|
REGELING van de Minister van Verkeer en Waterstaat en
van de Staatssecretaris van Defensie van 6 februari 1997, DGRLD/VI/L
97.710034, inzake het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen binnen
geluidzones rond luchtvaartterreinen
De Minister
van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Defensie;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 26b van de Luchtvaartwet;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister:
wat de burgerluchtvaart betreft: de Minister van Verkeer en
Waterstaat; wat de militaire luchtvaart betreft: de Minister van
Defensie;
b. geluidsgevoelige ruimten van woningen:
ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk duurzaam als
slaap-, woon- of eetkamer worden gebruikt of voor een zodanig
gebruik zijn bestemd;
c. andere geluidsgevoelige gebouwen:
onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere
gezondheidszorggebouwen als bedoeld in de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
d. geluidsgevoelige ruimten van andere geluidsgevoelige gebouwen:
les-, theorie- en studielokalen van onderwijsgebouwen, alsmede
onderzoeks- en behandelings-, recreatie- en conversatieruimten en
woon- en slaapruimten van ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere
gezondheidszorggebouwen als bedoeld in de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
e. geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie:
grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende
geluid aan de buitenzijde van een uitwendige scheidingsconstructie
en het geluidsniveau in een ruimte achter deze constructie in een
getal weergeeft;
f. kostenbegrenzingswaarde:
maximaal door de minister ter beschikking te stellen bedrag voor
de geluidwerende voorzieningen en het aanbrengen daarvan, dat de
uitkomst is van de berekening volgens bijlage 1 bij deze regeling;
g. slaapkamer:
ruimte van een woning die kennelijk duurzaam voor nachtverblijf
in gebruik is of voor zodanig gebruik is bestemd, alsmede gedeelte
van een ziekenhuis, verpleeghuis of ander gezondheidszorggebouw als
bedoeld in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 1
van de Wet geluidhinder, waarin personen die medisch worden
verpleegd, verzorgd of behandeld, de nacht doorbrengen;
h. geluidszone in Ke:
geluidszone, bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet voor de
grenswaarde, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a,
van die wet;
i. LAeq geluidszone in dB(A):
geluidszone, bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet voor de
grenswaarde, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van die wet, en van
de luchthaven Schiphol de LAeq geluidszone, bedoeld in het tweede
lid;
j. geluidscontour Schiphol:
desbetreffende geluidscontour van de luchthaven Schiphol, bedoeld
in het tweede lid;
k. geluidsbelasting in Ke:
geluidsbelasting, bedoeld in artikel 1, onder g, van het Besluit
geluidsbelasting grote luchtvaart;
l. LAeq geluidsbelasting in dB(A):
gemiddeld (equivalente) A-gewogen geluidsniveau voor de
geluidsbelasting ten gevolge van het structureel uitgevoerd
nachtelijk vliegverkeer;
m. vergunning voor het bouwen:
vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de
Woningwet dan wel omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
n. onderzoek:
onderzoek: akoestisch en bouwtechnisch onderzoek van woningen of
van andere geluidsgevoelige gebouwen;
o. NEN-5077:
door het Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm ‘Geluidwering
in gebouwen – Bepalingsmethoden voor de grootheden voor
luchtgeluidisolatie, contactgeluidisolatie, geluidwering van
scheidingsconstructies en geluidniveaus veroorzaakt door
installaties’, publicatiejaar 2001, met de daarop uitgegeven
aanvullingen en correctiebladen, zoals deze zijn vastgelegd in de
Regeling Bouwbesluit 2003;
p. NEN-EN-12354-3:
door het Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm ‘Geluidwering
in gebouwen – Berekening van de akoestische eigenschappen van
gebouwen met de eigenschappen van bouwelementen – Deel 3:
Luchtgeluidisolatie tegen geluiden van buitenaf’, publicatiejaar
2000, met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen,
zoals deze zijn vastgelegd in de Regeling Bouwbesluit 2003.
2. Voor de toepassing van deze regeling zijn voor de luchthaven
Schiphol de geluidscontouren, behorende bij de maximale waarden 40,
50, 55 en 65 Ke, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling, en de LAeq
geluidszone in dB(A), opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.
Hoofdstuk 2. Reikwijdte
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2
1. Tenzij in deze regeling anders is bepaald, worden op ’s rijks
kosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidsgevoelige
ruimten van:
a. een woning die:
1º. op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone in
Ke of van de geluidscontour Schiphol daarbinnen reeds aanwezig
is, of nog niet aanwezig is maar waarvoor de vergunning voor
het bouwen is verleend, en
2º. volgens de in artikel 25d van de Luchtvaartwet
bedoelde geluidscontouren voor de in die wet bedoelde
luchtvaartterreinen of de geluidscontour Schiphol een
geluidsbelasting van 40 Ke of hoger ondervindt een hogere
geluidsbelasting dan 40 Ke ondervindt;
b. een ander geluidsgevoelig gebouw dat:
1º. op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone in
Ke of van de geluidscontour Schiphol daarbinnen reeds aanwezig
is, of nog niet aanwezig is maar waarvoor de vergunning voor
het bouwen is verleend, en
2º. een hogere geluidsbelasting in Ke ondervindt dan de
ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bedoeld in artikel 7
van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart of, voor de
luchthaven Schiphol, een geluidsbelasting van 40 Ke of hoger
ondervindt.
2. Tenzij in deze regeling anders is bepaald, worden op ’s rijks
kosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan slaapkamers van een
woning die, of een ziekenhuis, verpleeghuis of ander
gezondheidszorggebouw dat:
a. op het tijdstip van vaststelling van de LAeq geluidszone in
dB(A) daarbinnen reeds aanwezig is, of nog niet aanwezig is maar
waarvoor de vergunning voor het bouwen is verleend, en
b. in de slaapkamers op grond van de vastgestelde geluidszone
een LAeq geluidsbelasting in dB(A) van 26 dB(A) of hoger
ondervindt.
3. Onverminderd het eerste lid, worden op ’s rijks kosten
geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidsgevoelige ruimten
van woningen die direct grenzen aan en een ononderbroken gebouweenheid
vormen met een of meer woningen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, mits eerstbedoelde woningen een geluidbelasting van niet
minder dan 39 Ke ondervinden.
4. Onverminderd het tweede lid, worden op ’s rijks kosten
geluidwerende voorzieningen aangebracht aan slaapkamers van woningen
die direct grenzen aan en een ononderbroken gebouweenheid vormen met
een of meer woningen met slaapkamers als bedoeld in het tweede lid,
mits eerstbedoelde slaapkamers een LAeq geluidbelasting van niet
minder dan 25 dB(A) ondervinden.
5. Indien aan een slaapkamer krachtens zowel het eerste lid als het
tweede lid van dit artikel op ’s rijks kosten geluidwerende
voorzieningen moeten worden aangebracht, dan is uitsluitend het lid
van toepassing dat de grootste mate van geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie, bepaald volgens bijlage 2 bij deze regeling,
oplevert.
