| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Loodsenwet
REGELING
UITVOERING ARTIKEL 65 LOODSENWET
Tekst zoals deze geldt op
23 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat, de Minister van Financiën en de Minister van
Binnenlandse Zaken;
Gehoord de directie van het pensioenfonds,
bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Loodsenwet (Stb. 1988,
353), en de Commissie, bedoeld in artikel L 16 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540);
Gelet op artikel 65, derde en vierde lid, van
de Loodsenwet (Stb. 1988, 353);
Besluiten:
Artikel 1
Het bedrag aan middelen, bedoeld in artikel 65, derde lid, van de
Loodsenwet (Stb. 1988, 353), is f 144 mln., waarvan:
a. f 103 mln. ten behoeve van degenen die krachtens artikel 63,
eerste lid, van de Loodsenwet zijn ingeschreven in het
loodsenregister, en degenen die een leerovereenkomst als bedoeld in
artikel 63, tweede lid, van de Loodsenwet, hebben gesloten; en
b. f 41 mln. ten behoeve van degenen die een arbeidsovereenkomst
als bedoeld in artikel 63, derde lid, van de Loodsenwet, hebben
gesloten.
Dit bedrag is een voorschot.
Artikel 2
1. De definitieve vaststelling van de
over te dragen middelen in verband met de opgebouwde rechten, bedoeld in
artikel 65, derde lid, van de Loodsenwet, geschiedt, met inachtneming
van het tweede lid, op basis van objectieve maatstaven voor 31 december
1989.
2. Bij de vaststelling, bedoeld in het eerste lid geldt:
a. ten aanzien van het bedrag ten behoeve van de personen, bedoeld
in artikel 1, onderdeel a:
dat dit ten hoogste 3 mln kan afwijken van het voorschot; en
b. ten aanzien van het bedrag ten behoeve van de personen, bedoeld
in artikel 1, onderdeel b:
dat dit ten hoogste f 1,5 mln. kan afwijken van het voorschot.
Artikel 3
Bij de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 2, wordt tevens
het tijdstip en de wijze van afrekening in overeenstemming met de
directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en het fonds, bedoeld
in artikel 65, eerste lid, van de Loodsenwet vastgesteld.
Artikel 4
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 1988.
Deze regeling zal worden geplaatst in de
Nederlandse Staatscourant en in afschrift worden gezonden aan de
Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 18 augustus 1988.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes.
De Minister van Financiën,
H.O.C.R. Ruding.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.P. van Dijk.
|
|
|