| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Luchtvaartwet (LVW)
TARIEVENREGELING
Tekst zoals deze geldt op
11 april 2008
Vervallen
m.i.v. 19 juli 2008
|
|
|
BESCHIKKING houdende tarievenregeling 1993 voor
toepassing luchtvaartwet en uitvoeringsregelen (deel 2159)
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 76, tweede lid, van de
Luchtvaartwet en artikel 159, eerste lid, van de Regeling Toezicht
Luchtvaart;
Besluit:
Artikel 1. Algemeen
De vergoedingen van de kosten, welke voor de overheid voortvloeien
uit de toepassing van de bepalingen van de Luchtvaartwet en zijn
uitvoeringsmaatregelen, worden berekend naar de in de volgende artikelen
genoemde tarieven.
Artikel 2. Tarieven ingevolge de
Luchtvaartwet
1. Met inachtneming van het bepaalde in
het tweede lid bedraagt het tarief voor een ontheffing van het verbod,
genoemd in:
a. artikel 4, eerste lid onder a, van de Luchtvaartwet om de
luchtvaart uit te oefenen met een luchtvaartuig, dat niet is voorzien
van een geldig bewijs van inschrijving, f 100;
b. artikel 4, eerste lid onder b, van de Luchtvaartwet om de
luchtvaart uit te oefenen met een luchtvaartuig dat niet is voorzien
van het nationaliteitskenmerk en voorgeschreven inschrijvingskenmerk,
f 100;
c. artikel 4, eerste lid onder c, van de Luchtvaartwet om de
luchtvaart uit te oefenen met een luchtvaartuig dat niet is voorzien
van een geldig bewijs van luchtwaardigheid of van gelijkstelling, f
190;
d. artikel 8, eerste lid, van de Luchtvaartwet om een luchtvaartuig
te bedienen zonder geldig bewijs van bevoegdheid, f 190;
e. artikel 14, eerste lid onder a, b of c, van de Luchtvaartwet om
met een luchtvaartuig van of op een niet als luchtvaartterrein
aangewezen terrein op te stijgen respectievelijk te landen of dit
terrein in te richten voor het opstijgen en landen van
luchtvaartuigen, f 150.
2. Het tarief voor een ontheffing van het verbod, genoemd in:
a. artikel 31, eerste lid onder a en b, van de Luchtvaartwet om
bouwwerken of roerende zaken op een luchtvaartterrein op te richten of
te hebben, of graafwerk te verrichten, bedraagt f 150;
b. artikel 33, eerste lid onder a, b en c van de Luchtvaartwet, om
een luchtvaartterrein te gebruiken in strijd met de bepalingen en
voorwaarden bij de aanwijzing gesteld, bedraagt f 150;
c. artikel 34, eerste lid onder a en b, van de Luchtvaartwet om een
luchtvaartterrein te gebruiken in strijd met de bepalingen en
voorwaarden bij de aanwijzing gesteld, bedraagt f 150.
3. Het tarief voor een toestemming tot het houden van een
Luchtvaartvertoning of luchtvaartwedstrijd, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Luchtvaartwet, bedraagt f 250.
4. Het tarief voor het aanwijzen van een luchtvaartterrein,
bedoeld in de artikelen 18 tot en met 30 van de Luchtvaartwet, bedraagt
f 2333.
5. Het tarief voor het opleggen van een bouwverbod, op verzoek
van een exploitant, bedoeld in de artikelen 38 tot en met 49 van de
Luchtvaartwet, bedraagt f 3588.
Artikel 3. Tarieven ingevolge het
Luchtverkeersreglement-1980
1. Het tarief voor een ontheffing van het
verbod, genoemd in:
a. artikel 18, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
tijdens de vlucht voorwerpen of stoffen te verwijderen, bedraagt f
100;
b. artikel 19, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
met een luchtvaartuig voorwerpen of andere luchtvaartuigen in de lucht
te slepen, bedraagt f 100;
c. artikel 20, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om,
behalve in geval van nood, valschermen te gebruiken voor het verlaten
van een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig, bedraagt f 100;
d. artikel 21, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
een vlucht uit te voeren, waarbij met opzet bewegingen worden
uitgevoerd die een plotselinge verandering in de stand, een abnormale
stand of een abnormale verandering in de snelheid van het
luchtvaartuig meebrengt, bedraagt f 100;
e. artikel 52, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
een VFR-vlucht uit te voeren, bedraagt f 100;
f. artikel 53, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
een VFR-vlucht uit te voeren beneden de vastgestelde minimum
vlieghoogte, bedraagt f 100;
g. artikel 58, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
een IFR-vlucht uit te voeren beneden de vastgestelde minimum
vlieghoogte, bedraagt f 100;
h. artikel 65, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement-1980 om
krachtens artikel 1, onder b, van de Luchtvaartwet aangewezen
toestellen, niet zijnde luchtvaartuigen, in het luchtruim te
gebruiken, bedraagt f 100.
