| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Luchtvaartwet (LVW)
BESLUIT
LUCHTVAARTUIGEN
Tekst zoals deze geldt op
10 april 2008
Vervallen
m.i.v. 4 juni 2008
|
|
|
BESLUIT van 5 juli 2001, houdende regels over de
inschrijving en luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en de erkenning van
bedrijven voor werkzaamheden die de luchtwaardigheid betreffen (Besluit
luchtwaardigheid)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 oktober 2000 nr. DGRLD/DLB/L00.420136,
Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst gedaan in overeenstemming met
de Staatssecretaris van Defensie;
Gelet op de artikelen 1.2, tweede en derde lid,
3.3, tweede lid, 3.7, 3.9, eerste lid, 3.10, eerste lid, 3.11, eerste
lid, onderdeel b, 3.13, eerste lid, onderdeel c, tweede,
derde lid, 3.15, eerste lid, 3.22, eerste lid, onderdeel b, 3.23,
3.25, eerste tot en met derde lid, 3.26, eerste lid, 3.29 en 3.31 van de
Wet luchtvaart en artikel 14, tweede lid, van de Luchtvaartwet;
De Raad van State gehoord (advies van 17
november 2000, nr. W09.00.0470/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 3 juli 2001, nr. DGRLD/DLB/L01.421030,
Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, uitgebracht in
overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Definities en
toepassingsgebied
Artikel 1
1. In dit besluit en in de op dit besluit gebaseerde regelingen
wordt verstaan onder:
* aanvullende geluidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel
3.19c, tweede lid, van de wet,
* BvL: Bewijs van Luchtwaardigheid,
* certificaat van vrijgave: verklaring dat de
voortstuwingsinrichting, de propeller of het onderdeel aan de van
toepassing zijnde eisen voldoet (Authorised Release Certificate; JAA
Form One),
* certificaat van vrijgave voor gebruik: verklaring dat het
onderhoud in overeenstemming met de van toepassing zijnde eisen is
uitgevoerd (Certificate of Release to Service),
* DOA-JA: een erkenning voor het ontwerpen van producten en
wijzigingen van producten als bedoeld in JAR 21 subpart JA (Design
Organisation Approval),
* DOA-JB: een erkenning voor het ontwerpen van onderdelen als
bedoeld in JAR 21 subpart JB (Design Organisation Approval),
* export-BvL: een bewijs waarin de status van het luchtvaartuig
betreffende de luchtwaardigheid wordt aangegeven, getoetst volgens de
eisen van het importerende land,
* geluidscertificaat: certificaat als bedoeld in artikel 3.19b,
eerste lid, van de wet,
* geluidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 3.19c,
eerste lid, van de wet,
* geringe wijziging: een wijziging of herstel van een type-ontwerp
die geen wezenlijk effect heeft op het gewicht, het zwaartepunt, de
structurele sterkte, betrouwbaarheid, operationele karakteristieken,
of andere karakteristieken die de luchtwaardigheid van het product
raken,
* ingrijpende wijziging: een wijziging van een type-ontwerp, niet
zijnde een geringe wijziging en elke wijziging die een merkbare
verandering van de geluidsproductie ten gevolge zou kunnen hebben,
* ICAO-verdrag: het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen
verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb.1973,109),
* ICAO-staat: een staat die het ICAO-verdrag heeft bekrachtigd,
* ICAO Annex 16, Vol. I: boekdeel 1 van bijlage 16 bij het
ICAO-verdrag,
* JAA: het op 11 september 1990 op Cyprus gesloten
samenwerkingsverband tussen een aantal Europese
burgerluchtvaartautoriteiten (Joint Aviation Authorities),
* JAA-land: een land waarvan de burgerluchtvaartautoriteit is
toegetreden tot de JAA en bij ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 3.20 van de Wet luchtvaart is aangewezen,
* JAA-persoon: een natuurlijk persoon woonachtig in of een
rechtspersoon gevestigd in een JAA-land,
* JAR: technisch voorschrift, vastgesteld door de JAA (Joint
Aviation Requirements),
* JAR 21: JAR betreffende certificatieprocedures voor
luchtvaartuigen, aanverwante producten en onderdelen,
* JAR 145: JAR betreffende erkende onderhoudsbedrijven,
* JAR-AWO: JAR betreffende vluchten onder alle weersomstandigheden,
* JPA: goedgekeurd onderdeel voor inbouw in een typegecertificeerd
product als bedoeld in JAR 21, subpart P (Joint Part Approval),
* JTSO: een minimum prestatie standaard voor bepaalde onderdelen
als bedoeld in JAR 21, subpart O, (Joint Technical Standard Order),
* MLA: land-, amfibie- of watervliegtuig met niet meer dan twee
zitplaatsen, een overtreksnelheid die niet hoger is dan 35.1 knopen
gecalibreerde luchtsnelheid en een maximum startmassa van niet meer
dan:
300 kg voor een landvliegtuig, eenzitter;
450 kg voor een landvliegtuig, tweezitter;
330 kg voor een amfibie- of watervliegtuig, eenzitter, of
495 kg voor een amfibie- of watervliegtuig, tweezitter, mits een micro
light die als watervliegtuig en als landvliegtuig gebruikt kan worden
binnen beide daarvoor geldende massalimieten valt (Micro Light
Aeroplane),
* MOA: een erkenning voor het onderhoud van vliegtuigen,
helicopters en luchtschepen of onderdelen daarvan, als bedoeld in JAR
145 (Maintenance Organisation Approval),
* onderdeel: elk deel dat is geïnstalleerd in of bevestigd aan een
luchtvaartuig en dat bestemd is voor gebruik van dat luchtvaartuig
tijdens de vlucht,
* Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,
* POA: een erkenning voor het vervaardigen van producten en
onderdelen als bedoeld in JAR 21 subpart G (Production Organisation
Approval),
* primair certificerende autoriteit: de autoriteit die het eerste
type-certificaat heeft afgegeven,
* product: een luchtvaartuig, een voortstuwingsinrichting of een
propeller,
* standaard-BvL: een bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in het
ICAO-verdrag,
* speciaal-BvL: een bewijs van luchtwaardigheid, niet zijnde een
standaard-BvL,
* type-certificaat: het geheel van documenten omvattende het
type-ontwerp, de operationele beperkingen, het gegevensblad, de
luchtwaardigheidsregelgeving en alle andere voorschriften en
beperkingen zoals voorgeschreven in de van toepassing zijnde eisen,
* type-ontwerp: het geheel van documenten omvattende alle
tekeningen en specificaties benodigd om de configuratie, de
eigenschappen van het ontwerp vast te leggen, informatie over
materialen, processen en productiemethodieken,
luchtwaardigheidsbeperkingen ten behoeve van het onderhoud en alle
gegevens die nodig zijn om de luchtwaardigheid en voor zover van
toepassing de geluidsproductie vast te stellen van latere producten
van het type,
* verklaring van conformiteit: verklaring dat het luchtvaartuig of
het onderdeel aan het goedgekeurde ontwerp voldoet (Statement of
Conformity),
* verklaring van overeenstemming: verklaring dat het ontwerp voor
een luchtvaartuig of onderdeel aan de van toepassing zijnde eisen
voldoet (Statement of Compliance),
* verordening (EEG) 3922/91: verordening (EEG) nr. 3922/91 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de
harmonisatie van technische en administratieve procedures op het
gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373),
* wet: Wet luchtvaart.
2. Met uitzondering van het derde, het vijfde en het zevende lid,
is dit besluit uitsluitend van toepassing op luchtvaartuigen,
voortstuwingsinrichtingen, propellers, onderdelen en erkenningen bestemd
voor de burgerluchtvaart.
3. Hoofdstuk 3 van de wet en dit besluit zijn niet van toepassing
op de volgende soorten luchtvaartuigen:
a. modelvliegtuigen, waarvan de totale massa ten hoogste 25
kilogram bedraagt,
b. ballonnen, die op zeeniveau in de internationale standaard
atmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2.00
meter of een inhoud van ten hoogste 4.00 kubieke meter hebben, alsmede
aan elkaar gekoppelde ballonnen waarvan de gezamenlijke diameter en
inhoud deze waarden niet te boven gaan,
c. toestellen, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een
voortstuwingsinrichting, die door middel van een ankerkabel of lijn
zijn verbonden met het aardoppervlak (kabelvlieger),
d. luchtschepen, die op zeeniveau in de internationale standaard
atmosfeer in geheel gevulde toestand een grootste afmeting hebben van
maximaal 5.00 meter of een inhoud van ten hoogste 4.00 kubieke meter,
e. toestellen, zwaarder dan lucht in de vorm van een scherm met
harnas, die met een lijn of lijnen zijn bevestigd aan een voertuig of
vaartuig, waardoor ze in de lucht kunnen worden gehouden
(valschermzweeftoestel),
f. ballonnen, die tijdens het in de lucht houden permanent zijn
bevestigd aan het aardoppervlak (kabelballon),
g. valschermen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Regeling valschermspringen,
h. zeilvliegtuigen,
i. schermzweeftoestellen,
j. amateurbouwluchtvaartuigen ingeschreven in andere lidstaten van
de European Civil Aviation Conference.
