomede van hen, belast met de aflossing bij ziekte en verlof, worden
aangeteekend op daarvoor door de Minister vast te stellen modellen.
2.Aan elk station, elke halte, elken
post, elk kantoor, elke remise of werkplaats, worden de
dienstroosters, voor zoover die krachtens het in het eerste lid
bepaalde worden vereischt binnen vier (4) weken na het in werking
treden van eene nieuwe dienstregeling op eene zichtbare plaats
opgehangen. De Minister kan van deze bepaling ontheffing verleenen.
3.Door bestuurders worden registers
aangelegd en geregeld bijgehouden ter plaatse door de Minister te
bepalen, waarin voor elk persoon, werkzaam op treinen of op
trekvoertuigen, wordt aangeteekend tusschen welke tijdstippen hij
dagelijks dienst heeft gedaan. De registers worden ingericht naar een
model, dat door den Minister, bestuurders gehoord, wordt vastgesteld.
De Minister kan van deze bepaling ontheffing verleenen. Aan de leden
van de Minister en de door deze aangewezen ambtenaren, wordt te allen
tijde op hun verlangen inzage van die registers verstrekt.
Artikel 79. Toegelaten afwijkingen
1.Van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 74, 75, eerste, tweede en derde lid, en 76 kan worden
afgeweken, wanneer dit in het belang van de behoorlijke uitoefening
van den dienst of van de veiligheid van het verkeer noodzakelijk is en
de afwijking niet door het nemen van andere maatregelen kan worden
voorkomen.
2.Door bestuurders wordt van elke
afwijking binnen acht (8) dagen mededeling gedaan aan de Minister.
Afdeeling VI. Maatregelen ter verzekering
van het ordelijk verkeer
Artikel 80. Toegang tot de treinen en
wachtlokalen
1.Het is een ieder, behoudens uit de
aard van zijn betrekking, verboden zich in of op een station of halte
dan wel in een trein in een zodanige toestand te bevinden of zich
zodanig te gedragen dat orde, rust, veiligheid of een goede
bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord.
2.Als verstoring van orde, rust,
veiligheid of een goede bedrijfsgang worden beschouwd:
a. gedragingen waardoor de
bediening en het gebruik van voorzieningen of van een trein dan
wel de taakuitoefening van het personeel van de bestuurders worden
verhinderd of belemmerd;
b. misbruik maken van voorzieningen
dan wel gebruik maken van voorzieningen of van een trein op een
tijdstip waarop deze niet voor gebruik beschikbaar zijn dan wel op
een andere wijze dan waarvoor deze bestemd zijn;
c. uit een trein werpen van stoffen
of van voorwerpen;
d. zich in kennelijke staat van
dronkenschap of onder kennelijke invloed van verdovende middelen
bevinden;
e. afsteken van vuurwerk, rumoer
maken dan wel op zodanige wijze geluid voortbrengen dat anderen
daarvan hinder ondervinden;
f. uitoefenen van beroep of
bedrijf;
g. tentoonstellen van voorwerpen,
maken van reclame of propaganda, verspreiden van drukwerken,
bedelen of houden van inzamelingen;
h. meenemen in een trein van
dieren, stoffen of voorwerpen die hinder, gevaar, verontreiniging
of beschadiging veroorzaken of kunnen veroorzaken;
i. roken in een trein, station of
halte, of gedeelten daarvan, ten aanzien waarvan de bestuurders
hebben aangegeven dat roken niet is toegestaan;
j. zich bevinden op een station of
halte op een tijdstip dat deze kenbaar gesloten zijn of op een
gedeelte van een station of halte dat kenbaar daartoe niet
toegankelijk is;
k. zich op een station of halte
begeven langs een andere dan de daarvoor bestemde weg;
l. op een andere wijze hinder,
gevaar, verontreiniging of beschadiging veroorzaken of kunnen
veroorzaken.
3.Het bepaalde in het eerste en tweede
lid is niet van toepassing voor zover de bestuurders daarvoor, met
inachtneming van de belangen van reizigers, toestemming hebben
gegeven.
Artikel 81
1.Een ieder is verplicht de
aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of goede
bedrijfsgang op te volgen, die door de bestuurders duidelijk kenbaar
zijn gemaakt.
2.Een aanwijzing om zich te
verwijderen, kan worden gegeven voor een bij de aanwijzing te bepalen
tijdsduur.