2. Het tarief voor een ontheffing van het voorschrift genoemd in:
a. artikel 43, eerste en tweede lid, om positiemelding te doen,
bedraagt f 100;
b. artikel 45, eerste lid, om te luisteren op de aangewezen
radiofrequentie en zo nodig tweezijdig radiocontact tot stand te
brengen met de betrokken verkeersleidingsdienst, bedraagt f 100.
Artikel 4. Tarieven ingevolge de Regeling
Toezicht Luchtvaart
1. Indien in verband met het
overheidstoezicht op de bouw van een luchtvaartuig als bedoeld in
artikel 87 van de Regeling Toezicht Luchtvaart en/of op het onderhoud,
de revisie of herstelling van een luchtvaartuig als bedoeld in artikel
88 van de Regeling Toezicht Luchtvaart, het daarbij betrokken
Rijkspersoneel in het buitenland werkzaam moet zijn, komen de reis- en
verblijfkosten van het Rijkspersoneel ten laste van de aanvrager van het
bewijs van luchtwaardigheid onderscheidenlijk de eigenaar of houder van
het luchtvaartuig. Bij het vaststellen van de reis- en verblijfkosten
moeten ten minste de bepalingen van het Reisbesluit 1971 in acht worden
genomen.
2. Het tarief voor de ontheffing van de regelingen op basis van
artikel 97, tweede lid, in samenhang met artikel 102b van de Regeling
Toezicht Luchtvaart om gevaarlijke stoffen te vervoeren of te doen
vervoeren, bedraagt f 100.
3. Indien in verband met de beoordeling van een aanvraag voor
afgifte, wijziging of verlenging van de termijn van geldigheid van en
vergunning tot vluchtuitvoering als bedoeld in artikel 104 van de
Regeling Toezicht Luchtvaart, dan wel een onderzoek naar aanleiding van
een schorsing van een zodanige vergunning, het daarbij betrokken
Rijkspersoneel in het buitenland werkzaam moet zijn, komen de reis- en
verblijfkosten van het Rijkspersoneel ten laste van de aanvrager
onderscheidenlijk de houder van de vergunning.
Bij het vaststellen van de reis- en verblijfkosten moeten tenminste
de bepalingen van het Reisbesluit 1971 in acht worden genomen.
Artikel 5. Tarieven met betrekking tot de
inschrijving van luchtvaartuigen
De tarieven voor de hierna genoemde verrichtingen bedragen voor:
a. de afgifte van een bewijs van inschrijving f 260;
b. de afgifte van een bewijs van inschrijving ingeval van
overschrijving f 260;
c. de vernieuwing van een bewijs van inschrijving f 57.
Artikel 6. Tarieven met betrekking tot de
bewijzen van bevoegdheid, tot de bewijzen van gelijkstelling van elders
afgegeven bewijzen van bevoegdheden en tot examens
1. De tarieven voor de eerste afgifte
bedragen voor:
a. een oefenbewijs, een beperkt vliegbewijs A, een vliegbewijs A,
een vliegbewijs B2, een bewijs van bevoegdheid als ballonvoerder, of
bestuurder van zweefvliegtuigen f 129;
b. een bewijs van bevoegdheid als zweefvliegtechnicus f 75;
c. een bewijs van bevoegdheid als grondwerktuigkundige, f 220;
d. een vliegbewijs B3, een bewijs van bevoegdheid als
boordwerktuigkundige f 238;
e. een vliegbewijs B1 f 274.
2. Het tarief voor de eerste afgifte van een bewijs van
gelijkstelling van een elders afgegeven bewijs van bevoegdheid bedraagt
f 41.
3. Het tarief voor de vernieuwing van een bewijs van bevoegdheid
of een bewijs van gelijkstelling van een elders afgegeven bewijs van
bevoegdheid bedraagt f 41.
4. De tarieven voor de examens van de bewijzen van bevoegdheid en
bevoegdverklaringen zijn in de tabel in guldens aangegeven.
Bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen (tarieven in
guldens)
|
Theoretisch examen
|
Theoretisch (her)examen in één vak
|
Praktisch examen
|
Gedeeltelijk (her)examen praktisch
|
a. beperkt vliegbewijs A
|
–
|
–
|
252
|
83
|
b. vliegbewijs A
|
–
|
62
|
252
|
83
|
c. vliegbewijs B3
|
–
|
72
|
252
|
87
|
d. vliegbewijs B3 met bevoegdverklaring ‘blindvliegen’
|
–
|
72
|
252
|
141
|
e. vliegbewijs B2
|
–
|
72
|
252
|
141
|
f. vliegbewijs B2 met bevoegdverklaring ‘blindvliegen’
|
–
|
72
|
252
|
141
|
g. vliegbewijs B1
|
–
|
72
|
252
|
141
|
h. bewijs van bevoegdheid als ballonvoerder
|
147
|
62
|
147
|
–
|
i. bewijs van bevoegdheid als boordwerktuigkundige
|
–
|
72
|
263
|
141
|
j. bevoegdverklaring ‘radiotelefonie’
|
111
|
–
|
111
|
–
|
k. bewijs van bevoegdheid als grondwerktuigkundige
|
328
|
115
|
–
|
–
|
l. bewijs van bevoegdheid als zweefvliegtechnicus
|
179
|
84
|
–
|
–
|
m. bevoegdverklaring voor een klasse en/of type vliegtuig
|
–
|
–
|
172)
|
87))
|
n. bevoegdverklaring ‘blindvliegen’
|
–
|
72
|
252
|
141
|
o. bevoegdverklaring ‘spuitvliegen’
|
133
|
–
|
158
|
–
|
p. bevoegdverklaring ‘vliegonderricht’ in het vliegbewijs
|
–
|
72
|
205
|
98
|
q. bevoegdverklaring ‘wolkenvliegen’
|
–
|
–
|
147
|
–
|
r. bevoegdverklaring ‘vliegonderricht’ in het
zweefvliegbewijs
|
133
|
62
|
133
|
–
|
s. geluidsseinen
|
|
|
28
|
Artikel 7. Tarieven met betrekking tot de
bewijzen van luchtwaardigheid, de bewijzen van gelijkstelling van elders
afgegeven bewijzen van luchtwaardigheid, de bewijzen van deugdelijkheid,
de bewijzen van erkenning
1. De tarieven voor de hierna genoemde
verrichtingen bedragen voor:
a. de afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid dan wel van een
bewijs van deugdelijkheid voor een serie-luchtvaartuig, f 443
vermeerderd met telkens f 183 voor elke 1000 kgm of gedeelte daarvan
waarmede de maximaal toegelaten totaalmassa van het luchtvaartuig een
massa van 2000 kgm overschrijdt;
b. de verlenging van de termijn van geldigheid van het bewijs van
luchtwaardigheid, f 210 vermeerderd met telkens f 72 voor elke 1000
kgm of gedeelte daarvan, waarmede de maximaal toegelaten totaalmassa
van het luchtvaartuig een massa van 2000 kgm overschrijdt;
c. de vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid van een
luchtvaartuig, (inclusief de daarbij behorende documenten) f 141;
d. de afgifte van een bewijs van gelijkstelling van een elders
afgegeven bewijs van luchtwaardigheid f 141 vermeerderd met telkens f
23 voor elke 1000 kgm of gedeelte daarvan, waarmede de maximaal
toegelaten totaal massa van het luchtvaartuig een massa van 2000 kgm
overschrijdt;
e. de afgifte van een bewijs van deugdelijkheid, behoudens voor een
serie-luchtvaartuig, als bedoeld onder a, f 141; de verlenging van de
termijn van geldigheid van een bewijs van deugdelijkheid, behoudens
voor een serie-luchtvaartuig, als bedoeld onder a, f 47;
f. de afgifte van een beperkt bewijs van luchtwaardigheid voor een
in Nederland gebouwd amateurluchtvaartuig dan wel een in
oorspronkelijke staat hersteld, historisch luchtvaartuig of replica
daarvan is gelijk aan het tarief dat is vastgesteld voor de afgifte
van een bewijs van luchtwaardigheid dan wel een bewijs van
deugdelijkheid voor een serie-luchtvaartuig, voor zover het een
luchtvaartuig betreft van een type dat reeds in het buitenland dan wel
in Nederland voorzien is van een R-BVL dan wel een gelijksoortig
document;
g. de afgifte van een bewijs van erkenning, ingevolge artikel 13
van de Regeling Vervoer Gevaarlijke Stoffen door de Lucht voor een
bedrijf: f 367;
h. de afgifte van een bewijs van erkenning ingevolge artikel 93
Regeling Toezicht Luchtvaart voor een persoon f 186;
i. erkenning van bedrijven ingevolge artikel 93 Regeling Toezicht
Luchtvaart, dan wel ingevolge EG-verordening nr. 3922/91 van
16-12-1992 (JAR 145)
1. de jaarlijkse kosten, verbonden aan de erkenning van een bedrijf
bedragen P × T. De factor T wordt vastgesteld op f 380.