Afdeling 2. Situaties waarin geen geluidwerende voorzieningen worden
aangebracht
§ 1. Ke-isolatie aan geluidsgevoelige ruimten van woningen
Artikel 3
Geluidwerende voorzieningen worden niet aangebracht aan de in artikel
2, eerste lid, bedoelde woningen, wanneer ten tijde van de bekendmaking
van het isolatieprogramma, bedoeld in artikel 12, eerste lid:
a. vast staat dat de geluidsgevoelige ruimten van de betreffende
woningen reeds voldoen aan artikel 19, dan wel aan overeenkomstige
eisen hadden moeten voldoen op grond van de
geluidweringsvoorschriften ingevolge de Woningwet 1962 of de
Woningwet;
b. vaststaat dat zij onteigend maar nog bewoond zijn, dan wel de
verwachting bestaat dat zij binnen vijf jaar na de bekendmaking van
het isolatieprogramma zullen worden of zijn onteigend of dat de
bewoning om andere redenen binnen die termijn zal worden gestaakt;
c. vast staat dat zij onbewoonbaar zijn verklaard, dan wel een
procedure tot onbewoonbaarverklaring, bedoeld in hoofdstuk III,
afdeling 3, van de Woningwet, aanhangig is gemaakt;
d. [vervallen;]
e. vast staat dat zij niet voor permanente bewoning geschikt of
bestemd zijn of daar niet voor worden gebruikt;
f. vast staat dat zij behoren tot de categorieën woonschepen of
woonwagens;
g. de verwachting bestaat dat zij binnen twee jaar na
bekendmaking van het isolatieprogramma of na bekendmaking van een
deelproject, door het wijzigen of het vervallen van de geluidszone
in Ke of van de geluidscontour Schiphol niet meer binnen de in
artikel 25d van de Luchtvaartwet of, voor de luchthaven Schiphol,
binnen de in bijlage 3 bij deze regeling bedoelde geluidscontour die
behoort bij de waarde van 40 Ke, aanwezig zullen zijn;
h. vaststaat dat aan de desbetreffende woningen met toepassing
van deze regeling reeds van rijkswege geluidwerende voorzieningen
zijn aangebracht, en de waarde van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie ter bescherming van de geluidsgevoelige
ruimte, bepaald volgens bijlage 2 bij deze regeling zoals die gold
op het moment waarop bedoelde geluidwerende voorzieningen werden
aangebracht, 3 dB(A) of minder lager is dan de in artikel 19, eerste
lid, bedoelde waarde;
i. vaststaat dat de desbetreffende woningen reeds in beschouwing
voor toepassing van deze regeling zijn genomen en op grond van de
volgende situaties besloten is om niet over te gaan tot het van
rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen:
1°. er was sprake van constructieve gebreken of
achterstallig onderhoud als bedoeld in artikel 6, derde lid, en
2°. de waarde van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, is
minder dan 5 dB(A) lager dan de waarde van de geluidwering van
de uitwendige scheidingsconstructie op het moment waarop de
woning eerder in beschouwing is genomen.
§ 2. LAeq-isolatie aan slaapkamers van woningen
Artikel 4
Geluidwerende voorzieningen worden niet aangebracht aan de in artikel
2, tweede lid, bedoelde woningen, wanneer ten tijde van de bekendmaking
van het isolatieprogramma, bedoeld in artikel 15, eerste lid:
a. vaststaat dat de slaapkamers van de desbetreffende woningen
reeds voldoen aan artikel 20;
b. vaststaat dat zij onteigend maar nog bewoond zijn, dan wel de
verwachting bestaat dat zij binnen vijf jaar na de bekendmaking van
het isolatieprogramma zullen worden onteigend of dat de bewoning om
andere redenen binnen die termijn zal worden gestaakt;
c. vast staat dat zij onbewoonbaar zijn verklaard, dan wel een
procedure tot onbewoonbaarverklaring, bedoeld in hoofdstuk III,
afdeling 3, van de Woningwet, aanhangig is gemaakt;
d. [vervallen;]
e. vast staat dat zij niet voor permanente bewoning geschikt of
bestemd zijn of daar niet voor worden gebruikt;
f. vast staat dat zij behoren tot de categorieën woonschepen of
woonwagens;
g. de verwachting bestaat dat zij binnen twee jaar na
bekendmaking van het isolatieprogramma of na bekendmaking van een
deelproject, door het wijzigen of het vervallen van de Laeq
geluidszone in dB(A) niet meer binnen de Laeq geluidzone in dB(A)
aanwezig zullen zijn;
h. vaststaat dat aan de slaapkamers van de desbetreffende
woningen met toepassing van deze regeling reeds van rijkswege
geluidwerende voorzieningen zijn aangebracht, en de LAeq geluidszone
in dB(A) ter bescherming van de slaapkamers zoals die gold op het
moment waarop bedoelde geluidwerende voorzieningen werden
aangebracht, een waarde heeft die 1 dB(A) of minder lager is dan de
bij de desbetreffende LAeq geluidszone behorende waarde in dB(A);
i. vaststaat dat de slaapkamers van de desbetreffende woningen
reeds in beschouwing voor toepassing van deze regeling zijn genomen
en op grond van de volgende situaties besloten is om niet over te
gaan tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen:
1°. er was sprake van constructieve gebreken of
achterstallig onderhoud als bedoeld in artikel 8, derde lid,
zoals dat artikel luidde op het in de aanhef bedoelde moment van
in beschouwing nemen, en
2°. de waarde van de LAeq geluidszone in dB(A), bedoeld in
artikel 20, is minder dan 5 dB(A) lager dan de waarde van de
LAeq geluidszone in dB(A) op het moment waarop de woning eerder
in beschouwing is genomen.
Afdeling 3. Situaties waarin onder bepaalde voorwaarden geluidwerende
voorzieningen worden aangebracht
§ 1. Ke-isolatie aan geluidsgevoelige ruimten van woningen
Artikel 5
1. Indien uit het onderzoek blijkt dat:
a. de waarde van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie van de geluidsgevoelige ruimten van een
woning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, meer dan 2 dB(A) lager
is dan de waarde die bereikt had moeten worden op grond van de
geluidweringsvoorschriften ingevolge de Woningwet 1962 of de
Woningwet, en
b. de geluidsbelasting in Ke hoger is dan op de datum waarop de
vergunning voor het bouwen krachtens welke de woning is gebouwd,
is verleend, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van
geluidwerende voorzieningen overgegaan voordat bedoelde uitwendige
scheidingsconstructie, binnen een door de Minister gestelde
redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning
in overeenstemming is gebracht met de onder a, bedoelde
geluidweringsvoorschriften.
2. Indien het eerste lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden
tot het in overeenstemming brengen met de geluidweringsvoorschriften,
bedoeld in het eerste lid, onder a, en het van rijkswege aanbrengen
van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig plaats, indien de
eigenaar daarom verzoekt.
3. Indien uit het onderzoek blijkt dat:
a. de eigenaar van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
woningen is aangeschreven tot het op zijn kosten treffen van
voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling 2 van de
Woningwet;
b. die voorzieningen verband houden met het kunnen aanbrengen
van geluidwerende voorzieningen krachtens deze regeling, en
c. die voorzieningen nog niet zijn aangebracht, wordt niet tot
het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen
overgegaan, tenzij burgemeester en wethouders op verzoek van de
eigenaar ermee hebben ingestemd, dat het treffen van de onder a,
bedoelde voorzieningen en het aanbrengen van de geluidwerende
voorzieningen gelijktijdig plaatsvindt.
Artikel 6
1.Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de
geluidsgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, of de
bereikbaarheid van die ruimten, niet is voldaan aan de technische
voorschriften voor bestaande bouw als opgenomen in het Bouwbesluit
2003, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen overgegaan voordat bedoelde ruimten en bereikbaarheid,
binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op
kosten van de eigenaar van de woning in overeenstemming zijn gebracht
met de die technische voorschriften.