Artikel 82 [Vervallen per 31-07-1986]
Artikel 83 [Vervallen per 31-07-1986]
Artikel 84 [Vervallen per 31-07-1986]
Afdeeling VII. Bepalingen betreffende de
aankondiging van de opening en van de regeling van den dienst
Artikel 85. Aankondiging van de opening
en van de regeling van den dienst op den tramweg
1.Bestuurders zijn verplicht ten minste
acht dagen vóór de opening van den dienst op een tramweg:
a. aankondiging van de opening en
van de regeling van den dienst te doen in een of meer door de
Minister aan te wijzen bladen;
b. een afdruk of gewaarmerkt
afschrift van die aankondiging te zenden aan:
den Minister;
Gedeputeerde Staten der provinciën
en de besturen der gemeenten, door welke de tramweg loopt;
de officieren van justitie van het
arrondissement waarin deze gemeenten zijn gelegen.
2.De in het vorig lid bedoelde
aankondiging houdt in:
a. den naam en den zetel van de
tramwegonderneming en de namen der bestuurders;
b. het tijdstip, waarop de dienst
geopend zal worden;
c. de dienstregeling van de treinen
voor het reizigersvervoer, waarin alle plaatsen worden opgenomen,
waar de treinen geregeld stilhouden.
Artikel 86. Aankondiging en kennisgeving
van eene gewijzigde dienstregeling
1.Van elke gewijzigde dienstregeling
zenden bestuurders een afdruk of gewaarmerkt afschrift aan de Minister
en doen zij aankondiging in een of meer door de Minister aan te wijzen
bladen.
2.De in het eerste lid van dit artikel
bedoelde aankondiging en kennisgeving geschieden ten minste acht dagen
vóór het in werking treden van eene gewijzigde dienstregeling. Deze
aankondiging moet den datum van in werking treden der gewijzigde
dienstregeling bevatten en, indien zij de aangebrachte wijziging niet
volledig vermeldt, de plaats waar zij verkrijgbaar is.
3.Slechts wanneer bijzondere
omstandigheden de naleving van het bepaalde in het vorige lid
onmogelijk maken, mag deze aankondiging en kennisgeving,
laatstbedoelde onder vermelding van deze omstandigheden, later
geschieden en wel uiterlijk op den dag, waarop de dienstregeling in
werking treedt.
Artikel 87. Aankondiging van de
dienstregeling in de rijtuigen en wachtlokalen
1.Bestuurders zorgen bovendien, dat in
elk rijtuig en in elke rijtuigafdeeling, alsmede in of nabij elk
wachtlokaal, een afdruk van de geldende dienstregeling zoodanig, dat
daarvan gemakkelijk kan worden kennis genomen, is opgehangen of
aangeplakt.
2.De Minister kan van deze verplichting
voor de rijtuigen en rijtuigafdeelingen ontheffing verleenen. Iedere
conducteur moet in dat geval, terwijl hij als zoodanig dienst doet,
van eene dienstregeling voorzien zijn.
Afdeeling VIII. Bepalingen betreffende de
openbaarmaking van de tarieven
Artikel 88 [Vervallen per 31-07-1986]
Artikel 89 [Vervallen per 31-07-1986]
Afdeeling IX. Bepalingen betreffende de
beëdiging van de beambten
Artikel 90 [Vervallen per 31-07-1986]
Artikel 91 [Vervallen per 31-07-1986]
Afdeeling X. Slotbepalingen
Artikel 92. Verklaring van in dit
reglement gebezigde uitdrukkingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
Minister: de Minister, belast met de
uitvoering van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) en van de
Locaalspoor- en Tramwegwet;
bestuurders: bestuurders van den
tramwegdienst;
grootste toegelaten snelheid: de door den
Minister ingevolge artikel 56 van dit reglement voor elken tramweg
bepaalde grootste snelheid van vervoer;
trekvoertuig: het voertuig, waarvan de
bewegende kracht uitgaat, al of niet tevens voor het vervoer van
reizigers of (en) goederen ingericht;
machinist: de beambte, belast met de
bediening van een door stoomkracht bewogen trekvoertuig;
wagenvoerder: de beambte, belast met de
bediening van een door andere dan stoomkracht bewogen trekvoertuig;
trein: elk trekvoertuig in
dienstvaardigen staat met of zonder andere voertuigen;
rijtuig: elk voertuig, geheel of
gedeeltelijk ingericht voor het vervoer van reizigers;
wagen: elk voertuig, ingericht voor het
vervoer van bagage, goederen of levende dieren of ingericht als
postkantoor;
overweg: een gelijkvloerse kruising van
een tramweg en een weg;
nacht: de tijd tussen vijftien minuten na
zonsondergang en vijftien minuten vóór zonsopgang.
