|
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 132, eerste lid, van de
Regeling Toezicht Luchtvaart;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze regeling is van toepassing op de volgende luchthavens: Ameland,
Budel, Drachten, Eelde, Hilversum, Hoogeveen, Lelystad, Maastricht,
Midden-Zeeland, Rotterdam, Schiphol, Seppe, Teuge en Texel.
Artikel 1a
Deze regeling berust op artikel 8a.1, eerste lid, van de Wet
luchtvaart.
Artikel 2
1.De begripsbepalingen gegeven in de Luchtvaartwet, de Regeling
Toezicht Luchtvaart, de Wet Luchtverkeer en het Luchtverkeersreglement
zijn tevens van toepassing op deze regeling.
2.Voorts wordt in deze regeling verstaan onder:
a. afhandelingszone:
gebied dat begrensd wordt door de omtrek van het vliegtuig
vermeerderd met 2 meter;
b. airside:
dat gedeelte van het luchtvaartterrein dat gebruikt wordt voor het
landen, starten, taxiën, slepen, parkeren en afhandelen van
luchtvaartuigen;
c. dodelijk letsel:
letsel door een persoon bij een ongeval op een luchtvaartterrein
opgelopen, dat binnen 30 dagen na het tijdstip van het ongeval de dood
tot gevolg heeft;
d. ernstig gebrek of defect:
niet voldoen aan een eis ten aanzien van de inrichting of
uitrusting van een luchtvaartterrein, waardoor de veiligheid van
personen op het luchtvaartterrein of inzittenden van een luchtvaartuig
in gevaar is of kan worden gebracht;
e. ernstig incident:
incident dat zich voordoet onder omstandigheden die erop wijzen dat
bijna een luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden;
f. ernstig letsel:
letsel door een persoon bij een ongeval op een luchtvaartterrein
opgelopen, dat binnen 7 dagen na het tijdstip van het ongeval een
ziekenhuisopname voor meer dan 48 uur tot gevolg heeft, dan wel heeft
geresulteerd in:
1. een botbreuk, met uitzondering van simpele breuken zoals die
van vingers, tenen of neus;
2. rupturen die leiden tot hevige bloedingen of hersen-, zenuw-,
spier- of peesletsel;
3. inwendig letsel;
4. tweede of derde graads brandwonden of verbranding van meer
dan 5% van het lichaamsoppervlak;
5. vastgestelde blootstelling aan schadelijke straling of
besmettelijke stoffen.
g. gebrek of defect:
niet voldoen aan een eis ten aanzien van de inrichting of
uitrusting van een luchtvaartterrein;
h. grondafhandelingsdiensten:
de in de bijlage bij Richtlijn nr. 96/67/EG van de Raad van de
Europese Unie van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de
grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PbEG L
272/36) genoemde diensten die op een luchtvaartterrein aan een
gebruiker worden verleend;
i. incident:
elk voorval, dat geen ongeval is en dat zich heeft afgespeeld op
een luchtvaartterrein en afbreuk doet of zou kunnen doen aan de orde
of veiligheid op, of het veilige gebruik van het luchtvaartterrein, of
waarbij de veiligheid van personen in gevaar is gebracht;
j. luchtvaartongeval:
elk voorval dat samenhangt met het gebruik van het luchtvaartuig
tijdens de periode ingaande op het moment waarop enig persoon zich in
het luchtvaartuig begeeft met het oogmerk om te vliegen tot het moment
waarop deze personen allen het luchtvaartuig hebben verlaten en
waarbij, behoudens in de bij ministeriële regeling bepaalde gevallen:
1. een persoon tijdens zijn verblijf aan boord van het
luchtvaartuig of door direct contact met het luchtvaartuig of
onderdelen daarvan, of als gevolg van rechtstreekse blootstelling
aan een uitlaatgasstraal dodelijk of ernstig letsel heeft bekomen;
of
2. het luchtvaartuig schade heeft opgelopen, welke afbreuk doet
aan de sterkte van de constructie, de vliegprestaties of
eigenschappen van het luchtvaartuig en waardoor grote reparaties
of vervanging van een of meerdere onderdelen noodzakelijk zijn
respectievelijk is; of
3. het luchtvaartuig vermist of volledig onbereikbaar is;
k. ongeval:
elk voorval op een luchtvaartterrein, waarbij dodelijk of ernstig
letsel of schade van betekenis is veroorzaakt.
