| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Loodsenwet
BEROEPSUITOEFENINGSVERORDENING
REGISTERLOODSEN
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 67, eerste lid, juncto 4,
eerste lid, en 15, tweede lid, van de Loodsenwet (Stb. 1988,
353);
Besluit:
Artikel I
De verordening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van
de Loodsenwet (Stb. 1988, 353), wordt als volgt vastgesteld:
Verordening inzake een goede beroepsuitoefening door registerloodsen
(Beroepsuitoefeningsverordening registerloodsen)
Artikel 1
1. Alvorens de registerloods enige dienst als registerloods mag
uitoefenen, dient deze de navolgende eed (belofte) af te leggen:
‘Ik zweer, (beloof), dat ik in de uitoefening van mijn diensten als
registerloods mij stipt zal gedragen naar de bestaande of nader uit te
vaardigen regels, verordeningen en nadere voorschriften betreffende
mijn beroepsuitoefening als registerloods en dat ik voorts als
registerloods zal handelen, zoals een goed registerloods schuldig is
te doen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (dat beloof ik)’.
2. Deze eed (belofte) wordt afgelegd in handen van de voorzitter
van de corporatie of diens plaatsvervanger, voor zover mogelijk direct
aansluitend op de ontvangst van de verklaring van inschrijving als
registerloods in het register.
3. De voorzitter of diens plaatsvervanger maakt van een afgelegde
eed (belofte) een proces-verbaal in tweevoud op, dat door hem en de
registerloods dient te worden ondertekend, waarvan een exemplaar
bestemd is voor betrokkene en een exemplaar ten bewijze van het
afleggen van de eed (belofte) voor de algemene raad van de corporatie.
Artikel 2
De registerloods dient zich in het openbaar zodanig te gedragen dat
het vertrouwen in het beroep van registerloods of in zijn eigen
beroepsuitoefening niet wordt geschaad.
Artikel 3
De registerloods moet vermijden enige verplichting aan te gaan die
zijn vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in
gevaar zou kunnen brengen.
Artikel 4
1. De registerloods dient er voor zorg te dragen dat hij zijn
beroepsuitoefening fit en uitgerust aanvangt.
2. De registerloods is verplicht zich op de hoogte te stellen van
al hetgeen voor het verlenen van zijn diensten noodzakelijk is.
3. De registerloods is verplicht bij de uitoefening van zijn
functie gebruik te maken van al hetgeen voor de navigatie van het
schip van belang is.
4. De registerloods dient bij de uitoefening van zijn functie
maatregelen te treffen om te voorkomen dat hij zichzelf of anderen in
gevaar brengt.
5. De algemene raad en het bestuur van de regionale
loodsencorporatie kunnen ten aanzien van het eerste tot en met vierde
lid nadere voorschriften geven.
Artikel 4a
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 27 van de
Scheepvaartverkeerswet is het de registerloods verboden zijn beroep
uit te oefenen na zodanig gebruik van alcohol of van enige andere stof
waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat het gebruik daarvan
- al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de
vaardigheid voor het uitoefenen van zijn taken en bevoegdheden als
genoemd in artikel 2 van de Loodsenwet op enigerlei wijze kan
verminderen.
2. Het bestuur van de regionale loodsencorporatie draagt zorg voor
passende voorzieningen en zonodig voor nadere voorschriften om, in het
geval er op grond van feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden
bestaat dat de registerloods het verbod als omschreven in het eerste
lid heeft overtreden of gaat overtreden, zoveel mogelijk te
verhinderen dat de registerloods gedurende de mogelijke invloed van de
betreffende stof of stoffen zijn beroep uitoefent.
3. Indien ten aanzien van de registerloods binnen een periode van
360 aaneengesloten dagen ten minste twee keer is opgetreden krachtens
het tweede lid kan het bestuur van de regionale loodsencorporatie, in
het geval er op grond van feiten of omstandigheden met betrekking tot
de registerloods een redelijk vermoeden bestaat dat de registerloods
het verbod als omschreven in het eerste lid zal kunnen overtreden,
bepalen dat de registerloods zijn diensten niet mag verlenen totdat
naar het oordeel van het bestuur is gebleken dat de grond voor dat
redelijk vermoeden heeft opgehouden te bestaan.