In geval van een eerste afgifte van een bewijs van erkenning bedragen
de kosten een evenredig deel van P × T, dat wil zeggen evenredig met
de resterende periode van het kalenderjaar waarop de erkenning
betrekking heeft:
2. de factor P, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt bepaald
aan de hand van het aantal personeelsleden E van het bedrijf dan wel
het bedrijfsonderdeel waarop erkenning betrekking heeft, volgens
onderstaande tabel.
Als peildatum voor de bepaling van E geldt 1 januari, dan wel in het
geval van een eerste afgifte van een bewijs van erkenning de datum van
de eerste afgifte.
E
t/m 5 personen P = 8
6 t/m 10 personen P = E + 6
11 t/m 50 personen P = 0,6 E + 10
51 t/m 100 personen P = 0,4 E + 20
vanaf 101 personen P = 0,3 E + 30;
j. de afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid voor een
luchtvaartuig ingeval de afgifte geschiedt krachtens een
internationale overeenkomst inzake erkenning of gelijkstelling van
bewijzen van luchtwaardigheid, evenveel als onder a voor de afgifte
van een bewijs van luchtwaardigheid voor een serie-luchtvaartuig is
bepaald.
Artikel 8. Tarieven voor vergunning tot
vluchtuitvoering bij gebruik van buitenlandse luchtvaartuigen
1. De tarieven met betrekking tot afgifte
Vergunning tot Vluchtuitvoering, de wijziging van een vergunning en de
verlenging van de termijn van geldigheid, voor zover het buitenlandse
vliegtuigen betreft, welke krachtens de vergunning worden of mogen
worden gebruikt, worden als volgt bepaald:
a. het verschuldigde bedrag is gelijk aan het tarief als bedoeld in
artikel 7, lid 1, onder b, bepaald voor maximaal toegelaten
totaalmassa van het betrokken buitenlandse vliegtuig;
b. het onder a bedoelde tarief is jaarlijks verschuldigd voor elk
buitenlands vliegtuig dat op 1 januari van het jaar krachtens de
vergunning tot vluchtuitvoering wordt of mag worden gebruikt.
2.
a. Een verklaring voor buitenlandse luchtvaartuigen die in Nederland
worden gebruikt voor het valschermspringen f 100;
b. een verklaring voor buitenlandse luchtvaartuigen als bedoeld in
artikel 6 van het Besluit voor het slepen van luchtvaartuigen,
sleepnetten of andere voorwerpen f 100.
3. Indien, in verband met de in artikel 5 en artikel 7, eerste
lid genoemde verrichtingen ingevolge de aanvrage het daarbij betrokken
Rijkspersoneel in het buitenland werkzaam moet zijn, komen de reis- en
verblijfkosten in het buitenland van dit Rijkspersoneel ten laste van
vorenbedoelde aanvrager. Bij het vaststellen van de reis- en
verblijfkosten moeten ten minste de bepalingen van het Reisbesluit 1971
in acht worden genomen.
4. Indien naar het oordeel van de Directeur-Generaal bij een
onderzoek is gebleken dat een aanvraag tot het verrichten van een in het
eerste lid genoemde handeling door schuld van de aanvrager van zodanige
handeling niet kan worden ingewilligd, vervalt de aanvraag en worden
daarvoor betaalde gelden niet terugbetaald.
Artikel 9. Tarieven voor Vergunning tot
Vluchtuitvoering
Onverminderd het in artikel 8, van deze regeling bepaalde, gelden met
betrekking tot een Vergunning tot Vluchtuitvoering zoals bedoeld in
artikel 104 van de Regeling Toezicht Luchtvaart de volgende tarieven.
1. Het tarief met betrekking tot de afgifte van een Vergunning
tot Vluchtuitvoering wordt vastgesteld op basis van de maximum
take-off mass, MTOM, van het zwaarste type vliegtuig gebruikt door de
aanvrager als volgt:
– MTOM 2000 kilogrammassa (kgm) of minder: f 2000;
– MTOM meer dan 2000 kgm en minder dan 15 000 kgm: f 2000
vermeerderd met f 200 voor elke 500 kgm of deel daarvan boven de
2000 kgm;
– MTOM 15 000 kgm of meer: f 7300.
Dit wordt vermeerderd met een toeslag van 20% voor elk ander type,
volgens bovenstaande indeling.