4. Het bepaalde bij en krachtens paragraaf 3.2.1.
van de wet omtrent type-certificaten, het bepaalde bij paragraaf 3.2.3.
van de wet omtrent bewijzen van bevoegdheid voor onderhoud en het
bepaalde bij artikel 20, tweede lid, is niet van toepassing op de
volgende soorten luchtvaartuigen:
a. amateurbouwluchtvaartuigen,
b. MLA's.
5. Bij ministeriële regeling dan wel bij regeling van Onze
Minister van Defensie kunnen voorschriften en beperkingen worden
opgenomen ten aanzien van de in het derde en vierde lid genoemde
luchtvaartuigen.
6. Artikel 3.5 van de wet is niet van toepassing op de
luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 3.6 van de wet.
7. Het verbod, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b,
van de wet, is niet van toepassing op militaire luchtvaartuigen die
hetzij automatisch, hetzij op afstand worden bestuurd, en die worden
gebruikt als doel voor schietoefeningen dan wel voor het slepen van een
doel voor schietoefeningen mits wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a. boven Nederland wordt met het luchtvaartuig uitsluitend gevlogen
in een gebied waarin het burgerluchtverkeer is verboden of beperkt,
b. met het luchtvaartuig wordt uitsluitend gevlogen indien de door
Onze Minister van Defensie vastgestelde instructies in acht worden
genomen met betrekking tot:
1°. een veilige lancering,
2°. het voor en na elke vlucht uitvoeren van een functionele en
een technische inspectie,
3°. het onderhoud van het luchtvaartuig,
4°. het per parachute op een veilige wijze en binnen het
aangewezen landingsgebied doen landen van het luchtvaartuig,
c. het luchtvaartuig is uitgerust met een zodanige
veiligheidsvoorziening dat bij verstoring van of bij het verloren gaan
van het radiocontact tussen luchtvaartuig en bedieningsstation, de
vlucht van het luchtvaartuig wordt afgebroken en de landing per
parachute wordt ingezet,
d. het luchtvaartuig is uitgerust met een zodanige
veiligheidsvoorziening dat bij het uitvallen van de besturing als
gevolg van stroomstoring de landing per parachute wordt ingezet.
Hoofdstuk II. Nationaliteit en inschrijving van luchtvaartuigen
Artikel 2
1. In het Nederlandse register voor burgerluchtvaartuigen
worden luchtvaartuigen ingeschreven:
a. die zijn vervaardigd in een lidstaat van de Europese Unie of in
een van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, en die niet zijn uitgevoerd, of ten
aanzien waarvan, bij het in het vrije verkeer brengen, de vereiste
douaneformaliteiten zijn vervuld, en
b. ten aanzien waarvan het beheer met het oog op een voortdurende
luchtwaardigheid, door de aanvrager, dan wel door diens
vertegenwoordiger vanuit een vestiging in Nederland wordt gevoerd.
2. De aanvrager, die krachtens geldige titel een luchtvaartuig
onder zich heeft, is:
a. een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van een
van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte,
b. een ingezetene van een lidstaat van de Europese Unie of van een
van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, niet zijnde een onderdaan van een
lidstaat van de Europese Unie of van een van de Staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of
c. een rechtspersoon welke in overeenstemming met de wetgeving van
een lidstaat van de Europese Unie of van een van de Staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is
opgericht en waarvan de statutaire zetel of feitelijke zetel, zich
bevindt in een lidstaat van de Europese Unie of van een van de Staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte.
3. Onze Minister van Financiën kan ontheffing verlenen van de in
het eerste lid, onder a, bedoelde douaneformaliteiten. Aan de ontheffing
kunnen voorwaarden worden verbonden. Bij het niet nakomen van een aan de
ontheffing verbonden voorwaarde kan Onze Minister van Financiën de
ontheffing intrekken.
4. Indien de aanvrager geen woonplaats heeft in Nederland dan
wel, indien het om een rechtspersoon gaat, de statutaire zetel,
hoofdbestuur of hoofdvestiging niet in Nederland is gevestigd, dient het
beheer, bedoeld in het eerste lid, onder b, te worden uitgevoerd door
een vertegenwoordiger van de aanvrager met woonplaats in Nederland, dan
wel, door een nevenvestiging van de rechtspersoon in Nederland.
5. Indien de aanvrager het in het eerste lid, onder b, bedoelde
beheer heeft uitbesteed, rusten de verplichtingen terzake van de
voortdurende luchtwaardigheid op de in het vierde lid bedoelde
vertegenwoordiger dan wel op de nevenvestiging als rechtspersoon.
6. De aanvrager is gehouden aan de uitbesteding, bedoeld in het
vijfde lid, de schriftelijke voorwaarde te verbinden dat hij te allen
tijde opdrachten kan verstrekken in verband met de nakoming van de hem
krachtens dit besluit terzake van de voortdurende luchtwaardigheid
opgedragen verplichtingen.
7. Indien de aanvrager, bedoeld in het tweede lid, niet tevens de
eigenaar is van het luchtvaartuig, dan is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing op de eigenaar.
8. Indien de eigenaar, bedoeld in het zevende lid, niet voldoet
aan het tweede lid, schrijft Onze Minister het luchtvaartuig in het
register voor burgerluchtvaartuigen in, tenzij de eigenaar afkomstig is
uit een land waarmee Nederland de diplomatieke banden heeft verbroken.
Artikel 3
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de procedure van aanvraag tot afgifte, wijziging of doorhaling
van een inschrijving in het register voor burgerluchtvaartuigen,
alsmede de gegevens welke bij deze procedure worden verstrekt,
b. de vernieuwing van het inschrijvingsbewijs.
Hoofdstuk III. Type-certificaten
Paragraaf 1. Type-certificaten
Artikel 4
1. Onze Minister geeft op aanvraag van een JAA-persoon een
type-certificaat af, indien:
a. de aanvrager een DOA-JA heeft,
b. het te certificeren product aan de eisen, genoemd in artikel 5
voldoet, of indien niet volledig aan alle veiligheidseisen is voldaan,
het veiligheidsniveau op andere wijze is gegarandeerd, en
c. het product geen eigenschappen heeft waardoor het gebruik,
waarvoor het type-certificaat is aangevraagd, onveilig is.
2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing indien het
ontwerp van het product overeenkomstig bij ministeriële regeling vast
te stellen regels van eenvoudige aard is en de aanvrager heeft
aangetoond dat zijn organisatie van een adequate kwaliteitsborging is
voorzien.
Artikel 5
1. De eisen bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, zijn:
a. voor grote vliegtuigen: de luchtwaardigheidseisen in JAR-25,
b. voor kleine vliegtuigen: de luchtwaardigheidseisen in JAR-23,
c. voor zeer lichte vliegtuigen: de luchtwaardigheidseisen in JAR
VLA,
d. voor vliegtuigen die in staat zijn tot een automatische landing:
de luchtwaardigheidseisen in JAR-AWO,
e. voor grote helicopters: de luchtwaardigheidseisen in JAR 29,
f. voor kleine helicopters: de luchtwaardigheidseisen in JAR 27,
g. voor zweefvliegtuigen en motorzweefvliegtuigen: de
luchtwaardigheidseisen in JAR 22,
h. luchtschepen: de luchtwaardigheidseisen, zoals bepaald bij
ministeriële regeling,
i. voor landbouwluchtvaartuigen: de luchtwaardigheidseisen, zoals
bepaald bij ministeriële regeling,
j. voor sleepvliegtuigen: de luchtwaardigheidseisen, zoals bepaald
bij ministeriële regeling,
k. voor bemande vrije ballonnen en hetelucht-luchtschepen: de
luchtwaardigheidseisen, zoals bepaald bij ministeriële regeling,
l. voor luchtvaartuigen met voortstuwingsinrichting: de
geluidseisen van ICAO Annex 16, Vol. I,
m. voor voortstuwingsinrichtingen: de in JAR-E opgenomen
luchtwaardigheidseisen,
n. voor hulpaggregaten: de in JAR-APU opgenomen
luchtwaardigheidseisen,
o. voor propellers: de in JAR-P opgenomen luchtwaardigheidseisen,
en
p. voor uitrustingsstukken: de in JAR-TSO opgenomen
luchtwaardigheidseisen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld voor
andere dan de in het eerste lid genoemde luchtvaartuigen.