4. Bij de toepassing van het derde lid is het bestuur verplicht een
deskundige te raadplegen.
Artikel 5
1. De registerloods mag zijn medewerking niet verlenen bij het
doorvaren van een schip, dat nog niet op een gebruikelijke plaats is
ingeklaard, tenzij de daartoe bevoegde autoriteit hiertoe toestemming
heeft verleend of weeromstandigheden, dan wel bijzondere
omstandigheden hiertoe dwingen.
2. De registerloods mag geen schip naar zee loodsen, dat niet is
uitgeklaard, tenzij door de kapitein een deugdelijk bewijs van de
dienst der invoerrechten en accijnzen kan worden overgelegd ten
bewijze dat geen uitklaring is vereist.
3. De registerloods dient het voor hem bestemde gedeelte van het
uitklaringsbewijs in ontvangst te nemen.
Artikel 6
1. De registerloods dient in geval van een scheepsramp als bedoeld
in artikel 10, derde lid, van het Loodsplichtbesluit (Stb. 1988, 397),
waarbij hij betrokken is geweest het bestuur van de regionale
loodsencorporatie, waartoe hij behoort, een schriftelijke verklaring
inzake het gebeurde en zijn beroepsuitoefening daarbij te doen
toekomen en desgevraagd nader toe te lichten.
2. De registerloods dient op verzoek van het bestuur van de
regionale loodsencorporatie, waartoe hij behoort, een schriftelijke
verklaring inzake zijn beroepsuitoefening aan dat bestuur te doen
toekomen en desgevraagd nader toe te lichten.
3. Een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste en tweede
lid mag door het bestuur anders dan met toestemming van de betrokken
registerloods slechts worden gebruikt voor lering.
Artikel 7
De registerloods is verplicht tijdig, juist, en volledig te voldoen
aan de administratieve verplichtingen, volgens de nadere voorschriften
van het bestuur van de regionale loodsencorporatie, waartoe hij behoort.
Artikel 8
De registerloods dient bij de uitoefening van zijn beroep als
registerloods de door de algemene raad van de corporatie bepaalde
uniforme kleding te dragen.
Artikel 9
1. De registerloods is verplicht de hem door de algemene raad van
de corporatie, onderscheidenlijk door het bestuur van de regionale
loodsencorporatie, waartoe hij behoort, opgedragen taken ter
uitvoering van de artikelen 9, 13 en 15 van de Loodsenwet (Stb. 1988,
353) te verrichten met inachtneming van de door de algemene raad
onderscheidenlijk het bestuur gegeven nadere voorschriften en
richtlijnen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de door de algemene raad van de corporatie, onderscheidenlijk door het
bestuur van de regionale loodsencorporatie bepaalde of met derden
overeengekomen taken.
3. De in dit artikel bedoelde verplichtingen zijn beperkt tot die
taken, waarvoor specifieke loodsdeskundigheid is vereist.
Artikel 10
1. De registerloods, die krachtens het bepaalde in artikel 63,
eerste lid, van de Loodsenwet, in het register is ingeschreven en zijn
verzoek daartoe vergezeld heeft doen gaan van een door hem in tweevoud
ondertekende tekst van de eed (belofte), bedoeld in artikel 1, eerste
lid, heeft daarmee voldaan aan het bepaalde in artikel 1.
2. Voor de toepassing van artikel 1, derde lid, geldt de in het
eerste lid bedoelde schriftelijk afgelegde eed (belofte) als
proces-verbaal.
Artikel 11
Deze verordening kan worden aangehaald als:
Beroepsuitoefeningsverordening registerloodsen.
Artikel II
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 1988.
Deze regeling zal worden geplaatst in de
Nederlandse Staatscourant.
's-Gravenhage, 18 augustus 1988.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes.
|
|
|