|
REGELING houdende regels met betrekking tot brandbestrijding op
burgerluchtvaartterreinen (Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen
2004)
De Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat;
Gelet op artikel 129, vijfde lid, van de
Regeling Toezicht Luchtvaart;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
blusstof: een vaste, vloeibare of
gasvormige stof geschikt voor het blussen van branden;
brandrisicoklasse:
1°. de risicoklassen waarin een
luchtvaartterrein met betrekking tot de brandweervoorzieningen wordt
ingedeeld aan de hand van het aantal vliegtuigen en de afmetingen
daarvan dat van het luchtvaartterrein gebruik maakt, of
2°. de risicoklassen waarin een
vliegtuig met betrekking tot de brandbestrijding wordt ingedeeld aan
de hand van de totale lengte en rompbreedte van dat vliegtuig;
brandweervoertuigen: voertuigen, die voor
het gebruik bij de brandweer op luchtvaartterreinen zijn gebouwd,
ingericht of uitgerust;
brandweervoorzieningen: het personeel en
de middelen aanwezig op het luchtvaartterrein voor het redden van mens
en dier en voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand bij
ongevallen met luchtvaartuigen;
burgerluchtvaartterrein: een voor
burgerluchtvaartuigen openstaand aangewezen luchtvaartterrein;
calamiteitenplan: het samenstel van
maatregelen, dat is voorbereid, in geval van een ongeval of voorval op
of in de onmiddellijke omgeving van het burgerluchtvaartterrein;
gecontroleerd luchtvaartterrein: een
burgerluchtvaartterrein, waar luchtverkeersleiding wordt gegeven aan
luchtvaartterreinverkeer;
luchtvaartongeval: elk voorval dat
samenhangt met het gebruik van een luchtvaartuig en plaatsvindt tussen
het tijdstip waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen
een vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich
met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, en waarbij:
1°. een persoon dodelijk of ernstig
gewond raakt als gevolg van het zich in het luchtvaartuig bevinden,
direct contact met een onderdeel van het luchtvaartuig, inclusief de
onderdelen die van het luchtvaartuig zijn losgeraakt of directe
blootstelling aan de uitlaatstroom van de reactoren, behalve wanneer
de letsels een natuurlijke oorzaak hebben, door de persoon zelf of
door anderen zijn toegebracht, of wanneer de letsels verstekelingen
treffen die zich buiten de normale voor passagiers en het personeel
bedoelde ruimten ophouden, of
2°. het luchtvaartuig schade of een
structureel defect oploopt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn
soliditeit, prestaties of vluchtkenmerken en waardoor normaliter
ingrijpende herstelwerkzaamheden of vervanging van het getroffen
onderdeel noodzakelijk zouden maken, behalve wanneer het gaat om
motorstoring of motorschade en de schade beperkt is tot de motor, de
motorkap of motoronderdelen, dan wel om schade die beperkt is tot de
propellers, de vleugelpunten, de antennes, de banden, de remmen, de
stroomlijnkappen of tot deukjes of gaatjes in de vliegtuighuid, of
3°. het luchtvaartuig vermist wordt
of volledig onbereikbaar is;
meldingspost: de plaats op het
luchtvaartterrein waar alle incident- en ongevalmeldingen binnenkomen;
minister: Minister van Verkeer en
Waterstaat;
notice to airmen (NOTAM): bericht aan
luchtvarenden;
onmiddellijke omgeving van het
luchtvaartterrein: een in overleg met de lokale overheid vastgesteld
gebied buiten een luchtvaartterrein;
opkomsttijd: het tijdsverloop tussen de
eerste melding van een luchtvaartongeval aan de brandweer en de aankomst
van de brandweervoorzieningen met de minimum vereiste capaciteit die
voor de desbetreffende brandrisicoklasse vereist is;
svm: schuimvormend middel voor de
productie van blusschuim;
uitruksterkte: brandweerpersoneel en
-materieel benodigd om de repressieve taak naar behoren uit te kunnen
voeren;
vliegtuigbeweging: een landing of
opstijging van een vliegtuig.
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op alle
burgerluchtvaartterreinen in Nederland, met uitzondering van terreinen
die uitsluitend zijn ingericht voor het gebruik van
hefschroefvliegtuigen.
§ 2. Calamiteitenplan
Artikel 3
1. De exploitant van een
luchtvaartterrein stelt een calamiteitenplan vast met inachtneming van
de wettelijke bepalingen terzake van het bestrijden van ongevallen en
rampen.