3. Tenzij Onze Minister besluit tot eerdere inwerkingtreding,
treedt een wijziging van een van de JAR's en de geldende JAA-procedures,
die zijn vermeld in de Bijlage II bij verordening (EEG) 3922/91, in
werking met ingang van de dag waarop overeenkomstig artikel 11 van die
verordening de betrokken wijziging is aangebracht.
4. Tenzij Onze Minister besluit tot eerdere inwerkingtreding,
treedt een wijziging van de overige JAR's onderscheidenlijk een
wijziging van ICAO Annex 16 Vol.1, in werking op het moment dat deze
wijziging door de JAA is vastgesteld onderscheidenlijk door ICAO van
toepassing is verklaard.
5. De eisen waaraan moet zijn voldaan, zijn de eisen zoals die
gelden op de dag waarop de aanvraag wordt ingediend, tenzij:
a. bij ministeriële regeling in het belang van de veiligheid later
van kracht geworden wijzigingen van toepassing worden verklaard,
b. de aanvrager verzoekt om later van kracht geworden wijzigingen
van de van toepassing zijnde JAR op zijn aanvraag van toepassing te
verklaren, of
c. de aanvrager verzoekt om de luchtwaardigheidseisen van
toepassing te verklaren zoals die in Nederland golden op het moment
van zijn oorspronkelijke aanvraag van een type-certificaat bij de
bevoegde autoriteit van een staat waarmee Onze Minister een
overeenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 6, onder b, die
voor hetzelfde ontwerp een type-certificaat heeft afgegeven op basis
van eisen die niet gelijkwaardig zijn aan de in het eerste lid
bedoelde eisen.
6. In het geval de aanvrager een verzoek indient in de zin van
het vijfde lid, onder b, toont hij ook aan dat het ontwerp voldoet aan
alle andere wijzigingen van de van toepassing zijnde JAR, die bij
ministeriële regeling van toepassing zijn verklaard.
7. Bij ministeriële regeling worden in het belang van de
veiligheid aanvullende eisen gesteld ten opzichte van de van toepassing
zijnde eisen, indien die eisen, de luchtwaardigheid onvoldoende
waarborgen, omdat:
a. het product nieuwe of ongewone ontwerp-aspecten heeft,
b. het voorgenomen gebruik van het product ongebruikelijk is, of
c. ervaring met soortgelijke producten heeft geleerd dat zich
onveilige omstandigheden kunnen ontwikkelen.
Artikel 6
1. Onze Minister geeft op aanvraag van een niet-JAA-persoon een
type-certificaat af indien:
a. de staat waarvan de aanvrager ingezetene is, dan wel waarin hij
is gevestigd, een ICAO-staat is,
b. Onze Minister met de onder a bedoelde staat een bilaterale
overeenkomst heeft gesloten, die is bekrachtigd dan wel beide staten
een multilaterale overeenkomst hebben bekrachtigd, op basis waarvan
gezamenlijke procedures zijn vastgesteld aangaande het aantonen dat
aan de eisen voor afgifte van type-certificaten, aanvullende
type-certificaten en bewijzen van luchtwaardigheid is voldaan,
c. Onze Minister op grond van de onder b bedoelde gezamenlijke
procedures constateert, dat aan de van toepassing zijnde eisen is
voldaan, of indien niet aan alle veiligheidseisen is voldaan, het
veiligheidsniveau op andere wijze is gegarandeerd,
d. het oorspronkelijke type-certificaat dan wel een daaraan
gelijkwaardig document door de bevoegde autoriteit van de staat van
uitvoer aan de aanvrager is afgegeven,
e. het product geen eigenschappen heeft waardoor het gebruik
waarvoor certificatie is aangevraagd, onveilig is, en
f. voorzieningen zijn getroffen om de voortdurende luchtwaardigheid
te garanderen.
2. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1. De houder van een type-certificaat, zijnde een JAA-persoon,
is bevoegd tot overdracht van het type-certificaat aan een houder van
een daarvoor door Onze Minister goedgekeurde DOA-JA.
2. De houder van een type-certificaat, zijnde een JAA-persoon, is
verplicht:
a. tot hetgeen JAR 21.3 voorschrijft,
b. het type-certificaat op verzoek aan de minister ter beschikking
stellen,
c. alle ontwerp-informatie, tekeningen, test- en inspectierapporten
ter beschikking te houden van de minister;
d. kopieën van handboeken op verzoek aan de minister ter
beschikking te stellen,
e. met de fabrikant het ontwerp en de productie op elkaar af te
stemmen en de voortdurende luchtwaardigheid van het product te
waarborgen, en
f. de instructies over voortdurende luchtwaardigheid aan de houders
van het betreffende luchtvaartuig ter beschikking te stellen en op
verzoek aan andere personen, die gehouden zijn deze instructies na te
leven.
3. De houder van een type-certificaat, zijnde een
niet-JAA-persoon, is verplicht te voldoen aan de onderdelen b tot en met
f van het tweede lid.
4. De houder van een type-certificaat, zijnde een
niet-JAA-persoon, is bevoegd tot overdracht van het type-certificaat aan
een niet-JAA-persoon:
a. die bereid is de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, op
zich te nemen;
b. ten aanzien van wie Onze minister op grond van de in artikel 6,
eerste lid, onderdeel b, bedoelde gezamenlijke procedures constateert
dat hij aan de verplichtingen kan voldoen.
Paragraaf 2. Wijziging type-certificaat
Artikel 8
1. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder, zijnde een
JAA-persoon, het type-certificaat, in verband met een ingrijpende
wijziging van een type-ontwerp, indien:
a. het gewijzigde product aan de van toepassing zijnde eisen
voldoet, of indien niet aan alle veiligheidseisen is voldaan, het
veiligheidsniveau op andere wijze is gegarandeerd, en
b. het product geen eigenschappen heeft waardoor het gebruik,
waarvoor wijziging van het type-certificaat is aangevraagd, onveilig
is.
2. Onze Minister wijzigt op aanvraag van een JAA-persoon, het
type-certificaat in verband met een geringe wijziging van het
type-ontwerp, indien:
a. Onze Minister deze wijziging als gering classificeert, het
gewijzigde product aan de van toepassing zijnde eisen voldoet, of
b. de classificatie als geringe wijziging door een houder van een
DOA-JA is gedaan volgens een procedure, waarmee Onze Minister heeft
ingestemd, en het gewijzigde product aan de van toepassing zijnde
eisen voldoet.
3. De eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de eisen
waarnaar het type-certificaat verwijst.
4. Indien de technische ontwikkeling van de eisen daartoe
aanleiding geeft, dan wel indien die eisen niet adequaat zijn, kunnen,
in afwijking van het derde lid, bij ministeriële regeling in het belang
van de veiligheid:
a. eisen van toepassing worden verklaard die gelden op het moment
waarop de aanvraag wordt ingediend en eventueel wijzigingen op die
eisen, en
b. speciale eisen worden gesteld en eventueel wijzigingen op die
eisen, die noodzakelijk zijn om een voldoende luchtwaardigheidsniveau
te waarborgen.
Artikel 9
1. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder het
type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon in verband met een
ingrijpende wijziging van het type-ontwerp, indien:
a. is voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a en b,
b. de bevoegde autoriteit van de staat van uitvoer met deze
wijziging heeft ingestemd,
c. Onze Minister op grond van de in artikel 6, eerste lid, onder b,
bedoelde gezamenlijke procedures constateert dat het gewijzigde
product aan de van toepassing zijnde eisen voldoet, of indien niet aan
alle veiligheidseisen is voldaan, het veiligheidsniveau op andere
wijze is gegarandeerd, en
d.het product geen eigenschappen heeft waardoor het voor het
gebruik waarvoor certificatie is aangevraagd, onveilig is.
2. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder het
type-certificaat dat is afgegeven door een autoriteit van een
niet-JAA-land in verband met een geringe wijziging van het type-ontwerp,
indien Onze Minister op grond van de in artikel 6, eerste lid, onder b,
bedoelde gezamenlijke procedures constateert dat het gewijzigde product
aan de van toepassing zijnde eisen voldoet.
3. Artikel 8, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 3. Aanvullende type-certificaten
Artikel 10
1. Onze Minister geeft op aanvraag van een JAA-persoon een
aanvullend type-certificaat af, indien:
a. het een aanvraag betreft in verband met een ingrijpende
wijziging van het type-ontwerp, dan wel van een onderdeel van een
product waarvoor een aanvullend type-certificaat is afgegeven,
b. de aanvrager beschikt over een DOA-JA,
c. is voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 8, eerste lid, en
d. de aanvrager zijn aanvraag zelf met eigen gegevens onderbouwt,
dan wel de aanvrager een overeenkomst heeft gesloten met de houder van
het type-certificaat, waarin deze verklaart geen technische bezwaren
te hebben tegen de ingediende beschrijving van de wijziging en zich
verbindt om de houder van het aanvullende type-certificaat te
ondersteunen bij diens verplichtingen ten aanzien van de voortdurende
luchtwaardigheid.
2. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien het
ontwerp van de wijziging naar het oordeel van Onze Minister van
eenvoudige aard is en de aanvrager heeft aangetoond dat zijn organisatie
van een adequate kwaliteitsborging is voorzien.
Artikel 11
Onze Minister geeft op aanvraag van een niet-JAA-persoon een
aanvullend type-certificaat af, indien:
a. is voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 9, eerste en
derde lid, en
b. de aanvrager een overeenkomst heeft gesloten met de houder van
het type-certificaat, waarin deze verklaart geen technische bezwaren
te hebben tegen de ingediende beschrijving van de wijziging en zich
verbindt samen met de houder van het aanvullende type-certificaat de
verplichtingen ten aanzien van voortdurende luchtwaardigheid te
zullen nakomen, dan wel in de overeenkomst, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onder b, afspraken zijn gemaakt omtrent de voortdurende
luchtwaardigheid.
Artikel 12
1. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een
JAA-persoon, is bevoegd tot overdracht van het aanvullend
type-certificaat aan een houder van een daarvoor naar het oordeel van
Onze Minister toegeruste DOA-JA.
2. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een
JAA-persoon, is verplicht:
a. te voldoen aan JAR 21.3;
b. het aanvullend type-certificaat op verzoek van de minister ter
beschikking te stellen;
c. alle ontwerp-informatie, tekeningen, test- en inspectierapporten
ter beschikking te houden van de minister;
d. kopieën van handboeken op verzoek aan de minister ter
beschikking te stellen, en
e. de instructies over voortdurende luchtwaardigheid aan de houders
van het betreffende luchtvaartuig ter beschikking te stellen en op
verzoek aan andere personen, die gehouden zijn deze instructies na te
leven.
3. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een
niet-JAA-persoon, is verplicht te voldoen aan de onderdelen b tot en met
e van het tweede lid.
4. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een
niet-JAA-persoon, is bevoegd tot overdracht van het type-certificaat aan
een niet-JAA-persoon:
a. die bereid is de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, op
zich te nemen;
b. ten aanzien van wie Onze Minister op grond van de in artikel 6,
eerste lid, onderdeel b, bedoelde gezamenlijke procedures constateert
dat hij aan de verplichtingen kan voldoen.
Paragraaf 3a. Wijziging aanvullende type-certificaten
Artikel 12a
1. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder, zijnde een
JAA-persoon, welke houder tevens de houder is van het relevante
type-certificaat, het aanvullend type-certificaat in verband met een
ingrijpende wijziging van het ontwerp, waar het aanvullend
type-certificaat betrekking op heeft, indien wordt voldaan aan de in
artikel 8, eerste lid, genoemde voorwaarden.
2. Onze Minister geeft op aanvraag van de houder van een
aanvullend type-certificaat, zijnde een JAA-persoon, welke niet de
houder is van het relevante type-certificaat, in verband met een
ingrijpende wijziging van het ontwerp, waar het aanvullende
type-certificaat betrekking op heeft, een nieuw aanvullend
type-certificaat af. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder, zijnde een
JAA-persoon, het aanvullende type-certificaatin verband met een geringe
wijziging van het ontwerp, waar het aanvullend type-certificaat
betrekking op heeft, indien:
a. Onze Minister deze wijziging als gering classificeert en het
gewijzigde product aan de van toepassing zijnde eisen voldoet, of
b. de classificatie als geringe wijziging door een houder van een
DOA-JA is gedaan volgens een procedure, waarmee Onze Minister heeft
ingestemd, en het gewijzigde product aan de van toepassing zijnde
eisen voldoet.
4. De eisen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn de
eisen waarnaar het aanvullend type-certificaat verwijst.
5. Indien de technische ontwikkeling van de eisen daartoe
aanleiding geeft, dan wel indien die eisen niet adequaat zijn, kunnen,
in afwijking van het derde lid, bij ministeriële regeling in het belang
van de veiligheid:
a. eisen van toepassing worden verklaard die gelden op het moment
waarop de aanvraag wordt ingediend en eventueel wijzigingen op die
eisen, en
b. speciale eisen worden gesteld en eventueel wijzigingen op die
eisen, die noodzakelijk zijn om een voldoende luchtwaardigheidsniveau
te waarborgen.
Artikel 12b
1. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder, zijnde een
niet-JAA-persoon, welke houder tevens de houder is van het relevante
type-certificaat, het aanvullend type-certificaat in verband met een
ingrijpende wijziging van het ontwerp, waar het aanvullend
type-certificaat betrekking op heeft, indien is voldaan aan de in
artikel 9 genoemde voorwaarden.
2. Onze Minister geeft op aanvraag van de houder van een
aanvullend type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon, welke niet de
houder is van het relevante type-certificaat, in verband met een
ingrijpende wijziging van het ontwerp, waar het aanvullende
type-certificaat betrekking op heeft, een nieuw aanvullend
type-certificaat af. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister wijzigt op aanvraag van de houder, zijnde een
niet-JAA-persoon, het aanvullend type-certificaat, waarbij de primaire
certificerende autoriteit, de autoriteit van een JAA-land is, in verband
met een geringe wijziging van het ontwerp, waar het aanvullende
type-certificaat betrekking op heeft, indien het gewijzigde product aan
de van toepassing zijnde eisen voldoet.
4. Onze Minister geeft op aanvraag van de houder van een
aanvullend type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon, waarbij de
primaire certificerende autoriteit, de autoriteit is van een
niet-JAA-land, in verband met een geringe wijziging van het ontwerp,
waar het aanvullende type-certificaat betrekking op heeft, een nieuw
aanvullend type-certificaat af. Artikel 11 is van overeenkomstige
toepassing.
5. Artikel 12a, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 4. Producten en onderdelen waarvoor geen JAR's gelden
Artikel 13
1. De artikelen 4 en 6 tot en met 12 zijn van overeenkomstige
toepassing op een type-certificaat, een wijziging van een
type-certificaat dan wel een aanvullend type-certificaat voor
producten, waarvoor geen JAR's gelden, alsmede op de houders van die
certificaten.
2. In afwijking van het eerste lid, kunnen bij ministeriële
regeling andere regels worden gesteld.
Artikel 13a
1. Onze Minister geeft op aanvraag van een JAA-persoon een
ontwerpgoedkeuring af voor een onderdeel van een luchtvaartuig, niet
zijnde een uitrustingsstuk, indien de aanvrager aantoont dat het
onderdeel voldoet aan de eisen die van toepassing zijn op het type
luchtvaartuig waarvoor het onderdeel bedoeld is, zoals genoemd in
artikel 5.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het eerste lid, alsmede de aanvraag van een ontwerpgoedkeuring
van een onderdeel, de wijze waarop de aanvrager aantoont aan de van
toepassing zijnde eisen voldoet en de procedure van aanvraag.
Paragraaf 5. Procedurele regels
Artikel 14
1. Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden bepaald
waaronder vluchten worden uitgevoerd ter verkrijging van een
type-certificaat, een wijziging van een type-certificaat dan wel een
aanvullend type-certificaat.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
betreffende:
a. de aanvraag, de aanvrager en de afgifte van een type-certificaat,
dan wel van een aanvullend type-certificaat en van de wijziging van
een type-certificaat of een aanvullend type-certificaat,
b. de wijze waarop de aanvrager aantoont dat hij aan alle op hem
van toepassing zijnde eisen voldoet,
c. een aanvraag waarop artikel 4, tweede lid, en artikel 10, tweede
lid, van toepassing is en de wijze waarop deze wordt ingediend, en
d. de overdracht alsmede de procedure van aanvraag om afgifte,
wijziging, schorsing en intrekking van een type-certificaat dan wel
van een aanvullend type-certificaat.