l. organisatie:
bedrijf, vennootschap, firma, onderneming of instelling, of een
deel daarvan, publiek- of privaatrechtelijk, met of zonder
rechtspersoonlijkheid, met eigen functies en een eigen administratie;
m. platformverkeersdienst:
een dienst die specifiek is belast met de regeling van het
platformverkeer en alle hiermee verband houdende activiteiten op een
platform;
n. schade van betekenis:
A. met betrekking tot een luchtvaartuig:
schade waarbij:
1. de sterkte van de constructie, de prestaties of de
vliegeigenschappen van het luchtvaartuig wordt beïnvloed; en
2. de noodzaak bestaat voor een omvangrijke reparatie of
vervanging van beschadigde componenten, met uitzondering van
motorstoringen, die uitsluitend leiden tot schade aan de
betreffende motor, en schade aan onbelangrijke componenten.
B. met betrekking tot de inrichting of uitrusting van een
luchtvaartterrein:
schade die zodanig van aard is dat hierdoor:
1. het veilig gebruik van een baan, rijbaan, of platform
niet meer mogelijk is; en
2. de noodzaak bestaat voor een omvangrijke reparatie van
de betreffende baan, rijbaan of platform, dan wel reparatie of
vervanging van beschadigde onderdelen hiervan;
C. met betrekking tot derden:
schade die zodanige invloed heeft op de conditie van materieel
of uitrusting in gebruik voor vlucht- of vliegtuigafhandeling, dat
hierdoor het betreffende materieel of uitrusting niet meer op
veilige wijze kan worden gebruikt;
o. tanken:
het overpompen, aftappen of uitpompen van vliegtuigbrandstof;
p. tankzone:
een gebied met een straal van 6 meter, gerekend vanaf de vul- en
ventilatie-opening van vliegtuig en tankmaterieel;
q. toeleverancier:
organisatie die produkten of diensten levert aan de exploitant;
r. veilige zone:
het gebied beginnende op een afstand van tenminste 15 meter,
gerekend vanaf de vul- en ventilatieopening van vliegtuig en
tankmaterieel;
s. vliegtuigmotor:
iedere voortstuwingsinrichting van een vliegtuig.
Hoofdstuk II. Algemene voorschriften
Artikel 3
Gebruikers van het luchtvaartterrein, toeleveranciers, organisaties
die op het luchtvaartterrein voor de exploitant werkzaamheden
verrichten, alsmede organisaties die op het luchtvaartterrein
zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht te
voldoen aan de eisen die door de exploitant zijn gesteld ten aanzien van
orde en veiligheid op, alsmede het veilig gebruik van het
luchtvaartterrein.
