| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Loodsenwet
BESLUIT
CERTIFICAATLOODSEN
Tekst zoals deze geldt op
23 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 20 september 1990, houdende uitvoering van
de artikelen 2, derde lid, en 5, eerste lid, van de Loodsenwet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 2 mei 1990,
nr. S/J 30.659/90, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Gelet op de artikelen 2, derde lid, en 5,
eerste lid, van de Loodsenwet (Stb. 1988, 353);
Gelet op de Richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 december 1978 (79/115/EEG) inzake het
loodsen van schepen door Noordzee-loodsen op de Noordzee en in het
Kanaal (PbEG L 33/32);
De Raad van State gehoord (advies van 30 juli
1990, nr. W09.90.0190);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 10 september 1990, nr. S/J 31.591/90,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. certificaatloods: degene, die voldoet aan de eisen met
betrekking tot vakbekwaamheid en geschiktheid, vastgesteld bij of
krachtens dit besluit;
b. certificaat: een verklaring als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, van de Loodsenwet (Stb. 1988, 353);
c. beloodsingsgebied: het Kanaal, vanaf de lijn over de Land’s
End en Ile d’Ouessant, de Noordzee, in het noorden begrensd dor de
61-ste breedtegraad, en het Skagerrak, tot de lijn over Skagen en
Vinga, met uitzondering van die gedeelten waarop nationale wetgeving
van daaraan grenzende landen het loodsen van schepen door
certificaatloodsen verbiedt;
d. loodsreis: een reis in het beloodsingsgebied, waarbij de
certificaatloods op een schip loodsdienst in de zin van artikel 2,
eerste lid, van de Loodsenwet verricht;
e. vergezelreis: een reis in een beloodsingsgebied waarbij de
specifieke loodskennis voor het beloodsingsgebied op peil wordt
gebracht of gehouden, gemaakt op een schip, waarop een andere
certificaatloods of een daarmee gelijk te stellen gekwalificeerde
loods uit enig ander land loodsdienst verricht.
Artikel 2
1. Onze Minister geeft, indien de aanvrager voldoet aan de voor
afgifte geldende eisen, voor het beloodsingsgebied op verzoek de
volgende certificaten af:
a. een A-certificaat, voor het loodsen van schepen met een
bruto-tonnage tot 35 000, met een geldigheidsduur van een jaar;
b. een B-certificaat, voor het loodsen van alle schepen, met een
geldigheidsduur van vijf jaar.
2. Indien de aanvrager van een B-certificaat binnen vijf jaar na
aanvraag de 65-jarige leeftijd zal bereiken, geeft Onze Minister in
afwijking van het eerste lid, het B-certificaat af met een
geldigheidsduur tot de datum waarop de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
Artikel 3
De certificaatloods is bevoegd tot maximaal twee maanden na het
verlopen van zijn certificaat als certificaatloods op te treden.
Hoofdstuk II. Het A-certificaat
Artikel 4
Voor verkrijging van een A-certificaat dient de aanvrager het examen
certificaatloods met goed gevolg af te leggen.
Artikel 5
1. Er is een examencommissie certificaatloodsen, die het
examen, bedoeld in artikel 4 afneemt.
2. De examencommissie certificaatloodsen is als volgt
samengesteld:
a. voorzitter: een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar van
zijn ministerie;
b. secretaris: een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar van
zijn ministerie;
c. drie leden, waaronder een certificaatloods die ten minste drie
jaar loodsdiensten als zodanig heeft verricht;
d. plaatsvervangende leden.
3. De leden en plaatsvervangende leden worden door Onze Minister
benoemd voor de tijd van ten hoogste vier jaar. Bij de benoeming worden
tevens uit de leden een of meer plaatsvervangende voorzitters en
plaatsvervangende secretarissen aangewezen.
4. De leden en plaatsvervangende leden van de examencommissie
certificaatloodsen ontvangen uit ’s Rijks kas een vergoeding van reis-
en verblijfkosten overeenkomstig de regelen die gelden ter zake van
reizen in Nederland ten behoeve van het Rijk, alsmede, voor zover hun
benoeming haar oorzaak niet vindt in het ambt dat zij bekleden,
vacatiegelden.
5. Onze Minister voorziet in het secretariaat van de
examencommissie certificaatloodsen.
Artikel 6
De voorzitter van de examencommissie certificaatloodsen kan nadere
aanwijzingen geven met betrekking tot het functioneren van die
commissie. Hij roept de leden en plaatsvervangende leden op naarmate de
aard en omvang van de werkzaamheden hun tegenwoordigheid vereisen.