Hoofdstuk IV. Bewijzen van luchtwaardigheid
Artikel 15
1. Onze Minister kan de volgende bewijzen van luchtwaardigheid
afgeven:
a. het standaard-BvL,
b. het speciaal-BvL, of
c. het export-BvL
2. Het bewijs, bedoeld in het eerste lid, onder a, is geldig voor
het internationaal uitvoeren van vluchten.
3. Het bewijs, bedoeld in het eerste lid, onder b, is slechts
geldig voor het uitvoeren van vluchten binnen het vluchtinformatiegebied
Amsterdam.
4. Het bewijs, bedoeld in het eerste lid, onder c houdt, in
combinatie met een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onder a, een
toestemming in tot het uitvoeren van vluchten.
5. De aan het bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in het
eerste lid onder a of b verbonden voorschriften of beperkingen, worden
neergelegd in een bijlage bij het bewijs van luchtwaardigheid.
Artikel 16
1. Onze Minister geeft op aanvraag aan de houder van een
luchtvaartuig een standaard-BvL af, indien het luchtvaartuig in staat
is om op veilige wijze vluchten uit te voeren, en:
a. het luchtvaartuig is ontworpen en geproduceerd in Nederland en
het luchtvaartuig, alsmede onderdelen en uitrustingsstukken daarvan,
voldoen aan het door Onze Minister afgegeven type-certificaat, dat
voor het desbetreffende type is afgegeven, de van toepassing zijnde
aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel
3.22, tweede lid, van de wet,
b. het luchtvaartuig voldoet aan het type-certificaat dat door Onze
Minister is afgegeven op basis van een door de JAA uitgevoerde
certificatieprocedure, de van toepassing zijnde aanvullende
type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede
lid, van de wet,
c. het luchtvaartuig geproduceerd is in en afkomstig is uit een
staat waarmee Onze Minister een overeenkomst heeft gesloten, aangaande
wederzijdse erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, en
1°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister
afgegeven type-certificaat, de van toepassing zijnde aanvullende
type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22,
tweede lid, van de wet, en voldoet aan de bijzondere eisen die op de
datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van
toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat
of staten, of
2°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister
goedgekeurd type-ontwerp, de van toepassing zijnde aanwijzingen,
bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, is ontworpen en
geproduceerd overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van
de betrokken staat en voldoet aan de bijzondere eisen die op de
datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van
toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat
of staten, of
d. het luchtvaartuig geproduceerd is in of afkomstig is uit een
staat waarmee Onze Minister geen overeenkomst heeft gesloten aangaande
wederzijdse erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, en indien het
luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd
type-ontwerp en de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in
artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en is ontworpen en geproduceerd,
overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de staat van
oorsprong.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste lid bepaalde.
Artikel 17
Onze Minister geeft op aanvraag van de houder van een luchtvaartuig
een speciaal-BvL af indien het luchtvaartuig in staat is om op veilige
wijze vluchten uit te voeren en voldoet aan bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
Artikel 18
1. Onze Minister geeft op aanvraag aan de houder van een nieuw
luchtvaartuig het export-BvL af, indien:
a. Onze Minister met de staat van invoer een overeenkomst heeft
gesloten aangaande de erkenning van het export-BvL,
b. het luchtvaartuig voldoet aan een type-ontwerp dat acceptabel is
voor de bevoegde autoriteit van de staat van invoer;
c. het luchtvaartuig is geproduceerd door een houder van een POA,
dan wel door degene die toestemming heeft verkregen, als bedoeld in
artikel 41,
d. het luchtvaartuig voldoet aan de aanvullende eisen voor invoer
die de bevoegde autoriteit van de staat van invoer stelt,
e. de bij ministeriële regeling vereiste documentatie is
overgelegd,
f. het luchtvaartuig is geïdentificeerd overeenkomstig JAR 21,
subpart Q, en
g. het luchtvaartuig zich op een zodanige plaats bevindt, dat Onze
Minister kan vaststellen dat aan de onder b tot en met f, gestelde
eisen is voldaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gebruikte
luchtvaartuigen, met uitzondering van onderdeel c, en met dien verstande
dat de houder beschikt over een standaard-BvL, dan wel het luchtvaartuig
in aanmerking komt voor een standaard-BvL.
3. Aan de eisen in het eerste lid, onder b tot en met e en het
tweede lid, behoeft niet te worden voldaan, indien de bevoegde
autoriteit van de staat van invoer daarmee instemt.
4. In het geval beschreven in het derde lid, worden afwijkingen
van het product ten opzichte van het type-certificaat op het
exportbewijs als uitzonderingen opgenomen.
Artikel 19
1. Een standaard-BvL voor een zweefvliegtuig of een
motorzweefvliegtuig wordt afgegeven of verlengd voor een periode van
ten hoogste 2 jaren.
2. Een standaard-BvL voor een luchtvaartuig niet zijnde
zweefvliegtuig of een motorzweefvliegtuig wordt afgegeven of verlengd
voor een periode van ten hoogste 1 jaar.
3. Een speciaal-BvL, wordt afgegeven of verlengd voor een periode
van ten hoogste 1 jaar.
4. Het export-BvL wordt eenmalig afgegeven.
Artikel 20
1. De houder van een bewijs van luchtwaardigheid is verplicht
zijn vliegtuig, helicopter dan wel luchtschip, die voor commercieel
vervoer worden gebruikt, te laten onderhouden door de houder van een
MOA, dan wel door een door Onze Minister op grond van artikel 3.28 van
de wet erkend bedrijf.
2. De houder van een bewijs van luchtwaardigheid laat andere dan
de in het eerste lid bedoelde luchtvaartuigen, onderhouden door de
houder van een MOA, door de houder van een erkenning inzake onderhoud
als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder e, dan wel door de houder
van een bewijs van bevoegdheid inzake onderhoud ingevolge artikel 3.30
van de wet.
3. Onderhoud van luchtvaartuigen geschiedt overeenkomstig de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 21
1. De houder van een bewijs van luchtwaardigheid, met
uitzondering van de houder van een export-BvL, is verplicht:
a. alle op basis van de van toepassing zijnde JAR vereiste
informatie in een bij ministeriële regeling te bepalen taal ter
beschikking te hebben, en
b. de identificatie-eisen voor producten en onderdelen van JAR 21,
subpart Q na te komen.
2. De houder van een export-BvL is verplicht:
a. aan de autoriteit van de staat van invoer alle informatie te
verschaffen ten behoeve van het goed functioneren van het
luchtvaartuig, alsmede de assemblagegegevens indien een luchtvaartuig
niet geassembleerd wordt ingevoerd,
b. het niet geassembleerde luchtvaartuig goed te verpakken tijdens
vervoer of opslag, en
c. tijdelijke installaties aan het luchtvaartuig ten behoeve van
het vervoer na aankomst in de staat van invoer te verwijderen.
Artikel 22
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag van de verschillende bewijzen van
luchtwaardigheid,
b. de wijziging, overdracht, verlenging en vernieuwing van een
bewijs van luchtwaardigheid,
c. de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, schorsing en
intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid, en
d. de wijze waarop de houder van een luchtvaartuig kan aantonen
dat het noodzakelijke onderhoud heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk V. Geluidscertificaten, geluidsverklaringen en aanvullende
geluidsverklaringen
Paragraaf 1. Geluidscertificaten
Artikel 22a
Onze Minister geeft op aanvraag aan de houder van een luchtvaartuig
een geluidscertificaat af, indien het luchtvaartuig voldoet aan de
geluidseisen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel l, en:
a. het luchtvaartuig voldoet aan het type-certificaat en de van
toepassing zijnde aanvullende type-certificaten die door Onze
Minister zijn afgegeven of erkend, of
b. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister
goedgekeurd type-ontwerp en is ontworpen en geproduceerd
overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de staat van
oorsprong.