Artikel 4
1.Het is verboden:
a. zich in kennelijke staat van dronkenschap te bevinden, dan
wel onder de invloed te zijn van enig verdovend middel;
b. branddetectie-, brandbeveiligings- of brandblusapparatuur
zonder noodzaak in werking te stellen, dan wel de werking daarvan
te verminderen of de bereikbaarheid van deze apparatuur te
bemoeilijken;
c. apparatuur in werking te stellen of te hebben, waardoor de
radiocommunicatie op of in de omgeving van het luchtvaartterrein
kan worden verstoord;
d. onbevoegd enige apparatuur, inrichting of motoren van
luchtvaartuigen of voertuigen in werking te stellen of te doen
stellen;
e. een brandende pijp, sigaar of sigaret of ander brandend
materiaal bij zich te hebben:
-
op het platform, zowel binnen als buiten de voertuigen;
-
in de open lucht binnen een afstand van 15 meter van
stilstaande vliegtuigen of opslagplaatsen van
vliegtuigbrandstoffen;
-
op alle plaatsen waar dit met het oog op de veiligheid door
de exploitant is aangegeven of bekend gemaakt;
f. vuilnis, afval, gevaarlijke stoffen of andere stoffen te
deponeren of achter te laten op andere dan de daarvoor door de
exploitant bepaalde plaatsen;
g. vogels te voederen;
h. in het algemeen iets te doen of na te laten, waardoor de
orde of veiligheid op het luchtvaartterrein wordt verstoord of
waardoor lichamelijk letsel van personen of schade aan eigendommen
zou kunnen worden veroorzaakt;
2.Het is verboden om zonder toestemming van de exploitant:
a. op het luchtvaartterrein open vuren te ontsteken of aan te
houden, dan wel enig vuurwerk te ontsteken;
b. zich zonder noodzaak buiten de gebaande wegen of paden te
bevinden.
Artikel 5
1.Honden zijn te allen tijde kort aangelijnd, dan wel vastgelegd.
2.Het eerste lid geldt niet voor de door de exploitant of overheid
ten behoeve van de functie-uitoefening gebruikte honden.
Artikel 6
Bij het ontdekken van een brand, een ongeval of een onveilige
situatie stelt een ieder zo spoedig mogelijk de functionaris, die namens
de exploitant is belast met het dagelijks toezicht op de goede orde en
veiligheid of de brandweer hiervan in kennis.
Hoofdstuk III. Voorschriften met betrekking tot airside
Artikel 7
Op airside is het verboden om zonder schriftelijke toestemming van de
exploitant dieren te hebben of te houden.
Artikel 8
1.Gebruikers van het luchtvaartterrein en organisaties die op het
luchtvaartterrein voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede
organisaties die op het luchtvaartterrein zelfstandig
grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht ongevallen,
incidenten, defecten en gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in
relatie met de veiligheid, onverwijld te melden aan de exploitant.
2.Gebruikers van het luchtvaartterrein en organisaties die op het
luchtvaartterrein voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede
organisaties die op het luchtvaartterrein zelfstandig
grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht mee te werken aan
het programma ter bevordering van de orde en veiligheid op, alsmede
het veilig gebruik van het luchtvaartterrein.
Artikel 9
1.De exploitant is verplicht registratie te voeren van:
-
ongevallen en incidenten;
-
defecten en gebreken aan inrichting en uitrusting van het
luchtvaartterrein;
-
interne- en externe klachten.
2.De exploitant is verplicht om ongevallen en incidenten te
onderzoeken teneinde de mogelijke oorzaken te achterhalen en stelt
daarvoor procedures vast, met inbegrip van het nemen van correctieve
of preventieve maatregelen, die ertoe moeten leiden dat soortgelijke
ongevallen en incidenten niet nogmaals optreden.
3.De exploitant is verplicht om luchtvaartongevallen, ongevallen
waarbij een luchtvaartuig is betrokken en ernstige incidenten op het
luchtvaartterrein alsmede ernstige defecten of gebreken onverwijld te
melden aan de Minister.
4.De melding als bedoeld in het derde lid geeft een zo volledig
mogelijke beschrijving van het voorval, doch bevat in elk geval de
aanduiding van de plaats van het voorval, de aard daarvan, de gevolgen
voor wat betreft schade en letsel, de omstandigheden waaronder,
alsmede alle overige van belang zijnde gegevens.
5.De melding als bedoeld in het derde lid wordt in elk geval binnen
72 uur na de ontdekking of het bekend worden ervan, schriftelijk
gedaan, met inachtneming van de door de Minister gestelde regels.
Artikel 10
1.Voor zover op het luchtvaartterrein een platformverkeersdienst is
ingesteld, is deze uitgerust met radiotelefonie
communicatie-apparatuur voor verbinding met de luchtverkeersleiding.