2.De minister kan het eerste lid buiten toepassing laten of daarvan
afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze regeling
beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
3.Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de
geluidsgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, sprake is
van zichtbare of aantoonbare constructieve gebreken of van
achterstallig onderhoud, waaronder niet wordt verstaan aanpassingen
die rechtstreeks voortvloeien uit het aanbrengen van de geluidwerende
voorzieningen, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van
geluidwerende voorzieningen overgegaan voordat bedoelde gebreken en
achterstallig onderhoud, binnen een door de minister gestelde
redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning
zijn opgeheven.
4.Indien het eerste of het derde lid van toepassing is, vinden de
werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de eisen, bedoeld
in het eerste lid, alsmede het opheffen van constructieve gebreken en
van achter-stallig onderhoud, bedoeld in het derde lid, en het van
rijkswege aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig
plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
5.Indien uit het onderzoek blijkt dat de kosten van de
geluidwerende voorzieningen en het aanbrengen daarvan hoger zijn dan
de kostenbegrenzingswaarde, wordt niet tot het van rijkswege
aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan, tenzij de
eigenaar van de woning het verschil voor zijn rekening neemt.
6.Indien zich gedurende de uitvoering van de werkzaamheden in
verband met het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen aan de
woning constructieve gebreken openbaren die tot gevolg hebben dat de
geluidwerende voorzieningen niet doelmatig kunnen worden aangebracht,
en het Rijk die gebreken redelijkerwijs niet had behoeven te voorzien,
worden de kosten in verband met het opheffen van die gebreken in
overleg met de eigenaar op billijke wijze verdeeld tussen de eigenaar
en het Rijk.
Artikel 7
Indien de kosten van het aanbod, bedoeld in artikel 14, derde lid,
hoger zijn dan de kosten bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel d,
wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen overgegaan, tenzij de eigenaar van de woning het verschil
voor zijn rekening neemt.
§ 2. LAeq-isolatie aan slaapkamers van woningen
Artikel 8
Indien uit het onderzoek blijkt dat:
a. de eigenaar van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde woningen
is aangeschreven tot het op zijn kosten treffen van voorzieningen
als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling 2, van de Woningwet;
b. die voorzieningen verband houden met het kunnen aanbrengen van
geluidwerende voorzieningen krachtens deze regeling, en
c. die voorzieningen nog niet zijn aangebracht, wordt niet tot
het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen
overgegaan, tenzij burgemeester en wethouders op verzoek van de
eigenaar ermee hebben ingestemd, dat het treffen van de onder a,
bedoelde voorzieningen en het aanbrengen van de geluidwerende
voorzieningen gelijktijdig plaatsvindt;
Artikel 9
1.Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de
slaapkamers, bedoeld in artikel 2, tweede lid, of de bereikbaarheid
van die slaapkamers, niet is voldaan aan de technische voorschriften
voor bestaande bouw als opgenomen in het Bouwbesluit 2003, wordt niet
tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen
overgegaan voordat bedoelde slaapkamers en bereikbaarheid, binnen een
door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de
eigenaar van de woning in overeenstemming zijn gebracht met de
laatstbedoelde technische voorschriften.
2.De minister kan het eerste lid buiten toepassing laten of daarvan
afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze regeling
beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
3.Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de
slaapkamers, bedoeld in artikel 2, tweede lid, sprake is van zichtbare
of aantoonbare constructieve gebreken of van achterstallig onderhoud,
waaronder niet wordt verstaan aanpassingen die rechtstreeks
voortvloeien uit het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen,
wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen overgegaan voordat bedoelde gebreken en achterstallig
onderhoud, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn,
door en op kosten van de eigenaar van de woning zijn opgeheven.
4.Indien het eerste of het derde lid van toepassing is, vinden de
werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de eisen, bedoeld
in het eerste lid, alsmede het opheffen van constructieve gebreken en
van achterstallig onderhoud, bedoeld in het derde lid, en het van
rijkswege aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig
plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
5.Indien uit het onderzoek blijkt dat de kosten van de
geluidwerende voorzieningen en het aanbrengen daarvan hoger zijn dan
de kostenbegrenzingswaarde, wordt niet tot het van rijkswege
aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan, tenzij de
eigenaar van de woning het verschil voor zijn rekening neemt.
6.Indien zich gedurende de uitvoering van de werkzaamheden in
verband met het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen aan de
woning constructieve gebreken openbaren die tot gevolg hebben dat de
geluidwerende voorzieningen niet doelmatig kunnen worden aangebracht,
en het Rijk die gebreken redelijkerwijs niet had behoeven te voorzien,
worden de kosten in verband met het opheffen van die gebreken in
overleg met de eigenaar op billijke wijze verdeeld tussen de eigenaar
en het Rijk.
Artikel 10
Indien de kosten van het aanbod, bedoeld in artikel 17, derde lid,
hoger zijn dan de kosten, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel d,
wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen overgegaan, tenzij de eigenaar van de woning het verschil
voor zijn rekening neemt.
Afdeling 4. Andere geluidsgevoelige gebouwen
Artikel 11
1.Artikel 3, aanhef en onder a, b, e, g, h en i, artikel 5, artikel
6, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, en artikel 7, zijn van
overeenkomstige toepassing op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
andere geluidsgevoelige gebouwen.
2.Artikel 4, aanhef en onder a, b, e, g, h en i, artikel 8, artikel
9, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, en artikel 10, zijn van
overeenkomstige toepassing op de in artikel 2, tweede lid, bedoelde
ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen.
Hoofdstuk 3. Procedure
Afdeling 1. Ke-isolatie aan geluidsgevoelige ruimten van woningen
§ 1. Isolatieprogramma en deelprojecten
Artikel 12
1. De Minister stelt in een isolatieprogramma vast welke woningen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor het van rijkswege aanbrengen
van geluidwerende voorzieningen in beschouwing zullen worden genomen.
Na vaststelling van het isolatieprogramma, kan de Minister
deelprojecten vaststellen waarin wordt aangeven voor welke woningen
uit het isolatieprogramma in een daarbij aangegeven periode
achtereenvolgens uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 13 en 14.
De Minister kan besluiten aan woningen in een deelproject geen
uitvoering te geven aan de artikelen 13 en 14 indien op grond van een
besluit tot het wijzigen of vervallen van de geluidszone in Ke of van
de geluidscontour Schiphol wordt vastgesteld dat de woningen binnen
twee jaar na vaststelling van het deelproject niet meer binnen de in
artikel 25d van de Luchtvaartwet of, voor de luchthaven Schiphol,
binnen de in bijlage 3 bij deze regeling bedoelde geluidscontour die
behoort bij de waarde van 40 Ke of binnen de in bijlage 4 bij deze
regeling bedoelde LAeq geluidszone in dB(A) aanwezig zullen zijn.
De in artikel 3 bedoelde woningen worden niet in het
isolatieprogramma opgenomen.
2. Tot het moment waarop een geluidszone in Ke of een
geluidscontour Schiphol wordt gewijzigd, wordt een woning door de
Minister slechts éénmaal in beschouwing genomen.
3. De Minister stelt de eigenaren van de in het eerste lid bedoelde
woningen die voor het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen in beschouwing worden genomen, hiervan schriftelijk op
de hoogte. De Minister stelt de eigenaren van de woningen die
ingevolge het eerste lid niet in het isolatieprogramma worden
opgenomen, hiervan schriftelijk op de hoogte.