Artikel 22b
1. Op het geluidscertificaat vermeldt Onze Minister de gegevens
die zijn vastgelegd ten behoeve van de afgifte van het typecertificaat
en de eventueel van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens niet beschikbaar
zijn, kan Onze Minister op het geluidscertificaat vermelden:
a. de gegevens welke zijn vastgelegd bij een goedgekeurd
type-ontwerp;
b. de gegevens van een door Onze Minister met betrekking tot het
desbetreffende luchtvaartuig geaccepteerd meetrapport;
c. de gegevens op basis van een door Onze Minister geaccepteerde
conservatieve schatting van de geluidsproductie;
d. de limietwaarden van de geluidsproductie.
Paragraaf 2. Geluidsverklaringen en aanvullende geluidsverklaringen
Artikel 22c
1. Op aanvraag van de houder van een luchtvaartuig waarvoor
geen geluidseisen gelden kan Onze Minister voor het geluid relevante
gegevens op een geluidsverklaring vermelden. Hiertoe legt de aanvrager
met betrekking tot dat luchtvaartuig geluidsniveaus vast aan de hand
van een naar het oordeel van Onze Minister adequate en betrouwbare
meetmethode. De aanvrager verstrekt de gegevens over de geluidsniveaus
aan Onze Minister.
2. Onze Minister kan op aanvraag van de houder van een
luchtvaartuig waarvoor geluidseisen gelden de voor het geluid relevante
gegevens op een aanvullende geluidsverklaring vermelden. Hiertoe worden
met betrekking tot dat luchtvaartuig geluidsniveaus vastgelegd en
overgelegd aan de hand van een naar het oordeel van Onze Minister
adequate en betrouwbare meetmethode.
Paragraaf 3. Procedurele regels
Artikel 22d
Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent:
a. de procedure van aanvraag van een (voorlopig)
geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een
(voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
b. de procedure van wijziging, overdracht, schorsing, intrekking,
verlenging en vernieuwing van een (voorlopig) geluidscertificaat,
een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende
geluidsverklaring.
Hoofdstuk VI. Erkenningen
Artikel 23
1. Onze Minister kan de volgende erkenningen verlenen:
a. een DOA-JA,
b. een DOA-JB,
c. een POA,
d. een MOA, of
e. een erkenning voor werkzaamheden die verband houden met de
luchtwaardigheid en de geluidsproductie van producten of onderdelen,
met uitzondering van werkzaamheden die reeds onder een van de
erkenningen in de onderdelen a tot en met d vallen.
2. Onze Minister kan aan een POA tevens één van de volgende
machtigingen verbinden:
a. een JTSO-machtiging, en
b. een JPA-machtiging.
Artikel 24
1. Onze Minister verleent op aanvraag van een JAA-persoon een
DOA-JA, indien:
a. de aanvrager een organisatie met inbegrip van een
kwaliteitssysteem heeft dat waarborgt dat de ontwerpen aan de eisen
voldoen, en
b. de aanvrager een handboek heeft waarin zijn organisatie, de
procedures, de ontwerpen en de aan het personeel te stellen eisen
worden omschreven.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste lid bepaalde.
3. Een DOA-JA geldt voor de in de erkenning genoemde
ontwerp-werkzaamheden, de categorieën producten, de specifieke
producten en wijzigingen daarvan, en geeft de taken aan ten aanzien van
de luchtwaardigheid en de geluidsproductie van die producten.
Artikel 25
1. Onze Minister kan aan de houder van een DOA-JA een of meer
van de volgende bevoegdheden verlenen, die worden opgenomen in zijn
erkenning:
a. technische documentatie te keuren,
b. ontwerp-wijzigingen te classificeren als een ingrijpende of
geringe wijziging van het type-ontwerp, op basis van een door Onze
Minister overeengekomen procedure,
c. geringe wijzigingen van het type-ontwerp te keuren, op basis van
een door Onze Minister vastgestelde procedure,
d. informatie en instructies uit te geven die betrekking hebben op
de wijziging van het type-ontwerp en te verklaren dat ze zijn
goedgekeurd op basis van een door Onze Minister overeengekomen
procedure,
e. tekstuele wijzigingen van de minimum uitrustingslijst en van het
vlieghandboek te keuren, deze uit te geven en te verklaren dat ze zijn
goedgekeurd, op basis van een door Onze Minister vastgestelde
procedure,
f. ingrijpende wijzigingen van het type-ontwerp voor zover het
betreft herstel te keuren, op basis van een door Onze Minister
vastgestelde procedure.
2. De houder van een DOA-JA is verplicht:
a. het in artikel 24, eerste lid, onder b, bedoelde handboek
actueel te houden,
b. dit handboek als een bindende instructie te gebruiken,
c. de ontwerpen indien nodig aan te passen aan de van toepassing
zijnde eisen, en
d. aan Onze Minister informatie of instructies te overhandigen die
betrekking hebben op de vereiste activiteiten van JAR 21.3(d) zodat
voldaan wordt aan de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22 van de wet.
Artikel 26
1. Onze Minister verleent op aanvraag van een JAA-persoon een
DOA-JB, indien:
a. de aanvrager een organisatie met inbegrip van een
kwaliteitssysteem heeft dat waarborgt dat de ontwerpen aan de eisen
voldoen, en
b. de aanvrager een handboek heeft waarin zijn organisatie, de
procedures, de ontwerpen en de aan het personeel te stellen eisen
worden omschreven.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste lid bepaalde.
3. Een DOA-JB geldt voor de in de erkenning genoemde
ontwerpwerkzaamheden, de categorieën onderdelen en geeft de
werkzaamheden aan die mogen worden uitgevoerd ten aanzien van de
luchtwaardigheid van die onderdelen.
Artikel 27
De houder van een DOA-JB is verplicht:
a. het in artikel 26, eerste lid, onder b, bedoelde handboek
actueel te houden, en
b. dit handboek als een bindende instructie te gebruiken.
Artikel 28
1. Onze Minister verleent op aanvraag van een JAA-persoon een
POA, indien:
a. de aanvrager een organisatie met inbegrip van een
kwaliteitssysteem heeft dat waarborgt dat ieder geproduceerd product
of onderdeel aan het van toepassing zijnde ontwerp voldoet en geschikt
is voor veilig gebruik, en
b. de aanvrager een handboek heeft waarin de organisatie wordt
omschreven.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste lid bepaalde.
3. Een POA geldt voor de in de erkenning genoemde
productiewerkzaamheden, de producten dan wel de categorieën onderdelen
waarvoor de houder de in artikel 29, eerste lid, bedoelde bevoegdheden
heeft.
4. Artikel 5, vierde lid, is van toepassing.
Artikel 29
1. De houder van een POA is bevoegd tot:
a. het afgeven van een verklaring van conformiteit voor een
luchtvaartuig, ter verkrijging van een bewijs van luchtwaardigheid,
zonder nader onderzoek,
b. het afgeven van een certificaat van vrijgave voor
voortstuwingsinrichtingen, propellers en onderdelen, en
c. het onderhouden van nieuwe, door hem geproduceerde,
luchtvaartuigen en ten aanzien van dat onderhoud een certificaat van
vrijgave voor gebruik af te geven.
2. De houder van een POA is verplicht:
a. het in artikel 28, eerste lid, onder b, bedoelde handboek te
gebruiken en actueel te houden,
b. voorafgaand aan de afgifte van een van de documenten, bedoeld in
het eerste lid, vast te stellen dat het product dan wel onderdeel
voldoet aan het van toepassing zijnde ontwerp, het noodzakelijke
onderhoud is uitgevoerd en het product dan wel onderdeel geschikt is
voor veilig gebruik,
c. gegevens te bewaren volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels,
d. afwijkingen van een product of onderdeel van het van toepassing
zijnde ontwerp, die worden geconstateerd na afgifte door de houder van
een POA van een van de documenten, bedoeld in het eerste lid, te
melden aan de houder van het type-certificaat, dan wel aan de houder
van het goedgekeurde ontwerp en mee te werken aan het onderzoek of die
afwijkingen tot een onveilige situatie kunnen leiden,
e. de onder d, bedoelde afwijkingen aan Onze Minister te melden op
een bij ministeriële regeling te bepalen wijze,
f. de onder d, bedoelde afwijkingen te melden aan alle andere
betrokkenen bij het productieproces,
g. assistentie te verlenen aan de houder van het type-certificaat,
dan wel aan de houder van het goedgekeurde ontwerp om de voortdurende
luchtwaardigheid te waarborgen,
h. de door hem vervaardigde producten van een merkteken te voorzien
overeenkomstig JAR 21 Subpart Q, en
i. te voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
aanzien van veranderingen die de houder van een POA betreffen.