Artikel 93 [Vervallen per 06-06-1926]
Artikel 94 [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 95. Voorwaarden, welke aan
ontheffingen worden verbonden
1.Waar in dit reglement aan den
Minister de bevoegdheid is toegekend om ontheffing te verleenen van
bepalingen van dit reglement, kunnen aan die ontheffingen voorwaarden
worden verbonden.
2.Het niet naleven van de gestelde
voorwaarden staat gelijk met overtreding van de bepalingen, van welke
onder die voorwaarden ontheffing werd verleend.
Artikel 95a. Gewijzigde toepassing van
sommige artikelen van dit reglement
1.Ten aanzien van de tramwegen in
beheer bij de N.V. Nederlandse Spoorwegen wordt de toepassing van de
artikelen 1, 3, 4-6, 8, eerste tot en met vierde lid, 9, 12, 14, derde
lid, 15-27, 29, 30, 32, 33, 35, 36, 38-40, 42, 43, 45-50, 52-55, 59,
61, 65, 66, en 71, aldus gewijzigd, dat voor zooveel bij of volgens
een dezer bepalingen aan de Minister of één zijner ambtenaren eenige
bemoeienis is opgedragen, in de plaats hiervan de directie der
vennootschap daarmede is belast onder verplichting tot inachtneming
van door den Minister te geven voorschriften, en dat de toezending van
de opgaven, bedoeld in de artikelen 16, derde lid, 23, tweede lid, 32,
tweede lid, 38, tweede lid, en 40, vierde lid, achterwege kan blijven.
2.Ten aanzien van de tramwegen in
beheer bij de N.V. Gemengd Bedrijf Haagsche Tramweg Maatschappij wordt
de toepassing van de artikelen 1, 3, 4, 6, 8 , 16, 17, 18, 29, 30, 32,
33, 35, 36, 39, 40, 42, 43, 45-50 en 52, 53, 55, 65, 71, 87 , 88 en 90
aldus gewijzigd, dat voor zoveel bij of volgens een dezer bepalingen
aan de Minister of een zijner ambtenaren enige bemoeienis is
opgedragen, in de plaats hiervan de Directie der Vennootschap daarmede
is belast, onder verplichting tot inachtneming van door de Minister te
geven voorschriften, en dat de toezending van de opgaven, bedoeld in
de artikelen 16, derde lid, 32, tweede lid, en 40, vierde lid,
achterwege kan blijven.
Artikel 96. Toepasselijkheid van het
reglement op bestaande tramwegdiensten met andere dan stoomtrekkracht
Uiterlijk op 1 Mei 1921 moeten alle
electrische en mechanische inrichtingen, aan, op of in trekvoertuigen,
zoomede alle electrische inrichtingen aan, op of in rijtuigen en wagens
voldoen aan de voorschriften van dit reglement, tenzij door den Minister
van een dezer voorschriften tijdelijk ontheffing is verleend. In de
ontheffing wordt behalve de voorwaarden, waaronder zij wordt verleend,
tevens de termijn vermeld, waarvoor zij geldt.
Artikel 97. Toepasselijkheid van het
reglement op buitenlandsche tramwegondernemingen
Ten aanzien van buitenlandsche
tramwegondernemingen, welke haren dienst hier te lande uitoefenen,
kunnen door den Minister afwijkingen van dit reglement worden
toegestaan.
Artikel 98. Verkorte titel
Dit reglement kan worden aangehaald onder
den titel "Tramwegreglement".
Onze
Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit,
hetwelk in het Staatsblad geplaatst en in
afschrift aan den Raad van State medegedeeld zal worden.
's-Gravenhage, den 24sten Februari
1920
WILHELMINA
De Minister van
Waterstaat,
A.A.H.W. König Uitgegeven
den elfden Maart 1920
De Minister van Justitie,
Heemskerk
|