4. In verband met het opstellen van het isolatieprogramma of
deelprojecten, kan de Minister burgemeester en wethouders verzoeken
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde woningen in ieder
geval de volgende gegevens te verstrekken:
a. namen en adressen van eigenaren;
b. kadastrale gegevens;
c. gegevens uit de registratie met betrekking tot de
onroerende-zaakbelasting die de bestemming van de woning
betreffen;
d. tekeningen van woningen;
e. de verstrekte vergunningen voor het bouwen;
f. een overzicht van de voor artikel 3 noodzakelijke gegevens.
§ 2. Onderzoek
Artikel 13
1.Aan de in artikel 12, derde lid, eerste volzin, bedoelde
eigenaren wordt, zodra de woning die is opgenomen in het
isolatieprogramma of een deelproject, in uitvoering wordt genomen,
verzocht binnen twee maanden na verzending van de mededeling,
schriftelijk toestemming te verlenen tot het uitvoeren van een
onderzoek.
2.Indien de toestemming niet volledig, niet binnen de in het eerste
lid genoemde termijn of niet voor de gehele woning is verleend, wordt
de desbetreffende eigenaren schriftelijk medegedeeld dat geen
geluidwerende voorzieningen worden aangebracht.
3.Indien toestemming tot het uitvoeren van een onderzoek is
verleend, stelt de Minister binnen zes maanden na ontvangst daarvan
een onderzoek in. Het resultaat van het onderzoek, met in ieder geval
de volgende onderwerpen, wordt de Minister medegedeeld:
a. een opgave van de geluidsgevoelige ruimten;
b. een inventarisatie van bouwtechnische gegevens die van
belang zijn voor het vaststellen van de aan te brengen
geluidwerende voorzieningen;
c. een opgave van de geluidwerende voorzieningen die moeten
worden aangebracht om te voldoen aan artikel 19;
d. een raming van de ten laste van het Rijk komende kosten die
zijn verbonden aan het aanbrengen van de onder c bedoelde
geluidwerende voorzieningen;
e. indien van toepassing, een raming van de ten laste van de
eigenaren komende kosten voor:
1°. het uitvoeren van extra voorzieningen met betrekking
tot het in overeenstemming brengen met de in artikel 5, eerste
lid, onderdeel a, bedoelde geluidweringsvoorschriften;
2°. het uitvoeren van extra voorzieningen met betrekking
tot de in artikel 5, derde lid, bedoelde aanschrijvingen;
3°. het uitvoeren van extra voorzieningen met betrekking
tot het in overeenstemming brengen met de in artikel 6, eerste
lid, bedoelde technische voorschriften van het Bouwbesluit
2003;
4°. het in artikel 6, derde lid, bedoelde opheffen van
gebreken en van achterstallig onderhoud;
5°. het in artikel 6, vijfde lid, bedoelde verschil tussen
het geraamde bedrag voor het aanbrengen van de geluidwerende
voorzieningen en de kostenbegrenzingswaarde.
4.De Minister kan op verzoek van de eigenaar de resultaten van het
onderzoek doen controleren.
§ 3. Aanbod en overeenkomst
Artikel 14
1.De Minister stelt de eigenaren van de woningen die op basis van
het onderzoek in overeenstemming moeten worden gebracht met:
a. de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
geluidweringsvoorschriften;
b. de in artikel 5, derde lid, bedoelde aanschrijvingen;
c. de in artikel 6, eerste lid, bedoelde technische
voorschriften van het Bouwbesluit 2003;
d. de in artikel 6, derde lid, bedoelde opheffing van gebreken
en van achterstallig onderhoud,
hiervan binnen zes weken na ontvangst van de resultaten, bedoeld in
artikel 13, derde lid, schriftelijk op de hoogte. Aan hen wordt
verzocht binnen twee maanden na ontvangst van deze mededeling,
schriftelijk te verklaren dat zij zich verplichten, om binnen een door
de Minister gestelde redelijke termijn de onder a tot en met d
bedoelde werkzaamheden uit te voeren voorafgaand aan het aanbrengen
van de geluidwerende voorzieningen, tenzij toepassing wordt gevraagd
van artikel 5, tweede lid, of van artikel 6, vierde lid.
2.De eigenaren van de woningen die op basis van het onderzoek voor
het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in
aanmerking komen, ontvangen binnen zes weken na het afronden van het
onderzoek een aanbod met betrekking tot de aan te brengen
geluidwerende voorzieningen, alsmede, indien toepassing wordt gevraagd
van artikel 5, tweede lid, of van artikel 6, vierde lid, een voorstel
voor een overeenkomst met betrekking tot de in het eerste lid,
onderdelen a tot en met d, bedoelde werkzaamheden.
3.Het aanbod kan op verzoek van de eigenaar betrekking hebben op
een kleiner aantal geluidsgevoelige ruimten dan bedoeld in artikel 13,
derde lid, onderdeel a. Indien de eigenaar het verschil in kosten als
bedoeld in artikel 7 voor zijn rekening neemt, wordt bij het aanbod
tevens een voorstel voor een overeenkomst bijgevoegd.
4.Indien artikel 6, vijfde lid, van toepassing is, kan het in het
tweede lid bedoelde aanbod op verzoek van de eigenaar betrekking
hebben op geluidwerende voorzieningen waarmee een lagere waarde van de
geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie ter bescherming
van de geluidsgevoelige ruimte wordt bereikt als bedoeld in artikel
19, zesde lid.
5.Indien van toepassing wordt, na ontvangst van de in het eerste
lid bedoelde verklaring, het in het tweede lid bedoelde aanbod gedaan
onder de voorwaarde dat de in het eerste lid, onder a tot en met d,
bedoelde werkzaamheden binnen een door de minister gestelde redelijke
termijn zijn uitgevoerd;
6.De eigenaren van de woningen, die op basis van het onderzoek niet
in aanmerking komen voor het van rijkswege aanbrengen van
geluidwerende voorzieningen, worden hiervan schriftelijk op de hoogte
gesteld.
7.Aan de in het tweede lid bedoelde eigenaren wordt verzocht binnen
twee maanden na ontvangst van het aanbod en, indien van toepassing, de
overeenkomst, door middel van ondertekening schriftelijk te verklaren
dat:
a. zij voor alle geluidsgevoelige ruimten waar het aanbod
betrekking op heeft, instemmen met de voorgestelde geluidwerende
voorzieningen en toestemming geven tot het aanbrengen van de
voorgestelde geluidwerende voorzieningen;
b. zij zich verbinden tot het uitvoeren van de in het eerste
lid, onder a tot en met d, bedoelde werkzaamheden;
c. zij zich verbinden tot het nakomen van de in artikel 13,
derde lid, onder e, bedoelde betalingsverplichtingen;
d. zij de bij het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen
verwijderde onderdelen prijsgeven;
e. zij zich, indien van toepassing, verbinden tot het betalen
van de in artikel 7 bedoelde kosten.
8.Na ondertekening van het aanbod en, indien van toepassing, van de
overeenkomst, wordt de desbetreffende eigenaren schriftelijk
meegedeeld wanneer de geluidwerende voorzieningen naar verwachting
zullen worden aangebracht.
9.In geval de ondertekening van het aanbod en, indien van
toepassing, van de overeenkomst, niet binnen de in het zevende lid
genoemde termijn heeft plaatsgevonden, wordt de desbetreffende
eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen
worden aangebracht.
Afdeling 2. LAeq-isolatie aan slaapkamers van woningen
§ 1. Isolatieprogramma en deelprojecten
Artikel 15
1. De Minister stelt in een isolatieprogramma vast welke woningen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor het van rijkswege aanbrengen
van geluidwerende voorzieningen in beschouwing zullen worden genomen.