2. Het calamiteitenplan bevat in ieder
geval:
a. begripsomschrijvingen;
b. een overzicht van de
luchtvaartongevallen en overige voorvallen waarop het
calamiteitenplan van toepassing is;
c. een overzicht van diensten,
organisaties en personen, die bij de bestrijding van de in
onderdeel b bedoelde gevallen en voorvallen kunnen of moeten
worden betrokken;
d. een overzicht waarin de leiding
over en de gecoördineerde inzet van diensten, organisaties en
personen zijn weergegeven, gerelateerd aan de in onderdeel b
genoemde gevallen en voorvallen;
e. een overzicht van de taken en
verantwoordelijkheden van de diensten, organisaties en personen
per ongeval of voorval als bedoeld in onderdeel b;
f. een intern en extern verbindings-
en alarmschema;
g. een overzichtskaart van het
luchtvaartterrein en de onmiddellijke omgeving voorzien van een
coördinatenstelsel;
h. de wijze van verslaglegging;
i. een verzendlijst, in ieder geval
bevattende de in onderdeel c bedoelde diensten, organisaties en
personen en de minister.
3. De exploitant overlegt over het
ontwerp met de in het tweede lid in onderdeel c bedoelde diensten,
organisaties en personen.
4. Het calamiteitenplan wordt niet
eerder vastgesteld of gewijzigd dan nadat de daarin vastgelegde
wederzijdse verantwoordelijkheden zijn afgestemd met de burgemeester(s)
van de gemeente(n) waarbinnen het luchtvaartterrein is gelegen.
5. Het calamiteitenplan wordt binnen
een maand na vaststelling of wijziging aan de minister aangeboden.
Artikel 4
Bij inwerkingtreding van het
calamiteitenplan is er een ruimte van waaruit de leiding en de
coördinatie van de luchthavendiensten kunnen plaatsvinden.
Artikel 5
1. Zo spoedig mogelijk na vaststelling
en vervolgens ten minste éénmaal per jaar wordt het calamiteitenplan
op zijn bruikbaarheid getoetst.
2. Op luchtvaartterreinen ingedeeld in
brandrisicoklasse 3 en hoger vindt de toets, bedoeld in het eerste
lid, éénmaal in de twee jaar plaats in de vorm van een praktische
oefening. De exploitant van het luchtvaartterrein stelt de Inspectie
Verkeer en Waterstaat hiervan tijdig op de hoogte. Indien het
calamiteitenplan, vanwege een daadwerkelijk luchtvaartongeval, in zijn
totaliteit in werking is geweest, kan deze toets achterwege blijven.
3. Bij de uitvoering en de evaluatie
van de bruikbaarheidtoets worden de diensten, organisaties en
personen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, betrokken.
§ 3. Brandrisicoklassen
Artikel 6
1. De exploitant van een
luchtvaartterrein stelt voor het luchtvaartterrein een
brandrisicoklasse vast aan de hand van de vliegtuigen met de hoogste
brandrisicoklasse door middel van de afmetingen weergegeven in de in
artikel 8, eerste lid, bedoelde bijlage, behorend bij deze regeling.
2. Tijdens perioden van verminderde
vliegtuigbewegingen kan de exploitant voor het luchtvaartterrein een
brandrisicoklasse vaststellen overeenkomstig de brandrisicoklasse van
het grootste vliegtuig dat in deze periode het luchtvaartterrein
gebruikt, ongeacht het aantal vliegtuigbewegingen.
3. De vaststelling of wijziging van de
brandrisicoklasse van het luchtvaartterrein maakt de exploitant bekend
aan de minister.
4. De vaststelling of wijziging van de
brandrisicoklasse wordt gemeld in de desbetreffende
luchtvaartpublicaties. In spoedeisende gevallen wordt een NOTAM
uitgegeven.
§ 4. Brandweervoorzieningen
Artikel 7
1. Tijdens de openstellingsuren van een
luchtvaartterrein en ten minste tot 15 minuten na de daadwerkelijke
vertrektijd van het laatste luchtvaartuig, is voor de uitruksterkte
tenminste het aantal personen aanwezig, genoemd in tabel 1 van bijlage
A, behorend bij deze regeling, gekoppeld aan de van kracht zijnde
brandrisicoklasse.