2.De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht
van de exploitant, voorschriften vaststellen voor het betreden van en
het zich bevinden op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte
van het luchtvaartterrein, het landingsterrein, het platform en het
uitvoeren van werkzaamheden, waarin in ieder geval wordt aangegeven in
welke gevallen door de exploitant schriftelijk toestemming is vereist.
3.De Minister kan per luchtvaartterrein, met het oog op het goed
functioneren daarvan, voorschriften vaststellen met betrekking tot de
grondafhandelingsdiensten op dat luchtvaartterrein.
4.Indien voorschriften worden vastgesteld, als bedoeld in het derde
lid, kunnen deze in ieder geval voorschriften bevatten met betrekking
tot:
-
voertuigen in het landingsterrein, op de platformen en de
daaraan grenzende wegen;
-
het uitvoeren van werkzaamheden;
-
opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen
en andere roerende zaken;
-
het voortbewegen, parkeren en stallen van, alsmede het
verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen;
-
het proefdraaien van motoren, anders dan voor warmdraaien
vóór de start of afkoeling na de vlucht.
Artikel 11
In het landingsterrein en op het platform hebben de hieronder
genoemde categorieën gebruikers ten opzichte van elkaar voorrang in de
daarbij vermelde volgorde:
a. startende of landende luchtvaartuigen;
b. motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer,
ziekenauto’s en motorvoertuigen van andere hulpverleningsdiensten,
voor zover zij de op grond van het gestelde in het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 voorgeschreven optische en
geluidssignalen voeren;
c. taxiënde luchtvaartuigen, alsmede motorvoertuigen die deze
begeleiden;
d. passagiers die te voet van en naar de luchtvaartuigen worden
begeleid;
e. gesleepte luchtvaartuigen;
f. andere voertuigen.
Hoofdstuk IV. Voorschriften met betrekking tot luchtvaartuigen
Artikel 12
1.Voordat vliegtuigmotoren in werking worden gesteld:
a. bevinden personen, voertuigen en ander materieel voor zover
niet noodzakelijk bij de startprocedure van de vliegtuigmotor,
zich op veilige afstand van het vliegtuig;
b. worden stoffen die gevaar of schade kunnen opleveren
opgeruimd, dan wel uit de onmiddellijke omgeving van het vliegtuig
verwijderd.
2.Met inachtneming van het eerste lid is tijdens het in werking
stellen en houden van vliegtuigmotoren tevens:
a. in de stuurhut van het vliegtuig een ter zake bevoegd
persoon aanwezig, die de controle heeft over de bedieningsorganen
en de remmen;
b. ervoor zorggedragen dat door de vliegtuigmotoren geen schade
wordt veroorzaakt aan zaken en dat de veiligheid van personen niet
in gevaar wordt gebracht.
3.Onverminderd het tweede lid geschiedt het in werking stellen van
een vliegtuigmotor door middel van het met handkracht bewegen van de
luchtschroef door personen die terzake geïnstrueerd zijn.
4.Het is verboden de vliegtuigmotor in werking te stellen of te
hebben met een hoger dan het stationaire toerental indien het
vliegtuig op een platform stilstaat.
5.Het vierde lid geldt niet indien in het desbetreffende
vlieghandboek een hoger toerental is voorgeschreven voor afkoeling van
de vliegtuigmotor na de vlucht, dan wel opwarmen van de vliegtuigmotor
voor de vlucht.
Artikel 13
1.Het is verboden personen in of uit een vliegtuig met een in
werking gestelde motor te laten stappen, tenzij die personen van en
naar het vliegtuig worden begeleid.
2.Het eerste lid geldt niet ten aanzien van meermotorige
vliegtuigen voor zover het betreft de motor of motoren aan de andere
zijde van het vliegtuig dan waar het in- en uitstappen plaatsvindt en
deze personen bij het verlaten of het naderen van het vliegtuig de in
werking zijnde motor of motoren niet hoeven te passeren.
Artikel 14
Het is verboden in hangars vliegtuigmotoren of auxiliary power units,
verder te noemen APU’s, in bedrijf te stellen of te houden.