Na vaststelling van het isolatieprogramma, kan de Minister
deelprojecten vaststellen waarin wordt aangeven voor welke woningen
uit het isolatieprogramma in een daarbij aangegeven periode
achtereenvolgens uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 16 en17. De
Minister kan besluiten aan woningen in een deelproject geen uitvoering
te geven aan de artikelen 16 en 17 indien op grond van een besluit tot
het wijzigen of vervallen van de LAeq geluidszone in dB(A) wordt
vastgesteld dat de woningen binnen twee jaar na vaststelling van het
deelproject niet meer binnen de in artikel 25a van de Luchtvaartwet
of, voor de luchthaven Schiphol, binnen de in bijlage 4 bij deze
regeling bedoelde LAeq geluidszone in dB(A) aanwezig zullen zijn. De
in artikel 4 bedoelde woningen worden niet in het isolatieprogramma
opgenomen.
2. Tot het moment waarop een LAeq geluidszone in dB(A) wordt
gewijzigd, wordt een woning wordt door de Minister slechts éénmaal
in beschouwing genomen.
3. De Minister stelt eigenaren van de in het eerste lid bedoelde
woningen die voor het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen in beschouwing worden genomen, hiervan schriftelijk op
de hoogte. De Minister stelt eigenaren van de woningen die ingevolge
het eerste lid niet in het isolatieprogramma worden opgenomen, hiervan
schriftelijk op de hoogte.
4. In verband met het opstellen van het isolatieprogramma of
deelprojecten, kan de Minister burgemeester en wethouders verzoeken
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde woningen in ieder
geval de volgende gegevens te verstrekken:
a. namen en adressen van eigenaren;
b. kadastrale gegevens;
c. gegevens uit de registratie met betrekking tot de
onroerende-zaakbelasting die de bestemming van de woning
betreffen;
d. tekeningen van woningen;
e. de verstrekte vergunningen voor het bouwen;
f. een overzicht van de voor artikel 4 noodzakelijke gegevens.
§ 2. Onderzoek
Artikel 16
1.Aan de in artikel 15, derde lid, eerste volzin, bedoelde
eigenaren wordt, zodra de woning die is opgenomen in het
isolatieprogramma of een deelproject, in uitvoering wordt genomen,
verzocht binnen twee maanden na verzending van de mededeling,
schriftelijk toestemming te verlenen tot het uitvoeren van een
onderzoek.
2.Indien de toestemming niet volledig, niet binnen de in het eerste
lid genoemde termijn of niet voor de gehele woning is verleend, wordt
de desbetreffende eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen
geluidwerende voorzieningen worden aangebracht.
3.Indien de toestemming is verleend, stelt de Minister binnen zes
maanden na ontvangst daarvan een onderzoek in. Het resultaat van het
onderzoek, met in ieder geval de volgende onderwerpen, wordt de
Minister medegedeeld:
a. een opgave van de slaapkamers;
b. een inventarisatie van bouwtechnische gegevens die van
belang zijn voor het vaststellen van de aan te brengen
geluidwerende voorzieningen;
c. een opgave van de geluidwerende voorzieningen die moeten
worden aangebracht om te voldoen aan artikel 20;
d. een raming van de ten laste van het Rijk komende kosten die
zijn verbonden aan het aanbrengen van de onder c bedoelde
geluidwerende voorzieningen;
e. indien van toepassing, een raming van de ten laste van de
eigenaren komende kosten voor:
1°. het uitvoeren van extra voorzieningen met betrekking
tot de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde aanschrijvingen;
2°. het uitvoeren van extra voorzieningen met betrekking
tot het in overeenstemming brengen met de in artikel 9, eerste
lid, bedoelde technische voorschriften van het Bouwbesluit
2003;
3°. het in artikel 9, derde lid, bedoelde opheffen van
gebreken en van achterstallig onderhoud;
4°. het in artikel 9, vijfde lid, bedoelde verschil tussen
het geraamde bedrag voor het aanbrengen van de geluidwerende
voorzieningen en de kostenbegrenzingswaarde.
4.De Minister kan op verzoek van de eigenaar de resultaten van het
onderzoek doen controleren.
§ 3. Aanbod en overeenkomst
Artikel 17
1.De Minister stelt de eigenaren van de woningen die op basis van
het onderzoek in overeenstemming moeten worden gebracht met:
a. de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde aanschrijvingen;
b. de in artikel 9, eerste lid, bedoelde technische
voorschriften van het Bouwbesluit 2003;
c. de in artikel 9, derde lid, bedoelde opheffing van gebreken
en van achterstallig onderhoud,
hiervan binnen zes weken na ontvangst van de resultaten, bedoeld in
artikel 16, derde lid, schriftelijk op de hoogte. Aan hen wordt
verzocht binnen twee maanden na ontvangst van deze schriftelijke
mededeling, schriftelijk te verklaren dat zij zich verplichten, om
binnen een door de Minister gestelde redelijke termijn de onder a tot
en met c bedoelde werkzaamheden uit te voeren voorafgaand aan het
aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen, tenzij toepassing wordt
gevraagd van artikel 9, vierde lid.
2.De eigenaren van de woningen die op basis van het onderzoek voor
het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in
aanmerking komen, ontvangen binnen zes weken na het afronden van het
onderzoek een aanbod met betrekking tot de aan te brengen
geluidwerende voorzieningen, alsmede, indien toepassing wordt gevraagd
van artikel 9, vierde lid, een voorstel voor een overeenkomst met
betrekking tot de in het eerste lid, de onderdelen a tot en met c,
bedoelde werkzaamheden.
3.Het aanbod kan op verzoek van de eigenaar betrekking hebben op
een kleiner aantal geluidsgevoelige ruimten dan bedoeld in artikel 16,
derde lid, onderdeel a. Indien de eigenaar het verschil in kosten als
bedoeld in artikel 10 voor zijn rekening neemt, wordt bij het aanbod
tevens een voorstel voor een overeenkomst bijgevoegd.
4.Indien van toepassing wordt, na ontvangst van de in het eerste
lid bedoelde verklaring, het in het tweede lid bedoelde aanbod gedaan
onder de voorwaarde dat de in het eerste lid, onder a tot en met c,
bedoelde werkzaamheden binnen een door de minister gestelde redelijke
termijn zijn uitgevoerd;
5.De eigenaren van de woningen, die op basis van het onderzoek niet
in aanmerking komen voor het van rijkswege aanbrengen van
geluidwerende voorzieningen, worden hiervan schriftelijk op de hoogte
gesteld.
6.Aan de in het tweede lid bedoelde eigenaren wordt verzocht binnen
twee maanden na ontvangst van het aanbod en, indien van toepassing, de
overeenkomst, door middel van ondertekening schriftelijk te verklaren
dat:
a. zij voor alle slaapkamers waar het aanbod betrekking op
heeft, instemmen met de voorgestelde geluidwerende voorzieningen
en toestemming geven tot het aanbrengen van de voorgestelde
geluidwerende voorzieningen;
b. zij zich verbinden tot het uitvoeren van de in het eerste
lid, onder a tot en met c, bedoelde werkzaamheden;
c. zij zich verbinden tot het nakomen van de in artikel 16,
derde lid, onder e, bedoelde betalingsverplichtingen;
d. zij de bij het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen
verwijderde onderdelen prijsgeven;
e. zij zich, indien van toepassing, verbinden tot het betalen
van de in artikel 10 bedoelde kosten.
