| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Luchtvaartwet (LVW)
BESLUIT
BEVEILIGING BURGERLUCHTVAART
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 9 december 2002, houdende voorschriften
voor uitvoering van de controle van personen, bagage en vracht door
beveiligingspersoneel en luchtvaartmaatschappijen op luchtvaartterreinen
(Besluit beveiliging burgerluchtvaart)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 juni
2001, nr. 5105759/01/6;
Gelet op de artikelen 37ac, eerste lid,
en 37e, tweede lid, onderdeel d, van de Luchtvaartwet;
De Raad van State gehoord (advies van 3
augustus 2001, nr. W03.01.0298/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 3 december 2002, nr. 5115795/01/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. beveiligingsmedewerker: een lid van het beveiligingspersoneel
als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onderdeel b, onder 1° van
de Luchtvaartwet;
b. fouillering: onderzoek aan kleding als bedoeld in artikel 37b,
zesde lid, en artikel 37h van de Luchtvaartwet;
c. air marshals: ambtenaren van de Koninklijke marechaussee die
in het kader van de uitoefening van de taak ten behoeve van de
beveiliging van de burgerluchtvaart, bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onder c, van de Politiewet 1993, aan boord van een
luchtvaartuig worden ingezet;
d. Onze Minister: Onze Minister van Justitie.
Artikel 2
De exploitant van een luchtvaartterrein zorgt dat de
beveiligingsmedewerker zijn taak uitvoert met inachtneming van de
paragrafen 2 tot en met 4 van dit besluit.
Artikel 3
Het plan met betrekking tot de beveiliging, bedoeld in artikel 37e
van de Luchtvaartwet, bevat een opgave van de wijze waarop de exploitant
van een luchtvaartterrein uitvoering geeft aan artikel 2. De opgave
bevat daartoe in ieder geval:
a. de wijze waarop de exploitant voorziet in controle op de
taakuitoefening door de beveiligingsmedewerkers,
b. de maatregelen die de exploitant jegens de
beveiligingsorganisatie treft bij taakuitoefening in strijd met dit
besluit en
c. een weergave van de contractuele bepalingen die ter uitvoering
van artikel 2 gelden of zullen gelden tussen de exploitant en de
beveiligingsorganisatie.
Artikel 4
Het plan met betrekking tot de beveiliging, bedoeld in artikel 37e
van de Luchtvaartwet, bevat:
a. een opgave van het vereiste opleidingsniveau van de
beveiligingsmedewerkers en van de wijze waarop voorzien wordt in
behoud van kennis en vaardigheden en
b. een opgave van de wijze waarop voorzien wordt in voldoende
beveiligingsbewustzijn bij medewerkers van andere op het
luchtvaartterrein werkzame bedrijven en instellingen.
§ 2. Controle van passagiers en handbagage
Artikel 5
1. De beveiligingsmedewerker controleert de passagiers met
inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer algemeen aanvaarde
omgangsvormen.
2. De beveiligingsmedewerker controleert de handbagage zo
voorzichtig en zorgvuldig als mogelijk is met het oog op doeltreffende
controle.
3. De beveiligingsmedewerker voert ter uitvoering van de controle
uitsluitend handelingen uit die voor doeltreffende controle
redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
4. De beveiligingsmedewerker voert de controle zodanig uit dat
passagiers niet meer worden belast dan voor doeltreffende controle
noodzakelijk is.
Artikel 6
1. Fouillering geschiedt door het aftasten van de kleding of
het onderzoeken van afzonderlijke kledingstukken voor zover dat
noodzakelijk is voor doeltreffende controle.
2. Fouillering wordt uitgevoerd door één of meer
beveiligingsmedewerkers van hetzelfde geslacht als de passagier, tenzij
de passagier uitdrukkelijk heeft ingestemd met fouillering door een
beveiligingsmedewerker van het andere geslacht.
3. Fouillering vindt plaats in een afgezonderde ruimte indien de
passagier of de betrokken beveiligingsmedewerker de voorkeur daarvoor
kenbaar heeft gemaakt.
4. Fouillering vindt plaats in het bijzijn van een tweede
beveiligingsmedewerker indien de passagier of de betrokken
beveiligingsmedewerker de voorkeur daarvoor kenbaar heeft gemaakt.
5. Indien fouillering niet goed mogelijk blijkt of onvoldoende is
om de aanwezigheid van voor bedreiging geschikte voorwerpen vast te
stellen, wordt daarvan onverwijld mededeling gedaan aan de Koninklijke
marechaussee.
Artikel 7
1. Nader onderzoek van handbagage geschiedt door handmatig
onderzoek en zintuiglijke waarneming.
2. De beveiligingsmedewerker voert het nader onderzoek van de
handbagage uit in aanwezigheid van de betrokken passagier.
3. De beveiligingsmedewerker opent bagage, pakt bagage uit en
haalt of laat zaken uit de verpakking voor zover dit noodzakelijk is
voor doeltreffende controle.
4. De beveiligingsmedewerker beproeft of de werkelijke functie
van de bagage of van zaken daaruit overeenkomt met de functie die de
uiterlijke verschijningsvorm doet vermoeden voor zover dit noodzakelijk
is voor doeltreffende controle.
5. Het nader onderzoek vindt plaats in een afgezonderde ruimte
indien de passagier of de betrokken beveiligingsmedewerker de voorkeur
daarvoor kenbaar heeft gemaakt.
Artikel 8
De beveiligingsmedewerker verschaft een passagier op diens verzoek
informatie met betrekking tot de controle, tenzij het belang van
doeltreffende controle zich daartegen verzet.
Artikel 9
1. Een beveiligingsmedewerker doet onverwijld mededeling aan de
Koninklijke marechaussee van een onregelmatigheid bij de uitvoering
van de controle.