Artikel 7
Onze Minister bepaalt de plaats waar de examencommissie
certificaatloodsen zitting houdt, en doet daarvan mededeling in de
Staatscourant.
Artikel 8
1. Degene, die een examen wenst af te leggen, dient daartoe een
aanvraag in bij de voorzitter van de examencommissie
certificaatloodsen en overlegt daarbij de volgende bescheiden of
afschriften daarvan:
a. een uittreksel uit het geboorteregister of uit een gelijkwaardig
buitenlands register;
b. twee goedgelijkende pasfoto's, aan de achterkant voorzien van
zijn naam, voorletters en geboortedatum;
c. een bewijs van nationaliteit van een van de Lid-Staten van de
Europese Gemeenschappen of een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
d. een geldige geneeskundige verklaring zeevaart, als bedoeld in
artikel 104, eerste lid, van het Besluit zeevaartbemanning
handelsvaart en zeilvaart, en een verklaring dat hij voldoet aan de
medische eisen betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor, bedoeld
in artikel 104, tweede lid, van het Besluit zeevaartbemanning
handelsvaart en zeilvaart;
e. een complete verzameling van de meest recente basisgegevens van
het beloodsingsgebied, zoals vastgesteld in bijlage I bij dit besluit;
f. een geldig vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein alle schepen of
eerste stuurman alle schepen of een door Onze Minister daaraan
gelijkgestelde combinatie van kennis en ervaring;
g. de stukken, waaruit ten genoegen van Onze Minister voldoende
blijkt, dat hij, in het bezit van het in onder g bedoelde diploma,
recentelijk gedurende ten minste zes jaar dienst heeft gedaan als
kapitein of als stuurman op zeeschepen, of recentelijk ten minste vier
jaar dienst heeft gedaan als bevoegd loods in een van de Lid-Staten
van de Europese Gemeenschappen of een van de overige staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
op grond van een door de desbetreffende staat als zodanig verleende
bevoegdheid;
h. het bewijs dat hij een door Onze Minister erkende
radarnavigatorcursus met goed gevolg heeft doorlopen, dan wel het
bewijs van het doorlopen van een applicatiecursus radarnavigator of
een naar het oordeel van Onze Minister gelijkwaardige cursus en
i. het betalingsbewijs van de door Onze Minister vast te stellen
examengelden.
2. Ten aanzien van de verlening van de verklaringen, bedoeld in
het eerste lid, onder d, de daarop betrekking hebbende medische eisen,
de verlening van ontheffing van die eisen, en de weigering de
verklaringen te verlenen is het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 6
van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart van
overeenkomstige toepassing.
3. [Vervallen.]
4. De bewijzen, bedoeld in het eerste lid, onder i, mogen ten
hoogste twaalf maanden oud zijn.
5. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de eis, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, indien bijzondere
omstandigheden hiertoe noodzaken en een veilige dienstverlening door de
certificaatloods gewaarborgd is. Aan deze ontheffing kunnen
voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Artikel 9
1. Ten tijde van de aanvraag van het A-certificaat mag de
betrokkene niet ouder zijn dan zestig jaar.
2. Indien de aanvraag volgt binnen een jaar na intrekking
ingevolge hoofdstuk 5, van het certificaat, geldt voor betrokkene in
plaats van artikel 8, eerste lid, onder h , dat hij het bewijs
van de intrekking van het certificaat moet overleggen.
Artikel 10
De voorzitter van de examencommissie certificaatloodsen stelt de
datum en het tijdstip van het examen vast en deelt dit tijdig,
schriftelijk aan de kandidaat mee.
Artikel 11
1. Het examen certificaatloods bestaat uit de volgende
examenvakken:
a. algemene scheepvaartverkeersreglementering;
b. scheepvaartverkeerstekens;
c. voorschriften van belang voor loodsen en
d. praktische navigatie.
2. De kennis die wordt gevorderd is per examenvak aangegeven in
het examenprogramma, dat als bijlage II bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 12
[1.] Het examen is mondeling en is openbaar, tenzij de
kandidaat geen prijs stelt op de aanwezigheid van toehoorders.
2. Het examen wordt afgenomen door de voorzitter en drie leden of
plaatsvervangende leden van de examencommissie certificaatloodsen. Ten
minste een van die leden of plaatsvervangende leden moet een
certificaatloods zijn.
De voorzitter leidt het examen en een der leden houdt aantekening van
de inhoud en het verloop van het examen.