7.Na ondertekening van het aanbod en, indien van toepassing, van de
overeenkomst, wordt de desbetreffende eigenaren schriftelijk
meegedeeld wanneer de geluidwerende voorzieningen naar verwachting
zullen worden aangebracht.
8.In geval de ondertekening van het aanbod en, indien van
toepassing, van de overeenkomst, niet binnen de in het zesde lid
genoemde termijn heeft plaatsgevonden, wordt de desbetreffende
eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen
worden aangebracht.
Afdeling 3. Andere geluidsgevoelige gebouwen
Artikel 18
1.Artikel 12, artikel 13 met uitzondering van het derde lid,
onderdeel e, onder 5°, en artikel 14 zijn van overeenkomstige
toepassing op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde andere
geluidsgevoelige gebouwen.
2.Artikel 15, artikel 16 met uitzondering van het derde lid,
onderdeel e, onder 4°, en artikel 17 zijn van overeenkomstige
toepassing op de in artikel 2, tweede lid, bedoelde ziekenhuizen,
verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen.
Hoofdstuk 4. Eisen aan de voorzieningen
Artikel 19
1.Geluidwerende voorzieningen die worden aangebracht ingevolge
artikel 2, eerste lid, dienen een zodanige kwaliteit te bezitten dat
de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie
ter bescherming van de geluidsgevoelige ruimte, bepaald volgens
artikel 4 dan wel artikel 5 van bijlage 2, bij deze regeling, gelijk
is aan:
a. 30 tot 35 dB(A), indien de geluidsbelasting meer dan 40 Ke,
doch niet meer dan 50 Ke bedraagt;
b. 35 tot 40 dB(A), indien de geluidsbelasting meer dan 50 Ke,
doch niet meer dan 55 Ke bedraagt;
c. 40 dB(A), indien de geluidsbelasting meer dan 55 Ke
bedraagt.
2.Indien de geluidsbelasting tussen de in het eerste lid, de
onderdelen a of b, bedoelde Ke-waarden ligt, wordt de te bereiken
waarde van de geluidwering bepaald door middel van de rechtevenredige
interpolatie tussen de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde
dB(A)-waarden van de geluidwering. Indien de waarde van de
geluidwering eindigt op een halve eenheid, wordt zij naar beneden op
een gehele eenheid afgerond.
3.De krachtens het eerste lid aan te brengen geluidwerende
voorzieningen worden bepaald volgens artikel 5 van bijlage 2 bij deze
regeling. In afwijking van de eerste volzin, kunnen ten aanzien van
een aaneengesloten rij woningen, om redenen van architectonische
waarde of eenvormig aanzicht, identieke geluidwerende voorzieningen
worden aangebracht. Bij toepassing van de tweede volzin worden aan de
bedoelde woningen de geluidwerende voorzieningen aangebracht die voor
de woning met de hoogste geluidsbelasting zijn vastgesteld.
4.Indien de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie
ter bescherming van de geluidsgevoelige ruimte, bepaald volgens
artikel 4 dan wel artikel 5 van bijlage 2, bij deze regeling, een
waarde heeft die 3 dB(A) of minder lager is dan de in het eerste lid
bedoelde waarde van de geluidwering, worden geen geluidwerende
voorzieningen aangebracht.
5.Indien sprake is van een aanbod als bedoeld in artikel 14, derde
lid, is het eerste lid alleen van toepassing op die geluidsgevoelige
ruimten ten behoeve waarvan geluidwerende voorzieningen worden
aangebracht.
6.Indien uit het onderzoek blijkt dat:
a. de in het eerste lid bedoelde waarde van de geluidwering van
de uitwendige scheidingsconstructie ter bescherming van de
geluidsgevoelige ruimte niet wordt bereikt zonder toepassing te
geven aan artikel 6, vijfde lid, en
b. de artikelen 5 en 6, met uitzondering van artikel 6, vijfde
lid, niet van toepassing zijn, kan de in het eerste lid bedoelde
waarde met ten hoogste 5 dB(A) worden verlaagd met dien verstande
dat deze waarde minimaal 30 dB(A) bedraagt.
Artikel 20
1.Geluidwerende voorzieningen die worden aangebracht ingevolge
artikel 2, tweede lid, dienen een zodanige kwaliteit te bezitten dat
de waarde van de LAeq geluidsbelasting binnen de slaapkamer, bepaald
volgens artikel 6 van bijlage 2, bij deze regeling, niet meer bedraagt
dan 26 dB(A).
2.De waarde van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie, bepaald volgens bijlage 2 bij deze regeling,
die wordt bereikt met de krachtens het eerste lid aan te brengen
geluidwerende voorzieningen, bedraagt maximaal 40 dB(A).
3.In afwijking van het tweede lid, kunnen ten aanzien van een
aaneengesloten rij woningen, om redenen van architectonische waarde of
eenvormig aanzicht, identieke geluidwerende voorzieningen worden
aangebracht. Bij toepassing van de eerste volzin worden aan de
bedoelde slaapkamers de geluidwerende voorzieningen aangebracht die
voor de woning met de hoogste geluidsbelasting zijn vastgesteld.
4.Indien sprake is van een aanbod als bedoeld in artikel 17, derde
lid, is het eerste lid alleen van toepassing op die slaapkamers ten
behoeve waarvan geluidwerende voorzieningen worden aangebracht.
Artikel 21
1.De geluidwerende voorzieningen mogen niet leiden tot een
essentiële vermindering van het comfort van de woning of het ander
geluidsgevoelig gebouw ten opzichte van de situatie voorafgaand aan
het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen.
2.De kwaliteit van de geluidwerende voorzieningen moet zodanig zijn
dat de effectiviteit -bij normaal onderhoud - voor een lange periode
gewaarborgd is. Onderhoud of vervanging van de geluidwerende
voorzieningen moet mogelijk zijn.
Artikel 22
1.Geluidwerende voorzieningen worden aangebracht onder
verantwoordelijkheid van de minister.
2.De minister is belast met het toezicht op de uitvoering van het
bepaalde in het eerste lid.
3.De waarde van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie als bedoeld in artikel 19, wordt bij ten minste
één op de twintig woningen of één op de twintig geluidsgevoelige
ruimten in andere geluidsgevoelige gebouwen, waaraan geluidwerende
voorzieningen krachtens deze regeling zijn aangebracht, door de
minister door middel van meting gecontroleerd, volgens de in artikel 4
van bijlage 2 bij deze regeling bedoelde meetmethode. De Minister
voert de meting uiterlijk één jaar na het aanbrengen van de
geluidwerende voorzieningen uit.
4.De waarde van de LAeq geluidsbelasting in dB(A) in een
slaapkamer, als bedoeld in artikel 20, wordt bij ten minste één op
de twintig woningen of één op de twintig slaapkamers in
ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen,
waaraan geluidwerende voorzieningen krachtens deze regeling zijn
aangebracht, door de minister door middel van meting gecontroleerd,
volgens de in artikel 6 van bijlage 2 bij deze regeling bedoelde
meetmethode. De Minister voert de meting uiterlijk één jaar na het
aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen uit.
5.Indien het resultaat van een meting als bedoeld in het derde lid
een waarde oplevert die niet meer dan 2 dB(A) lager is dan de vereiste
waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van
de geluidsgevoelige ruimte, wordt de waarde van de geluidwering geacht
gelijk te zijn aan de vereiste waarde. Indien het resultaat van de
meting een waarde oplevert die meer dan 2 dB(A) lager is, draagt de
Minister ervoor zorg dat alsnog wordt voldaan aan artikel 19, eerste
lid.