2. De exploitant treft zodanige
voorzieningen dat de vereiste kennis en vaardigheid van het in het
eerste lid bedoelde personeel voldoen aan de eisen, opgenomen in
bijlage A, behorend bij deze regeling.
3. Voor luchtvaartterreinen in de
brandrisicoklassen 1 tot en met 3 (geen geregeld luchtvervoer) wordt
het personeel mede belast met de repressieve brandweerdienst, ten
minste jaarlijks in de gelegenheid gesteld de specifieke
brandweerkennis voor luchtvaartterreinen op peil te houden door het
volgen van een daarvoor door de minister goedgekeurde opleiding.
4. De minister kan met betrekking tot
de specifieke kennis en vaardigheid ten aanzien van het bestrijden van
vliegtuigbranden voor personeel van luchtvaartterreinen in de
brandrisicoklassen 1 tot en met 3 (geen geregeld luchtvervoer) een
bewijs van bekwaamheid afgeven.
5. De exploitant kan de personen,
bedoeld in het eerste lid, met andere taken belasten mits deze niet
strijdig zijn met hun taakuitvoering en paraatheid.
Artikel 8
1. Het brandweer- en reddingsmaterieel
op luchtvaartterreinen bestaat ten minste uit brandweervoertuigen
zoals vermeld in bijlage B, behorend bij deze regeling.
2. De brandweervoertuigen bezitten
zodanige eigenschappen dat onder de gemiddelde weers- en
terreinomstandigheden op of in de onmiddellijke omgeving van het
luchtvaartterrein kan worden geopereerd.
3. Een luchtvaartterrein dat tussen
zonsondergang en zonsopgang is opengesteld beschikt, ten behoeve van
opsporings- en reddingswerkzaamheden alsmede voor de verlichting van
het werkterrein, over adequate verlichtingsmiddelen.
4. Bij aanwezigheid van waterrijke of
drassige gebieden op of in de onmiddellijke omgeving van het
luchtvaartterrein, draagt de exploitant zorg voor voldoende en
doelmatige reddingsmiddelen met het oog op die gebieden.
5. Op één van de voertuigen, vermeld
in bijlage B, behorend bij deze regeling, of een ander daartoe
ingericht voertuig zijn adequate reddingsmiddelen aanwezig voor de
onmiddellijke hulpverlening.
6. Op gecontroleerde
luchtvaartterreinen en luchtvaartterreinen waarvan de
brandrisicoklasse 4 of hoger bedraagt, zijn de brandweervoertuigen
voorzien van adequate verbindingsapparatuur voor de communicatie met
tenminste:
a. de brandweervoertuigen
onderling;
b. de meldingspost;
c. de plaatselijke
luchtverkeersdienst, en
d. de leidinggevende van de
brandweer met de gemeentelijke of regionale brandweer.
7. Het brandweerpersoneel beschikt over
een uitrusting die zijn persoonlijke bescherming zo goed mogelijk
waarborgt.
Artikel 9
1. Indien door bijzondere
omstandigheden niet aan de eisen van artikel 6 kan worden voldaan, kan
de exploitant afwijkende brandweervoorzieningen op het
luchtvaartterrein vaststellen. De exploitant stelt de minister in
kennis van de vastgestelde afwijkende brandweervoorzieningen.
2. Bij een onvoorziene wijziging van
twee uur of minder in de brandweervoorzieningen stelt de exploitant de
gezagvoerders van de luchtvaartuigen die van het luchtvaartterrein
gebruik willen maken, hiervan onmiddellijk op de hoogte.
Artikel 10
De vereiste brandweervoorzieningen zijn
tijdens de openstellingsuren van het luchtvaartterrein en ten minste tot
15 minuten na de daadwerkelijke vertrektijd van het laatste
luchtvaartuig aanwezig.
Artikel 11
1. De brandweervoertuigen zijn ten
minste voorzien van een hoeveelheid blusstof bestaande uit water met
een bijbehorende hoeveelheid svm alsmede aanvullende blusstof, zoals
vermeld in bijlage B.
2. De afgifte van water vermengd met
svm bedraagt per minuut zoveel als vermeld in bijlage B, behorend bij
deze regeling.
3. Om de brandweervoertuigen na of
tijdens een actie zo snel mogelijk weer gereed te maken voor gebruik,
zijn op het luchtvaartterrein een reserve hoeveelheid svm en
aanvullende blusstoffen beschikbaar die ten minste gelijk is aan de in
bijlage B, behorend bij deze regeling, vermelde hoeveelheden.