2. Het tarief voor een wijziging van een Vergunning tot
Vluchtuitvoering, voor zover deze betreft het bijschrijven van een
type vliegtuig, wordt per type vliegtuig vastgesteld op basis van het
MTOM van het bijgeschreven type, overeenkomstig het in het eerste lid
van dit artikel bepaalde.
3. Het tarief voor een wijziging, anders dan bedoeld in het
tweede lid, bedraagt f 200.
4. De periodieke kosten, verbonden aan een Vergunning tot
Vluchtuitvoering, worden vastgesteld op basis van het aantal krachtens
de vergunning gevlogen uren per type vliegtuig naar onderstaande
indeling.
– MTOM 2000 kgm of minder: f 1,65 per uur;
– MTOM meer dan 2000 kgm en minder dan 15000 kgm: f 2,65 per
uur;
– MTOM 15 000 kgm of meer: f 4,25 per uur.
5.
a. De tarieven, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid van dit
artikel dienen gelijktijdig met het indienen van de aanvraag te worden
betaald.
b. Het tarief bedoeld in het vierde lid dient na afloop van elk
kwartaal te worden betaald.
c. In bijzondere gevallen kan de directeur-generaal afwijking
toestaan van het in dit lid bepaalde.
Artikel 10. Tarieven met betrekking tot
type-certificatie, aanvullingen daarop en de goedkeuring van
type-wijzigingen
1. De tarieven voor de hierna genoemde
verrichtingen bedragen voor:
a. het onderzoek benodigd voor de afgifte van een type-certificaat
voor een luchtvaartuig met een maximaal toegelaten totaalmassa van
2730 kg, of minder, f 3410;
b. het onderzoek benodigd voor de afgifte van een type-certificaat
dan wel een aanvulling daarop, voor een luchtvaartuig met een maximaal
toegelaten totaalmassa van meer dan 2730 kgm. f 170 per uur besteed
door Rijkspersoneel aan het onderzoek, met een minimum van f 3410;
c. het onderzoek benodigd voor de goedkeuring van een
type-wijziging aan een luchtvaartuig met een maximaal toegelaten
totaalmassa van meer dan 2730 kgm, f 170 per uur besteed door
Rijkspersoneel aan het onderzoek;
d. het onderzoek benodigd voor de goedkeuring van in Nederland
ontwikkelde of vervaardigde onderdelen en uitrustingsstukken, die
bedoeld zijn voor gebruik in een luchtvaartuig met een totaal
toegelaten totaalmassa van meer dan 2730 kgm, f 170 per uur besteed
door Rijkspersoneel aan het onderzoek.
2. Indien voor een in dit artikel genoemd onderzoek het daarbij
betrokken Rijkspersoneel in het buitenland werkzaam moet zijn, komen hun
reis- en verblijfkosten in het buitenland ten laste van de aanvrager.
Bij het vaststellen van de reis- en verblijfkosten moeten ten minste de
bepalingen van het Reisbesluit 1971 in acht worden genomen.
3. Indien naar het oordeel van de Directeur-Generaal, bij een
onderzoek is gebleken dat een aanvraag tot de afgifte van een
type-certificaat, een aanvulling daarop dan wel een goedkeuring van een
type-wijziging door de schuld van de aanvrager niet kan worden
ingewilligd, vervalt de aanvraag. De kosten tot dat moment, zoals
bedoeld in lid 1, blijven voor rekening van de aanvrager en zullen niet
worden terugbetaald.
4.
a. Het tarief zoals bedoeld in het eerste lid onder a dient
gelijktijdig met het indienen van de aanvraag betaald te worden.
b. De kosten zoals bedoeld in het eerste lid onder b en c worden
achteraf per kwartaal in rekening gebracht. De kosten worden vastgesteld
door vermenigvuldiging van het genoemde tarief met het aantal werkelijk
bestede uren. De kosten zoals bedoeld in het eerste lid onder b bedragen
minimaal f 3410. Na de beëindiging van het onderzoek vindt de
eindverrekening plaats.
c. In afwijking van het gestelde in het vorige lid kan in bijzondere
gevallen de Directeur-Generaal een andere regeling voor de betaling
toestaan.
Artikel 11. Ontheffing
In bijzondere gevallen kan door de Directeur-Generaal van de
Rijksluchtvaartdienst gehele of gedeeltelijke ontheffing worden verleend
van de in deze regeling vastgestelde tarieven.
Artikel 12. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1993.
Artikel 13. Publicatie
Deze regeling zal worden geplaatst in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 14. Intrekking
De regeling van 13 december 1991, nr. LI 8555a, wordt ingetrokken, te
rekenen vanaf 1 januari 1993.
Artikel 15. Citeertitel
Deze regeling kan worden aangehaald als: Tarievenregeling.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen.
|
|
|