3. De voorzitter kan regels en aanwijzingen geven voor het
ordelijk verloop van een examen.
4. De voorzitter kan een toehoorder die zich niet naar de regels
en aanwijzingen, bedoeld in het derde lid, gedraagt, het verblijf in het
examenlokaal ontzeggen.
Artikel 13
1. De voorzitter kan de kandidaat voor ten hoogste een jaar
uitsluiten van deelneming aan het examen indien:
a. zijn gedrag storend werkt op het verloop van het examen of
b. hij bedrog pleegt.
2. De voorzitter legt de uitsluiting van deelneming aan het
examen binnen twee weken vast in een beschikking en doet daarvan, door
toezending van een afschrift, mededeling aan Onze Minister.
Artikel 14
1. De beoordeling van elk examenvak wordt uitgedrukt in gehele
cijfers, waarvan het laagste cijfer 1 en het hoogste cijfer 10 is.
2. De kandidaat is geslaagd voor het examen, indien hij voor alle
examenvakken een eindcijfer niet lager dan 6 heeft behaald.
3. De kandidaat, die voor slechts een examenvak een eindcijfer
lager dan 6 heeft behaald, wordt in de gelegenheid gesteld binnen drie
maanden voor dat examenvak een herexamen af te leggen. De bepalingen
betreffende de examens zijn van overeenkomstige toepassing op de
herexamens.
4. De kandidaat is afgewezen voor het examen, indien hij:
a. voor twee of meer examenvakken een eindcijfer lager dan 6 heeft
behaald;
b. krachtens artikel 13, eerste lid, is uitgesloten van deelneming
aan het examen;
c. zich tijdens het examen heeft teruggetrokken;
d. een herexamen niet tijdig heeft afgelegd of
e. voor het herexamen een eindcijfer lager dan 6 heeft behaald.
Artikel 15
Zo spoedig mogelijk na het examen stelt de examencommissie
certificaatloodsen de uitslag vast en maakt deze bekend aan de
kandidaat.
Artikel 16
1. Tegen een beslissing van de voorzitter als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, kan de belanghebbende beroep instellen bij
Onze Minister.
2. De examencommissie certificaatloodsen handelt overeenkomstig
de door Onze Minister genomen beslissing.
Hoofdstuk III. Het B-certificaat
Artikel 17
1. Voor verkrijging van een B-certificaat legt de aanvrager
binnen een maand na het verlopen van het A-certificaat aan Onze
Minister over:
a. het A-certificaat en de gegevens, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onder b, en onder d tot en met f en
b. het bewijs, waaruit blijkt dat hij als certificaatloods ten
minste 9 000 zeemijlen heeft afgelegd in de laatste periode van twaalf
maanden, gerekend vanaf de dag van afgifte van het A-certificaat.
2. Voor de verlenging van het B-certificaat legt de aanvrager
binnen een maand na het verlopen van het B-certificaat aan Onze Minister
over:
a. het B-certificaat en de gegevens bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onder b, en onder d tot en met f en
b. het bewijs dat hij in de periode van vijf maal twaalf maanden
gerekend vanaf de dag van afgifte van het B-certificaat, als
certificaatloods ten minste 45 000 zeemijlen heeft afgelegd.
3. De certificaatloods moet, indien hij een andere nationaliteit
dan die van een der lidstaten van de Europese Gemeenschappen heeft
verkregen, dit bij zijn aanvraag voor de verkrijging dan wel de
verlenging van het B-certificaat melden.
Artikel 18
1. Onze Minister kan bij de aanvraag van een B-certificaat in
bijzondere gevallen op verzoek ontheffing verlenen van de eis, gesteld
in artikel 17, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b
.
2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen
voorschriften en beperkingen worden verbonden.
3. Indien het B-certificaat voor de eerste maal wordt
aangevraagd, kan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts
betreffen het verlengen van de periode van 12 maanden bedoeld in artikel
17, eerste lid, onder b , met ten hoogste acht weken.
Artikel 19
1. Als bewijs van de gevaren afstand geldt voor de toepassing
van dit besluit en de hierop berustende bepalingen een daartoe
strekkende, door de kapitein volledig ingevulde en ondertekende
loodsnota van een loodsreis, of een verklaring op een ongeldig
gemaakte loodsnota dat de certificaatloods een vergezelreis heeft
gemaakt.