6.Indien het resultaat van een meting als bedoeld in het vierde lid
een waarde oplevert die niet meer dan 2 dB(A) hoger is dan de vereiste
waarde van LAeq 26 dB(A) in de slaapkamer, wordt de waarde van de LAeq
geluidsbelasting in dB(A) geacht gelijk te zijn aan de vereiste
waarde. Indien het resultaat van de meting een waarde oplevert die
meer dan 2 dB(A) hoger is, draagt de Minister ervoor zorg dat alsnog
wordt voldaan aan artikel 19, eerste lid.
Hoofdstuk 5. Financiën
Artikel 23
Indien anders dan met toepassing van deze regeling aan een in artikel
2, eerste lid, bedoelde geluidsgevoelige ruimte, alsmede een in artikel
2, tweede lid, bedoelde slaapkamer geluidwerende voorzieningen zijn
aangebracht, wordt geen vergoeding voor het aanbrengen van die
voorzieningen toegekend.
Artikel 24
In het aanbod, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 17,
tweede lid, dan wel in een afzonderlijk voorstel voor een overeenkomst,
wordt een bepaling opgenomen dat indien de woning of het andere
geluidsgevoelige gebouw waaraan op ’s rijks kosten geluidwerende
voorzieningen zijn aangebracht, naderhand door het Rijk in eigendom
wordt verworven, de door het aanbrengen van de geluidwerende
voorzieningen toegenomen marktwaarde op de koopprijs in mindering wordt
gebracht. Het in mindering te brengen bedrag wordt verlaagd met
ééntiende gedeelte daarvan voor elk jaar dat is verstreken na het
aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen.
Artikel 25
De minister kan een vergoeding toekennen aan de natuurlijke of
rechtspersoon die deze regeling geheel of gedeeltelijk krachtens een
daartoe met de minister gesloten overeenkomst uitvoert.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 26
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 27
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geluidwerende
voorzieningen 1997.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage,
6 februari 1997.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling.
Bijlage 1. Bepaling
kostenbegrenzingswaarde geluidwerende voorzieningen luchtvaartgeluid als
bedoeld in artikel 1 van de regeling
Voor toepassing van deze bijlage wordt
verstaan onder:
I: geraamde kosten (inclusief BTW)
die zijn verbonden aan het aanbrengen van geluidwerende
voorzieningen, als bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel d, en
in 16, derde lid, onderdeel d, van de regeling;
K: kostenbegrenzingswaarde, als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de regeling;
W: waarde van de woning bepaald
volgens de in deze bijlage opgenomen methodiek;
T: term geluidwering, bepaald volgens
formule (2);
G(A): vereiste waarde van de
geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie in dB(A), als
bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de regeling, dan wel de
hoogste van de vereiste waarden van de geluidwering van de
uitwendige scheidingsconstructie voor startend of landend
vliegverkeer als bedoeld in NEN-EN-12354-3 en NPR-5272.
K wordt berekend volgens:
K=T*W (1)
T wordt berekend volgens:
T=0,045*G(A)-0,8 (2)
W wordt bepaald door middel van
berekening conform de berekeningsmethodiek die is aangegeven in
paragraaf 3.1 van het rapport ’Methodiek en criteria voor de toetsing
van isolatiekosten in relatie tot de opstal opnieuw bezien’, nr.
685/90790/R001 d.d. juli 1988 van adviesbureau Heidemij BV en de in de
paragrafen 5.2, 5.3 en 5.5 van genoemd rapport opgenomen
woningparameters en correctiefactoren.
Indien er sprake is van een uit
akoestisch oogpunt lichte bouwkundige constructie, kan W worden bepaald
door middel van taxatie. In dat geval wordt de taxatie verricht door een
door de minister aan te wijzen beëdigd taxateur. Als uitgangspunt voor
taxatie geldt de waarde van de woning in het economisch verkeer, beperkt
tot de waarde van de opstallen met een geluidsgevoelige bestemming en
exclusief de grond.
Indien I <= K, dan is de woning
isoleerbaar;
indien I < K, dan is de woning niet
isoleerbaar.
De in het rapport genoemde prijzen per
kubieke meter worden jaarlijks geactualiseerd.
Bijlage 2. Technisch voorschrift als
bedoeld in de artikelen 2, 19, 20 en 22
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. De bepaling van de geluidwering van de
uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in de artikelen 2, 19, 20 en
22 van de regeling, vindt plaats door middel van berekeningen dan wel
door middel van metingen.
2. De berekeningen en metingen vinden
plaats voor de octaafbanden met de middenfrequenties 125 Hz, 250 Hz, 500
Hz, 1000 Hz en 2000 Hz.
3. Bij de berekeningen wordt uitgegaan
van de situatie zoals die voor een bepaling door metingen van de
geluidwering volgens dit voorschrift van toepassing zijn.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van artikel 19 van
de regeling, wordt bij de in artikel 1, eerste lid, bedoelde
berekeningen en metingen, uitgegaan van de herleidingswaarden Ci volgens
het standaard referentiespectrum voor luchtvaartgeluid, zoals opgenomen
in tabel 6 van de NEN- 5077.
2. Voor de toepassing van artikel 20 van
de regeling, wordt bij de in artikel 1, eerste lid, bedoelde
berekeningen en metingen, onderscheid gemaakt tussen de geluidwering
voor startend en landend vliegverkeer. Hierbij wordt uitgegaan van de
herleidingswaarden Ci volgens het spectrum voor startend en landend
vliegverkeer, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Tabel 6a. Herleidingswaarden (Ci) voor
verschillende soorten buitengeluid
| Ci
in dB voor octaafband met middenfrequentie in Hz |
125
I=1 |
250
i=2 |
500
i=3 |
1000
i=4 |
2000
i=5 |
|
luchtverkeer op Schiphol, starten |
– 15,3 |
– 7,6 |
– 6.8 |
– 4,4 |
– 6,5 |
|
luchtverkeer op Schiphol, landen |
– 18,8 |
– 11,9 |
– 7,1 |
– 5,9 |
– 3,2 |
|
luchtverkeer op Maastricht, starten |
– 12,6 |
– 6,0 |
– 5,7 |
– 4,8 |
– 10,8 |
|
luchtverkeer op Maastricht, landen |
– 17,2 |
– 10,5 |
– 6,9 |
– 6,1 |
– 3,6 |
3. Indien, naar het oordeel van de
Minister het spectrum van het luchtvaartgeluid buiten de woning of het
ander geluidsgevoelig gebouw sterk afwijkt van het in het eerste
respectievelijk tweede lid bedoelde spectrum, worden de
dienovereenkomstige herleidingswaarden Ci in de plaats gesteld van de in
het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde waarden.
4. Bij de in artikel 1, eerste lid,
bedoelde berekeningen en metingen, worden afscherming en reflectie
verdisconteerd door toepassing van de correctiefactor CL, zoals
opgenomen met betrekking tot de geluidsbelasting in Ke in artikel 3,
eerste en tweede lid, en met betrekking tot de LAeq geluidsbelasting in
dB(A) in artikel 3, derde lid.