Artikel 15
Het is verboden een vliegtuig met een of meer in werking zijnde
motoren in beweging te zetten, indien daardoor letsel of schade kan
worden berokkend aan personen of zaken of de veiligheid van personen
daardoor in gevaar kan worden gebracht.
Artikel 16
Het is verboden om gedurende de tijd dat een vliegtuig zich op een
platform bevindt de in dat vliegtuig aanwezige boordradarinstallatie in
werking te hebben of te stellen.
Hoofdstuk V. Voorschriften met betrekking tot voertuigen
Artikel 17
1.Voertuigen op het platform of landingsterrein zijn uitgerust met
een deugdelijke parkeerrem of andere blokkeerinrichting, die in
werking is gesteld indien het bedienend personeel zich niet in of op
het voertuig bevindt.
2.Van voertuigen die zich een half uur na zonsondergang en een half
uur voor zonsopgang alsmede overdag bij een zicht van minder dan 1500
meter op het platform, de randwegen of het landingsterrein
voortbewegen, is de verlichting ontstoken.
3.
a. De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op
voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen met
betrekking tot voertuigen op het luchtvaartterrein;
b. indien voorschriften worden vastgesteld voor het gebruik van
voertuigen op airside, kunnen deze in ieder geval voorschriften
bevatten met betrekking tot:
I. terreinkennis;
II. rijroutes;
III. radiotelefonie procedures;
IV. beperkt zicht operaties;
V. het opstellen, parkeren of stallen van voertuigen.
Hoofdstuk VI. Bepalingen met betrekking tot het vervoer en de opslag
van gevaarlijke stoffen, het tanken een aanverwante handelingen
Artikel 18
Het is verboden:
1. met het tanken van vliegtuigen aan te vangen, indien de
navolgende handelingen in hierna te noemen volgorde niet zijn
verricht:
a. het vliegtuig en de tankauto dan wel het tanksysteem zijn
elektrisch geleidend met elkaar verbonden, met uitzondering van
geleiding tussen hydrant- en tanksysteem;
b. het slangmondstuk is, alvorens de vulopening van de
vliegtuigtank wordt geopend, elektrisch geleidend met het
vliegtuig verbonden, met uitzondering van brandstofsystemen
waarvan de afgiftecapaciteit minder bedraagt dan 100 l/min,
alsmede bij het vullen onder druk;
c. het vliegtuig, de tankauto dan wel het tanksysteem, de
slangen en al het overige bij het tanken gebruikte materiaal
zijn middels een aardklem op blanke metalen delen en met een
deugdelijke aardkabel elektrisch geleidend met elkaar verbonden,
met uitzondering van geleiding tussen hydrant- en tanksysteem.
2. tijdens het tanken van vliegtuigen:
a. startwagens of ’Ground Power Units’, verder te noemen
GPU’s, in de afhandelings- en tankzone op te stellen;
b. een startwagen of GPU te starten;
c. een startwagen of GPU aan te sluiten of af te koppelen;
d. een in bedrijf zijnde startwagen of GPU bij te vullen met
brandstof;
e. APU’s, in werking te stellen, wanneer de uitlaat
uitmondt in de tankzone, met dien verstande, dat in het geval
dat een APU tijdens het tanken uitvalt, deze slechts dan weer
mag worden opgestart, wanneer de brandstofstroom door de
afsluiters tot stilstand is gebracht en er geen risico aanwezig
is voor de ontsteking van brandstofdampen;
f. voertuigen binnen de tankzone te doen of laten stilstaan
anders dan wanneer deze direct bij het laden of lossen van het
vliegtuig betrokken zijn;
g. andere dan gasdichte lantaarns of schijnwerpers te
gebruiken;
h. flitslampjes of elektronenflitsers te gebruiken binnen de
tank- en afhandelingszone;
i. elektrische schakelaars of elektronische schakelaars die
geen onderdeel zijn van het vliegtuig in een andere positie te
zetten die niet noodzakelijk is voor het tanken, laden of
lossen;
j. elektrische apparatuur of elektronische apparatuur van het
vliegtuig te testen of te gebruiken, tenzij uit de onderhoud- en
gebruiksdocumentatie van het vliegtuig blijkt dat dit is
toegestaan;
k. binnen de tankzone brandgevaarlijke werkzaamheden te
verrichten.