4. Op luchtvaartterreinen zijn
voldoende waterwinplaatsen aanwezig, waaruit minstens 1000 liter water
per minuut kan worden onttrokken.
5. De in het eerste tot en met het
vierde lid bedoelde blusstoffen voldoen aan de brandtest opgenomen in
bijlage C, behorend bij deze regeling.
6. In de hoeveelheden blusstof, bedoeld
in het eerste, derde en vierde lid, zijn niet begrepen de voor het
houden van oefeningen benodigde blusstoffen.
§ 5. Diverse voorzieningen
Artikel 12
De opkomsttijd tot aan de baaneinden van
elk van de in gebruik zijnde banen bedraagt niet meer dan drie minuten,
onder optimale zicht- en terreinomstandigheden.
Artikel 13
1. Het materieel, bedoeld in artikel 8,
wordt ondergebracht in een deugdelijke stallingruimte, die zodanig is
geconstrueerd en ingericht dat de brandweervoertuigen bij alarmering
onmiddellijk kunnen uitrukken.
2. De stallingruimte van het materieel
is zodanig gelegen dat de brandweervoertuigen een onbelemmerde toegang
hebben tot het landingsterrein.
3. Een meldingspost beschikt ten minste
over de volgende voorzieningen:
a. het calamiteitenplan;
b. een systeem ter alarmering van
het brandweerpersoneel;
c. voor zover van toepassing: een
directe lijnverbinding met de plaatselijke luchtverkeersdienst;
d. voorzieningen ter alarmering van
de in het calamiteitenplan genoemde diensten, organisaties en
personen;
e. apparatuur voor draadloze
verbinding met de brandweervoertuigen die uitrukken;
f. middelen om alle desbetreffende
berichtgeving vast te leggen, en
g. een naslagsysteem van alle typen
luchtvaartuigen welke in de regel van het luchtvaartterrein
gebruik maken, zodat bijzonderheden direct kunnen worden
doorgegeven indien dit niet op de voertuigen aanwezig is.
4. De meldingspost is bezet door
terzake kundig personeel.
Artikel 14
1. De exploitant draagt zorg voor
uitvalswegen op het luchtvaartterrein aansluitend op wegen in de
onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein voor zover de
infrastructuur of de terreinomstandigheden dit toelaten.
2. De in het eerste lid bedoelde
uitvalswegen zijn toegankelijk voor het brandweer- en
reddingsmaterieel, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde
uitvalswegen op het luchtvaartterrein niet te onderscheiden zijn van
hun directe omgeving, moeten bermmarkeringen worden aangebracht.
Artikel 15
1. Tijdens de grondafhandeling van
luchtvaartuigen zijn aanwezig:
a. voor onmiddellijk gebruik
geschikte blusstoffen ter bestrijding van beginnende
vloeistofbranden, en
b. deskundig personeel voor de
bestrijding van vloeistofbranden.
2. Bij een brand of een omvangrijke
brandstoflekkage zijn er voorzieningen opdat de brandweer snel kan
worden gealarmeerd.
3. Tijdens brandstofhandelingen aan een
luchtvaartuig met passagiers aan boord is het afhandelingmaterieel
zodanig opgesteld dat het gebruik van voldoende uitgangen voor een
snelle evacuatie met een onbelemmerde vluchtweg mogelijk is.
§ 6. Verslaglegging
Artikel 16
1. In het driemaandelijks verslag over
de toestand van het luchtvaartterrein neemt de exploitant ten aanzien
van de brandweervoorzieningen tenminste het volgende op:
a. de van belang zijnde wijzigingen
met betrekking tot het personeel;
b. de toestand van materieel en
middelen, en
c. overige bijzonderheden de
brandweer betreffende.
2. In het verslag van het eerste
kwartaal van elk jaar wordt de uitruksterkte opgegeven naar de
toestand op 1 januari van dat jaar.
Artikel 17
1. Van ieder voorval met een
luchtvaartuig op of in de onmiddellijke omgeving van het
luchtvaartterrein waarbij de brandweer is uitgerukt, wordt een
register bijgehouden waarin wordt vermeld:
a. de datum en het tijdstip van de
alarmering;
b. het tijdstip waarop de brandweer
ter plaatse van het voorval is gearriveerd;
c. het soort alarm en de aanleiding
hiervoor;
d. de houder van het luchtvaartuig;
e. het type luchtvaartuig en de
registratie, en
f. de genomen acties.