Artikel 30
1. Onze Minister verleent op aanvraag van een JAA-persoon een
MOA, indien:
a. de aanvrager een organisatie met inbegrip van een
kwaliteitssysteem heeft dat waarborgt dat ieder onderhouden product of
onderdeel ten aanzien van het uitgevoerde onderhoud aan de van
toepassing zijnde eisen voldoet en geschikt is voor veilig gebruik, en
b. de aanvrager een handboek heeft waarin de organisatie wordt
omschreven.
2. Onze Minister verleent op aanvraag van een niet-JAA-persoon
een MOA, indien:
a. de aanvrager voldoet aan het eerste lid,
b. de aanvrager heeft aangetoond dat er een noodzaak is om in een
niet-JAA-land producten of onderdelen te onderhouden door de houder
van een MOA, en
c. de aanvraag wordt ondersteund door de JAA.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste en tweede lid bepaalde.
4. Een MOA geldt voor de in de erkenning genoemde werkzaamheden,
producten dan wel categorieën onderdelen, waarvoor de houder de in
artikel 31, eerste lid, bedoelde bevoegdheden heeft.
5. Artikel 5, derde lid, is van toepassing.
6. Bij ministeriële regeling kan een van de eisen, bedoeld in
het eerste lid, worden uitgezonderd en kunnen aanvullende eisen worden
gesteld om een gelijkwaardig veiligheidsniveau te garanderen.
Artikel 31
1. De houder van een MOA is, voor zover opgenomen in zijn
erkenning, bevoegd tot:
a. het onderhouden van luchtvaartuigen of onderdelen daarvan
waarvoor hij erkend is, op de locaties die in de erkenning zijn
genoemd,
b. het onder zijn verantwoordelijkheid uitbesteden van onderhoud,
c. het op iedere locatie uitvoeren van onderhoud aan
luchtvaartuigen waarvoor hij is erkend, dat nodig is als gevolg van
het in onbruikbare staat zijn van het luchtvaartuig dan wel het
ondersteunen van incidenteel lijnonderhoud, volgens een procedure
waarmee Onze Minister heeft ingestemd,
d. onderhoud van een luchtvaartuig waarvoor hij is erkend op een in
het handboek genoemde locatie voor lijnonderhoud waar klein onderhoud
kan worden gedaan, en
e. de afgifte van een certificaat van vrijgave voor gebruik ten
aanzien van het bepaalde onder a tot en met d.
2. De houder van een MOA is verplicht:
a. het in artikel 30, eerste lid, onder b, bedoelde handboek te
gebruiken en actueel te houden,
b. zeker te stellen dat, voorafgaande aan de afgifte van het
document, bedoeld in het eerste lid onder e, het vereiste onderhoud
naar behoren is uitgevoerd en het luchtvaartuig of onderdeel als
gevolg van dat onderhoud geschikt is voor veilig gebruik,
c. gegevens te bewaren volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels,
d. te melden aan de houder van het type-certificaat, dan wel aan de
houder van het goedgekeurde ontwerp dat een product of onderdeel, in
een zodanige staat verkeert dat het luchtvaartuig ernstig in gevaar
gebracht kan worden of dat de geluidsproductie in aanzienlijke mate
nadelig beïnvloed kan worden,
e. de onder d bedoelde staat te melden aan Onze Minister op een bij
ministeriële regeling te bepalen wijze,
f. de onder d bedoelde staat te melden aan de houder van het
luchtvaartuig, en
g. te voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
aanzien van veranderingen die de houder van een MOA betreffen.
Artikel 32
1. Onze Minister verleent op aanvraag een erkenning als bedoeld
in artikel 23, eerste lid onder e, indien:
a. de aanvrager een organisatie met inbegrip van een
kwaliteitssysteem heeft dat waarborgt dat de resultaten van de
werkzaamheden aan de van toepassing zijnde eisen voldoen en niet tot
een onveilige situatie kunnen leiden, en
b. de aanvrager een handboek heeft waarin de organisatie wordt
omschreven.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste lid bepaalde.
3. Een erkenning geldt voor de in de erkenning genoemde
werkzaamheden, producten dan wel categorieën onderdelen, waarvoor de
houder de in artikel 33, eerste lid, bedoelde bevoegdheden heeft.
Artikel 33
1. De houder van een erkenning als bedoeld in artikel 32, is
bevoegd tot:
a. de werkzaamheden die zijn opgenomen in de erkenning, en
b. de afgifte van een certificaat van vrijgave dan wel een
certificaat van vrijgave voor gebruik ten aanzien van het bepaalde
onder a.
2. De houder van een erkenning als bedoeld in artikel 32, is
verplicht:
a. het in artikel 32, eerste lid, onder b, bedoelde handboek te
gebruiken en actueel te houden,
b. voorafgaande aan de afgifte van een document bedoeld in het
eerste lid onder b, vast te stellen dat de resultaten van de
werkzaamheden voldoen aan de van toepassing zijnde eisen, de
werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd en de resultaten niet tot
onveilige situaties kunnen leiden,
c. gegevens te bewaren volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels,
d. in het geval van een ontwerperkenning de ontwerpen indien nodig
aan te passen aan de van toepassing zijnde eisen,
e. in het geval van een ontwerperkenning alle proefprogramma's of
proeven in het kader van toezicht tijdig aan Onze Minister ter
beschikking te stellen,
f. in het geval van een productie-erkenning, afwijkingen van een
product of onderdeel van het van toepassing zijnde ontwerp, die worden
geconstateerd na afgifte van een certificaat als bedoeld in het eerste
lid, onder b, te melden aan de houder van het type-certificaat, dan
wel aan de houder van het goedgekeurde ontwerp en mee te werken aan
het onderzoek of die afwijkingen tot een onveilige situatie kunnen
leiden,
g. in het geval van een productie-erkenning de onder f bedoelde
afwijkingen te melden aan alle andere betrokkenen bij het
productieproces,
h. in het geval van een onderhoudserkenning een zodanige staat van
een product of onderdeel, die het luchtvaartuig ernstig in gevaar kan
brengen, te melden aan de houder van het type-certificaat, dan wel aan
de houder van het goedgekeurde ontwerp,
i. in het geval van een onderhoudserkenning de onder h bedoelde
staat te melden aan de houder van het luchtvaartuig,
j. in het geval van een productie- of onderhoudserkenning de onder
f en h bedoelde afwijkingen en staat te melden aan Onze Minister op
een bij ministeriële regeling te bepalen wijze,
k. te voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
aanzien van veranderingen die de houder van een erkenning betreffen,
en
l. in het geval van een erkenning als bedoeld in artikel 23, eerste
lid, onderdeel e, de bij ministeriële regeling vastgestelde
meetgegevens en meetresultaten op een bij die regeling vastgestelde
wijze aan Onze Minister ter beschikking te stellen.
Artikel 34
Onze Minister verleent op aanvraag van een JAA-persoon een
JTSO-machtiging, indien:
a. de aanvrager houder is van een POA,
b. de aanvrager tevens houder is van een DOA-JA, wanneer Onze
Minister heeft bepaald dat de JTSO van dat onderdeel kwalitatieve
ontwerpeisen bevat, en
c. het onderdeel voldoet aan de van toepassing zijnde JTSO en de
aanvrager een verklaring van overeenstemming heeft afgegeven.
Artikel 35
1. De houder van een JTSO-machtiging is bevoegd tot het
produceren van een onderdeel dat aan de van toepassing zijnde JTSO
voldoet en tot het aanbrengen van een JTSO-merkteken op dat onderdeel.
2. De houder van een JTSO-machtiging is verplicht:
a. tot het produceren van elk onderdeel in overeenstemming met de
POA,
b. van elk onderdeel een geactualiseerd databestand bij te houden,
c. van elk onderdeel de vereiste handboeken bij te houden,
d. met de fabrikant het ontwerp en de productie op elkaar af te
stemmen en de voortdurende luchtwaardigheid van het product te
waarborgen,
e. ieder onderdeel te identificeren in overeenstemming met JAR 21,
subpart Q, en
f. te voldoen aan JAR 21.3.
Artikel 36
Onze Minister verleent op aanvraag van een niet-JAA-persoon een
JTSO-machtiging, indien:
a. een verklaring van overeenstemming is afgegeven via de
bevoegde autoriteit van de staat van uitvoer, en
b. is aangetoond dat het onderdeel volgens de met de staat van
uitvoervastgestelde gezamenlijke procedures, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onder b, voldoet aan de van toepassing zijnde JTSO.