Artikel 19
Het is verboden:
a. tankwerkzaamheden te verrichten bij een vliegtuig met een in
bedrijf zijnde motor;
b. een tankauto bij een vliegtuig op te stellen dat deze niet
onder alle omstandigheden onbelemmerd vooruit naar een veilige zone
kan rijden;
c. afhandelingsmaterieel of voertuigen voor een tankauto te
plaatsen, dat hierdoor wegrijden wordt belemmerd;
d. een tankauto onbeheerd achter te laten anders dan op een
daartoe aangewezen parkeerplaats;
e. de aanwezige noodstopknoppen van een tank of hydrantensysteem
te blokkeren;
f. vliegtuigen te tanken zolang onderdelen van het landingsgestel
overmatig zijn verhit;
g. enige handeling te verrichten, die brandgevaar kan vergroten
of veroorzaken;
h. vliegtuigbrandstoffen te vervoeren met voertuigen, waarop niet
ten minste één brandblusapparaat voorzien van een bewijs van
typekeuring en controle datum met voldoende capaciteit en geschikt
voor de bestrijding van vloeistofbranden voor onmiddellijk gebruik
gereed aanwezig is;
i. te tanken op een ondeugdelijke ondergrond;
j. te tanken voor zover geen maatregelen zijn getroffen ter
vermijding van milieu verontreiniging;
k. te tanken zonder brandweertoezicht binnen een straal van 20
meter vanaf hangars of andere gebouwen en voorwerpen die een vonk
zouden kunnen veroorzaken;
l. te tanken in hangars zonder brandweertoezicht;
m. te tanken wanneer boven of in de onmiddellijke omgeving van
het luchtvaartterrein de weersomstandigheden daartoe aanleiding
geven.
Artikel 20
Het bepaalde in artikel 18 en artikel 19, onderdelen a en e tot en
met m, is van overeenkomstige toepassing op hydrantdispensers.
Artikel 21
1.Het is verboden:
a. (vliegtuig) brandstoffen op het luchtvaartterrein op te
slaan op andere dan de daarvoor door de exploitant aangewezen
opslagplaatsen;
b. vliegtuigbrandstoffen of andere gevaarlijke stoffen op te
slaan of te vervoeren zonder vooraf verkregen toestemming van de
exploitant, met inachtneming van de wettelijke bepalingen terzake;
2.Het eerste lid is niet van toepassing op brandstoffen of gassen
die aanwezig zijn in de normale reservoirs van luchtvaartuigen of
motorvoertuigen.
Artikel 22
Met inachtneming van artikel 16,17 en 19 kan de Minister per
luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant
voorschriften vaststellen met betrekking tot vervoer en opslag van
gevaarlijke stoffen, het tanken en aanverwante handelingen. Indien
voorschriften worden vastgesteld kunnen deze betrekking hebben op:
-
toezicht op de met het tanken verband houdende werkzaamheden;
-
tanken met passagiers aan boord;
-
gemorste olie en brandstof.
Hoofdstuk VII. Voorschriften met betrekking tot het gebruik van het
luchtvaartterrein
Artikel 23
De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van
de exploitant, voorschriften vaststellen met betrekking tot het vooraf
verstrekken van schema’s van aankomst- en vertrektijden van
luchtvaartuigen.
Artikel 24
Indien op het luchtvaartterrein geen permanente grensbewaking
aanwezig is, draagt de exploitant ervoor zorg dat de ambtenaren belast
met grensbewaking en de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen tijdig
worden ingelicht omtrent de aankomst en het vertrek van luchtvaartuigen
afkomstig uit dan wel vertrekkend naar een land dat niet is toegetreden
tot het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de
geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke
grenzen (Trb. 1985, 102).