2. Onze Minister stelt het model van de loodsnota vast.
Hoofdstuk IV. Verplichtingen van de certificaatloods
Artikel 20 [Vervallen per 16-08-2006]
Artikel 21
De certificaatloods toont op verzoek van Onze Minister aan dat hij in
het bezit is van de stukken, bedoeld in artikel 8, onder c tot en met f,
en artikel 17, tweede lid, onder b.
Artikel 22
De certificaatloods is verplicht zich op de hoogte te stellen van al
hetgeen voor het verlenen van zijn diensten aan een schip noodzakelijk
is.
Artikel 23
De certificaatloods is verplicht bij de uitoefening van zijn functie:
a. een geldig dan wel een ten hoogste 2 maanden verlopen
certificaat bij zich te hebben, en dit op verzoek van de kapitein of
verkeersdeelnemer te tonen;
b. de stukken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder f ,
bij zich te hebben en
c. gebruik te maken van al hetgeen voor de navigatie van het
schip van belang is.
Artikel 24
De certificaatloods doet zo spoedig mogelijk aan de betreffende
instanties en zo nodig aan de omringende scheepvaart melding van:
a. tekortkomingen of bijzonderheden ten aanzien van het schip dat
hij loodst, die de veiligheid van het schip, opvarenden of de
omgeving naar zijn oordeel kunnen schaden;
b. bijzonderheden met betrekking tot verkeerstekens en overige
navigatiehulpmiddelen of
c. het verlies van ankers, trossen of kettingen, dan wel van
lading die hinder kan veroorzaken, alsmede van de positie daarvan.
Artikel 25
1. De certificaatloods maakt zo spoedig mogelijk een
schriftelijke verklaring van een scheepsramp in de zin van hoofdstuk
IV van de Schepenwet (Stb. 1932, 86) waarvan hij getuige is
geweest, en doet deze verklaring ondertekend toekomen aan Onze
Minister.
2. Onze Minister stelt het model van de verklaring van een
scheepsramp vast.
3. De verklaring van een scheepsramp is bedoeld voor en mag
alleen gebruikt worden voor lering, behoudens wettelijke verplichtingen
voortvloeiend uit het Wetboek van Strafrecht, respectievelijk van
Strafvordering.
Artikel 26
De certificaatloods verleent zijn diensten fit en in goede conditie
en neemt daartoe voldoende rust tijdens een loodsreis en tussen twee
loodsreizen in.
Hoofdstuk V. Het intrekken van een certificaat
Artikel 27
1. Onze Minister kan een verleend certificaat intrekken:
a. indien de certificaatloods van onvoldoende kennis of
vakbekwaamheid heeft blijkgegeven;
b. indien de certificaatloods niet voldoet aan de verplichtingen
bedoeld in Hoofdstuk IV;
c. indien eerst na verlening van het certificaat blijkt dat de
betrokkene ten tijde van de verlening niet voldeed aan de eisen,
bedoeld in de artikelen 8, of 17 of
d. indien hij de voorschriften, gesteld krachtens een ontheffing op
grond van artikel 8, vijfde lid, dan wel op grond van artikel 18 niet
naleeft.
2. Degene, wiens certificaat is ingetrokken, levert dit
onverwijld in bij Onze Minister.
Hoofdstuk VI. Overgangsbepalingen
Artikel 28
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op
grond van de Beschikking Noordzeeloodsdienst (Stcrt. 1979, 238)
afgegeven en geldige certificaten blijven onverminderd geldig tot de
in die certificaten vermelde periode is verstreken.
2. Op de in het eerste lid bedoelde certificaten is het bepaalde
in dit besluit met betrekking tot B-certificaten van overeenkomstige
toepassing.
3. Na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde periode
worden de in het eerste lid bedoelde certificaten op verzoek vervangen
door een B-certificaat, indien voldaan wordt aan het bepaalde in artikel
17.
Artikel 29
Ten aanzien van de samenstelling van de examencommissie
certificaatloodsen geldt gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding
van dit besluit dat in plaats van een certificaatloods wordt benoemd een
loods in het bezit van een certificaat afgegeven op grond van de
Beschikking Noordzeeloodsdienst.
Artikel 30
Met betrekking tot het gestelde in artikel 2, eerste lid, onder a
, van dit besluit geldt, dat indien de grootte van een schip is
vastgesteld volgens de bepalingen krachtens de Meetbrievenwet 1948 (Stb.
I 492), de bruto inhoud uitgedrukt in registerton wordt gelijkgesteld
met het bruto-tonnage.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 31
De Beschikking Noordzeeloodsdienst vervalt op het tijdstip dat dit
besluit in werking treedt.