Artikel 37
Onze Minister verleent op aanvraag een JPA-machtiging, indien de
aanvrager beschikt over een POA voor de betreffende onderdelen, en
a. indien het gaat om een wijzigingsonderdeel, Onze Minister met
de installatie daarvan als een geringe wijziging heeft ingestemd, of
b. indien het een vervangingsonderdeel betreft, Onze Minister het
bewijs heeft geaccepteerd dat het aan de ontwerpeisen voldoet.
Artikel 38
1. De houder van een JPA-machtiging is bevoegd tot het
aanbrengen van een JPA-merkteken op een onderdeel, zoals bepaald in
JAR 21, subpart Q.
2. De houder van een JPA-machtiging is verplicht:
a. tot het produceren van elk onderdeel in overeenstemming met de
POA,
b. met de fabrikant het ontwerp en de productie op elkaar af te
stemmen en de voortdurende luchtwaardigheid van het product te
waarborgen, en
c. te voldoen aan JAR 21.3.
Artikel 39
1. Een DOA-JA, DOA-JB, POA, een MOA en een erkenning bedoeld in
artikel 23, eerste lid, onder e, worden verleend voor ten hoogste twee
jaren.
2. De JTSO- en de JPA-machtiging zijn geldig zolang de POA
waaraan zij zijn verbonden, geldig is.
Artikel 40
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag, de wijziging en de verlenging van een erkenning,
b. de procedure van aanvraag, verlenging, wijziging, schorsing of
intrekking van een erkenning,
c. de wijze waarop de aanvrager aantoont dat hij aan de gestelde
eisen voldoet, en
d. het model en de uitvoering van het certificaat van vrijgave,
het certificaat van vrijgave voor gebruik, de verklaring van
conformiteit en de verklaring van overeenstemming.
Artikel 41
1. Onze Minister verleent op aanvraag van een JAA-persoon
toestemming om een individueel product of een onderdeel daarvan te
produceren in overeenstemming met het ontwerp, indien de aanvrager:
a. een productie-inspectiesysteem heeft dat waarborgt dat het
product of onderdeel aan het ontwerp voldoet en geschikt is voor
veilig gebruik, en
b. over een handboek beschikt, waarin het
productie-inspectiesysteem omschreven.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent het in het eerste lid bepaalde.
3. De toestemming geldt voor de in de beschikking genoemde
werkzaamheden waarvoor de houder de in artikel 42 bedoelde bevoegdheden
heeft.
Artikel 42
1. Degene die toestemming heeft verkregen als bedoeld in
artikel 41, eerste lid, is bevoegd tot de afgifte van een verklaring
van conformiteit voor ieder, op basis van die toestemming,
geproduceerd product of onderdeel.
2. Onze Minister bekrachtigt de in het eerste lid bedoelde
verklaring in het geval van:
a. een eerste eigendomsoverdracht,
b. een aanvraag voor een bewijs van luchtwaardigheid, of
c. een aanvraag voor een certificaat van vrijgave ten aanzien van
de luchtwaardigheid, indien het product of onderdeel naar zijn oordeel
voldoet aan het ontwerp en geschikt is voor veilig gebruik.
3. Degene die toestemming heeft verkregen als bedoeld in artikel
41, eerste lid, is verplicht:
a. het in artikel 41, eerste lid, onder b, bedoelde handboek te
gebruiken en actueel te houden,
b. voorafgaand aan de afgifte van een verklaring als bedoeld in het
eerste lid, vast te stellen dat het product dan wel het onderdeel
voldoet aan het van toepassing zijnde ontwerp en geschikt is voor
veilig gebruik,
c. alle geproduceerde producten of onderdelen in het kader van
toezicht tijdig aan Onze Minister ter beschikking te stellen,
d. gegevens te bewaren volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels,
e. afwijkingen van een product of onderdeel van het van toepassing
zijnde ontwerp, die worden geconstateerd na afgifte van een verklaring
van conformiteit als bedoeld in het eerste lid, te melden aan de
houder van het ontwerp en mee te werken aan het onderzoek of die
afwijkingen tot een onveilige situatie kunnen leiden,
f. de onder e bedoelde afwijkingen te melden aan Onze Minister op
een bij ministeriële regeling te bepalen wijze,
g. de onder e bedoelde afwijkingen te melden aan alle andere
betrokkenen bij het productieproces,
h. assistentie te verlenen aan de houder van het ontwerp om de
voortdurende luchtwaardigheid te waarborgen, en
i. te voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
aanzien van veranderingen die de degene die toestemming heeft
verkregen als bedoeld in artikel 41, betreffen.
Artikel 43
Elk product en onderdeel afkomstig uit een niet-JAA-land voldoet aan
een type-certificaat of JTSO, dan wel, indien het om standaardonderdelen
gaat, is in overeenstemming met de gezamenlijke procedures, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder b, die met de betreffende staat zijn
vastgesteld.
Artikel 44
1. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een
erkenning of een machtiging in de zin van artikel 23 of een
toestemming in de zin van artikel 41, voor producten of onderdelen
waarvoor geen JAR's gelden.
2. In afwijking van het eerste lid, kunnen bij ministeriële
regeling andere regels worden gesteld.
Artikel 45
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven met
betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder
voortstuwingsinrichtingen.
Hoofdstuk VII. Vergoedingen
Artikel 46
1. Een vergoeding is verschuldigd voor:
a. de behandeling van de aanvraag om wijziging dan wel doorhaling
van de inschrijving;
b. de afgifte en vernieuwing van een bewijs van inschrijving,
c. de behandeling van de aanvraag om afgifte, wijziging of
overdracht van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat,
een ontwerpgoedkeuring van een onderdeel of een bewijs van
luchtwaardigheid of de verlenging van zulk een bewijs, dan wel de
vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid of de aanvraag van een
ontheffing;
d. de behandeling van de aanvraag om afgifte, wijziging of
vernieuwing van een geluidscertificaat, een geluidsverklaring of een
aanvullende geluidsverklaring, en
e. de behandeling van de aanvraag om afgifte, verlenging,
vernieuwing of wijziging van een erkenning of van een aan een
erkenning verbonden machtiging.
2. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de
vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.
3. Bij ministeriële regeling wordt de wijze van betaling van de
verschuldigde vergoeding vastgesteld.
Artikel 47
1. De beslissing op een aanvraag voor de toepassing van de
handelingen in artikel 46, eerste lid, onderdelen a tot en met c, voor
zover die aanvraag betrekking heeft op een bewijs van luchtwaardigheid
of een ontheffing, wordt slechts genomen nadat is gebleken dat de
verschuldigde vergoeding is betaald.
2. De beslissing op een aanvraag voor de toepassing van de
handelingen in artikel 46, eerste lid, onderdeel c, voor zover die
betrekking heeft op type-certificaten, aanvullende type-certificaten en
erkenningen en machtigingen, en onderdeel d wordt slechts genomen nadat
is gebleken dat alle voorafgaande facturen ten aanzien van de gevraagde
handeling, verstuurd tot 30 dagen voorafgaande aan de datum van de
beslissing, zijn voldaan.
3. Wanneer na de betaling van de verschuldigde vergoeding degene,
die een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, heeft ingediend,
verzoekt die aanvraag als niet ingediend te beschouwen, kan hem op zijn
verzoek een, nader door Onze Minister in elk geval afzonderlijk te
bepalen, bedrag worden terugbetaald.
Hoofdstuk VIII. Straf- en slotbepalingen
Artikel 48
Overtreding van artikel 20, eerste en tweede lid, is een strafbaar
feit.
Artikel 49
1. [Wijzigt de Regeling Toezicht Luchtvaart.]
2. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling
verlenging bewijzen van luchtwaardigheid op artikel 22, onder b, van dit
besluit.
3. Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de regeling
van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 september 1990, houdende
technische voorschriften voor lieren, sleepauto's en sleepkabels (Stcrt.
1990, 179), en de Regeling onderhoud lieren, op artikel 45 van dit
besluit.
4. [Wijzigt het koninklijk besluit van 1 december 1998, houdende
enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb.
674).]
5. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Instructie
doelvliegtuig op artikel 1, zevende lid, onderdeel b, van dit besluit.
Artikel 50
[Wijzigt het Besluit inrichting en gebruik niet-aangewezen
luchtvaartterreinen.]
Artikel 51
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 52
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit luchtvaartuigen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juli 2001
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
Uitgegeven de veertiende augustus 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|