Artikel 25
De Minister kan, al dan niet op voordracht van de exploitant,
voorschriften vaststellen die een beperking van de hoeveelheid
luchtvaartterreinverkeer en gedragsregels voor het gebruik van het
luchtvaartterrein kunnen inhouden, indien er sprake is van een te groot
verkeersaanbod of van enige andere oorzaak waardoor de goede orde of de
veiligheid op het luchtvaartterrein in gevaar kan worden gebracht.
Artikel 26
De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van
de exploitant, voorschriften vaststellen met betrekking tot:
a. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor
het aanhaken en afwerpen van sleepnetten, dan wel sleepkabels;
b. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor
het landen en opstijgen van motorzweefvliegtuigen;
c. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor
het landen en opstijgen van ultra lichte vliegtuigen;
d. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor
het oplieren of opslepen van zweefvliegtuigen, of zeilvliegtuigen,
waarbij tevens voorschriften kunnen worden vastgesteld met
betrekking tot de leiding en het toezicht op het zweefvlieg- of
zeilvliegbedrijf;
e. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor
het opstijgen van een vrije ballon;
f. het gedeelte van het luchtvaartterrein dat wordt gebruikt voor
het uitvoeren van valschermsprongen.
Hoofdstuk VIIa [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 26a [Vervallen per 01-11-2009]
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 27
Waar orde en veiligheid dit vereisen kan de Minister per
luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, nadere
voorschriften vaststellen.
Artikel 28
1.De exploitant is verplicht om de krachtens artikel 132, eerste en
tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart vastgestelde
voorschriften en maatregelen aan de gebruikers van het niet voor het
publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein voldoende
kenbaar te maken.
2.Ondernemingen die zijn gevestigd op het luchtvaartterrein, of die
werkzaamheden verrichten op het luchtvaartterrein, zijn verplicht om
kennis te nemen van de krachtens artikel 132, eerste en tweede lid,
van de Regeling Toezicht Luchtvaart vastgestelde voorschriften en
maatregelen en deze voldoende kenbaar te maken bij het bij hen in
dienst zijnde personeel.
3.Aan de verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid,
wordt geacht te zijn voldaan, wanneer de exploitant of de onderneming
aantoont, dat de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen
zijn genomen en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden
om de naleving van deze voorschriften te verzekeren.
Artikel 29
Het Algemeen luchthavenreglement (Stcrt.1994, 214) wordt
ingetrokken.
Artikel 30
De Aanvullende luchthavenreglementen van de luchtvaartterreinen
Schiphol, Eelde en Lelystad worden aangemerkt mede gebaseerd te zijn op
dit reglement.
Artikel 31
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst
Artikel 32
Deze regeling wordt aangehaald als: Algemeen luchthavenreglement.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage. Lijst van
grondafhandelingsdiensten
1. Administratieve grondafhandeling en
supervisie omvat:
1. vertegenwoordiging bij en
contacten met de plaatselijke autoriteiten of enige andere persoon,
het verrichten van betalingen voor rekening van de gebruiker en
verstrekking van ruimten voor diens vertegenwoordigers;
2. toezicht op de belading, berichten
en telecommunicatie;
3. verwerking, opslag, behandeling en
administratie van de vracht;
4. elke andere supervisiedienst voor,
gedurende of na de vlucht en elke andere door de gebruiker gevraagde
administratieve dienst;
2. Passagiersafhandeling omvat elke vorm
van assistentie van passagiers bij vertrek, bij aankomst, op doorreis,
bij het overstappen binnen of buiten de luchthaven, met name bij de