2. Een afschrift van het register wordt
aan het verslag, bedoeld in artikel 16, toegevoegd.
Artikel 18
1. Indien de brandweer daadwerkelijk
reddingsacties heeft verricht dan wel brand heeft voorkomen, beperkt
of bestreden, wordt door de exploitant direct een rapport opgemaakt
overeenkomstig het model opgenomen in bijlage D, behorend bij deze
regeling.
2. Het rapport wordt binnen zeven dagen
aan de minister aangeboden.
§ 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
1. Tot 1 januari 2005 kan de exploitant
van een luchtvaartterrein, indien gedurende de drie drukste
opeenvolgende maanden van het jaar het aantal vliegtuigbewegingen van
vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse op dat luchtvaartterrein
700 of meer bedraagt, voor het luchtvaartterrein dezelfde
brandrisicoklasse vaststellen als de brandrisicoklasse van de
vliegtuigen, bedoeld in artikel 6, eerste lid.
2. Tot 1 januari 2005 kan de exploitant
van een luchtvaartterrein, indien gedurende de drie drukste
opeenvolgende maanden van het jaar het aantal vliegtuigbewegingen van
vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse op dat luchtvaartterrein
minder dan 700 bedraagt, voor het luchtvaartterrein een
brandrisicoklasse vaststellen, die één klasse lager ligt dan de
brandrisicoklasse van de vliegtuigen, bedoeld in artikel 6, eerste
lid.
Artikel 20
De minister kan personeelsleden die op
het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling meer dan twee jaar
een functie bekleden van bevelvoerder of officier en niet over de
certificaten of diploma’s beschikken van de opleidingen, bedoeld in
artikel 7, vrijstelling verlenen voor het volgen van de vereiste
opleidingen, indien zij kunnen aantonen, door middel van ervaring en
bewijsstukken van andere opleidingen die zij gevolgd hebben, dat zij
over een gelijkwaardig bekwaamheidsniveau beschikken.
Artikel 21
De Brandweerregeling
Burgerluchtvaartterreinen wordt ingetrokken.
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als:
Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen 2004.
Deze regeling
zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat,
M.H. Schultz van Haegen.
Bijlage A, bedoeld in artikel 7,
eerste lid
Brandweervoorzieningen; Personeel
1. Algemeen
1.1. Voor actieve dienst bij de brandweer
op luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 3 (geregeld
luchtvervoer) en hoger komt in aanmerking hij/zij die voldoet aan de
keuringseisen voor brandweerpersoneel, zoals vastgelegd door het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1.2. De exploitant kan aanvullende eisen
stellen voor zover nodig voor een juiste dienstvervulling.
2. Personeel
2.1. Voor luchtvaartterreinen in de
brandrisicoklasse 1 t/m 3 (geen geregeld luchtvervoer) kan het personeel
voor de brandweer geselecteerd worden uit het dienstdoend personeel van
de havendienst, zo nodig aangevuld met op het luchtvaartterrein
aanwezige personeel van bedrijven, vliegclubs etc.
2.2. Voor luchtvaartterreinen in de
brandrisicoklassen 3 (geregeld luchtvervoer) t/m 10 zijn ten aanzien van
de aanstellings- en bevorderingseisen voor het brandweerpersoneel de
artikelen 2, 3, 4, eerste lid, onder a.1° t/m 4°, 6 en 7 van het
Besluit Brandweerpersoneel van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat onder bevoegd gezag in dezen de exploitant wordt verstaan.
2.3. De exploitant draagt er zorg voor
dat het brandweerpersoneel een opleiding volgt overeenkomstig paragraaf
5 van deze bijlage.
3. Onderhouden van kennis en bedrevenheid
3.1. De kennis en bedrevenheid van het
brandweerpersoneel worden geregeld door middel van lessen en oefeningen
op een zo hoog mogelijk peil gehouden. De lessen en oefeningen bevatten
tenminste de volgende onderwerpen:
a. kennis van vliegtuigen;
b. specifieke blusstoffen voor
vliegtuigbrandbestrijding;
c. specifiek materieel voor
vliegtuigbrandbestrijding;
d. kennis van het terrein van het
luchtvaartterrein en de onmiddellijke omgeving;
e. specifieke brandbestrijdings/reddingstechniek
en tactiek;
f. gevaren en persoonlijke
bescherming bij bestrijdings- en reddingsactiviteiten in geval van
vliegtuigbranden;
g. de op het luchtvaartterrein
geldende radioprocedures;
h. de van toepassing zijnde
luchtvaartwetgeving.