Artikel 3
1. Voor de toepassing van artikel 19 van
de regeling, worden, indien bij meerdere geluidbelaste onderdelen van de
uitwendige scheidingsconstructie deze onderdelen niet gelijktijdig door
een vliegtuig direct aangestraald kunnen worden, voor de correctiefactor
CL de volgende waarden gehanteerd:
– CL=0 dB voor de onderdelen
waarvoor de hoek tussen de verbindingslijn geluidsbron – onderdeel
en de normaal op het onderdeel kleiner dan of gelijk is aan 70°;
– CL=3 dB voor de onderdelen
waarvoor de hoek tussen de verbindingslijn geluidsbron – onderdeel
en de normaal op het onderdeel groter is dan 70° maar kleiner dan
of gelijk is aan 90°, en
– CL=8 dB voor de onderdelen
waarvoor de hoek tussen de verbindingslijn geluidsbron – onderdeel
en de normaal op het onderdeel groter is dan 90°.
De geluidwering (GA) van de uitwendige
scheidingsconstructie is de laagste van de te berekenen geluidwering bij
mogelijke combinaties van direct en niet direct aangestraalde onderdelen
van de uitwendige scheidingsconstructie.
2. Voor de toepassing van artikel 19 van
de regeling, wordt voor het onderdeel van de uitwendige
scheidingsconstructie dat het verst van het gemiddelde grondpad is
verwijderd, CL = 8 dB gehanteerd, indien de hoek tussen het onderdeel
van de uitwendige scheidingsconstructie en het gemiddelde grondpad
kleiner is dan 30°.
3. Voor de toepassing van artikel 20 van
de regeling, wordt een correctiefactor CL toegepast ten gevolge van de
hoekafhankelijkheid van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie, φαßm. φαßm is afhankelijk
van de momentane vliegtuigpositie die wordt beschreven door de hoeken
α en ß. De horizontale hoek α is gedefinieerd als de hoek
tussen de normaal op het onderdeel van de uitwendige
scheidingsconstructie en de verbindingslijn tussen het middelpunt van
het onderdeel van de uitwendige scheidingsconstructie in het
referentievlak en de projectie van de vliegtuigpositie op het
referentievlak. De verticale hoek ß is gedefinieerd als de hoek tussen
de verbindingslijn tussen het middelpunt van het onderdeel van de
uitwendige scheidingsconstructie in het referentievlak en de
vliegtuigpositie en de verbindingslijn tussen het middelpunt van het
onderdeel van de uitwendige scheidingsconstructie in het referentievlak
en de projectie van de vliegtuigpositie op het referentievlak.
φαßm wordt op grond van metingen of berekeningen per
luchtvaartterrein vastgesteld.
CL wordt per onderdeel j van de
uitwendige scheidingsconstructie per procedure m bepaald uit:
CL=LAeq(1)-LAeq(2)(1)
waarbij :
LAeq(1) = de LAeq geluidsbelasting in
dB(A), als bedoeld in artikel 6, tweede lid, voor procedure m;
LAeq(2) = de LAeq geluidsbelasting in
dB(A), berekend conform de ingevolge artikel 25g van de Luchtvaartwet
vastgestelde Regeling berekening nachtelijke geluidsbelasting, met
mede-integratie van de hoekafhankelijke geluidwering φαßm,
voor procedure m en onderdeel j.
Hoofdstuk 2. Meting van de geluidwering
van de uitwendige scheidingsconstructie
Artikel 4
De geluidwering (GA) van de uitwendige
scheidingsconstructie wordt bepaald overeenkomstig NEN 5077.
Hoofdstuk 3. Berekening van de
geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie
Artikel 5
1. De geluidwering (GA) van de uitwendige
scheidingsconstructie wordt berekend uit de partiële geluidwering Gi in
octaafbanden volgens hoofdstuk 5 van NEN 5077 voor het relevante
referentiespectrum.
2. De partiële geluidwering wordt
bepaald uit het genormeerd geluiddrukniveauverschil van de uitwendige
schedingsconstructie D2m,nT,i en de herleidingsterm voor gevelreflectie
Cr voor het constructie-onderdeel met de hoogste geluidbelasting
volgens:
Gi = D2m,nT,i – Cr
waarin Cr volgt uit tabel 3 van NEN 5077.
3. Het genormeerd
geluiddrukniveauverschil van de gevel, D2m,nT,i, wordt bepaald uit het
genormeerd geluiddrukniveauverschil per constructie-onderdeel, D2m,nT,i,j,
en de herleidingsterm voor de variatie in geluidbelasting CL,j voor het
betreffende constructie-onderdeel volgens de formule:
D2m,nT,i = –10 lg SOM(j=1 tot N) 10–(D2m,nT,i,j+CL,j)/10
waarin CL,j volgt uit artikel 3 van deze
regeling.
4. Het genormeerd
geluiddrukniveauverschil D2m,nT,i,j. wordt per constructie-onderdeel
berekend volgens NEN-EN 12354-3, waarbij de invulling van de
rekenmethode die in de annexen B, C en D wordt gegeven als een integraal
onderdeel van de methode wordt beschouwd.
5. Ten aanzien van de te hanteren
invoergegevens voor de berekeningen zijn de aanwijzingen in NEN-EN
12354-3 annexen B, C en D van toepassing. Indien hiervan afwijkenden
waarden als invoergegeven worden toegepast, worden die afwijkingen nader
gemotiveerd.
Hoofdstuk 4. Berekening van het
geluidsniveau in een slaapkamer ten gevolge van nachtelijk vliegverkeer
Artikel 6
1. De LAeq geluidsbelasting in dB(A)
binnen een slaapkamer, bedoeld in artikel 20 van de regeling, wordt als
volgt berekend:
|
LAeq,binnen |
= 10 log {10LAeq,binnen,starten/10
+ 10 LAeq,binnen,landen/10} |
(5) |
|
LAeq,binnen,starten |
= LAeq,binnen, starten –
GA,starten |
(6) |
|
LAeq,binnen,landen |
= LAeq,buiten, landen – GA,landen |
(7) |
waarin:
|
LAeq,binnen,starten |
= |
de LAeq geluidsbelasting in dB(A)
binnen een slaapkamer ten gevolge van startend vliegverkeer; |
|
LAeq,buiten,starten |
= |
de LAeq geluidsbelasting in dB(A)
buiten de woning of het ziekenhuis, verpleeghuis of ander
gezondheidszorggebouw ten gevolge van startend vliegverkeer als
bedoeld in het tweede lid; |
|
GA,starten |
= |
de geluidswering van de uitwendige
scheidingsconstructie in dB(A) bij startend vliegverkeer, bepaald
volgens artikel 4 dan wel artikel 5; |
|
LAeq,binnen,landen |
= |
de LAeq geluidsbelasting in dB(A)
binnen een slaapkamer ten gevolge van landend vliegverkeer; |
|
LAeq,buiten,landen |
= |
de LAeq geluidsbelasting in dB(A)
buiten de woning of het ziekenhuis, verpleeghuis of ander
gezondheidszorggebouw ten gevolge van landend vliegverkeer als
bedoeld in het tweede lid; |
|
GA,landen |
= |
de geluidswering van de uitwendige
scheidingsconstructie in dB(A) bij landend vliegverkeer, bepaald
volgens artikel 4 dan wel artikel 5. |
2. De LAeq geluidsbelasting in dB(A)
buiten de woning of het ziekenhuis, verpleeghuis of ander
gezondheidszorggebouw voor startend en landend vliegverkeer wordt
berekend overeenkomstig de Regeling berekening nachtelijke
geluidsbelasting, waarbij de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie onderscheiden naar startend en landend
vliegverkeer, Lgevel,m, gelijk wordt gesteld aan 0 dB(A).
Bijlage 3
Bijlage 4
|