controle van de tickets en de reisdocumenten, de registratie van bagage
en het vervoer hiervan tot aan de sorteersystemen;
3. De bagageafhandeling omvat de
behandeling van bagage in de sorteerruimte, het sorteren hiervan, het
voorbereiden voor vertrek, het laden en uitladen uit de systemen die
bestemd zijn om deze van het vliegtuig naar de sorteerruimte te brengen
en omgekeerd en het vervoer van bagage van de sorteerruimte tot in de
distributieruimte;
4. Vracht- en postafhandeling omvat:
1. voor vracht, zowel bij uitvoer als
bij invoer of bij transit, de fysieke behandeling van de vracht, de
behandeling van de bijbehorende documenten, de douaneformaliteiten
en elke tussen partijen overeengekomen of door omstandigheden
vereiste conservatoire maatregelen;
2. voor post, zowel bij uitvoer als
bij invoer of bij transit, de fysieke behandeling van de post, de
behandeling van de bijbehorende documenten en elke tussen partijen
overeengekomen of door omstandigheden vereiste conservatoire
maatregelen;
5. Platformafhandeling omvat:
1. het geleiden op de grond van het
vliegtuig bij aankomst en bij vertrek;
2. assistentie bij het parkeren van
het vliegtuig en het vertrekken van de benodigde middelen;
3. de verbindingen tussen het
vliegtuig en de dienstverlener op het platform;
4. het beladen en lossen van het
vliegtuig, met inbegrip van het verstrekken en inzetten van de
benodigde middelen, alsmede het vervoer van bemanning en passagiers
tussen het vliegtuig en het luchthavengebouw, alsmede het vervoer
van bagage tussen het vliegtuig en het luchthavengebouw;
5. assistentie bij het taxiën van
het vliegtuig en verstrekking van de hiervoor benodigde middelen;
6. verplaatsing van het vliegtuig,
zowel bij aankomst als bij vertrek, de levering en de toepassing van
de benodigde middelen;
7. het vervoer, het inladen en het
uitladen uit het vliegtuig van voedsel en dranken;
6. Vliegtuigservicing omvat:
1. het schoonmaken van de buitenkant
en de binnenkant van het vliegtuig, toilet- en waterservice;
2. de klimaatregeling en de
verwarming van de cabine, de verwijdering van sneeuw en ijs op het
vliegtuig, het ijsvrij maken van het vliegtuig;
3. de inrichting van de cabine met
behulp van cabine-uitrusting en de opslag van die uitrusting;
7. Brandstof en olie levering omvat:
1. het organiseren en uitvoeren van
het vol- en bijtanken van brandstof, met inbegrip van de opslag
hiervan, het toezicht op de kwaliteit en kwantiteit van de
leveringen;
2. het vol tanken met olie en andere
vloeistoffen;
8. Lijnonderhoud omvat:
1. regelmatige handelingen vóór de
vlucht;
2. specifieke door de gebruiker
verlangde handelingen;
3. de levering en het beheer van het
benodigde onderhoudsmaterieel en de reserveonderdelen;
4. het aanvragen of reserveren van
een plaats waar het vliegtuig kan worden geparkeerd en/of een hangar
om het onderhoud te verrichten;
9. Vluchtafhandeling en administratie van
cabinepersoneel omvat:
1. de voorbereiding van de vlucht op
de luchthaven waarvan het vliegtuig vertrekt of op enige andere
plaats;
2. vluchtafhandeling, indien nodig
met inbegrip van verandering van vluchtroute;
3. afhandeling na de vlucht;
4. administratie van de bemanning;
10. Grondtransportafhandeling omvat:
1. het organiseren en uitvoeren van
het vervoer van passagiers, bemanning, bagage, vracht en post tussen
verschillende stationsgebouwen op dezelfde luchthaven maar met
uitzondering van enig transport tussen het vliegtuig en enig ander
punt binnen dezelfde luchthaven.
2. elk speciaal vervoer waarom door
de gebruiker wordt verzocht;
11. Catering omvat:
1. de contacten met de leveranciers
en de administratieve verwerking;
2. het opslaan van voedsel, dranken
en de voor het bereiden hiervan benodigde middelen;
3. het schoonmaken van het
toebehoren;
4. het voorbereiden en leveren van
het materieel en de voedingsmiddelen.
|