3.2. Indien het luchtvaartterrein ook
buiten de daglichtperiode is opengesteld voor het luchtverkeer vinden
ook ‘s nachts praktische oefeningen plaats.
3.3. De exploitant van een
luchtvaartterrein stelt een oefenprogramma voor het brandweerpersoneel
vast, afgestemd op het soort en de hoeveelheid luchtverkeer, dat in de
regel van het luchtvaartterrein gebruik maakt.
3.4. De oefenfrequentie moet voldoende
hoog zijn om te waarborgen, dat elk lid van de repressieve
brandweerdienst:
a. bekwaam is in het uitvoeren van de
hem toegewezen taken en functies in geval van een ongeval met een
luchtvaartuig;
b. geoefend en bekwaam is in het
gebruik van het materieel en de uitrusting ten behoeve van het
bestrijden van brand en het redden van mensenlevens;
c. bekend is met de aan andere leden
van zijn groep toegewezen taken voorzover dit voor de uitvoering van
zijn eigen taak nodig is.
4. Opleidingsniveau voor de brandweer op
luchtvaartterreinen
4.1. Voor de luchtvaartterreinen 1, 2 en
3 (geen geregeld luchtvervoer)
Basisopleiding bestaat uit:
– Certificaat
vliegtuigbrandbestrijding kleine luchtvaart.
4.2. Voor luchtvaartterreinen 3 (geregeld
luchtvervoer) tot en met 10
Manschap
Basisopleiding bestaat uit:
– module 101 repressie,
– module 102 levensreddende
handelingen,
– module 103 persoonlijke
bescherming,
– module 204 hulpverlener,
– module 206
vliegtuigbrandbestrijding.
Voertuigcommandant aangevuld met:
– module 407
vliegtuigbrandbestrijding.
Bevelvoerder
Basisopleiding bestaat uit:
basisopleiding manschap
– module 401 verbranding en
blussing,
– module 402 organisatie,
– module 403 gevaarlijke stoffen,
– module 404 repressie,
– module 405 sociale vaardigheden,
– module 407
vliegtuigbrandbestrijding.
Officier
Basisopleiding bestaat uit:
– basisopleiding bevelvoerder,
– On scene commander of CAA
officercourse.
Voor luchthavens met meer dan 1
uitrukpost aangevuld met:
– module 605 organisatie,
– module 606 repressie,
– module 607 operationeel
management.
Tabel 1. Minimale personele bezetting
van de repressieve dienst
| Brandrisicoklasse |
Officier |
Bevelvoerder |
Voertuig-
commandant |
Manschappen |
Certificaat-
houder |
Totaal |
|
1 |
|
|
|
|
2 |
2 |
|
2 |
|
|
|
|
2 |
2 |
|
3 geen geregeld luchtvervoer |
|
|
|
|
3 |
3 |
|
3 geregeld luchtvervoer |
|
1 |
|
2 |
|
3 |
|
4 |
|
1 |
|
3 |
|
4 |
|
5 |
|
1 |
|
3 |
|
4 |
|
6 |
|
1 |
2 |
4 |
|
7 |
|
7 |
|
1 |
2 |
4 |
|
7 |
|
8, 9 en 10 |
1 |
1 |
3 |
6 |
|
11 |
Opmerkingen
1. De minimale bezetting van een
blusvoertuig, bestemd voor vliegtuigbrandbestrijding, bedraagt twee
personen.
2. Indien de vliegtuigen met de hoogste
brandrisicoklasse, waarop de brandrisicoklasse voor het
luchtvaartterrein is vastgesteld, niet worden gebruikt voor het vervoer
van personen en de brandrisicoklasse 6 of hoger is, dan is bij deze
brandrisicoklasse de minimale bezetting van twee brandrisicoklassen
lager van toepassing doch nimmer lager dan 5.
3. Indien het luchtvaartterrein over
meerdere uitrukposten beschikt kan met één officier worden volstaan.