Artikel 32
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat artikel 5 van de
Loodsenwet in werking treedt.
Artikel 33
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit certificaatloodsen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende bijlagen en nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 20 september 1990
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de elfde oktober 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I
De basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder f, van het
Besluit certificaatloodsen (Stb. 1990, 507) zijn:
a. een overzicht van het IALA-betonningssysteem, regio A;
b. de posities, namen en bijzonderheden van vaarwateren en
ondiepten, lichten, mistsignalen, racon- en radiopeilbakens en de
voornaamste boeien, bakens, lichtschepen en opstanden;
c. de koersen en afstanden van de voornaamste vaarroutes;
d. de markering van ondiepten, gevaarlijke punten onder water en
kapen;
e. de ligging van ankerplaatsen, telefoonkabels, stortplaatsen,
verbrandingsgebieden, militaire oefengebieden en dergelijke;
f. de kustvorm met eventuele landmerken;
g. de bijzonderheden van de mijnbouwactiviteiten op zee waaronder
begrepen boortorens, pijpleidingen en kunstmatige eilanden;
h. bijzonderheden omtrent routeringssystemen;
i. stroomgegevens van het gebied en de bijbehorende getijtafels;
j. de beschikbare electronische plaatsbepalingssystemen en de
Decca Data Sheets;
k. de radioverbindingsprocedures en bronnen voor nautische
informatie, alsmede welke informatie door die bronnen wordt
verstrekt;
l. de overzichten van de uitzendingen van radionavigatie- en
weerberichten en een overzicht van de van kracht zijnde
waarschuwingen voor de scheepvaart;
m. de helicopterbeloodsingsprocedures;
n. de algemene meldingsprocedures;
o. de zeewaartse begrenzing van de plaatselijke loodsgebieden, de
positie van de plaatselijke loodsgebieden, de positie van de
beloodsingsgebieden/loodskruisposten en de radioverbindingen met de
loodsstations;
p. de halfjaarlijkse samenvatting van de Berichten aan
Zeevarenden;
q. internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op
zee;
r. de Standard Marine Navigational Vocabulary en de Code VHF
gebruik op zee;
s. het handboek Opsporing en redding op zee.
Bijlage II
I
In het onderstaande wordt verstaan onder:
a. grondige kennis: het onderwerp wordt in zijn geheel begrepen
en beheerst, en kan te allen tijde als parate kennis worden
toegepast, zonder de hulp van op schrift gestelde gegevens;
b. kennis: het onderwerp wordt in zijn geheel en ten tijde van
het toepassen van deze kennis kan gebruik gemaakt worden van op
schrift gestelde gegevens;
c. begrip: het onderwerp als geheel is bekend;
d. het kerngebied: het gebied gelegen tussen de lijn over Beachy
Head en Dieppe, en de lijn Orfordness en IJmuiden;
e. de randgebieden:
- het gebied tussen de lijn over Land’s End en Ile d’Ouessant,
en de lijn over Beachy Head en Dieppe; en
- het gebied tussen de lijn over Orfordness en IJmuiden en de
61ste breedtegraad, in het oosten begrensd door de lijn over
Skagen en Vinga.
II
Exameneisen voor het examen certificaatloods
A. Algemene scheepvaartverkeersreglementering
- grondige kennis van:
de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972.
B. Scheepvaartverkeerstekens
- voor het kerngebied grondige kennis, en
voor de randgebieden kennis van:
de in of naast de scheepvaartwegen aangebrachte voorwerpen of
combinaties van voorwerpen, ten behoeve van de scheepvaart en
navigatie.
C. Voorschriften van belang voor loodsen
- kennis van:
1°. relevante IMO-resoluties;
2°. richtlijn 79/115/EEG, inzake het loodsen van schepen
door Noordzeeloodsen op de Noordzee en in het Kanaal;
3°. relevante onderdelen van de Loodsenwet en de
Scheepvaartverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten.
D. Praktische navigatie
- voor het kerngebied grondige kennis, en
voor de randgebieden kennis van:
1°. de stromingen, getijden en banken;
2°. de richtingen en diepten van de scheepvaartwegen;
3°. de te sturen koersen;
4°. de ligging en plaatsing van de verkeerstekens,
kustlichten, lichtschepen en platforms, ankerplaatsen,
landmerken en semafoor- en kustwachtposten;
5°. de te gebruiken navigatiemiddelen;
6°. de regionaal geldende beloodsingsprocedures.
|
|
|