2. Van een onregelmatigheid is in ieder geval sprake indien:
a. een passagier weigert zichzelf of zijn bagage aan controle te
onderwerpen,
b. de veiligheid van personen of goederen wordt bedreigd,
c. verstoring van de openbare orde dreigt,
d. middelen als bedoeld in artikel 2 of 3
van de Opiumwet worden aangetroffen of
e. er aanwijzingen zijn dat door een te controleren of gecontroleerde
passagier een strafbaar feit is, wordt of zal worden gepleegd.
Artikel 10
1. Indien de controle een bevraging als bedoeld in artikel 37h,
eerste lid, onder d omvat, bevraagt de beveiligingsmedewerker
passagiers met inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer
algemeen aanvaarde omgangsvormen.
2. De beveiligingsmedewerker beperkt de bevraging tot onderwerpen
die kunnen dienen tot het opleveren van aanwijzingen met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de passagier.
§ 3. Controle van personen die zich anders dan als passagier op het
luchtvaartterrein bevinden danwel anders dan als passagier aan boord
kunnen gaan en verdergaande controle krachtens de vervoersovereenkomst
Artikel 11
Paragraaf 2
is van overeenkomstige toepassing op:
a. controle van personen en voorwerpen als bedoeld in artikel
37b, zesde lid, van de Luchtvaartwet;
b. verdergaande controle als bedoeld in artikel 37hd van de
Luchtvaartwet;
c. controle van de identiteit van personen en de rechtmatigheid
van hun aanwezigheid op het luchtvaartterrein als bedoeld in artikel
37f, tweede lid, onder b, en 37h, derde lid, van de Luchtvaartwet.
§ 4. Controle van ruimbagage
Artikel 12
1. Artikel 5, tweede en derde lid en de artikelen 7 tot en met
9 zijn van overeenkomstige toepassing op de controle van ruimbagage.
2. In afwijking van het eerste lid is artikel 7, tweede lid, niet
van toepassing indien de passagier zich voor zover redelijkerwijs valt
na te gaan kennelijk niet op het luchtvaartterrein bevindt.
Artikel 13
1. Voorafgaand aan het nader onderzoek naar de inhoud van
ruimbagage, bedoeld in artikel 37h, tweede lid, onder b, van de
Luchtvaartwet vraagt de beveiligingsmedewerker de passagier te
bevestigen dat de desbetreffende ruimbagage hem toebehoort en verzoekt
hem deze zelf te openen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de passagier zich
voor zover redelijkerwijs valt na te gaan kennelijk niet op het
luchtvaartterrein bevindt.
§ 5. Controle van vracht
Artikel 14
1. De luchtvaartmaatschappij of de geregistreerde, bedoeld in
artikel 37p van de Luchtvaartwet, doet onverwijld mededeling aan de
Koninklijke marechaussee van een onregelmatigheid bij de uitvoering
van de controle van vracht.
2. Indien de vracht zich bij controle niet bevindt op een terrein
waar de Koninklijke marechaussee is belast met de uitvoering van de
politietaak, wordt in afwijking van het eerste lid van een
onregelmatigheid onverwijld mededeling gedaan aan het politiekorps in de
desbetreffende regio.
3. Van een onregelmatigheid is slechts sprake indien:
a. gevaarlijke goederen in of bij de vracht worden aangetroffen die
niet als zodanig zijn aangeboden in overeenstemming met artikel 37k,
vierde lid, van de Luchtvaartwet, of een krachtens dat artikel
vastgestelde regeling of aanwijzing; of
b. blijkt dat de vracht de veiligheid van de burgerluchtvaart kan
bedreigen als deze wordt vervoerd zoals kennelijk wordt beoogd.
§ 5a. Inzet van air marshals
Artikel 14a
1. De aanwijzing, bedoeld in artikel 37ada, eerste lid, van de
Luchtvaartwet omvat het vluchtnummer, de bestemming en het tijdstip
van vertrek.
2. Naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan de
aanwijzing een aanduiding omvatten van de stoelen in het luchtvaartuig
die bestemd zijn voor de air marshals.
3. De luchtvaartmaatschappij wordt binnen een redelijke termijn
schriftelijk in kennis gesteld van de aanwijzing.
4. Onze Minister kan de aanwijzing te allen tijde intrekken.
Artikel 14b
1. De luchtvaartmaatschappij die in het kader van de toepassing
van artikel 37ada van de Luchtvaartwet de beschikking krijgt over
gegevens of inlichtingen waarvan zij het vertrouwelijke karakter kent
of redelijkerwijs moet vermoeden, draagt ervoor zorg dat die gegevens
en inlichtingen zijn beveiligd tegen kennisneming door onbevoegden.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het
eerste lid.
Artikel 14c
Voor aanvang van de vlucht informeert de Koninklijke marechaussee de
luchtvaartmaatschappij nader over de inzet van air marshals.
Artikel 14d
1. Ten aanzien van het vervoer van air marshals ingevolge
artikel 37ada van de Luchtvaartwet gelden tussen Onze Minister en de
luchtvaartmaatschappij de voor het vervoer rechtens geldende dan wel
gebruikelijke tarieven en voorwaarden. Bij gebreke van zowel rechtens
geldende als gebruikelijke tarieven en voorwaarden, gelden de door
Onze Minister vastgestelde tarieven en voorwaarden.
2. Onze Minister kan regels stellen ter aanvulling van de
rechtens geldende of gebruikelijke tarieven en voorwaarden.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 15
Dit besluit treedt in werking op 1 april 2003.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beveiliging
burgerluchtvaart.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 9 december 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de negende januari 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|