4. Indien op een luchtvaartterrein vanuit
meer dan twee uitrukposten wordt gewerkt kan worden volstaan met een
minimale uitruk sterkte van 7 personen per post, te weten 1 bevelvoerder
en zes manschappen, waarbij de algehele operationele leiding bij een
officier berust.
Bijlage B, bedoeld in artikel 8, eerste
lid
Brandweervoorzieningen; materieel
|
Brandrisico-
klasse |
Vliegtuig lengte in
meters |
Maximum rompbreedte
in meters |
Minimum vereiste
hoeveelheid water voor schuimvorming in liters |
|
|
|
Neven-
blusstof |
Blusvoer- tuigen |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
Type A |
|
Type B |
|
Poeder (kg) |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
Water |
Afgifte cap. per
minuut |
Water |
Afgifte cap. per
minuut |
|
|
|
1 |
0 tot 9 |
2 |
--- |
--- |
230 |
230 |
45 |
1 |
|
2 |
9 tot 12 |
2 |
--- |
--- |
670 |
550 |
90 |
1 |
|
3 |
12 tot 18 |
3 |
--- |
--- |
1200 |
900 |
135 |
1 |
|
4 |
18 tot 24 |
4 |
3600 |
2600 |
2400 |
1000 |
135 |
1 |
|
5 |
24 tot 28 |
4 |
8100 |
4500 |
5400 |
3000 |
180 |
1 |
|
6 |
28 tot 39 |
5 |
11800 |
6000 |
7900 |
4000 |
225 |
2 |
|
7 |
39 tot 49 |
5 |
18200 |
7900 |
12100 |
5300 |
225 |
2 |
|
8 |
49 tot 61 |
7 |
27300 |
10800 |
18200 |
7200 |
450 |
3 |
|
9 |
61 tot 76 |
7 |
36400 |
13500 |
24300 |
9000 |
450 |
3 |
|
10 |
76 tot 90 |
8 |
48200 |
16600 |
32300 |
11200 |
450 |
3 |
1. De brandrisicoklasse waarin een
vliegtuig wordt ingedeeld is ten eerste afhankelijk van de lengte van
dat vliegtuig en ten tweede van de rompbreedte. Indien de rompbreedte
van het vliegtuig groter is dan bij de lengte aangegeven maximum
rompbreedte wordt het vliegtuig één klasse hoger ingedeeld.
2. Het schuimvormend middel moet voldoen
aan de kwalificaties zoals gesteld in bijlage C.
3. Het schuimvormend middel op
luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 1 t/m 3 moeten ten alle
tijden voldoen aan de kwalificatie van type B.
4. De hoeveelheid water voor
schuimvorming voor luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 3 t/m 9
mag bij gebruik van type A tot een totaal van 30% en de hoeveelheid
water voor schuimvorming voor luchtvaartterreinen in de
brandrisicoklassen 1 t/m 2 mag tot een totaal van 100% worden vervangen
door een nevenblusmiddel.
5. De vervangingswaarden die bij
bovengenoemd punt 4 in acht moet worden genomen zijn: 1 liter water voor
schuimkwaliteit A = 0,66 liter water voor schuimkwaliteit B = 1 kg
bluspoeder = 2 kg CO2
6. De minimale voorgeschreven hoeveelheid
blusstof wordt evenwichtig over de blusvoertuigen verdeeld.
7. Bovenstaande hoeveelheden water voor
schuimvorming zijn gebaseerd op de gemiddelde lengte en rompbreedte van
de vliegtuigen in die bepaalde categorie.
8. De hoeveelheid reserve schuimvormend
middel en nevenblusstof op een luchtvaartterrein is 200% van de minimale
hoeveelheid blusmiddelen benodigd om aan bovenstaande tabel te kunnen
voldoen.
Bijlage C, bedoeld in artikel 11, vijfde
lid
Test methode Schuim vormend middel (svm)
Fysische eigenschapen
pH-waarde
De pH-waarde is een maatstaf die aangeeft
of we te maken hebben met een zuur of een alkalisch milieu en wordt
uitgedrukt in een getal van 1–14.
Bij pH-waarde 7 is er sprake van een
neutraal milieu (niet zuur, niet alkalisch). Hoe lager de pH-waarde, hoe
zuurder de omgeving (van pH-waarde 7 tot 0). Hoe hoger de pH-waarde, hoe
alkalischer de omgeving (van pH-waarde 7 tot 14). Alkalisch is dus het
tegenovergestelde van zuur. De pH-waarde van een svv moet zo neutraal
mogelijk zijn en daarom tussen 6 en 8,5 liggen.
Viscositeit
De viscositeit van een stof is zijn
weerstand tegen vormverandering. De viscositeit van een svm is zeer
belangrijk. Het bepaalt onder andere de verpompbaarheid. Viscositeit is
een maat voor de taaiheid of stroperigheid van de svm.
De viscositeit van een svm bij de laagste
temperatuur, waarvoor dit svm geschikt is, mag nooit minder bedragen als
200 mm/s.
Bezinking
Een svm kan verontreinigingen bevatten
die de werking van een (tussen)menger nadelig kan beïnvloeden.
Bij een centrifugetest mag de bezinking
niet hoger zijn dan 0,5 procent.
Brandtest
Doel
Het vaststellen van het vermogen van een
svm om:
a. een vuur met een oppervlak van 2,8
m2voor type A en 4,5 m2 voor type B te blussen, en
b. herontsteking bij blootstelling
van brandstof aan hitte te weerstaan.
Uitrusting
a. een ronde stalen bak met een
oppervlakte van 2,8 m2 of 4,5 m2 met een opstaande rand van 0,2 meter,
b. apparatuur of toegang daartoe om de
juiste gegevens te registreren m.b.t. luchttemperatuur,
watertemperatuur en wind snelheid,
c. brandstof: 100 liter AVTUR of Jet A
voor type B test of 60 liter AVTUR of Jet A voor type A test,
d. straalpijp, UNI 86 volgens ISO 7203,
e. stopwatch, en
f. ronde herontstekingsbak met een
doorsnede van 0,3 meter en een hoogte van 0,2 meter, gevuld met 2
liter dieselolie of kerosine.
Condities:
a. luchttemperatuur 15 ºC of meer,
b. schuimtemperatuur 15 ºC of meer,
c. windsnelheid 3 meter per seconde of
minder.
Test procedure
– Plaats de testapparatuur bovenwinds
met de straalpijp horizontaal op een hoogte van 1 meter boven de rand
van de bak. De afstand tot de bak moet dusdanig zijn dat het schuim in
het midden van de bak zal komen. De straalpijp mag gedurende de test
in het horizontale vlak bewogen worden.
– Test de druk aan de
schuimstraalpijp en test de afgifte capaciteit.
(Indien een test voor type B schuim
wordt uitgevoerd moet er 100 liter water en vervolgens 100 liter
brandstof in bak met een oppervlakte van 4,5 m2 worden gedaan, voor
type A is dit 60 liter water en 60 liter brandstof in een bak met een
oppervlakte van 2,8 m2.)
– Ontsteek de brandstof en laat deze
60 seconden voorbranden na volledige ontbranding.
– Dien gedurende 120 seconden schuim
toe met een schuimstraalpijp druk van 700 kPa.
– Neem de blustijd op.
– Plaats herontstekingsbak in het
midden van de vuurbak.
– Ontsteek de herontstekingsbak 120
seconden nadat het laatste schuim toegediend is.
– Noteer de tijd van het ogenblik dat
25 procent van de brandstofoppervlak weer brand.
|
Brandtest |
Uitvoering test voor
type A |
Uitvoering test voor
type B |
|
Schuimstraalpijp |
UNI 86 schuimstraalpijp |
UNI 86 schuimstraalpijp |
| |
|
|
|
Druk |
700 hPa |
700 hPa |
| |
|
|
|
Afgifte capaciteit |
4,1 l/min/m2 = 11,4 l/min voor een
ronde bak met een oppervlakte van 2,8 m2 |
2,5 l/min/m2 = 11,4 l/min voor een
ronde bak met een oppervlakte van 4,5 m2 |
| |
|
|
|
Brandstof |
AVTUR of Jet A |
AVTUR of Jet A |
| |
|
|
|
Voorbrandtijd |
60 seconden |
60 seconden |
| |
|
|
|
Resultaat |
|
|
| |
|
|
|
Blustijd |
Minder of gelijk aan 60 sec. |
Minder of gelijk aan 60 sec. |
| |
|
|
|
Duur schuimafgifte |
120 sec. |
120 sec. |
| |
|
|
|
25% herontstekingstijd |
Meer of gelijk aan 5 min. |
Meer of gelijk aan 5 min. |
Bijlage D, bedoeld in artikel 18, eerste
lid
[Illustraties verwijderd]
|